Chapter 38
Durven!--Gott im Himmel! Krabt die Fransche furie niet met haar spitse nagels het vleesch van Heinrichs aangezicht! Slaat ze die nagels niet in Friedrichs oog!--Ja, laat hij maar vloeken en tieren der verdammte Franzoos. Voort met het Eugénieënbrut! Smijt het razende dier in den kelder, of buiten, bij nummer eins!
Friedrich trilt van woede. Zijn linkeroog brandt in de oogkas.--Nog één ruk, en hij sleurt de teedere jonkvrouw die zulk een furie werd, van zich af; zij smakt met het hoofd tegen den muur der vestibule.
Antoine, ofschoon vastgebonden, kent zich zelven niet meer:
"Satan de l'enfer!" gilt hij wanhopend, op 't zien van den vreeselijken gruwel aan zijn liefste gepleegd.--Onmachtig om zich los te wringen, ten einde dat dierbare kind--de schoone bloem van het dal--ter hulp te snellen, grijnst hij als in razernij; en, zich vluchtig verheffende, bijt hij den armen Heinrich--die toch zijn plicht deed--zoo hevig in het aangezicht, dat deze een rauwen kreet slaakt, maar ook op hetzelfde tijdstip den kolf van zijn karabijn verheffende, den armen Antoine daarmee een zoo hevigen slag op den schedel toebrengt dat hij zieltogend neerstort, terwijl zijn vergruisde hersens rondspatten in de marmeren vestibule.
Begint zij walging te baren de schets? Wordt zij kwetsend voor het gevoel?
Maar groote hemel zijn we dan niet gestikt in den stroom van menschenbloed, waarin we reeds zoovele maanden, en tegen wil en dank, werden gedompeld!
Doch gewis, indien wij zelf die vreeselijke tooneelen hadden aanschouwd, indien wij zelf een gewaarwording hadden opgedaan als die wanneer de spitse degen of de scherp gewette bajonet, na een krachtigen stoot, zoo week door het lillend ingewand van den ons vreemden evenmensch glijdt; wanneer wij het zelf hadden gezien hoe het bloed, de straks nog gloeiende wang van ons slachtoffer ontvluchtende, uit den opgescheurden strot naar buiten perst, terwijl het ons lauw in het aangezicht spat. Wanneer de brekende oogen onzer verslagenen ons maar levendig voor den geest stonden, de blauwe oogen vooral van dien blonden jonkman met den wijd opgesperden mond, waaraan nog met een pijnlijken zucht den naam eener dierbare ontsnapt; of die van den forschen krijger, akelig puilende uit de kassen, terwijl zijn laatste woord een vervloeking was van zijn moordenaar!
Ja, groote God, indien wij die vreeselijke werkelijkheid hadden getast en aanschouwd....
Ei! sla den blik op het zegevierend leger terwijl het de groote hoofdstad binnentrekt, op die krijgers, overladen met roem en eer. Bloemen en bouquetten worden hun toegeworpen. Jubelend keeren ze in 't vaderland terug. Wilhelm draagt er roem op dat hij, hij alleen, dertien Franschen voor zijn lood of kolf zag neerzinken; en Dominique, zoo pas uit de gevangenschap ontslagen, brengt toch de glorie mee naar het arme Frankrijk, dat hij met dezen zelfden sabel, een damné colonel Prussien naar de andere wereld zond.
Moesten wij 't zelf niet vernemen uit den mond van een jong en zeer beschaafd strijder, dat hij--neen! op dit oogenblik, geen zweem van medelijden heeft gevoeld bij 't neerschieten van een paar roodbroeken, maar dat het hem goeddeed ze te zien bijten in 't zand.
Een jachtgenot wordt de oorlog, geprikkeld door 't levensgevaar.
O mijn God, indien de krijg zelfs uw edelste menschenkinderen tot furies en duivelen maakt, wie zal hem dan géén vervloeking noemen?--Dronken zijn ze die juichen bij 't vergoten bloed van hun naaste, dronken! krankzinnig!
