De lelie van 's-Gravenhage

Chapter 39

Chapter 392,270 wordsPublic domain

"Slecht uw vestingen, uw arsenalen en tuighuizen; vernietigt uw heillooze wapenfabrieken, uw monster-geschutgieterijen. Dat alles knaagt aan uw eigen welvaart en dwingt een volk, 't welk u de broederhand zou willen reiken, om zich evenals gij in 't ijzeren pantser te steken: 't pantser, knellende, drukkende, den vrijen bloedsomloop belemmerende, 't hoofd verhitten de, drijvende den arm tot vernieling en broedermoord.

Maar vooral, klein Nederland, al wijst gij ook met krachtig en vinger op de misgeboorten van het genie, op stinkbommen en satansraketten, gedraag u verstandig en wijs, terwijl ge de vaan van den Vredebond hoog en met frissche kleuren doet wapperen door uw vrije lucht; wees wijs en verstandig, terwijl ge uw stem verheft opdat men u niet verdenke van lafheid, en u bespotte in 't eind.

Wees wijs en verstandig; zeg niet dat ge uw heil van de naaste toekomst verwacht. Verkondig het luide: dat ge niet zult wanhopen indien er nog eeuwen moeten voorbijgaan eer de oorlog tot de barbaarschheden van een vroeger tijdvak zal worden gerekend; indien er nog eeuwen--ja zelfs vele eeuwen moeten verloopen, eer uw Vredebond waarachtig een algemeene onverbreekbare Vredebond zal zijn; eer de geschillen der volken alleen zullen beslist worden voor de hooge Internationale vierschaar van 't kloek verstand en 't onkreukbaarste recht!

Wees verstandig en wijs, want die tijd zal toch komen. Maar, bij den goeden strijd, dien gij strijden wilt, klein dierbaar Nederland, vergeet het niet om het woord van mond tot mond te doen gaan, dat de NOODZAKELIJKHEID VAN DEN OORLOG EEN DER MENSCHHEID EN GOD ONTEERENDE LEUGEN is.

Aan den avond van den dag dat de villa Toulemaire voor een groot deel in de asch werd gelegd, ontstond er in de dichtst daarbij gelegen woning, terwijl eenige hoofd-officieren van het zegevierend leger er bijeen waren, een hevig rumoer.

Van waar zij gekomen was, dat wist men niet, maar eensklaps was een jonge doodsbleeke vrouw met angstverwekkend gegil, uit een kelderdeur de donkere gang ingevlogen. Men heeft haar niet kunnen vatten aleer zij de deur van het vertrek had losgerukt waar de Duitsche strijders vertoefden, en aan niets dachten....? dan aan den roem, waarmee zij 't Lieb Vaterland overlaadden.

Was het Blanche Toulemaire, zij, de eenig overgeblevene van het gelukkige zestal, 't welk heden een zoo schoonen feestdag zou vieren?

Ja. Uit haar bedwelming ontwaakt is ze voortgeijld. Waarheen? Ze weet het niet. Vurige slangen joegen haar voort; slangen die zich om haar leden kronkelden, en den ademtocht belemmerden. Waar zij een ganschen dag heeft getoefd dat weet ze evenmin. Ze wist niet dat pachter Micauld, de naaste buurman van Toulemaire, haar heeft bemerkt en in zijn woning gebracht. Ze weet het niet hoe ze telkens knarsetandend is opgevlogen, terwijl ze gedurig, maar ook al doffer en doffer, haar woord van dien morgen herhaalde: "Beulen, moordenaars!"

In 't eind, of ze geslapen heeft of wel dat nogmaals een zenuwtoeval haar neerwierp, 't was donker om haar heen, zeer donker toen ze zich oprichtte, en rondstarende, zachtkens vroeg: Waar men haar lijk had neergelegd; want, dat ze een lijk was dat voelde ze wel.

Micauld de welgestelde pachter zat met zijn jonge vrouw aan 't einde van den ruimen kelder. Jeanne was juist van boven gekomen; zij had de Herrschaften bediend. Micauld zou 't besterven als hij het moest doen.

Goddank, men zag nu bij 't schijnsel der kleine lamp, die de jonge boerin ontstak, dat de arme juffrouw Blanche wat kalmer ontwaakte.

