De lelie van 's-Gravenhage

Chapter 8

Chapter 83,823 wordsPublic domain

"Het is te wenschen," hernam de gravin, "dat deze Bourgogne meer genade in uwe oogen zal hebben! Edele Spinola, ik drink het welzijn van uw schoon vaderland! het welzijn van Spanje, dat land der oranjeboomen, dat heerlijke land waar ik de zaligste uren gesmaakt heb!" en terwijl zij haar beker ledigde, tintelden hare oogen van een vuur, dat met haar leeftijd zonderling in weerspraak was.

Alonzo, wien het goed deed den lof van zijn vaderland te hooren verkondigen, en die de gastvrijheid welke hij genoot, niet met onheuschheid wilde beantwoorden, deed, hoewel zijne ziel met een geheel andere zaak was vervuld, de gravin op haar uitgebrachten toost bescheid, en dronk op den vrede tusschen Holland en Spanje.

Intusschen gaf Alonzo nu al spoedig te kennen dat hij zich zeer vermoeid gevoelde, en dat het hem aangenaam zou zijn indien hij zijn nachtleger mocht opzoeken. Aan dit verzoek werd met veel bereidwilligheid gehoor gegeven. Alvorens te vertrekken moest Alonzo echter nog een beker ledigen; en Rosio, die steeds geschonken had, liet behendig, zonder dat de jongeling dit bemerkte, een poeder in den beker glijden, dien hij vervolgens aan Alonzo overhandigde.

"Morgen vroegtijdig wenschte ik weder stadwaarts te gaan," zeide Alonzo opstaande: "Ik zal dan waarschijnlijk niet het genoegen hebben u nog te zien. Met dezen dronk dank ik u dus edele vrouw, voor de mij betoonde gastvrijheid, en wensch u evenals mijnheer Rosio een goede nachtrust!"

Na dezen afscheidsdronk zeide de gravin hem met de meest mogelijke vriendelijkheid vaarwel, en Rosio, den graaf tot aan de deur vergezellende, reikte hem de hand ten afscheid, en gelastte een bediende den graaf Spinola naar zijn slaapvertrek te geleiden.

"De duivel gaf het hem in, niet langer te toeven," zeide de rentmeester, zoodra Alonzo vertrokken was: "Van Rodenberg zit reeds gedurende een half uur in de zijkamer te wachten.--Treed binnen jonker!" riep hij, en opende eene deur, die aan het andere einde der kamer was, en door welke Walter Van Rodenberg werkelijk binnentrad.

"Die vervloekte hond is den dans ontsprongen!" zeide hij, zich in een armstoel werpende, zonder de gravin of Rosio te groeten. "De onhandigheid van dien altijd droomenden Casper was mij bijna duur te staan gekomen. Goed dat die lummel naar de eeuwigheid ia verhuisd. Toen ik op de plaats kwam waar ik den Spanjaard in zijn bloed dacht te vinden, ontwaarde ik niets dan de beenen van den roodkop, die uit de sloot omhoog staken. Met behulp van Arends trok ik hem er uit, en waarachtig de onhandige kerel leefde nog. Vervloekt, zeide hij met een flauwe stem; Van Rodenberg heeft mij tot dit schelmstuk overgehaald; toen riep hij den hemel nog om genade aan, maar dewijl het mij niet paste den ezel bij adem te laten, mij later in opspraak te brengen, gaf ik hem den genadeslag. Nu is hij voorgoed bezorgd, en de zaak zal voorzeker niet uitlekken."

"Met dat al hebt gij niets gewonnen," zeide de gravin: "Uw medeminnaar leeft; hij kan het gebeurde bij het gerecht aangeven. Alle schijn is tegen u, en voorzeker zal Spinola begrijpen dat gij alleen den aanslag hebt gesmeed."