Ha! daar nadert een breede schaar. Twee banieren heft ze omhoog. Die van 't Roode Kruis en den Vredebond.
't Licht moet schijnen in de duisternis. Liefde wordt gesteld tegenover Volkenhaat.
Beschaving tegenover Barbarisme.
Vrede op aarde!
Helaas! gij breede schare, er zullen nog eeuwen voorbijgaan eer ge uw taak hebt volbracht.
Eeuwen, eer de hoofden der volken geen opperste krijgslieden, maar de eerste burgers van den Staat zullen zijn.
Eeuwen, eer men het mes in des vleeschhouwers scheede minder verachten zal dan den degen, toch slechts gesmeed met het doel om te vlijmen door eens menschen ingewand.
Doch schep moed, de dag zal komen! Gij legt de grondslagen tot het gebouw eener schoonere toekomst.
Uw leger, saamgevloeid uit de edelste krachten der menschheid, zal steeds grooter worden. Uw wapenen zullen de wapenen der beschaving zijn: Onderwijs! Volksontwikkeling! Verzet tegen de zonden der naties, en tegen het meest algemeene der menschheid onteerende dwaalbegrippen.
Laat uw licht schijnen, en keer u 't allereerst tegen dien leugen: dat de oorlog een noodzakelijk kwaad.... of zelfs een heilzaam goed is!
Ja, zoo beweert men: Even noodzakelijk als de stormen en onweders in de natuur, even zoo noodzakelijk zijn het de oorlogen in 't belang der volken.
"Nietwaar, dat is zoo begrijpelijk: Evenals twee wolken, zoo stooten twee volken tegen elkaar. De bliksem is 't oorlogsvuur, de donder het krijgsgeknal. Daarna, de gezuiverde lucht!--O, ongetwijfeld slaan die vreeselijke wereldstormen diepe wonden, maar er is een God van liefde, die 't alles bestuurt, en zonder Zijn wil...."
"Neen, natuurlijk, natuurlijk! Ongelukkig de mensch, die dat een oogenblik zou kunnen vergeten."
Een God van liefde!?
Blanche en Virginie Toulemaire, vergaten het een oogenblik, en zelfs die oude waardige zilveren bruid, ze vergat het in de laatste ure van haar leven!
Vermoorden van Pantin! beklaagt u niet.
Monster Traupmann, leg uw hoofd met gerustheid op het blok. Immers alles wat er op de wereld geschiedt, het geschiedt met den wil van God.
En welzeker, de God van liefde neemt ook het dankoffer genadig aan van de zeer geleerde heeren, die de resultaten hunner hersengymnastiek aan de wereld konden toonen; van de uitvinders dier onsterfelijke mitrailleuses Montigny, Marklerberg en Durand, waarvan de laatsten niet door kruit maar door stoom gedreven, 3600 kogels per minuut werpen, terwijl ze dooden op 400 meters afstand. God neemt het innige dankoffer genadig aan van Zijn rijk begaafd menschenkind, den uitvinder dier granaten, waarvan er één voldoende is om duizend van zijn andere menschenkinderen te gelijk te vernietigen; van den heer Gaudin, die de aarde met zijn uit luchtballons te werpen brandgranaten ten zegen werd.
En dan, mochten zij hun tijdelijke welvaart niet met blijdschap zien toenemen, en leeren zij hun lieve kleinen daarvoor niet innig dankbaar de handjes ten hemel heffen, de papa's die met hun satans-raketten, grieksch vuur, springmijnen en stinkbommen, de wereld en.... misschien ook wel het Opperwezen zoozeer aan zich verplichtten!