Neen, lieve God, neen, zeker, een lijk was zij niet. Och zij moest maar kalm en niet al te neerslachtig wezen. 't Heele dorp is immers ook wel in rouw en angst. Overal is 't vol met arme verwonde soldaten.--Neen, hier boven den kelder in de groote voorkamer dáár zijn geen gewonden; eenige voorname officieren, die hier in kwartier liggen zijn er bijeen. Och, zoo kwaad zijn ze niet als men maar doet wat ze zeggen. Ze weten zich ook nog al te behelpen, want behalve een paar makkelijke stoelen, die de soldaten uit den brand wisten te redden, moeten zij 't boerengerei maar voorlief nemen. Komaan, juffrouw Blanche moest nu maar weer wat zien te slapen. Ja 't was wel verschrikkelijk.... en allerverschrikkelijkst, zeker; maar och, die goede oudeluidjes zou ze toch ééns hebben moeten verliezen nietwaar? en haar zuster, als ze misschien getrouwd de ouderlijke woning verlaten had, wie weet hoe weinig juffrouw Blanche haar dan had weergezien; en, wat haar vrijer betrof: Och ja, heeft madam Micauld al verder getroost, dat hij zich zoo bij den Steenenburg durfde wagen, dat was ook eigenlijk geen liefde; en dan, zij heeft het met Pierre Legros ondervonden, een half jaar na zijn dood--'t was anders zoo'n brave jongen--toen had ze Micauld haar woord al gegeven, en, wie is er beter dan hij!

Eensklaps met een vreeselijken gil is Blanche toen overeind gevlogen. Uit de armen van Micauld en Jeanne, die haar wilden terughouden, heeft ze zich losgerukt. De keldertrappen op, en de gang der hoeve is zij ingevlogen.

De wacht aan de deur schiet ijlings toe; doch de witte gedaante, die men in 't donker zag, heeft de deur der groote hoeve-kamer reeds geopend.

Het licht der hanglampen en der bougies op flesschen verblindt haar de oogen.

Men heeft haar vastgegrepen. Zijn dat de slangen weer, die zich kronkelen om haar trillende leden?

"Wat wil die vrouw!" roept een der officieren. En dan, na een oogenblik stilte: "Laat haar los! Tegen weerlooze vrouwen vechten we niet." Daarna op Blanche toetredende, herneemt hij in vloeiend Fransch, terwijl zijn krijgsmakkers het schoone maar doodsbleeke meisje met belangstelling gadeslaan:

"Ik geloof, juffrouw, dat een vergissing u in deze kamer bracht, ten minste...."

Maar de Huzaren-ritmeester gaat niet verder. Hij heeft een arme krankzinnige voor zich, dat bespeurt hij nu wel.

Bij het plotseling zien van zoovele vreemde officieren is Blanche onthutst een paar schreden teruggegaan, doch nu, terwijl ze weer stand houdt, staart ze hem aan met zulk een vreeselijke uitdrukking in haar tintelende blauwe oogen, dat hij onwillekeurig een oogenblik zwijgt zonder te weten hoe met het arme schepsel te handelen.

En Blanche. Hoor! ze fluistert op diep doordringenden toon:

"Wees niet bang; een lijk kan u geen kwaad doen. Kom mee als ge niet bang zijt, kom mee naar den Steenenburg; daar zullen ze mij met al de lijken begraven. Wacht maar, wacht! Allen wordt ge dan ook begraven, allen! nu of morgen. Maar bidt eerst voor de rust uwer zielen, want morgen zal het zijn, morgen zeker!"

Een doodelijke stilte heerschte er in het vertrek. 't Was een treurige verschijning, die schoone waanzinnige met haar droeve profetie.

Aan slagvelden raakt men gewoon, maar zulke woorden, uit zulk een mond!

