De Liereman

Part 1

Chapter 1 3,976 words Public domain Markdown

Produced by Vital Debroey

DE LIEREMAN.

Luimige en Ernstige MUZE.

door

L. SCHIPPER.

DE LIEREMAN.

Vrienden! koopt! wie koopen kan, Koopt wat van den Liereman; 'k Heb weêr liedjes van elks gading, 'k Breng een schip met rijke lading, Zoekt maar uit den vollen hoop, 'k Heb er nog genoeg te koop.

Maar, gij vraagt me: "zijn ze mooi?" 't Antwoord is: van 't beste allooi, Vol van vinding, gloed en leven, Immers, 'k heb ze zelf geschreven? En een hoofdpoëet als ik, Kent de rijmkunst op een' prik.

Ergo, wie dees zangen laak', Heeft geen enkel greintje smaak; Weest dus op uw hoede, Heeren! Die mijn werk zult recenseren; Want, wie deze deuntjes fluit, Wijst zijn eigen vonnis uit.

Koopt dan, koopt! wie koopen kan, Koopt wat van den Liereman; 'k Heb weêr liedjes van elks gading, 'k Breng een schip met rijke lading, Zoekt maar uit den vollen hoop, 'k Heb er nog genoeg te koop.

INHOUD.

De Liereman. Het Kaartspel. De Oude en Nieuwe Maat. De Droom. De Patrijzen. Jan. De twee Honden. De vrome Werkbaas. De Vlieg. Het Medaillon-Portret. De verdronken Acteur. Het Portret van den Dood. De Gekken. Stalen Pennen. Mijn Grootje. Gerust in de onstuime Baren. Een klein Spruitje wordt eindelijk een Boom. Voor Godsdienst en Vaderland. Deugd schept Vreugd. Elck wat Wils. Genoegh is meer. Elck zijn Waerom. Elck spiegele Hem Zelven. 't Kan Verkeeren. Hora ruit. Peut-être. Repos ailleurs. Vita mortalium vigilia. Getrouw. 't Uur is dáár. Huwelijks-Liedje. De Ooijevaars. Op den Dood van een' Landman. Aan een' rat. De Lach. Het Weesje. Huwelijksvereeniging. Drift. De Laster. Eenvoud. Aan een' blinden Toonkunstenaar. De Muis. t' Huiskomst. Wie? De Mensch. Aan een' Schilder. De Grafsteen. Toonkunst. Gedachten bij het Graf van _A. C. W. Staring_. Het levenspad. Het blinde Vinkje. Troost.

WAARSCHUWING van eenen Onbevooroordeelde.

Hoe de Liereman ook roepe en schreeuwe en zijne koopmanschap aanprijze, men meene daarom niet, dat al wat hij uitvent, voor den zang geschikt, of zoo bijzonder mooi is.

In geenen deele; hij handelt meestal in oude snuisterijen, en nieuwe snuifjes zoudt ge vruchteloos bij hem zoeken.

Gij moet dus wel opletten, dat hij u geene appelen voor citroenen in handen stopt, want, ieder is een dief in zijne nering.

Nogtans, ik wil zijn nadeel niet, en wensch zijne waar eene even vleijende recensie, als het onlangs bij den Boekhandelaar LAGERWEY te Dordrecht uitgegevene product: Engelin! vergeet mij niet, geheeten-- welke beoordeeling Refer. (Letteroefeningen N° 9, voor Julij 1843.) aldus eindigt: "Ook Luimigheid is een lief stukje, hetwelk gelijk mede sommige der overigen, geen ongeschikt Volksliedje zou wezen."

VORDEN, 30 Sept. 1843.

HET KAARTSPEL

"Wat!" vraagt gij, "is dat consequent? "Erast, de nieuwe lichter, "Koopt steeds 't antiekste ameublement, "Maar blijft Gomaars betichter, "Hij is 't, die, 't oude en nieuwe zoekt, "En tevens 't nieuwe en oude vloekt!"

Ik vonnis niet en haat den twist, Ja, laat aan elk zijn keuze, Wie 't aardsch en hemelsch stout beslist, De vrijheid zij mijn leuze! Maar toch, ik zeg uit vol gemoed, In 't oud en nieuw is kwaad en goed!

Doch nu van 't kaartspel - zie! uw drift Bragt heel mij van 't chapiter; Het kaartspel, luidt het bovenschrift, Voor 't kaartspel klink' de citer; Welaan, mijn zangster! men verbeidt, Zing luid van de oudste antiquiteit!