Zal men zich in duistere vraagstukken verdiepen? Neen! maar al zonden ook duizend dierbare oorkonden en tienduizend achtenswaardige leeraars 't ons vermelden: dat er niets, niets geschiedt zonder Gods heiligen wil, wij achten het een leugen, een verderfelijke leugen: dat zonde en ongerechtigheid en inhumaniteit, ofschoon ze een plaats hebben in het grootsche wereldplan, de uitvloeisels van Gods wil zouden zijn.
Is het Gods wil dat een zoon, zijn trouwe moeder, die hem vermaant, in koelen bloede een mes door het hart jaagt....? Neen, zeg nu maar NEEN. Dát toch wil God niet.
Niet dóór en met het onreine en onedele, neen, door den strijd er tegen klimt het menschelijk geslacht al hooger en hooger.
Die strijd, dát is de strijd die er zijn moet op aarde; de gymnastiek voor den geest ter bereiking van zijn hoogere bestemming, of wilt ge, ter bevordering eener trapswijze ontwikkeling van het menschelijk geslacht.
Oorlog is liefdeloosheid. Liefdeloosheid is zonde. God wil de zonde niet.
Niet? En waarom schiep dan Zijn Almacht geen zondelooze wereld? Van den grooten Schepper ging toch óók het denkbeeld zonde uit Hij gaf er plaats aan op deze aarde!?
Alzoo wil God dat de mensch zal omkomen van kou omdat hij den winter zulke scherpe pijlen gaf; dat hij verbranden zal omdat het vuur hem niet spaart wanneer hij zich aan de woedende vlammen waagt?
Alzoo wil God dat de mensch zal honger lijden omdat Hij den honger schiep!?
Neen, God wil de zonde niet. Hij kan niets willen wat in strijd is met het rein-menschelijke.
Het rein-menschelijke!
En tóch: een onderling vernielen en vermoorden!
En toch: de oorlog een noodzakelijk kwaad!?
Met verblinding zijn ze geslagen de vorsten, die volgens de oude sleur hun volken ter slachtbank voeren, met den roep dat het hun ten zegen zal zijn.
En de oorsprong dier verblinding. Ziet: Ook uit het kwade--heerlijk scheppingsplan!--ontstaat nog het goede.
Naar dat goede, 't welk de oorlog ondanks zich zelven bewerkt, zoekt en tast men met gretige oogen en handen; en, hoe gering ook, het moet luide verkondigd, breed uitgemeten en grootsch genoemd worden. Zonder die som zou men z'n eigen vonnis vellen. Noodlottig zelfbedrog!
Wat de oorlogen in 't eind nog goeds bewerken:
Het staat in geen evenredigheid tot de som hunner jammeren.
En tevens:
Zonder oorlogen zullen de volken, met den waarachtigen strijd op aarde, zelfs in ruimere mate, en bovendien veel eerder dat goede verwerven.
Aanschouwt de vruchten van het bloedbad 't welk nu weder werd aangericht:
Er is een haat geboren, die nog het nageslacht zal prikkelen tot wraak.
Ziet, daar treden ze voorwaarts, jammerende en in rouwgewaad, de weduwen en weezen dier in dolle woede geslachte krijgers.
Daar gaan ze, de eertijds zoo vroolijk blozende maagden, nu verbleekt en met roodgeschreide oogen, de liefhebbende warme zielen voor wie de teedere naam van vrouw of moeder nooit klinken zal.
Daar zijn ze de tienduizenden, ongelukkig verminkte wezens, mannen zonder handen of armen en beenen, mannen die gedoemd zijn om hun leven in een beuzelachtig nietsdoen te slijten, en te pralen met de wreedheden die ze bedreven, of den haat levendig te houden tegen dien "erfvijand van hun volk".
Arme verminkte mannen! Is het hun schuld dat ze vergeten dat die erfvijand hun naaste, en dat de haat een roest is die 't hart verteert?"