Een waardig Duitsch krijgsman met zilveren haren is nu mede opgestaan, en nadert het meisje om zoo spoedig mogelijk in haar eigen belang een eind aan dit tooneel te maken. Doch, op datzelfde oogenblik valt Blanches oog op den sierlijken voltaire dien hij verliet. Een rauwe kreet ontsnapt er aan haar hijgende borst. Zij snelt op den prachtigen zetel toe; zinkt op haar knieën er bij neer, en dan, terwijl haar hoofd machteloos neervalt op haar eigen kunstig borduurwerk voor het zilveren bruidsfeest vervaardigd, klinkt nogmaals hijgend en dof die snijdende aanklacht van haar trillende lippen:

"Beulen! Moordenaars!"

't Is drie maanden later. De gure nachtwind jaagt een sneeuwkleed over het vreeselijk slagveld, 't welk de grauwe dag zag aanrichten.

Er heerscht een volkomen duisternis. De angst- en smartkreten hier en ginder worden door den steeds feller opstekenden wind verstrooid en versmoord.

Rillend in zijn laatste worsteling met den dood, treft een paard met zijn killen hoef den fel gekorven schedel van een grijzen krijger, die op gruwelijke wijze door een woedenden Franschman werd neergeveld en verminkt, maar toch den laatsten strijd nog te strijden had.

O! waarom moest hij nog weder ontwaken in die ontzettende duisternis, met dien vreeselijk brandenden dorst, met die ontzettende pijnen, hier, aan het hoofd, en overal; onmachtig om zich te kunnen wenden, onmachtig om het verminkte been weg te rukken onder het lijk van een neergestorten vijand.--Waarom? Zal de sneeuw die hij opvangt in den wijdgeopenden mond hem nog verkwikken kunnen....! Zal hij nog kunnen denken aan zijne dierbaren....!

O God! zijn dit de smarten der hel!

"Help! Erbarming! Help!"

De nachtwind feller loeiende, spot met dien kreet.

"O Heere God!" kermt nog eens de grijze Duitscher, nadat hij een vergeefsche poging deed om zich op te richten van dat vreeselijke doodsleger.

Vruchteloos is elke poging; tevergeefs is alle uitzicht op hulp.--O Heere God, welk een eeuwigheid!

Maar straks is ook die laatste strijd gestreden, en de sneeuw ontdooit niet meer van de verstijfde lippen, met wier laatste smartkreten zich telkens de aanklacht eener schoone waanzinnige vermengde, het nooit vergeten:

"Beulen, moordenaars!"

In dien zelfden nacht gleed er in de hoogte over dat slagveld met al zijn jammer de tijding:

"Hevige strijd *** duizend man gesneuveld. Roemvolle overwinning. God zij dank!"

En de Leugen wierp zijn stem in den loeienden nachtstorm; en verbreidde dien dank, met grijnzenden schaterlach.

Maar als de storm in den uchtend bedaarde, en de zon koud en vuurrood opging over dat grillig golvende sneeuwkleed, met purper doorsijpeld, dan verborg zij haar gelaat, want ontzettend was de aanblik van dat met bloed bezoedelde lijkkleed, 't welk den broedermoord bedekte, den moord van kinderen.... van eenzelfden Vader!

INHOUD.

Bladz.

De Lelie van 's-Gravenhage 1

Gelegenheidsstukken.

De Reus van Antwerpen 149 Te Wolfhezen 160 Gedachte op den laatsten avond van een droevig jaar 174 Kenteekenen van fatsoen 176 Iets uit het jaar 1870 180 Uit "De Spectator" 185 Een mooie Aprilmorgen in 't Haagsche Bosch 208 Antwoord van de weduwe Samuël Zadok, geb. Sara Lot, op den brief van haren zoon Levie, vrijwilliger bij het Fransche leger in de Krim 213 Brieven van Grietje Sluimer 218 Jan, Pier en Kloas 235 Brieven uit Nizza (Nice) 240 Monte-Carlo 260 Fabriekskinderen 272 Een woord aan mijn landgenooten 289 Openbare brief aan Zijne Excellentie den Minister van Binnenlandse Zaken 295 Brief van Jan Stukadoor 303 Antwoord van Jan Stukadoor aan Piet Schaver 316 De oorlog een noodzakelijk kwaad? 321

AANTEEKENINGEN

[1] Resol. Holl. 30 Sept, 1608, bl. 223.

[2] O. a. Wagenaar, deel IX, boek XXXVI, blz. 436, enz.