"Voor dien Spaanschen hond ben ik nu in het minst niet meer bevreesd. De grap van dezen avond had zelfs wel geheel achterwege kunnen blijven, want weet, dat ik geen oogenblik twijfel, of de zaak op den Oldenburgh heeft zijn beslag. Bij mijne ziel! het was zonderling te zien, welke oogen mijn aanstaande schoonpapa opzette, toen ik hem verhaalde hetgeen hij dacht dat niemand ooit te weten was gekomen. De vrees dat de wereld vernemen zou, wat ik, bij eene weigering, dreigde te openbaren; de vriendschap die de graaf voor mijn vader heeft gehad, en de aanbeveling op diens sterfbed, alles kwam mij te stade. Zelfs was mijne vrees ongegrond dat Alonzo Spinola genade bij den graaf zou gevonden hebben. Hij heeft een afkeer van zijne en uwe Paapsche leer, en haat den vijand sterker dan ik dit eerst geloofde. Het lieve duifje zal den wil van haren vader doen. Ik huw haar; de graaf sterft weldra, en de goederen der Van Bergens worden mijn eigendom."

"En gij zult uw geluk aan mij te danken hebben," hernam de gravin toen Van Rodenberg geëindigd had. "Doch wat vangen wij thans met Spinola aan?"

"Hij slaapt voorzeker reeds als een roos," zeide Rosio: "Het ware verkeerd geweest indien hij den jonker gezien had, doch mij dunkt...."

"Hij moet ongedeerd van hier vertrekken," viel Van Rodenberg hem in de rede: "Hij kan mij geen kwaad. Ik verwijt hem des noods dat hij lafhartig achterwege is gebleven. Al wilde hij ook het voorgevallene bekend maken, het zal mij niet deren. Hij kan niets tegen mij bewijzen; of.... des noods heeft hij een moord begaan!"

Intusschen werd Alonzo, in de hem aangewezen kamer gekomen, door een hevigen slaap overvallen. Zijne oogleden werden hem zoo zwaar als lood, en de ware oorzaak daarvan niet bevroedende, schreef hij dit aan den ouden Bourgogne-wijn toe, waarvan hij misschien wat te veel gedronken had. Snel ontdeed hij zich van zijn wambuis, en wierp zich toen op het groote ledikant.

Een diepe slaap maakte zich weldra van hem meester, en benauwende droomen, zonder eenigen samenhang, vervingen elkander met de zonderlingste afwisseling. Nu eens zag hij Adelgonde Van Bergen in een vlammenden wagen gezeten, welke in de lucht door duivelen en saters met woest geschreeuw werd voortgetrokken; dan weder vielen er uit den hemel de schoonste bloemen voor zijne voeten neder, doch veranderden, wanneer hij die wilde oprapen, eensklaps in sissende slangen en venijnige adders. Spooksels en bekende personen dansten te zamen in allerlei vreemde sprongen en met luid misbaar hand aan hand om hem heen. Allen staken den draak met hem, en lachten luidkeels. In 't eind verscheen er voor zijne oogen een lieftallig kind; het hief de handjes naar hem op en zag hem smeekend aan. Het trok hem met zich voort, al verder en verder, steeds afdalende en al dieper en dieper zinkende. De plaats waar zij kwamen was akelig doodsch; een groote blauwe zerk lag op de aarde; de steen ging langzaam open, en een levend geraamte rees uit de groeve omhoog. "Edele heer! edele heer!" riep het kind angstig smeekend: "edele heer!" riep het nogmaals luider, Alonzo bij den arm trekkende. Alonzo wreef zich de oogen en ontwaakte. Een schemerachtig licht drong reeds door de luikgaten naar binnen, en de slaapdronken Alonzo ontwaarde nu, na zich nogmaals de lichtschuwende oogen gewreven te hebben, dat een jong en bevallig meisje naast zijne legerstede stond. "Edele heer!" zeide zij nogmaals, en schudde den arm van den jongeling met haar kleine hand: "Ontwaak! In 's hemels naam, wil mij een oogenblik aanhooren."