1. Met regt, dat Memphis boezem zwell', Om de eer haar rijk beschoren; Dáár, dáár is 't eerste kaartenspel, Door 't schoonst genie geboren; En de allergrijste piramied, Is nog zoo grijs als 't kaartspel niet!

2. Hoe juichte Egypte in d'eêlsten schat, Den schat van eigen vinding, En bragt, door hieroglyphen, 't blad, Met godsdienst in verbinding; Zoodat, van vromen geest bezield, Men kaartenspelend oefning hield!

3. Sibyllen! uw orakelhol, Hadd' nooit van goud geblonken, Zoo niet de kaart, den vragersbol Het antwoord hadd' geschonken; Uw goochelkunst staat nog in eer, Groei, bloei, o kaartenleggren-heer!

4. Hoe! rukken Moor en Arabier Zoo plotsling uit het Oosten? U, Spanje! geldt het krijgsgetier, Maar 't zoetst geschenk zal troosten! De vijand biedt de kaart u aan, En gij--verwenscht heur naar de maan!

5. Fluks waagt ze een kans in Frankenland, 't Wou eerst ook dáár niet lukken, Maar--zesde Karel,--zijn verstand, Kreeg eensklaps bijstre nukken! De Vorst wordt meer dan stapel gek, En nu, nu komt de kaart in trek!

6. De groote schilder Gringoneur, Een baas in 't portretteren, Liet in het spel, door frissche kleur, Geheel het hof spanceren; Dat deed den Koning zulk een deeg, Dat Gringoneur een lintje kreeg!

7. Maar eerst verdeelt hij nog de kaart, In vier verscheiden rijken; Hij had het opperbest geklaard, Elk stond er van te kijken! Geen mensch, die iets te vitten had, En, bij de Vorsten, zegt dat wat!

8. Bourgondië verkreeg een ruit; De Frank, een schop, op 't plaatje; Een hart viel Orleans ten buit; Brittanje een klaverblaadje; Naauw was het af,--of zie, 't palet Schonk nu den hofstoet zijn portret!

9. La Hire en Hector, o, hoe schoon Wist u de kunst te malen! Gij spreidt het beeld van Mars ten toon, Kloekhafte Generalen! En wie de ronde boeren ziet, Miskent uw sprekend wezen niet!

10. Dat 's ruitenvrouw '--neen, 't is Sorel, Het liefje van den Koning, 't Was met des Konings hoofd niet wel, Daarom dient hij verschooning, Geen ander Vorst, bij vol verstand, Heeft immers liefjes aan de hand?

11. Wie, Pallas, maagd van Orleans! Die streed voor 's Konings regten, Wie waagt niet liefst met u een kans In 't eten, dan in 't vechten? Uw schoppen, schoppenvrouw, had klein, Gij schopte menige _Goddem_!

12. Wat majesteit, wat fiere bouw, Wat pracht van zijde lokken, O, overschoone klavervrouw! Gij hebt mijn oog getrokken! Maar dat mijn min zich zelv' verwinn', Ik bloos--'t is Frankrijks Koningin.

13. Wat lacht die freule harten wit, Haar hartje speelt in harten, Voor 't klooster had de maagd geen zit, Wis bragt ze er vreemde parten! Foei, Isabel van Beijren, foei! Uw goede naam krijgt nog een' knoei!

14. Maar wie of schoppenheer mag zijn? Dat 's wel een uitgelezen! 't Is Isrels David--de Dauphin, Er schijnt iets joodsch in 't wezen! Hij is, gemeten met een zeef, Nog Koning Davids achterneef!

Zoo biedt u elke pop het beeld Van eene onschatbre parel; En ieder, die een kaartje speelt, Speelt met het Hof van Karel! Doch de arm wordt lam van 't wijzen, stop! Sla zelv' uw kunstverzaamling op.

Wij keeren tot den Koning weêr, Hoor, 'k wil het niet verhelen, 't Was droevig toch, een Vorst en Heer, Met prentjes te zien spelen, Maar wonder, zonder wedergâ, Gansch Frankrijk aapte 't voorbeeld na!

Wat, Frankrijk? door heel 't wereldrond Kwam 't kaartspel in de mode; Nu, daar een Koning 't aardig vond, Een zot, die 't niet vergoodde, En was het spel, het spel eens dwaas, 't Was toch ook 't spel eens grooten baas!