[3] "Soldats de la pensée." Le triomphe des arts. Feest-Cantate van G. Demarteau.

[4] Schilderij van Biard.

[5] Schilderij van Cermak.

[6] Schilderij van De Bruycker.

[7] De zanger wijzigde aldus de woorden van Demarteau's Cantate, die oorspronkelijk luidden: Produire encor des Nouveaux Raphaël.

[8] Het Te Deum--3de der Nederd. Evang. gezangen.

[9] Naar het leven.

[10] Cercle Artistique.

[11] Zie, als 't u in handen komt, nader mijn Nieuwe en oude orgel, uitgegeven door de Gebr. Van Es, waarop Erasmus de goedheid had uw aandacht te vestigen.

[12] Zie de sprekende berichten van Mr. Samuel le Poole, in de Economist van 1865 en vroeger.

[13] Sedert het schrijven van den bovenstaanden brief, zijn er reeds heel wat jaren verloopen, en ik weet niet of het mijn hooggeachten vriend De Vries is geweest, die mij heeft overreed om mijn "uitzondering" maar te laten varen, of wel dat onze zetters en heeren Correctors er mij langzamerhand toe gedwongen hebben. Hoe 't zij--gedachtig aan ons echt Neerlandsch: Eendracht maakt macht, schrijf ik voortaan STEEDS: Licht en dicht.

Maar--nog en noch??

Ja, dát maakt een onderscheid. Het schrijven van ons voegwoord nog met c.h. is zeer geschikt om iemand bij 't vóórlezen geheel in de war te brengen, en--men moet onze dierbare Moedertaal zóó iets toch nooit kunnen verwijten.

28 Jan. 1878.

[14] Deze wensch is echter niet vervuld geworden. Ook de beide volgende deelen van Dantes C. D. door Dr. Hacke van Mijnden, zijn, met de bekende platen van Doré versierd, aan des dichters vrienden vereerd doch, nog eer het derde ofschoon voltooide deel aan de pers kon worden toevertrouwd was de talentvolle man, zijn grooten meester, den onsterfelijken dichter, helaas, reeds voorgoed gevolgd in die oorden waar hij gedurende de laatste maanden zijns levens zoo gestadig in den geest had vertoefd en--er "Beatrix aanschouwen deed".

[15] Dit treffelijk blijk van zelfbeheersching en zelfverloochening ter wille van de Kunst, werd ons door een van Da Costa's vrienden meegedeeld.

[16] Kabaal naar aanleiding van het beroep van Ds. Meijboom, destijds predikant van de Groninger richting.

[17] 13 en 14 Sept.

[18] Ze konden ook nagebootst zijn.

[19] Den Minister van Financiën geven we eerbiedig in overweging, om ook in ons Nederland goudstukken van 50 en 100 gulden te doen slaan, natuurlijk niet ten behoeve van hen die ze te Monte-Carlo gaan verspelen.

[20] Wij laten deze cijfers voor rekening van dien berichtgever.

J. J. C.

[21] Het Vaderland, No. 44, 1870.

[22] Zie o. a. zijn meesterlijk stuk, getiteld: In 't Gooi, Maart en April Nos. van de Gids.

[23] Economist, enz.

[24] Fabriekskinderen. Een bede, doch niet om geld.

[25] Een der edeldenkendste fabrikanten in Twente verhaalde mij nog onlangs, dat er o. a. ouders zijn die--om de arme schepseltjes 's winters heel vroeg wakker te doen worden, ze uit de warme bedstee nemen en met de bloote voetjes op den ijskouden haardsteen zetten!

[26] Wetboek van Strafrecht. Zesde Afdeeling.

[27] De Haarlemsche burgemeester, die mede geklaagd had over den toestand der lijdende Fabriekskinderen werd later Minister van B. Z., en tot hém werd dit schrijven gericht.

[28] Thomas Babington Macaulay's redevoering over den arbeid der kinderen in de fabrieken, gehouden 22 Mei 1846.

[29] De laatste klaagt over een onduidelijk adres, terwijl het zijne in 't geheel niet te vinden was.

End of Project Gutenberg's De lelie van 's-Gravenhage, by J.J. Cremer