"Wat verlangt gij van mij?" vroeg hij, zonderling te moede, en sprong nu, tot zich zelven gekomen, van het ledikant.

"O verschoon mij," bad het meisje: "verschoon mij dat ik uw slaapvertrek ben binnen getreden; doch ik moest u spreken. Gij zijt immers een edel en braaf heer?"

"Welnu," zeide Alonzo, zijn wambuis aantrekkende, terwijl hij het lieve kind aandachtig beschouwde, "spreek, wat verlangt gij van mij, of wat hebt gij mij te zeggen?"

"Gij zult het straks vernemen," zeide het meisje: "doch volg mij zonder gedruisch;" en Alonzo voorgaande, bracht zij hem in eene benedenverdieping van het kasteel, en verhaalde aldaar aan haar aandachtigen toehoorder, hetgeen wij, om ons verhaal niet vooruit te loopen, eerst later zullen mededeelen.

TIENDE HOOFDSTUK.

De natuur was heerlijk uit haar doodschen winterslaap ontwaakt. De aarde lachte als een blijde, sierlijk getooide bruid, en heuvelen en bosschen verkondigden de grootheid des Scheppers.

Wie zal het wagen den indruk te schetsen, het gevoel te malen, dat een heerlijke lentedag op den sterveling uitoefent? Welke pen vermag den zuiveren wellust te beschrijven, dien de mensch moet smaken, als hij de verjongde natuur en haar verrukkelijk schoon gadeslaat? De verven zijn te gevoelloos; het penseel is te slap; de gloeiende verbeelding des dichters is te koud, om datgene uit te drukken, wat men slechts gevoelen maar niet meedeelen kan. Die zoete balsemgeuren van het pas ontloken groen; dat liefelijk gekweel der vogelen; die koesterende stralen der vriendelijke zon: alles kan men genieten, al dat schoon met onverzadelijke graagte genieten; stom van verrukking in aanbidding vertoeven; nogmaals die lucht inademen; nogmaals de handen dankend ten hemel heffen, maar spreken.... neen spreken kan de sterveling in zulke oogenblikken niet.

Ook het kasteel den Oldenburgh lag te midden van dien prachtigen lentedos. Geheel anders vertoonde het zich thans dan toen wij het vroeger bezochten. Over het nog jeugdige groen der eikenboomen en akkermaals-bosschages lag een fijne roodachtige tint verspreid. De bladeren der beuken- en kastanje-boomen hadden een zacht groene kleur. De grasperken waren als met madeliefjes en boterbloempjes bezaaid, en in de weilanden, die zich rondom doch op verderen afstand van het kasteel uitstrekten, graasden en loeiden de runderen, en blaatten de schapen, terwijl zij den dorst hunner lammeren leschten. De ooievaar stapte met statigen tred in hun midden rond, en begaf zich behoedzaam naar de waterachtige plaatsen, ten einde zich den kwakkenden kikvorsch ten buit te maken. De muggen gonsden door de lucht, en het fijne, zilverachtige groen der wilgen was treffend in harmonie met de warme kleur van den azuurblauwen hemel.

Twee jonge vrouwen wandelden op zulk een schoonen en verkwikkenden lentedag door de paden en lanen, die het voornoemd kasteel omgaven. De eene was doodsbleek, en leunde op den arm der andere die hare dienstbare scheen. Zij was in het wit gekleed, en hield in hare hand een korfje met voorjaarsbloemen.

"Wij moesten hier even rusten," ving zij met een zwakke stem aan: "Dit priëel Anne, geeft zulk een mooi uitzicht over de weilanden."

"Dat zou ik u niet raden lieve freule!" antwoordde Adelgondes kamenier: "de lucht is wel zacht, doch een klein tochtje zou u wellicht zeer nadeelig zijn."

"O neen!" hernam Adelgonde: "Ik ben immers weer geheel hersteld; de zoete meilucht zal mij niet schaden. Laat ons hier even gaan zitten, want ik ben een weinig vermoeid."