Zie ze die legioenen krijgers: Eertijds--hoe velen hunner erkennen het nog met trots--eertijds konden ze geen mugje leed doen, eertijds! Maar nu: Valt aan! Houwt en sabelt neer wat uw vijand heet, 't zij oud of jong, man of vrouw, kind of grijsaard; slaat ze dood die u in den weg staan. Zie ze plassen in 't menschenbloed, geen dieren- maar MENSCHENbloed!--Eertijds, nu ja, maar thans: de Keizer, de Koning, het Vaderland roept. Nu.... voorwaarts! Een nieuw bloedblad: nieuwe lauweren!
En ginder--zie, zij zoekt zich te verbergen die breede schaar van huichelaars, gekweekt in de school van den oorlog. Met de hel in het hart, hebben zich die ruggen gekromd. Stil! in de harten van sommigen hunner, wekte wraak of zelfbehoud zelfs den sluipmoordenaar op.
En nu, sla den blinddoek weg; zie de waarheid--al zij het ook een naakte waarheid--onverbloemd in het aangezicht:
Daar gaan ze de ongelukkigen, die bezweken in hun zedelijken strijd te midden van dien zelfmoord der menschheid.
Daar gaan ze, de gieren van 't slagveld, de dieven der gelegenheid. Daar zijn ze, de ontuchtigen en dierlijken door onthouding. En dan, helaas! de arme vrouwen die de ongeborenen verwenschen in haar schoot, omdat de woestaards, die--óf haar trouw als echtgenoot verlamden, óf schaamteloos haar maagden-eer roofden--duivels waren; ze zullen dat kroost verachten en het den ongekenden vader leeren vloeken. Arme moeders!
Schatten van Kunst en Wetenschap vernield! Stilstand van alle werken tot heil der menschheid!
Vernieling van duizenden menschenlevens!
Verkrachting van de wetten der hoogste liefde en waarachtige humaniteit!
Ziedaar dan de vruchten van den oorlog.
Halt! Nu klinkt er een andere stem:
"Kortzichtige, kunt ge niet verder zien dan de spanne tijds van een menschenleven? Wat zijn al die jammeren, vergeleken bij de weldaad aan een volk bewezen, wanneer men het wakker schudt uit zijn vadsigen dommel, en tot zijn zedelijk bewustzijn ontwaken doet!"
Alzoo, al die jammeren, en al die ellenden--heugenis voor honderden jaren--ze dienen om een volk--of de volken--te leeren.... Wat?
Iets 't geen ze niet weten konden zonder een oorlog? Iets wat nergens elders gevonden werd? Of 't geen niet langs andere wegen te bereiken was?
De oorlog van 1870 moest aan het Fransche volk dus leeren:
Dat een oneerlijk bewind het volk--vooral in oorlogstijd--noodlottig wordt.
Dat de Fransche natie over 't algemeen slecht wordt onderwezen, en beter onderwijs alzoo hoog noodig is.
Dat een volk zich vrij moet ontwikkelen, niet geketend door de willekeur van een overmoedig bestuur.
Maar is het ernst!? Om dát te leeren, moesten daarvoor al die gruwelen geschieden; moeten daarvoor die wonden nog zoolang bloeden en inkankeren?
Of ook, moest dat helsche vuur worden ontstoken, om te voorkomen dat het eene volk het andere voortaan nogmaals zou kunnen bedreigen of beleedigen?
Maar als dat andere volk dan nu het ééne heeft geleerd zijn toon wat lager te stemmen, en het geknakt heeft en vernederd, dan kon dat wijzere volk op zijne beurt wel eens den toon wat hoog gaan stellen, en op zijne beurt gaan dreigen en beleedigen.
Mettertijd! Wie weet!
Maar hoort, men zegt weder: dat in oorlogstijden de edele gezindheden insgelijks meer op den voorgrond treden en ontwikkeld worden.
Ziet dien moed; die krachts-ontwikkeling; die warme vaderlandsliefde; die hulp en troost bij al den jammer.
De hulp en troost. Ja Goddank!