Lof, driewerf lof, dus, de eedle kaart! Wier kunst de tijd doet spoeijen; Lof, 't vorstlijk spel! zoo wijd vermaard, Dat gekken zelfs kan boeijen, Lof, lof, aan de oudste antiquiteit, Die zoo veel vreugd voor de aard bereidt!

* * * * *

1. De eigenlijke oorsprong der speelkaarten, huist in Egypte.

2. De Egyptenaren beschreven de kaart met hieroglyphen, waardoor hun spel tegelijk eene godsdienstige strekking kreeg.

3. Op dergelijke bladen, van Egypte afkomstig, schreven ook de Sibyllen, eene soort van waarzegsters, hare orakelen. Voor hen, die haar kwamen raadplegen, wierpen zij deze kaarten in het wilde en door elkander, uit haar donker woonverblijf, waaruit dan de vrager een antwoord moest zoeken.

4. Weldra verspreidde zich de kaarten door geheel het Oosten, vooral onder de Mooren en Arabieren, die haar wederom in Spanje, onder den naam van Terrotten invoerden, waar dezelve, uit haat tegen de Moren, ten strengste verboden werden.

5. Uit Spanje werden zij in Frankrijk overgebragt, waar Koning Karel de Vijfde in 1396, ze mede niet dulden wilde. Een beter lot trof haar staande de regering van zijn' ijlhoofdigen opvolger, Karel den Zesden.

6. Een zeker Franschman, Jacquemin Gringoneur, vond uit, (tot niet weinig vermaak van den simpelen Koning), om eenige voorname personen van het Hof, op de kaart te schilderen.

7. De vier hoofdbenamingen der kaart, verdeelde hij in vier rijken.

8. Bourgondië was ruiten, Frankrijk schoppen, Orleans harten en Brittanje klaverkaart.

9. La Hire en Hector, waren twee dappere Fransche Generaals, die in harten en ruitenboer werden afgebeeld.

10. Agnes Sorel, de maitresse des Konings was ruitenvrouw, onder de benaming van Rachel.

11. De beroemde maagd van Orleans, die zoo moedig tegen de Engelschen streed, werd Pallas genoemd, doch is eerst later in de kaart opgenomen.

12. De schoone Koningin Maria van Anjou, werd, onder den titel van Argina, eene verbastering van het Latijnsche Regina (Koningin), in klavervrouw voorgesteld.

13. Isabella van Beijeren, een niet onbekend hofdametje, werd in vervolg van tijd als Judith' in hartenvrouw vereerd.

14. Schoppenheer was de Dauphin, naderhand Koning Karel de Zevende. Omdat zijn leven iets naar dat van Koning David zweemde, werd Karel op de kaart naar Israëls Vorst vernoemd.

DE OUDE EN NIEUWE MAAT.

De oude maten en gewigten Verlieten 't land; De nieuwe gaan hun dienst verrigten, En treên in stand; Dat gaf aan de eedle winkelieren, Een dolle pret, Maar hoe misnoegdheid moge tieren, Men vreest de wet! Het hoog bevel, had ook de scholen Voor wijd en zijd, Het nieuwe stelsel aanbevolen, Der school ten spijt: "Weg, met die leelke decimalen!" Zoo riep de jeugd, "De duivel mag die vinding halen, "Tot aller vreugd!"

Eens kwam de meester met twee ellen, Één nieuw', één oud', "Kom," zegt hij, "staak dat babblend rellen, En wees niet stout! "'k Wijs u het voordeel aan, dat de eene Op de andre heeft, "'t Is tot uw eigen best, naar 'k meene, "Zoo ge aandacht geeft!"

Maar geene attentie is te winnen, Men meesmuilt slechts, En ziet, met afgedwaalde zinnen, Dan links, dan regts, Eén onder hen, een kleine snuiter, Die niets ontziet, Roept luid, van kop tot teen een muiter, "Ik leer dat niet!"

"Wat!" zegt de meester, "kwade jongen! "Hoor ik het wel? "Dat liedjen is gaauw uitgezongen!" Hij dreigt met de el ... Maar de ondeugd roept: "spaar uw geweten, Wat euveldaad, "Gij moogt mij met dees el niet meten!"-- 't Was de oude maat!

DE DROOM.