"Sla dan ten minste dezen doek om uw hals," zei de bezorgde Anne: "het is voor de eerste maal dat gij uwe kamer verlaat, en ik zou om niets ter wereld willen, dat gij door mijne onvoorzichtigheid weder ziek werdt."

"Dat heeft geen nood," zeide Adelgonde, den doek met een dankend knikje aannemende: "niets kan mij eer herstellen dan Gods vrije natuur. Dit is het eerste uur, na dien schrikke.... na den dag dat ik zoo ziek ben geworden, waarin ik weer verlang te leven. Ja in dezen stond zelfs ben ik dankbaar dat God mij heeft bewaard, en dat ik zijn schoone aarde nog eens mag betreden."

"Maar waarom zoudt ge daar ook niet recht blijde om zijn, lieve freule?" vroeg Anne: "Kijk, het kleine muschje, dat daar zoo tjilpend van den eenen tak op den anderen springt, toont zijne blijdschap wel, en zoudt gij dan op uw leeftijd--zooverre boven velen bevoorrecht--niet heel dankbaar zijn dat gij gespaard werdt, om, zoo wij hopen, nog vele jaren recht gelukkig en in vreugde te leven?"

"Gelukkig!" zeide Adelgonde zuchtend: "het vogeltje mag zich gelukkig gevoelen en vrij rondfladderen; maar ik, helaas!" en weder slaakte zij een diepen zucht.

"Wanneer uwe krachten geheel zijn teruggekomen, dan zult gij wel anders spreken," hernam de kamenier: "Zulke zenuwkoortsen ondermijnen het gestel, en mijnheer Bril, de barbier van den genadigen graaf, heeft mij voor een paar dagen nog gezegd, dat als het lichaam van streek is, de ziel ook van streek is, en dat ook de ziel weder in haar oude doen komt als het lichaam sterker wordt. Wij zullen den tijd eens afwachten freuletje-lief! De tijd baart rozen, zegt Maarten altijd; en hoewel ik dat in vele dingen, en ook voor ú wel geloof, zoo kan ik toch niet zeggen, dat hij voor Maarten heel veel mooie roosjes baart, want de goede jongen werkt wel altijd ijverig en trouw, maar heel veel verdienen doet hij niet."

"Is het reeds lang geleden dat uw minnaar hier was?" vroeg Adelgonde, door de woorden van Anne op andere gedachten gebracht.

"Nog gisteravond," antwoordde het meisje: "maar drommels en drommels! wat ben ik toch schrikkelijk dom en stoffelachtig!" vervolgde zij, zich eensklaps bezinnende: "Nu hebt gij reden om mij dapper te beknorren. Hij heeft mij iets voor u meegebracht!" Dit zeggende haalde zij een briefje van onder haar rozerood jakje te voorschijn: "Kijk freule, neem het mij toch niet kwalijk.... Wat ben ik toch schrikkelijk vergeetachtig!"

Adelgonde zag dadelijk dat het opschrift aan haar gericht en door Alonzo Spinola geschreven was; een licht blosje verspreidde zich over haar gelaat, en terwijl zij, niet zonder eenige verwarring, de dierbare letteren uit de hand van Anne overnam, om die met gretige aandacht te doorlezen, sprong de bescheidene kamenier vlug van hare zitplaats op, en ging een schoonen gelen vlinder najagen, die van bloem tot bloem, nu eens her- en dan weder derwaarts in verschillende richtingen rondfladderde.

Het briefje, dat Adelgonde geheel bezig hield, luidde als volgt:

"Dierbare jonkvrouw!

"Hoe dikwijls ziet men, helaas! dat er zich voor onze dierbaarste wenschen onoverkomelijke hinderpalen in den weg plaatsen; hoe dikwerf worden wij in onze schoonste vooruitzichten droevig teleurgesteld, en zien wij den straks nog helderen horizont onzes levens zich weldra in donkere nevelen hullen. Zoo is het ook mij gegaan, schoone Adelgonde! Met verrukking herdenk ik gedurig den dag toen ik dacht uwe liefde te bezitten; toen ik besloot mij die liefde waardig te maken; toen ik mij den grootsten monarch te rijk waande, en geen sterveling mij zoo gelukkig en zoo zalig toescheen. Maar nogmaals, helaas! ik heb mij niet lang met dat zoete denkbeeld mogen verkwikken. Reeds spoedig wierpen zich ook voor mijne wenschen groote hinderpalen in den weg. Ik mag en kan er niet meer aan denken, dat gij eenmaal nog de mijne zoudt kunnen worden. Vele redenen bestaan er voor de gegrondheid van deze vernietigde hoop. En de voornaamste dier oorzaken is: dat de hand der schoone Hagenlelie reeds aan een ander is toegezegd. En zult gij met hem gelukkig zijn? Zal die echtgenoot u liefhebben zooals ik u zou hebben liefgehad? O Adelgonde! mijn horizont staat beneveld, maar ook het verschiet van uw huwelijksleven dreigt door zwarte wolken verduisterd te worden. Luister naar den raad van hem, die het oogenblik nooit zal vergeten toen hij voor de eerste en wellicht ook voor de laatste maal de woorden: "Ik min u!" van uwe lippen hoorde vloeien. Dierbare Adelgonde, beproef hem die uw echtgenoot zal worden. Sla hem gade, overweeg nauwkeurig eer gij den onherroepelijken stap doet, die voor uw geheele leven beslist. Onderzoek of hij uwe liefde en achting waardig is. Beter ware het dat gij op jeugdigen leeftijd als maagd moest sterven, dan dat gij te laat u een ongelukkigen stap zoudt beklagen. Nogmaals, onvergetelijke Adelgonde! nogmaals: onderzoek en beproef uw aanstaanden echtgenoot. Ik ken hem, ik ken het karakter van Van Rodenberg, hij is uwer onwaardig. Geen laster, door vuige jaloezie opgewekt, doet mij dit ternederschrijven. Beproef hem, en stort u niet in het ongeluk.

"Behalve dezen raad, dien ik mij verplicht rekende u te geven, drong mij nog een andere reden u te schrijven. Reeds vroeger had ik dit gedaan, doch de treurige mare van uwe ernstige ongesteldheid hield mij tot heden daarvan terug. Goddank! ik heb vernomen dat gij zoogoed als hersteld zijt. Mijne gebeden voor uw herstel werden iederen dag hemelwaarts gezonden. Doch nu, schoone Adelgonde! er is nóg iets, 't welk ik verplicht ben u mede te deelen. Ik ben de deelgenoot geworden van een belangrijk geheim. Het zou mij niet mogelijk zijn dit in zijn geheel ter neder te schrijven, en, wellicht vertrekken wij reeds spoedig uit deze streken. Adelgonde! ik moet u kenbaar maken wat mij is ter oore gekomen. Wil mij mijne bede niet weigeren! Ik wensch u alleen te spreken. Gij zelve kunt bepalen waar ons onderhoud zal plaats hebben, en dan--dan zal ik u voor het laatst zien, voor het laatst spreken, en u tevens voor altijd vaarwel zeggen!

"O schenk slechts eenige regelen ten antwoord aan hem, die u dringend smeekt zijn verzoek niet te weigeren, en die zich noemt:

Uw heilzoekende en heilwenschende vriend,

Alonzo.

Nog staarden de vochtige oogen van Adelgonde op het papier, nog herlas zij de woorden, die zoozeer van des Spanjaards innige deelneming in haar lot getuigden, toen Anne weder kwam aanhuppelen en tusschen hare vingeren den gevangen vlinder omhoog hield: "Kijk eens freule!" riep zij Adelgonde reeds uit de verte toe: "Kijk eens, welk een fraai diertje, geel als citroen, en zoo vlug als een ree!"

