De lelie van 's-Gravenhage

Chapter 9

Chapter 93,931 wordsPublic domain

"Geen vrees!" antwoordde de graaf: "Zijn geldzucht is bevredigd; hij zwijgt, en niemand ter wereld zal buiten ons weten, dat de schoone Hagenlelie niet volgens de wetten van het bloed mijne dochter is. Luister: Toen de crisis uwer ziekte gekomen was, en allen voor uw behoud vreesden, toen kwam Van Rodenberg naar uw welstand vernemen. Zijne teleurstelling was zichtbaar, doch ik rekende het oogenblik gekomen dat ik hem moest mededeelen, dat gij gedurig reeds, zoo wel in ijlende droomen als in helderder oogenblikken, uw tegenzin in een huwelijk met hem hadt te kennen gegeven, en dat, zoo gij hersteldet, gij toch nimmer zijne gemalin zoudt kunnen worden. Zijn gelaat nam een wreedaardige plooi aan. Het kind van lage geboorte versmaadt mijn naam? sprak hij scherp. O lieve Gonne! vergeef mij, dat ik u zijne woorden herhaal, maar immers gij moet hem kennen, nietwaar? Welnu, ging hij voort: dan zal de wereld ook weten wie de dochter van den graaf Van Bergen is."

"Ik vreesde dit!" zeide Adelgonde met nedergeslagene oogen.

"Gij kunt begrijpen dat ik moeite had mijne bedaardheid te bewaren," hernam Van Bergen: "vooral daar hij het was, dien ik van zijne jeugd af aan, steeds met weldaden heb overladen. Doch, het was de zoon van mijn besten vriend Robbert! Ik hield mij in, en deed mij voor als doorgrondde ik de laagheid zijner woorden niet. Dit zou u weinig baten, antwoordde ik hem: Oneer is het niet. Ik zag hem glimlachen. Maar, vervolgde ik: Gij weet Walter, wat ik steeds voor u geweest ben. Ik gevoel dat gij een teleurstelling ondervindt. Van jongs af aan dacht gij Adelgonde tot vrouw, en met haar mijne nalatenschap te bekomen. Dit is een bittere teleurstelling; doch welk heil zou u een huwelijk aanbrengen met eene vrouw, die u niet genegen is? Laat Adelgonde in het bezit van haar naam: doe afstand van uw wensch, en zij schenkt u de helft van het vermogen, dat zij na mijn dood zal bezitten."

"Gij zoudt....?" riep Adelgonde.

"Heb ik niet wél gedaan, lieve Gonne?" hernam Van Bergen. "Voorzeker heb ik wat ruim over het uwe beschikt, doch thans blijft en zijt gij mijne lieve dochter."

"Uwe liefde, uwe goedheid!" riep Adelgonde, hem om den hals vallende: "o! die kan u alleen hiernamaals vergolden worden."

"Zoo is het mij goed," sprak de graaf: "gij zijt tevreden. Welnu Gonne, zult gij nu weder gelukkig zijn?"

Adelgonde zweeg een oogenblik; zij beschouwde het vriendelijk goedhartig gelaat van haar pleegvader, en zeide op vastberaden toon: "Ja, ik zal, voor u levende, door uw wil te doen, door u in alles te gehoorzamen, recht tevreden en ook gelukkig zijn."

"Amen!" zeide Van Bergen; ledigde toen zijn roemer, drukte het schoone meisje een kus op de lippen, en verwijderde zich.

ELFDE HOOFDSTUK.

"Ik vind het heel niet aardig van u Pieter, dat gij mij de bloempjes niet geven wilt; ik heb ze toch voor 't meest geplukt," sprak een aardig meisje van ongeveer zes jaren tot haar broertje, dat ruim een jaar ouder scheen en thans met een mandje bloemen op eenige passen af stands van haar had postgevat.

"Foei, Neeltje!" antwoordde de goudgelokte jongen: "ik vind het van ú niet aardig; waarom moet gij ze dan hebben? Ik heb vrij wat meer moeite gehad! Hoe hoog heb ik dan niet moeten klimmen om bij dien gouden regen te komen?"