Van mijn wandling moê en mat, Gaf ik me, onder 't beukenloover, Bij eens beekjes kabblend nat, Aan de rust op 't mosbed over, 'k Viel in sluimring; maar, wat droom! Droomde ik aan dien oeverzoom?

't Was me, als gleed ik telkens meer In de diepe waterkolken, Bij het schubbig goedje neêr, Burgers, die den stroom bevolken! Enklen, uit hun element, Waren mij bij naam bekend.

O! wat wereld leefde om mij! Welk een wriemlen, wat krioelen, In die vreemde maatschappij, Welk een trachten en bedoelen; Want, geen vischje was zoo dom, Dat niet wist waarom het zwom!

Maar, door welk een vrees beklemd, Gaat dat kleine kaarsje dolen? Hoe 't dien grooten snoek ontzwemt! De angst houdt het in 't riet verholen, Had de groote u daar betrapt, Kleine! gij waart opgehapt.

'k Schrikte wakker--"Foei, dat's wreed!" Riep ik, "dat gij, groote slokkers! "De arme kleine vischjes eet, "Schaamt u, leelke booze schrokkers! "Neemt een voorbeeld toch aan de aard', "Daar is 't, dat de sterke groote steeds den zwakken kleine spaart!"

DE PATRIJZEN.

"Tom! breng deez' brief met zes patrijzen "Eens gaauw naar 't landgoed Smullenhof; "Maar," spreekt Mijnheer, "niet droomen, of "Dees stok zal straks zijn kracht bewijzen! "('k Zie hoe Baron van Lekkerbek "Al schranst ...) toe, voort dan, luije gek!"

De vluggert ijlt met slakke schreden, En meer en meerder krimpt zijn stap. "'k Was," zegt hij, "altijd kloek en rap, "Ja schaars, die zoo veel arbeid deden, "Maar zonder poozen, zulk een vracht, "Geen Simson zelfs bezat die kracht!"

Tom rust--verbruid, was dat ook sjouwen! Een half kwartier heeft de arme vent, Het telkens zwaardere present, Al voortgesleept ... wie kon 't aanschouwen? Wel is de weg haast afgelegd, Maar hoor, natuur heeft ook haar regt!

Ras sluit de slaap zijn oogleên digt, Een guit, die hem in 't gras zag glijden, Werd zoo vervuld van medelijden, Dat hij des stakkers last verligt. "'k Deed," zegt de schalk, "nog nooit één schot, "Maar 't loopt mij meê, dees jagt gaat vlot!"

En naauwlijks is een uur vervlogen, Of vlugge Tom is reeds ontwaakt; Dan ach, de vogels zijn geschaakt! "Een dief," snikt hij, "heeft mij bedrogen!" Want waar het zoekend oog ook ziet, Het malsch gevleugelte is er niet!

Wat raad? de vrees verheert zijn zinnen! Halfdood zal Lekkerbek hem slaan, Om 't boutjen aan zijn' mond ontgaan. "Stil," roept hij, "daar schiet me iets te binnen! "'k Geef aan de poort den brief gaauw af, "Zwijg van 't geschenk en neem den draf!"

Maar zie, tot overmaat van smarte, Treed onverwachts het aadlijk bloed, Hem, uit een zijlaan, te gemoet. Tom zit er in, hoe heeft zijn harte! Toch brengt hij, schoon hem de angst verwon, Zijn halve boodschap den Baron.

En nu--of Tom ook wist van beenen, Geen haas, door't schot verschrikt, zoo vlug, Maar Heer Baron roept hem terug. "Waar," vraagt hij, "toch zoo vliegend henen? "Ik zag je nooit zoo driftig vliên, "Ligt moet er antwoord zijn, laat zien."

"'t Schrift zie ik, houdt een gift in, jongen! "an zes patrijzen." "Hoe!" juicht Tom, "De vlugtelingen zijn weêrom? "Wat pak van 't hart! nu luid gezongen! "Ik dwaas, toen 'k meende, dat een dief.... "Het doode wild vloog in den brief!"

JAN.

"Is niet mijn naam," sprak Jan, "de schoonste naam op aarde? "Waar klinkt er een van hooger waarde? 1. "heeft hij geen Heilge tot Patroon? "Droeg menig Jan geen Koningskroon? 2. "En liet niet de Amstelstad mijn' doopnaam door haar' toren, "Vóór zij dien toren had verloren, "Tot boven in de wolken gloren? "Omhoog, omlaag, ja van 't begin tot 's werelds end, "Is overal mijn naam Bekend!"