"Foei, Anne!" zeide Adelgonde op bestraffenden toon: "moet gij dat onschuldige vlindertje zijn vrijheid benemen? Gij weet niet wat het zegt die te moeten missen. Geef het beestje zijn vrijheid terug!"

"Welnu, trek dan in vrede!" zeide Anne, en het diertje loslatende, zag zij het vroolijk en snel henenvliegen.

"Geef mij nu uw arm en laat ons huiswaarts keeren!" zeide de freule. De kleine kamerjuffer gehoorzaamde terstond, en beiden wandelden nu weder door de lange zijlaan, stapten de brug, die aan de achterzijde van het park uitkwam, over, en traden vervolgens het kasteel door de kleine achterpoort binnen.

"Wel foei Gonne! gij zijt recht ondeugend," zeide de graaf Van Bergen lachende, die juist de breede trappen afkwam toen de vrouwen de gang inkwamen: "zoo te ontsnappen, zonder verlof te vragen! Ik had gehoopt u de eerste maal dat gij de buitenlucht zoudt genieten, te vergezellen, doch ik zal u daarvoor straffen, en kom mij daarom dezen middag bij u als gast opdringen."

"Gij zult mij hartelijk welkom zijn," antwoordde Adelgonde: "Wat de wandeling betreft, het liefste had ik die in uw gezelschap gedaan, doch ik was bevreesd dat uwe bezigheden u met zouden toelaten...."

"Nu nu, spaar die verontschuldigingen maar," viel haar de graaf in de rede: "Gij ziet er zeer goed uit, lieve kind! de lucht heeft u, dunkt mij, veel goed gedaan. Over een uur ben ik bij u." Hij gaf haar bij deze woorden een kus op het voorhoofd, en ging, terwijl zij zich naar hare kamer begaf, zijne paarden en honden in de stallen opzoeken.

Nauwelijks was Gonne in haar grooten ziekenstoel gezeten of zij haalde Alonzo's letteren weder te voorschijn, las deze nogmaals, en besloot, daar zij, zooals wij vroeger reeds gezien hebben, vrij goed schrijven kon, onmiddellijk aan het verlangen van den edelen jongeling te voldoen. Zij beantwoordde zijn brief met deze woorden:

"Geachte vriend!

Zoo toch mag en durf ik u noemen, daar gij toont een waar belang in mijn lot te stellen. Uwe letteren heb ik in een vrij goeden welstand ontvangen, en las die, toen ik voor de eerste maal na mijne ziekte weder onder Gods vrijen hemel mocht ademhalen.--Gij hebt gelijk, wij worden van elkander gescheiden. Gij hebt hinderpalen zien verrijzen, die uwe wenschen in den weg traden, en voor mij, gij weet het, is de droom onzer liefde eveneens in rook verdwenen.--Wat er ook van Van Rodenberg zijn moge, hij zij dan edel of slecht, reeds zijn aanblik hindert mij. Verdenk echter den liefderijksten en achtenswaardigsten der vaders niet van hardheid; geloof niet dat hij mij dwingen zal mijne keuze naar zijn wil te bepalen. Alles wat hij doet, beschouwt hij in mijn belang.--Doch een treurige waarheid doet mij met groote zelfopoffering besluiten zooveel mogelijk naar zijn begeerte te handelen. Mijn geheele leven zal ik u dankbaar zijn voor uw warme deelneming; doch, edele vriend! met de grootste moeielijkheid zal ik uw laatste verzoek kunnen inwilligen. Mijne gezondheid laat mij niet toe u des avonds ergens te ontmoeten. In mijne woning is dit onmogelijk, en waar zou ik u dan kunnen zien?--Vertrouw aan het papier uw geheim, doch zoo u dit niet doenlijk is, welnu, dan zal er wellicht in het aangevangen warme seizoen nog wel een gelegenheid voor mij komen om u aan te hooren en u vaarwel te zeggen."--Hier liet Adelgonde een traan op het papier vallen, dien zij echter zorgvuldig zocht weg te wisschen.--"Gods beste zegen vergezelle u op al uwe paden. Vergeet, als gij in uw vaderland zult zijn teruggekeerd, dat er in deze streken een hart voor u klopte. Vergeet den droom der moerassen, en haar die zich noemt:

A. V. B."

Zorgvuldig verzegelde zij nu den brief en schreef het adres erop.