De warme vaderlandsliefde. O, dat zij spreke, altijd luid en krachtig, die liefde voor het lieve vaderland. Maar--nooit krankzinnig.
De krachts-ontwikkeling. O dolle kracht! O vernieling!--De beste klachten verkracht!
Den moed!
Wat is moed?
Moed is de vastberadenheid die gevaren trotseert, en zelfs den dood veracht in 't belang der menschheid of van 't vaderland.
Gode zij dank. Zoo verstaat ook de edele krijgsman zijn roeping. Zou hij hunkeren om toch spoedig zijn moed te toonen door het vernietigen van menschenlevens, door een triumfantelijk omhoog heffen van het bebloede staal?--Overwinnen dát is zijn leus. Overwinnen of sterven. Maar neen, aan dat slachten en vernielen dááraan dacht hij niet toen hij als knaap den degen koos. Toen dacht hij--en misschien bij den zegen van den vrede nog zooveel te meer--aan verheffing in rang, aan eer en roem, maar ten koste van zooveel bloed en tranen, neen, dat heeft een menschelijk soldaat zich waarachtig nooit klaar voor oogen gespiegeld, noch ooit begeerd.
Vraagt het aan de edelen onder de strijders, of hun hart, in weerwil van alle doodsverachting, niet een oogenblik onrustig klopte bij het naderen van den stond, toen ze voor 't eerst het bloed van geslachte menschen zouden zien. Ja, maar ze hebben dat aanstonds onderdrukt, want immers de overlevering zegt: wanneer de oorlog is verklaard, dan gelden de gewone aandoeningen niet meer, menschen zijn dan eigenlijk voorwerpen--sabel-, geweer- en kanonspijs, of wilt gij 't liever, ze zijn de geroepenen op hooger bevel, de dienaars van vorst en Vaderland!--Al die fraaie gevoelens uit den lieven vredestijd komen niet meer in aanmerking. Geen weekheid, zwakheid of lafhartigheid!! A la guerre comme à la guerre!
En, toen het bloed maar stroomde, toen was de zwakheid--de liefde tot den naaste--verdwenen, toen ging het comme à la guerre.
Op een verderfelijken doolweg voert de onzalige stelling: dat oorlog een noodzakelijk kwaad is, al moge hij een noodwendig gevolg van zonde en slaafschheid zijn.
Een gruwel is hij, een den mensch onteerend, verdervend, gansch onnoodig kwaad.
Al het zoogenaamde goede dat een oorlog bewerkt, 't is oneindig geringer dan het kwade, 't welk hij sticht voor vele jaren.
Ja, ook uit het kwade komt nog het goede voort. Maar steeds in geringere mate. Wanneer men een prachtigen vruchtboom uitroeit, dan zal het gras weliger tieren dáár waar de boom voorheen zijn schaduw wierp. En, als dan in den herfst de kostbare vruchten niet meer geoogst worden, welzeker, dan moet men wel roemen in dat heerlijke groene gras!
Maar ziet dan, Frankrijk is toch wakker geschud. Zijn banden zijn verbroken. Met de leuze vrijheid en ontwikkeling gaat het een schoonere toekomst tegemoet!
Is het geen verblinding? Zal werkelijk het Fransche volk bij 't eind van dit schrikkelijk bloedbad, een ander volk worden? Zullen zijn bewindslieden, onder welken titel zij 't schip van staat ook zullen besturen, zullen ze--misschien minder zelfzuchtig dan hunne voorgangers (?)--nochtans de voetstappen van die voorgangers niet voor een groot deel moeten drukken, omdat zij rekening hebben te houden met het verleden? Kan een natie, die langzaam rijpen moet voor de vrijheid, plotseling worden vrij verklaard?
Als men den leiband, waaraan het kind langzaam vooruitscharrelt, plotseling loslaat, dan valt dat kind.
De band is verbroken!--Zal er geen nieuwe noodig worden?--Maar toch, Frankrijk heeft geleerd!