Uw mond spreekt waarheid, Jan! den nijd ten spijt, Uw grootsche naam klinkt wijd en zijd! Doch 'k hoorde u lang de helft niet noemen, Van de eer, waarop uw naam kan roemen. Uw kieschheid wil zijn' lof verbloemen! Uw onvolprezen naam, bevat Een' schat voor zee, en dorp, en stad; Ja, zoo eens de aarde uw' naam niet hadd'; Hoe zou het onze taal gelukken, Door één woord, zóó veel uit te drukken?

_Het Jan en alleman_, bij voorbeeld, vindt Gij dat het juiste woord niet, vrind! Om rijp en groen, Fatsoen en geen fatsoen, Om vogels van allerlei zangen en veêren, Als in een volière te zien converseren?

Zoo is uw oordeel ook het teeken, Waarmeê wij van rapalje spreken, Voorzeker duizendwerf gebleken, Daar niets uw vlug begrip ontgaat, _Jan rap en zijn maat_, _Janhagel van straat_, Geen naam, van welk een krachtgeluid, Drukte immer zóó 't kanaljen uit!

En o! hoe vol beduidenis, Uw naam op 't golvend zeeveld is! Het zeeveld, waar de nijvre hand Goud oogstte voor het Vaderland. Wie onzer kent in ieder deel, Niet _Janmaat_ van het zeekasteel?

Gij weet, wie men _Jan_ op het aangezigt leest? 't Is immers de knecht, de gedienstige geest? Zijn naam is als knechtsnaam gepersonifiëerd, Geen knecht, die niet hoort, dien men Jan tituleert!

Er heerschte eens een groot Koning, In 't fier Brittannisch rijk; In magt en prachtvertooning, Geen Sultan hem gelijk! Maar wat den glans verhoogde Der schitterende ster, Waar 't meest de Vorst op boogde, 3. Hij heette _Jean sans Terre_!

Beeld der reinste huwlijkstrouw! Hulp der liefderijkste vrouw! Onvermoeide plasser! Nooit zie ik mijn schoolprent aan, Of mijn oog wijdt u een' traan, Wakkre _Jan de wasscher_!

Schoon ook vol spijt op Neêrlands roem, Uitheemsche nijd, _Jan Kaas_ ons noem', Wie immer zich deez' titel schaam', Gij prijst dien zuivelrijken naam!

Wat gekwels, wat gekwels, Voor de kindren Israëls! Als de schimp zich durft vermeten, Honend, _Spek Jan_ hen te heeten, Wetend, dat der Joden wet, Hun dien vetten mond belet!

Hoe menig kransjen ik reeds vlocht, 'k Ben, vriend! nog lang niet uitverkocht, Kom, nieuwe _Jannen_ opgezocht!

En zou ik dan _Jantje Contrairie_ niet melden? In tegenspraak, zeker, de held aller helden! Die nimmer, in wat gij beweren zult, treedt, De wijsheid in pacht heeft, alléén het maar weet!

Zie, achter gindsche schuine deur, Woont weêr een _Jan_ van de eerste keur; Of noemt de mond, van oud tot ouder, Niet _Janoom_, d'eedlen lombardhouder?

Juich, weêr hebt gij juichensstof, Hecht aan de u geschonken' lof, Vol van dank, uw zegel! Zelfs een hof heeft zich vernoemd, Naar uw' puiknaam zoo beroemd 't Hof is 't van _Jan Vlegel_!

Een Jan, wiens aard ik nooit ontdekken, Wiens afkomst 'k nooit naar eisch vernam, Komt weêr mijn peinzende aandacht wekken, _Klein Jantjen is 't van Amsterdam_!

Was hij een oude knaap, Als Zandvoorts Simon Paap, En daarom de Amstelstad, Met regt op hem zoo prat? Een prijsvraag dient geschreven, om 't duistre licht te geven!

Ai, hoor mij dien razender driftkop eens woên! "'k Zal daadlijk," dus gilt hij, "den snoodaard gaan vinden, "Die zóó mij te lastren zich dorst onderwinden! "'t Duël zal beslissen en eer geen verzoen." Dáár naakt zijn doodsvijand--wat lot zal hem beiden? Bedaar slechts, 't loopt af met een _Jantje van Leiden_!