"Gij zult de bezorging van deze letteren op u nemen," zeide zij tot haar kamermeisje, die zich met eenig vrouwelijk handwerk had onledig gehouden.

"Volgaarne lieve freule!" antwoordde deze: "Maarten komt niet voor Zaterdag, dus moet mijnheer Bril er zich mede belasten. Nu, hij is ook in mijn dienst, en brengt mij schier iederen morgen de groete van Maarten over. De brief moet in het logement van Gooswijn Meurkens bezorgd worden, nietwaar?"

"Ja!" zeide Adelgonde, licht blozende: "hij moet dien persoonlijk aan den jongen graaf Spinola overhandigen."

Anne nam den brief aan, verborg dien in haar keursje, en weldra verscheen Burgman, om op de ziekenkamer de tafel voor het middagmaal in gereedheid te brengen.

Het maal was spoedig ten einde geloopen, en de graaf, die heden bijzonder opgeruimd was, schikte zijn stoel wel voldaan naast dien zijner pleegdochter.

"Na lijden komt verblijden, lieve Gonne!" ving hij aan: "na regen komt zonneschijn; na een strengen winter een verkwikkende lente. Ik heb God om uitkomst gebeden; ik heb Hem gesmeekt u te bewaren, te bewaren voor mij, uw teederminnenden vader."

Adelgonde zag haar pleegvader dankend aan, doch zuchtte diep.

"Maar ik wenschte uw beterschap niet," vervolgde hij, zeer wel de oorzaak van dien zucht kennende: "ik wenschte die niet om u neerslachtig en ongelukkig te zien; neen, dat zij verre, maar om u evenals voorheen, vroolijk en opgeruimd te ontmoeten; om, evenals vroeger, door uw aanhoudend en vriendelijk gesnap mij dat treurige gedeelte uit mijn levensgeschiedenis te doen vergeten; om daardoor mijn voorhoofd effen te houden, waarop zich anders maar al te dikwerf, bij de sombere herinneringen, diepe groeven vertoonen...."

"En zal dat mogelijk zijn?" vroeg Adelgonde.

"Deze dag moet en zal voor u in alle deelen schoon zijn, dierbaar kind!" hervatte de graaf, haar met innige liefde aanziende: "Geen zwaar en moeielijk juk zal u drukken. Gij hebt uwe gezondheid en tevens uwe vrijheid terug."

"Wat bedoelt gij?" vroeg Adelgonde verrast.

"Luister!" hernam Van Bergen: "Ik heb den aard en het karakter van Walter leeren kennen. Zijn eerste bedreiging had mij reeds een slechten indruk gegeven. Geldzucht is de drijfveer zijner keuze. Van Rodenberg zal uw echtgenoot niet worden."

"Niet!" riep Adelgonde met een gemengd gevoel van dankbaarheid en verrukking tevens. "Maar," vervolgde zij langzaam: "maar zijne bedreiging? Zal hij mij niet aan de minachting der hardvochtige wereld prijs geven, indien hij bekend maakt dat mijn brave gestorvene ouders slechts arme geringe lieden waren? Zal zijne boosheid niet, uit teleurgestelde winzucht, vlekken op uw naam werpen, mij wellicht voor een kind.... der.... schande." zij zeide deze woorden schier onhoorbaar: "laten doorgaan; en zal de booze wereld daar geen geloof aan hechten?"