Ja in waarheid, maar wát het leerde, 't zal niets meer zijn dan hoe het zijn krachten heeft in te spannen, om na jaren--misschien niet vele jaren--over de nu geledene schande een bloedige wraak te kunnen nemen.
Doch, zal men de vrucht van dezen krijg voor het zegevierende Pruisen vergeten! Ziet men dan, in weerwil van al zijn rouw: zijn heil, zijn Bondgenootschap met de Broeders van het Zuiden niet!
Maar zou dat Bondgenootschap inderdaad een vrucht van dezen oorlog mogen heeten! Neen, 't is een vrucht van den gemeenschappelijken haat. Dat Bondgenootschap ontstond niet dóór, maar het bestond reeds lang vóór den oorlog.
En als nu de verwenschte vreemdeling door vereenigde krachten in zijn hoek is teruggejaagd, en de broeders straks weer rustig te huis zijn, dan--'t zou niet onmogelijk wezen--dán misschien zal het onderling krakeelen opnieuw een aanvang nemen, en.... Maar de tractaten?--Nu ja de tractaten!
En als de broeders niet gaan krakeelen, wie waarborgt ons dat ze te zamen niet overmoedig zullen worden, steeds hunkerende naar meer, totdat ze ten leste gaan inslapen op hunne lauweren.
En dan, dan komen die vreemden opnieuw, en rukken de lauweren weg onder die slapende hoofden.
't Is reeds gezegd: Leer om leer!
Helaas! de stem zal zich weder verheffen, die ons van kortzichtigheid beschuldigt, en een glimp van waarheid weet te geven aan de traditie dat de oorlogen noodzakelijk waren, en nóg zijn voor volksontwikkeling en beschaving.
Ja, maar zij zal 't vergeten dat schier alle groote werken ten nutte der menschheid kinderen des vredes waren.
Getuigt het allen, gij denkers van vroeger en later tijd, die de wereld met de uitkomsten uwer studies op zedelijk en stoffelijk gebied hebt verrast en zoo duur aan u verbonden.
Getuigt het allen, die zint op vooruitgang en volksbeschaving, dat de oorlog steeds uw felste vijand is geweest; getuigt en verbreidt het dat de zegeningen door dien vijand der menschheid aangebracht, 't allereerst tegen haar gekeerd waren.--Ook uit het kwade kan nog het goede voortkomen. Gode zij dank!--Men zag ze, die inspanning van krachten om het luchtschip te stieren--door den nood gedrongen, doch ook ter vernieling. Misschien ten zegen voor de toekomst? Maar het luchtschip bestond. Een kind van den oorlog is het niet; neen. De mitrailleuses, de satans-raketten en stinkbommen--dàt zijn zijne welpen.
De oorlog is een kwaad, een volstrekt onnoodig kwaad.--Niets wezenlijk goeds kan er door den oorlog tot stand komen 't geen niet langs den rein menschelijken weg zou zijn te verwerven geweest.
Was het dan in Europa tot heden een verborgenheid dat degelijk onderwijs een volk ten zegen is? Moesten duizenden moorddadige bommen en kogels verkondigen 't geen één enkel helder hoofd, één enkel waarachtig vaderlandslievend hart ten goede had kunnen bewerken?
Zijn dan de oorlogen nu nog noodzakelijk ter verbroedering van de volken--indien ze het al vroeger moeten geweest zijn--nu, terwijl bergen noch zeeën de naties meer scheiden? Zijn er geen andere middelen inderdaad om de volken wakker te doen blijven, en hun kracht te bewaren of meer te ontwikkelen!
Een gruwel is de oorlog. Een toegeven op reusachtige schaal aan wraak en haat en veroveringszucht, onder het mom van vaderlandsliefde.