En koos niet zelfs Voltaire's luit, Uw' naam voor duizend anderen uit, En heeft zijn dichterlijke stift, Voor tijdgenoot en nageslacht, Niet schitterend uw' naam gegrift, 4. In _Jan die weent, en Jan die lacht_!

Speelt iemand een geklijken rol, Van handel en wandel wat dol, Uw naam biedt zijn beeld aan de lippen: Zijn rede is dan, zegt men, op hol, Hij schermt in het ronde, de bol, _Als malle Jan onder de kippen_!

Ook leent ge uw' naam aan 't achtbaar wapen, Dat strijdende voor pligt en eer, Een' lauwerkrans drukt op de slapen, Van wien het moedigst trekt van leer! Dat lemmer forsch en breed, Dat van geen zwichten weet, Op wier het is gebeten, Door zee-robs krijgstuigboek, met regt, _Kortjan_ geheeten!

Wat woelt en wat joelt de krioelende jeugd? De blos van 't genoegen kleurt lagchend heer kaken! Zij springen en dansen en dartlen van vreugd, Ze hoores den Ronzebons fluitend genaken. Zeg, maakt niet _Jan Klaassen_ de jeugd zoo verheugd?

Amsterdamsch Menagerie! 'k Denk aan u met zoet ontroeren; Apentuin der tuinen, die Ook den schoonsten naam mag voeren. Wat zijt gij, _Artis_ van ons heden, 5. Bij _Blaauw Jan_ van het verleden?

Ook voor den man, die graag de broek Verruilt voor vrouwliefs schorteldoek, Voor keukenklouwers, die zich 't pottenschrappen wennen, Klinkt weêr uw puiknaam in _Janhennen_!

Nieuwe, flonkerende luister, Is weêr voor u opgedaagd! Neêrlands schrandre Pensionaris, Droeg den naam, dien gij thans draagt; Naam, als type van de staatkunst, (Wondere karaktrestiek!) Vele Jannen steeds gegeven, Om hun fijne politiek! Of, zijn het geen diplomaten, Vol verstand, vol kern en pit, Waar de lof van kan getuigen, Jongens zijn 't van _Jan de Wit_?

Wat rare Jan treedt dáár te voren? Zijn phlegma schijnt hem aangeboren; Nooit kon de drift zijn rust verstoren; 't Is hem hetzelfde hoe het gaat, Neen, hij weet van den Prins geen kwaad! Hij is wat lijmig in zijn' praat; Een snuggre kop, die op hem staat! Het is _Jan Salie_, kameraad!

Maar ook in 't zedelijk bestaan, Hoort men uw' naam den grondtoon slaan Of duidt hij niet den lichtmis aan, Zoo goed als 't Fransche bon-vivant, In 't enkel woordje, _'t is een Jan_!

"'k Zeg, langzaam gaat zeker!" roept _Jantje sekuur_! Want langzaam en zeker is Jantje's natuur, Zijn gansche bestaan door exactheid geteekend, Heeft ieder bedrijf met een' passer berekend, En wikkend en wegend met rijp overleg, Betreden zijn schreden den veiligsten weg! "Beloften," dus spreekt hij, "beloften verzwinden, "'k Hecht steviger banden, die knellender binden, "Al ware 't een Engel, 't moet zwart maar op wit; "'k Erken geen contract, zoo ik dat niet bezit!"

Noem me op aarde een rijksgebied; Waar men dezen Jan niet ziet? Kijk, hij is een heele piet! Schoon zijn boêltje liep in 't riet, 't Baart zijn' boezem geen verdriet, "Borg maar!" is zijn daaglijksch lied, Welke winkel kent u niet, Welke winkel, _Jan Crediet_?

Wat onderwerp vol weidschen zwier, Zet, zangster! uw gemoed in vier, En boeit ons aan uwe elpen lier? "Lof, driewerf lof, den _Jan pleizier_! Dien snellen wagen, Het welbehagen Der oude dagen! Die ook al verdween, Door mode bestreên, Maar toch om zijn' naam; Nog leeft door de Faam!

Bij den Jan pleizier in aanzien, Als bij d' edelman de boer, Naakt het beeld des sjouwend' ezels, Weêr een wagen van vervoer, 't Is de _Malle Jan_, die kreunend, Vracht, bij vracht, wordt opgetast, Is dan Jan geen goeije slokker, Die zich bukt voor zulk een' last!

Ei, zie eens, op mijne eer, Dat 's eerst een proper Heer! Gij vraagt: "wie hij mag wezen?" 't Is uit zijn oog te lezen! Mij dunkt, zijn eernaam staat In wat hij doet, of laat; En 'k dacht, hij schoot uw zinnen, Al reeds voor lang te binnen. Hoe suft uw schrandre kop? Hoor, volg deez' raad dan op: Uw allerrapste looper, Vlieg' naar den boekverkooper, 6. En vraag den _Jan Perfekt_! Het raadsel is ontdekt.

Wiens naam geeft men geniën milder, Geniën van het edelst soort? Ook Neêrlands kunsten kweekend oord, Gaf hem zijn' snaaksten schilder! Of zegt men niet met alle reên, Van schalksche en oolijke aardigheên, Ons onder 't lagchend oog getreên, _Het is een stukje van Jan Steen_?

"Hoe 't valschheid misduid', "Al kost het, verbruid! "Ook haring of kuit, "Mijn tong, wie haar stuit--" Roept: _Jantje regt uit_!

En dichters van uw' naam, 'k zeg, dichters, Wie noemt het tal dier gloriestichters? Neen, evenmin m' in 't nachtlijk uur De starren telt aan 't luchtazuur, Zoo min telt m' ook de lichten, die De _Jannen_ zijn der poëzie.

En nu, vermoeid van al het Jannen, Dien 'k eerst mijn kracht weêr zaam te spannen, Voor ik het verdre van mijn taak, Door de allerschoonste kroon volmaak, O! 'k heb nog _Jannen_ groot en klein, Mijn vriend! in 't altoos vruchtbaar brein, 'k Moet eerst maar wat op adem komen, En dan zij 't loflied weêr vernomen Van _Jan_.

* * * * *

1. Sint Jan.

2. De Jan Roode-poortstoren, te Amsterdam, doch nu gesloopt.

3. Jean-sans-Terre, Koning van Engeland, in 1166 geboren, en Jan zonder Land genaamd, omdat zijn vader, Hendrik de Tweede, hem geene bezittingen naliet.

4. Dichtstuk van Voltaire.

5. Voorheen op den Kloveniers-Burgwal, te dier stede.

6. Een met lof bekende roman van dien naam.

DE TWEE HONDEN.

"Ei zeg, is dat nu reg? "Mijnheer heeft zoo een' ekel "Aan Lord, dien boozen rekel," Sprak Piet, de brave knecht, "En toch, hij krijgt het meest! "Gaan niet de lekkre beenen "Altoos naar de ondeugd henen? "Daar heb je Does, dat beest, "De beste van de honden, "Die ergens wordt gevonden, "Die 't nimmer gortig maakt, "Bij al die vette beten, "Hoe trouw het dier ook waakt, "Wordt Doesje maar vergeten. "Dat 's onregt, op mijne eer!"

"Wel, domoor!" sprak mijnheer Die Piet had afgeluisterd, Hoe zacht hij had gefluisterd, "Ik dacht je meerder leep! "Zeg, voel je niet de kneep? "Mijn beentjes te verspillen "Aan Does, wat dwaze grillen, "'k Zou hem niet trouwer willen; "De lobbes hoeft ze niet! "Maar Lord, die kwade rakker, "Die valsche kuitepakker, "Door kluifjes wordt hij makker, "Ik vrees zijn tanden, Piet!"

DE VROME WERKBAAS.

(_Vertelling aan Frans._)

Gij weet, mijn baas is, Frans! een vroompje! Zijne oefningsklub noemt hem het roompje Der heiligste regtzinnigheid, Wien lang de hemel is bereid! Vaak spreekt hij in geheimenissen, Waar 'k nooit de meening van kan gissen; 't Heeft wel iets van mystiekerij, Hij noemt het echter profezij! Eerst zocht zijn vroomheid me op te wekken, Om meê naar de oefening te trekken; Daar spraken ze allen, zei hij, Frans! De ware tale Kanaäns; Daar riep de zuivre Dordsche leere: "Bekeer, bekeer, u tot den Heere! "Want wie niet Orthodoks wordt, is "Een prooije der verdoemenis!" "Daar kwamen al de nieuwgeboren', "De van den Hemel uitverkoren', "En laafde aan manna-spijs hun ziel, "Zoo als er nooit voor Isrel viel, "Die God het kuddeke verleende, "Dat dáár zich in den geest vereende!"