"En hoe dikwijls heb ik dan niet moeten opspringen om dien tros seringen beet te krijgen?" zeide Neeltje.

"Ja, maar ik heb mijn vingers bijna allen opengekrabd aan de pieken van de acasia's," hernam Pieter.

"Och toe Pieterlief! geef mij nu maar het mandje?" smeekte het aardige meisje.

"Nu dan Neeltje! hoor: als je met mij wilt gaan varen."

"Op de gracht?" vroeg het meisje: "Neen, dat durf ik niet."

"Bah! wat een bangert; en waarom niet?"

"Wel, omdat het niet mag."

"Maar, dat heeft ons vandaag toch niemand verboden."

"Vandaag, neen, dat is waar, maar gisteren zei Aafke toch, dat wij volstrekt niet in de boot mochten gaan."

"Hoe kinderachtig!" zeide Pieter lachende: "Is het dan vandaag dezelfde dag als gisteren. Kom, ga maar even mee; de boot ligt daar, en als gij het doet, geloof ik wel dat ik u de bloemen zal geven."

"Zoudt gij dan niet denken dat Aafke ons beknorren zal?" vroeg Neeltje.

"Wel neen, toch niet, en als gij haar de bloemen geeft, dan is het immers dadelijk weer over. Wij zullen heel prettig varen."

"Maar kunt gij wel roeien, Piet?"

"Ja, of ik!" antwoordde het knaapje, terwijl hij, bij de schuit gekomen, haar van den paal, waaraan zij was vastgebonden, losmaakte: "Kom maar hier Neeltje! Ziezoo, wees voorzichtig, val niet.... Ga daar nu maar achter op de bank zitten."

"Hé Piet! als we nu maar geen knorren krijgen. Denkt gij niet? want anders ga ik er nog liever weer uit."

"Neen, volstrekt niet! Als ge nu maar heel stil blijft zitten."

"Geef mij dan nu de bloemen; ge kunt ze nu toch niet vasthouden."

"Tralala!" lachte de kleine plaaggeest: "Ik heb u in de schuit, en nu kan ik nog doen wat ik wil."

"Neen, maar dat vind ik nu al heel leelijk en stout," zeide het kleine meisje, terwijl haar het huilen nader stond dan het lachen.

"Nu, wees maar stil," hernam de jongen, die bang was dat zijn zusje zou huilen of roepen: "Ik heb er wat op gevonden; wij zullen het mandje samen geven."

"Hoe kan dat?" vroeg Neeltje.

"Wel, dan houden wij het beiden vast als wij het geven."

"Ieder aan een kant?"

"Ja, vindt gij dat niet goed?"

"Ja, dat gaat nog al; maar dan mag ik toch zeggen, dat wij deze bloemen voor Aafke hebben geplukt?"

"Nu, dat kan mij niet schelen; of gij dit zegt of ik, dat is mij hetzelfde. Maar," vervolgde hij, terwijl hij al zijn krachten inspande om de boot van het droge vlot te krijgen: "maar Neel! wat zit die schuit vast, help mij eens even tegen de roeispaan drukken."

Neeltje gehoorzaamde en kwam zeer voorzichtig naar voren om den kleinen jongen te helpen. Beiden hielden nu de roeispaan vast en vereenigden hunne krachten om het vaartuig vlot te krijgen; doch tevergeefs. "Ik zal de spaan eens tegen dien steen zetten," zeide de knaap: "die is harder." Hij deed dit en de twee kinderen drukten en persten met vereende krachten, totdat hunne aangezichtjes zoo rood als scharlaken werden.

"Nog eens: één, twee, drie!" zeide de knaap; de roeispaan gleed langs den steen af; de kinderen verloren hun evenwicht en beiden vielen voorover in de schuit neder.

Een luid geween en geklaag was het begin en het besluit van dit roeitochtje. Het schreien der kleinen werd ras vernomen, en het reeds dikwerf genoemde Aafke kwam haastig aanloopen om de twee ongehoorzame kinderen de behulpzame hand te bieden.

Spoedig waren zij uit de schuit op den vasten wal overgebracht. Pieter bloedde uit den mond, dewijl hem twee tandjes waren losgevallen. Maar Neeltje, hoewel van het hoofd tot de voeten beslijkt, had volstrekt geen letsel bekomen.

"Foei! ik had het u zoo verboden," sprak de oudste zuster der nog steeds weenende kinderen: "Ziedaar nu, Piet, de gevolgen van uw ongehoorzaamheid."

"Maar," zeide Neeltje nog steeds snikkende: "maar.... Aaf.... Piet heeft.... gezegd.... dat wel gisteren.... maar niet.... vandaag."

"Kom, dat weet hij wel beter," antwoordde Aafke: "eenmaal verboden blijft verboden.--Maar zie, daar staat nog een mandje met bloemen in de schuit.--Wacht," en meteen wipte zij weder in de boot en bracht de bloemen mede terug.

"En die hadden.... wij nog wel.... voor u geplukt," zeide Pieter op verongelijkten toon.

"Ja.... wij waren den ge....heelen morgen, voor u aan.... het zoeken geweest...." hernam Neeltje weder, voortdurend hikkende.

"Welnu, ik beknor u immers niet meer," zeide Aafke: "Ik ben recht blijde met de bloemen; maar wees nu nooit weer ongehoorzaam." Zij nam vervolgens op iederen arm een der kleinen, nam het mandje insgelijks mede, en liep toen zoo snel als de tamelijk zware vracht haar dit toeliet, naar de woning van haar vader, die tuinman op het kasteel den Blankert was. Hier waschte zij haar broer en zusje de aangezichten en handjes schoon; bezorgde Pieter een glas water om zijn mond te spoelen; gaf hun eenige schoone roode kersen; liet het toezicht over de kleinen aan hare twaalfjarige zuster over, en snelde toen vlug met de ruimgevulde bloemenmand ter deure uit.

Weldra was zij in het kasteel gekomen. Dadelijk verborg zij de bloemen in een van de vertrekken der dienstboden; sneed toen eenige sneden van een zeer groot grijsachtig brood; vulde eene kruik met helder water, en stak zeer behendig een groot stuk kaas in den zak.

"Mijnheer Rosio, wilt gij mij den sleutel van den kelder geven?" vroeg Aafke aan den rentmeester van de gravin Van Bergen, die in vroegere jaren zijne gebiedster uit Frankrijk naar Holland was gevolgd en in alle opzichten haar zeer bijzonder vertrouwen genoot.

"Gaat gij den boeteling nu reeds weder bezoeken?" vroeg Rosio.

"Ik zal hem zijn maal brengen," antwoordde het meisje: "het wordt hoog tijd: En ik moet dan nog wel alles in het werk stellen om hem tot het gebruiken der spijzen over te halen."

"Weigert hij te eten?"

"De twee laatste malen wilde hij volstrekt niets nuttigen. Gij hebt mij bevolen te wachten totdat hij gedaan heeft."

"Eertijds verslond hij alles in een oogenblik," hernam Rosio; "en thans...."

"Zooals ik u zeg," zeide Aafke: "ik moet hem schier bidden en smeeken om te eten."

"De godsdienstijver kan overdreven worden," hernam Rosio. "Boetedoen is goed en noodzakelijk, doch men moet niet verder gaan dan de Heilige Kerk het beveelt. Hier is de sleutel; maar breng hem aan het verstand, dat zijne zonden eeuwig gestraft zullen worden indien hij zijn geweten nog bovendien met een zelfmoord zou bezwaren."

"Zeer goed!" zeide het meisje, en snelde met den grooten sleutel naar het dienstbodenvertrek terug. Zij haalde de bloemen weder te voorschijn en plaatste het daarmede gevulde mandje op het grijze brood, dat zij onder in een spijskorf gelegd had; nam den korf in de eene en de waterkruik in de andere hand, en ging, alzoo voorzien, den zoogenaamden boeteling opzoeken.

Een smalle steenen wenteltrap voerde haar ongeveer twaalf voeten onder de oppervlakte der aarde. Nog eenige schreden ging zij door een nauwe en vochtige gang waarin het volkomen nacht was, en bevond zich toen voor een zware met ijzer beslagene deur; lang zocht zij met den sleutel naar het sleutelgat, doch eindelijk gelukte het haar de deur te openen. Een zwavelachtige lucht drong haar tegemoet, en een weifelachtige schemering, die de plaats waar zij binnengetreden was aan een volstrekte duisternis onttrok, stelde haar in staat den ongelukkigen bewoner van dit sombere verblijf te ontdekken.

Het hol, want dezen naam verdiende het ellendige verblijf ten volle, was een regelmatig vierkant, waarvan elke zijde ter nauwernood zes voeten lengte had. Op de hooge steenen wanden parelde een salpeterachtig vocht. Verscheidene slakken en andere kelderinsecten kropen er in verschillende richtingen dooreen, en een kleine van dikke ijzeren staven voorziene opening, welke zich op ruim tien voeten hoogte bevond, gaf alleen het schaarsche licht en slechts luttel versche lucht aan dit somber gewelf.

Maar treuriger en akeliger dan de indruk van dit onderaardsche verblijf was nog de indruk, dien het eenige redelijke wezen moest teweegbrengen, 't welk er zijne dagen in jammer en ellende doorbracht.

De ongelukkige was een jongeling van ruim een en twintig jaren. Zijn leeftijd zou, indien men dien niet geweten had, moeilijk te bepalen zijn geweest, want zonderling dooreen vertoonde zijn gelaat de sporen van jeugd en ouderdom.

Dof en gevoelloos staarden zijne oogen, zijn gelaatskleur was geel of hetgeen men perkamentachtig zou kunnen noemen. Zijn voorhoofd was gerimpeld: De zwarte haren vielen lang en sluik langs zijne slapen neder. Zijne kleeding was van een grijze wolachtige stoffage, en slechts weinige vlasachtige haartjes omgaven zijne kin.

Met de beenen kruiselings onder zich, zat hij daar ginds in een hoek op een reeds grauw geworden bos stroo en toen het meisje binnentrad, wendde hij zijn hoofd even naar de deur, en trok den mond tot een pijnlijk lachen.

"Daar ben ik al vroeg Adel!" sprak Aafke hem aan: "Zeker zult gij wel naar mij verlangd hebben. Hebt gij honger?"

"Ja," antwoordde de ongelukkige, terwijl hij zijn antwoord met een toestemmend knikken vergezelde.

"Welnu," vervolgde het meisje, terwijl zij eerst de bloemen in een hoek van den kerker plaatste: "hier is brood en water, doch ik heb nog wat anders voor u meegebracht: zie hier een stuk kaas."

"Kaas!" zeide Adel, met een vrij welluidende stem, en nam gretig het aangeboden stuk in zijn magere handen.

"Hoe nu!" hernam Aafke, terwijl ze hem verhinderde het dadelijk te verslinden: "hebt gij reeds weder vergeten dat gij God om Zijn zegen daarover bidden moet?"

De ongelukkige voelde zich wel is waar teleurgesteld, doch legde het stuk niettemin dadelijk naast zich neder, vouwde de handen, deed de oogen dicht en bad luid: "Goede God! geef Uw zegen over dit voedsel."

"Eet nu eerst dit stuk brood," zeide het meisje weder. De gevangene voldeed hieraan, en weldra had hij het karige, doch voor hem uitmuntende maal, met ongeloofelijke graagte verslonden. Toen hij de laatste bete genuttigd had, vouwde hij uit eigene beweging nogmaals de handen, sloot de oogen weder, en dankte op dezelfde wijze als hij gebeden had.

"Zoo is het goed!" zeide het meisje: "En nu, daar gij zoo wél onthouden hebt wat ik u leerde, zal ik u ook eens wat moois laten zien dat die goede God gemaakt heeft." Zij nam het mandje met bloemen, plaatste zich naast den bewoner van dit sombere verblijf op het strooleger, nam toen een fraaien tros seringen, en hield hem dien voor de oogen..... Adels gelaat verkreeg, op het zien der schoone bloemen, eene uitdrukking van kinderlijke blijdschap. "Mooi!" zeide hij, en vervolgde, telkens zijne woorden afbrekende: "Mooi.... Adel hebben,.... moois van goeden God,.... Aafke gekregen!"

"God schenkt dit aan al zijne schepselen," hernam het meisje: "en Hij wil het ook aan u geven, daarom heeft Hij u, nu Mechteld dood is, mij tot verzorgster geschonken."

"Mechteld!" riep Adel met een akelige stem, terwijl hij over zijn geheele lichaam rilde.

"Neen, wij zullen niet meer aan haar denken,'" hernam Aafke medelijdend: "Zij is dood, en God zal haar het kwade vergelden, dat zij u gedaan heeft."

Intusschen had de ongelukkige Adel de bloemen reeds alle met verrukking beschouwd en om zich heen geschikt. De liefderijke verzorgster ging voort met hem op de schoonheid er van opmerkzaam te maken, verhaalde hem voortdurend van de wonderen Gods, en vroeg hem eindelijk: "En zoudt gij ook niet gaarne die aarde zien, waar al dat schoone op groeit?"

Adel begreep niet recht wat het meisje daarmede wilde zeggen, en zag haar vragende in de oogen.

"Ziet gij dien blauwen hemel wel?" ging zij voort, naar het getraliede venster wijzende: "Daarboven is God, en Hij kan u ook dáár brengen als Hij dat goed vindt."

"Gaan! dáárheen gaan!" zeide de jonkman terwijl hij den hals uitrekte.

"Luister!" vervolgde Aafke: "die God wil u daar ontvangen, doch dan moet gij ook Zijn heiligen Zoon bidden, dat Hij u komt verlossen."

"Verlossen!" zeide Adel weder en strekte zijne armen naar de opening uit.

"Zoo moet gij dikwerf bidden," zeide het meisje: "en dan zal God u van den booze bevrijden," doch eensklaps sprong zij verschrikt op, want duidelijk hoorde zij een zwaren tred van de trappen naar beneden komen.

In haastige drift gaarde zij terstond de verspreide bloemen bijeen, wierp die in den spijskorf, en was juist daarmede gereed, toen Rosio zich aan den ingang vertoonde.

"Geloof vrij, Adel!" zeide het meisje nu luide: "dat ik u ditmaal voor het laatst tot het gebruiken der spijzen heb aangemaand. Ik doe het niet meer, en dan kunt gij ondervinden wat het zegt den hongerdood te sterven!" Vervolgens keerde zij zich naar de deur, en hield zich alsof zij verschrikte, toen zij den rentmeester ontmoette.

Adel verstond de laatste snel gesprokene woorden van zijne weldadige verzorgster niet, maar hield steeds het hoofd en de handen naar het venster uitgestrekt; doch zoodra hij bemerkte, dat Aafke vertrokken en Rosio den kerker was binnengetreden, kromp hij in een, en verborg het hoofd tusschen de knieën.

"Ik beveel u te eten!" sprak Rosio: "of ik zal u een kost geven, die u minder smaken zal. Op deze wijze, verstaat gij?" en hij toonde het ongelukkige wezen een stuk touw, in welks einde een dikke knoop was gelegd.

Adels angstig gekerm klonk door het hol; en nadat Rosio nog een bespiedenden blik door den kerker had geworpen, verwijderde hij zich, sloot de deur zeer zorgvuldig dicht, en trad weinige minuten daarna het vertrek der gravin Van Bergen binnen.

"De hemel mag weten," ving hij aan, terwijl hij zich verstoord op een stoel wierp: "wat sedert Mechtelds dood, zulk eene verandering bij dien Adel heeft teweeggebracht. Sinds Aafke hem verzorgt is hij dezelfde niet meer."

"Wellicht is dit toe te schrijven aan den indruk, dien een jonge vrouw op hem maakt," zeide de gravin.

"Hetgeen gij vooronderstelt Mathilde, kan er geenszins de oorzaak van zijn," hernam de gunsteling: "Van liefde kan hij in zijn kindschen staat onmogelijk eenig gevoel hebben. Neen, de veranderingen, die ik bij hem bespeur, zijn ook van een anderen aard. Bij kastijding biedt hij geen den minsten wederstand meer. Hij is gedwee, en hoewel het meisje verzekert dat hij meermalen weigert spijze te nemen--hetgeen hij vroeger nimmer deed--ziet hij er toch bijzonder goed uit; doch wat mij het meest verwondert, is, dat zijne vroeger onverstaanbare klanken, thans in goed verstaanbare woorden herschapen zijn. Zeer toevallig heb ik hem eenige woorden hooren zeggen, en indien ik mij niet bedrieg, dan heeft hij zelfs het woord verlossing geuit."

"Dan zijn wij op weg om door die ellendige huichelaarster verraden en verkocht te worden," borst de gravin los: "Heeft uw sluwe blik dit niet eerder bespeurd? Heeft die eenvoudige deerne u dan reeds bijna twee maanden om den tuin geleid? Tegen mijn wil, hebt gij dat kind voor een vertrouwde in de plaats gesteld! Ik heb het u afgeraden, doch gij waart verzekerd, dat uw ellendig sprookje, van een gevallen zondaar die de kerk ter loutering, onder 't zegel der diepste geheimhouding, aan ons ter bewaking zou hebben toevertrouwd, ten volle door haar geloofd werd. Kleeft haar vader niet de kettersche gevoelens aan, en is misschien de dochter daar ook niet mede besmet? Gij hebt dwaas, ellendig dwaas gehandeld Rosio! De knaap sprak nu reeds van verlossing; wie anders dan het meisje kan hem die denkbeelden hebben ingegeven? Is dát uwe waakzaamheid? Oogenblikkelijk moet gij voor andere oppassing zorgen, of anders zal ik zelve die taak op mij nemen. Wat het meisje aanbelangt, gij zult met haar spreken; gij zult haar uw sprookje waarschijnlijker maken, haar uwe vermoedens mededeelen, en haar onder het oog houden, dat zij de grootste zonde begaat, met een, door God veroordeelde, liefderijk te behandelen. Neen! het voorwerp mijner wraak zal geen verzachting in zijn lot ondervinden," ging zij met gloeiende wangen voort: "maar dit zeg ik u: verzeker u van de stilzwijgendheid der ontslagene verzorgster, eer zij ons heeft verraden!"

"Gij hebt gelijk!" antwoordde de rentmeester, door den woordenvloed der boosaardige vrouw van zijn stuk geraakt: "Nog dezen avond zal ik voor Aafkes stilzwijgendheid en voor hare plaatsvervanging zorgen. Verontrust u niet; tot hiertoe weet ik dat zij nog niemand deelgenoot heeft gemaakt van hetgeen zij gezien en vernomen heeft; de betrekking van haar vader hing van hare stilzwijgendheid af. Ik zweer u Mathilde, zij zal niet spreken, en nog dezen avond rijd ik naar de Roemer, om u spoedig eene goede plaatsvervangster te bezorgen."

Het was de dochter van den hovenier niet mogelijk den slaap te vatten. Verscheidene malen wendde zij zich op hare legerstede om, doch tevergeefs; telken reize hoorde zij nog de schrikkelijke bedreigingen, die de rentmeester der gravin haar dezen middag had toegesproken. Zij mocht den ongelukkigen Adel niet meer bezoeken! Goede God, en alles wat zij met zooveel moeite had opgebouwd, en die gevoelens, welke zij met zooveel inspanning bij hem had zoeken aan te kweeken, dat alles zou nu op eenmaal weder afgebroken en verwoest worden!--En waarvoor versmachtte dat ongelukkige wezen daar dan zoo wreedaardig in dien schrikkelijken kerker? Neen, het kwam haar nu duidelijk als ongerijmde logentaal voor, dat dit goede zwakke schepsel een kind des duivels zou zijn; dat dit zachte lijdzame wezen, reeds bij zijne geboorte zijne moeder zou hebben gevloekt en om het leven gebracht. Waarom dan de vrees van den rentmeester, dat zij die eenvoudige waarheid aan anderen zou mededeelen? Waarom moest zij voor iedereen, zelfs voor haar vader verbergen, dat zij een schepsel verzorgde, die voor zware zonden boete deed? En gesteld dit ware zoo, vervolgde het meisje bij zich zelve, nog niet geheel ontdaan van de wanbegrippen der bijgeloovigheid. Gesteld het ware werkelijk een verworpen wezen, een gevallen engel, dien God op de wereld teruggezonden had om smarten en pijn te lijden, zou het dan niet des Hemels doel zijn geweest, om hem hier weder op te voeden en geschikt te maken voor den gelukstaat waarvan hij helaas, vervallen is? Moet men hem dan maar aan zijn rampzalig lot overlaten?--"O goede hemelsche Vader!" bad zij in stilte: "doe mij naar Uw wil handelen, en leer mij mijn plicht kennen!"

Doch eensklaps werd het meisje weder angstig bevreesd; nogmaals herinnerde zij zich de vreeselijke bedreiging, die Rosio over haar had uitgesproken, indien zij verried wat, volgens zijn zeggen, voor de wereld geheim moest blijven. En reeds had zij dat bevel overtreden. Reeds weken geleden had zij de geschiedenis, zooals Rosio die verhaalde, en het lot van den rampzaligen Adel, aan een vreemdeling medegedeeld, en had zij voor hem om redding en bescherming gesmeekt. Wat stond haar te doen? Hevig woedde in haar binnenste de strijd tusschen waarheid en bijgeloof, tusschen medelijden en bezorgdheid voor het lot harer naaste betrekkingen, tusschen een natuurlijk gevoel van plicht en de ontzaglijke bedreiging van den man, dien men op de Blankert reeds gewoon was als heer en meester te beschouwen. Wat in haar overwonnen had, wist zij zelve niet, want het strijdvoeren werd hoe langer hoe flauwer, het strijdperk werd met een dichten zwarten sluier bedekt. Een vaste slaap had de oogleden van het meisje dichtgedrukt.

Het begon reeds schemeravond te worden, toen Rosio, op een kloek paard gezeten, de Blankert verliet. Een ronde hoed, waarvan de breede rand zijn gelaat schier geheel verborgen hield, bedekte zijn hoofd, en een groote bruine mantel hing van zijne schouders, over het paard, tot op zijne voeten neder.

De avondlucht was vrij koel, en zoodra Rosio op den zandweg gekomen was, gaf hij zijn ros de sporen, en vervolgde in een gestadigen draf zijn weg.

Bij het Steenen kruis sloeg hij links de populierlaan in, en berekende, dat hij, alzoo doorrijdende, binnen een uur aan de Roemer kon zijn. Deze herberg, welke op een kwartier uurs afstand van Leiden was gelegen, onderscheidde zich luttel van andere herbergen uit dien tijd. De vermoeide reiziger kon, bij een uitwendige beschouwing, weinig hoop voeden, in dien Roemer een zacht nachtleger te zullen aantreffen, want het perceel zag er deerlijk verwaarloosd en vervallen uit. De voorheen gepleisterde geval was thans geheel ontpleisterd. De vensters en luiken waren, evenals de kleine deur, geheel verveloos. De in lood gevatte glasruiten hadden voor 't meeren deel barsten, en waar het glas geheel ontbrak, was het door papier of invulsels van oude lompen vervangen, terwijl het meergemelde uithangbord nog slechts aan ééne kram heen en weder bungelde.