Waarachtige vaderlandsliefde is: Het werken met alle krachten aan de beschaving en ontwikkeling van zijn volk; maar ook: Het werken zelfs in den kleinsten kring met lust en noeste vlijt. Vaderlandsliefde is een ijverig voorwaarts streven door gepaste middelen, zonder dwaze verheffing boven zijn stand; een bevorderen en schragen van het te dikwijls verbroken maatschappelijk evenwicht. Vaderlandsliefde is het kweeken van een reinen onziekelijken Godsdienstzin; van humaniteit waaruit de waarachtige vrijheid wordt geboren, waardoor in 't einde de vrede moet komen op aarde.
Vaderlandsliefde!
Maar als een wreede roover het dierbaar erf bedreigt; wanneer het ruw geweld met ijzeren vuist op deuren en vensters beukt?
Hoe! Zal men den woestaard dan met een ernstig vermaan tot rede kunnen brengen; zal hij het oor leenen aan die woorden van den edelsten onder de menschen, den grooten Jezus van Golgotha: Steekt het zwaard in de scheede. Hebt elkander lief. Bidt voor degenen die u haten!--en nog zoovele andere uitingen der reinste humaniteit, der warmste menschenliefde!?
Helaas! indien het ruw geweld u tot handelen dwingt, zoekt het met krachtige hand te beteugelen, en--wordt gij gedwongen zijn helsche wapens te kiezen.... God wil dat ge uw leven en dat uwer dierbaren zult beschermen. Maar wee wee den mensch door wien de ergernissen in de wereld komen!
Één enkel boosaardig hart behoeft slechts één enkele vuurvonk om een gansche stad te verwoesten. Doch wee, wee dat hart, na zijn ontwaken uit den helschen roes bij 't aanschouwen van den jammer door hem aangericht.
Vaderlandsliefde!--Preekt het van de daken dat het geen waarborg is voor 't geluk van een volk, wanneer zijn land al grooter en grooter, al machtiger en machtiger wordt.
Preekt het van de daken dat de kleine naties zoowel recht hebben van bestaan als de groote; dat zij veelal gelukkiger zijn, huiselijker van aard, en meer geadeld door den waren vrijheidszin.
Groot en klein, 't zijn twee machtige factoren van het scheppingsplan. Ziet ze, de onmetelijke zonnen, en de kleinste planeten; de hemelhooge bergen, en de liefelijke heuvels; ziet ze, de cederen van den Libanon, en het fijngetakte plantje der hei; den olifant en het miscroscopisch insekt.
Vaderlandsliefde!--Verkondig het alomme, gij kleine natie, dierbaar Nederland, dat gij recht hebt van bestaan, gij bovenal!--Laat uw stem klinken, met verstandigen ernst, wijd en zijd, dat gij uw huis zult bewaken, en zonder inwendig krakeel, uw huis aan zee, wel wat vochtig, maar toch zoogoed!
Verkondig het, dat ge de bondgenoot wilt zijn voor alle werken des vredes, maar ook, dat ge bij overheersching de taak zoudt vervullen van het folterende geweten, telkens in opstand, en triumfeerende in 't eind!
Zal het de stem wezen van een roepende in de woestijn, klein Nederland, indien gij luide verkondigt:
"De vorsten moeten de eerste Staatsburgers zijn.
"Een gewapende vrede is de eeuwigdurende oorlog. Algemeene ontwapening, dat is de waarborg des vredes."
Wanneer men gereed is ten strijde--of het meent te wezen--dan trekt men het zwaard. Hoort! De gelegenheid maakt den dief, soms ook maakt de dief de gelegenheid. Maar de ontwapende dief? Misschien gaat hij werken en ziet hij af van inbraak en roof.
Klein Nederland, verhef uw stem; misschien kan het baten in 't eind.
Immers men weet dat gij wel klein zijt, maar ook 't geen men dapper pleegt te noemen; dat slechts een paniek in staat is om u voor een oogenblik u zelf te doen vergeten.
Vrij, dierbaar Nederland! roept het den volken toe: