De lelie van 's-Gravenhage

Chapter 37

Chapter 373,931 wordsPublic domain

en het

"Fest steht die Wacht am Rhein!"

Neen, nu kan hij niet thuisblijven. Peter Kraus wil als vrijwilliger gaan, en dien moeten ze ook een driewerf Donnerendes Lebe Hoch brengen.... "Och neen Moeder, neen! wie zou er nu om onze galanterie prullen komen! Voor Fransch verguldsel, bah!--Marsch Doeske, marsch! Dag Moe." En, haastig snelt hij heen, luide zingende:

"Lieb Vaterland magst ruhig sein, Fest steht und treu die Wacht, die Wacht am Rhein!"

En de moeder staat weer voor het winkelraam. En de donkere wolken jagen nog altijd boven de straat in de richting van het marktplein.

O! waarom bonst haar hart zoo geweldig? Zou het toch mogelijk kunnen zijn dat hij...?

Maar, als zij, zijn eigen moeder, het niet wilde! als zij het verbood....? Verbieden! hem!? Zwakke vrouw, zal ze hem, den sterken, den boven zijn leeftijd krachtigen Frits kunnen weerhouden indien hij wilde....? Wát zou hij willen?--Neen, neen! dát wil hij niet. O God! als zij dat eenig kind, dien eenigen schat moest verliezen!

Zoo peinsde en streed ze totdat ze starende naar boven zelfs de donkere wolken niet meer onderscheiden kon. Ach! 't Was óók zoo duister in haar beklemd gemoed.

Hoor, wat klinkt daar van verre?--Is het muziek? Ja, de gansche straat tot ginds bij het marktplein--phantastisch verlicht door schier ontelbare papieren ballons bijwijze van fakkels gedragen--weerkaatst de schetterende tonen van het diep in de ziele grijpende:

"Lieb Vaterland--Lieb Vaterland!"

Frau Remse beeft. Een donderend Lebe Hoch breekt er los uit duizenden kelen. Men weet het: de Duitscher heeft Gesiegt!--Victorie soll geschossen werden, heeft Koning Wilhelm geschreven, en, nóg eens juicht het hier donderend: Victorie, victorie! mee.--'t Is een serenade aan den Landraad ter eere van de overwinning:

"Hurrah! Germania Hurrah!"

En de Landraad spreekt tot het Turn-Verein van de grootheid en kracht der Duitsche natie, die ze dankt aan haar degelijken zin; aan de opvoeding der moeders; aan de orde en tucht harer Landeskinder, geroepen om den Erbfeind te straffen wanneer hij hun rust komt verstoren.--En, oorverdoovend trillen nu de kreten ter eere van Koning, Prinsen en Vaderland!

"Hurrah! Hurrah! Hurrah! Germania!"

Waarom vliegt Mirza gedurig als half waanzinnig door 't kleine huis, den winkel uit, de gang door, naar boven, 't kamertje van den jongen baas in; snuffelend en jankend, straks met den mooien staart tusschen de beenen weer naar beneden; de achterkamer binnen, onder den stoel van den goejen baas, óp dien stoel, driemaal ronddraaiende als waande hij dat men zich zoo verschuilen kon? Waarom kermt en kreunt hij zoo geweldig, en krabt hij de verf van deuren en raamkozijnen totdat hij buiten op straat is, om daar al snuffelend te jagen naar 't marktplein, Zum weissen Hirsch binnen te sluipen doch straks ook terug te keeren, om nóg eens zijn jacht te beginnen door 't huis van den jongen baas?

Men zegt dat Frau Remse zich goed heeft gehouden, heel goed, zooals dat een kloeke Pruisin betaamt. Maar aan den avond van den dag toen Frits haar verliet met de woorden: "'t Zou Duitschland bestelen zijn moeder, wanneer ik den Koning mijn kokend bloed en mijn krachtigen arm onthield;" aan dien avond vond men haar op het verlaten kamertje van haar Frits in bezwijming neerliggen bij zijn stoel. En, toen ze weer bijkwam.... neen, men zegt niet wat ze toen deed; maar men fluistert.... dat ze toen den koning vervloekte, en..... Doch dat kan niet waar zijn, want vrouw Remse is een Duitsche vrouw, en Duitsche vrouwen zijn kloek, en ook een Duitsche moeder is verstandiger dan een stom en, redeloos dier.--Zie dan, Mirza is niet weg te slaan van het kamertje, waar nog kort geleden zijn jonge meester sliep. Voor zijn bed ligt hij nacht en dag, en 't eten laat hij onaangeroerd staan. Wie hem nadert of een hand naar de kleeren over dien stoel, of naar die oude schoenen ginds in den hoek durft uitsteken, dien gromt hij tegen.... En--gisteren lag hij roerloos stijf op de peluw van het verlaten bed. Hij heeft het gevoeld, die vroolijke jonge vriend zou hem nooit meer liefkoozen, nooit!

Monsieur Toulemaire heeft zijn kleine nette villa geen vijftig schreden buiten het dorp. 't Ligt aan de helling van den berg met het uitzicht op het dal, waardoor het blinkende stroompje zich dartel een weg baant.

Monsieur Toulemaire woont daar met zijne vrouw en twee volwassen dochters.

Blanche en Virginie moeten 't zeker wel weten dat ze "de bloemen van Monsieur Toulemaire" genoemd worden, want Gaspard en Antoine zeggen 't haar zoo dikwijls en o, ze zeggen haar nog veel meer, heel in vertrouwen, als ze 's avonds soms paar aan paar in den heerlijken omtrek dwalen. Maar Blanche en Virginie zijn natuurkinderen, in den edelsten reinsten zin van het woord, doch beschaafd, en verstandig ontwikkeld niettemin, en daarom, of ze 't al weten dat ze de schoonste meisjes van het dorp zijn, toch eigenlijk weten zij 't niet.

En, in den laatsten tijd hadden ze wel aan wat anders te denken. Haar lieve ouders zullen dit jaar in 't midden van den zomer hun vijfentwintigjarig huwelijksfeest vieren. Sedert vele weken reeds waren Blanche en hare zuster 's morgens heel vroeg, en 's avonds tot 's nachts zeer laat, in de weer om de prachtige handwerken bijtijds gereed te hebben: roode en witte camelia's, naar zelve geteekende modellen, op satijn geborduurd in het genre der Gobelins. Twee fauteuils, met die kostbare bloemen versierd en bekleed, zullen op den zilveren trouwdag voor het dierbare bruidspaar gereed staan.

En ha! gisteravond, toen le bon papa met la chère maman op visite bij hun vriend Le Pochon waren--men had het zoo heel stilletjes bedisseld--toen heeft de meubelmaker uit stad de beide prachtstoelen kant en klaar in de villa Toulemaire gebracht, en Gaspard en Antoine hebben de bloemen in verrukking aangestaard. Welke bloemen 't meest....? Dat zag de kleine achterkamer wel, waar de stoelen verborgen zouden staan tot den dag dat le bon petit pére en l'ange mére, het feest zouden vieren met hun vier kinderen.... Ja vier, bien certes! car: deux et deux font quatre.

Blanche en Virginie ontstelden er van. Had papa woorden gehad met den goeden vriend Le Pochon? Wat was er voorgevallen dat hij zoo onbegrijpelijk rood zag, en een paar malen een leelijk woord tusschen de hagelwitte tanden zocht te smoren.

Monsieur Butel, gewezen wachtmeester, die bij Solferino een arm verloor, en nu brievenbesteller op het dorp is, Monsieur Butel, met zijn groote snorren en blank geschuurde decoratie op de borst, hij zal 't verklaren misschien.

Men spreekt van een oorlog tegen Pruisen. De Hertog van Pruisen zou te Weenen, zoo verhaalde Monsieur Butel, een brief vol insultes--sacré tonnerre--aan Keizer Napoleon hebben geschreven, niets meer of minder dan: Blancbec! omdat Keizer Napoleon er voor zorgde dat de Hertog van Pruisen aan zijne Heiligheid den Paus la Province du Rhin niet ontweldigen kon. "Ha!" zoo eindigde Monsieur Butel zijn inlichting: "Één Franschman geldt meer dan tien Pruisen-kinkels, die parbleu! te stupide zijn dat ze een woord Fransch verstaan." En dan met verheffing; "Ik heb er een gekend, Hans Rölich uit Kopenhague! 'En ezel! sacrè tonnerre!"

Monsieur Toulemaire wist er meer van. Doch evenals den ouden onderofficier kookte 't hem in de borst.

Wat hij gevoelde? Luister:

Tot voor weinige jaren was hij fabrikant te Salins. Sedert den dag dat de marquis De *** de Salins, aan 't hof der Tuilerieën zijn invloed kon doen gelden, nam de zaak van Toulemaire een groote maar tevens een welverdiende vlucht. "En nu," zoo sprak hij: "naast God en mijn vlijt, dank ik mijn voorspoed en een gezegenden ouderdom, aan het tweede Keizerrijk. Vive l'Empereur! Vive l'Empereur: Vive la France! A bas les ennemis! Mortdieu!"

Dit laatste overluid gesproken woord was een ongewone klank in den mond van dien goedaardigen man.

"'t Zal alles nog ten beste gekeerd worden lieve papa," zegt Blanche: "Aan couranten-berichten kan men geen onvoorwaardelijk geloof slaan. Kom, we mogen nu niet anders dan vroolijk aan ons heerlijk feest denken, nietwaar?"

"Ja zeker!" vleit Virginie, en drukt haar rozenmond op het heldere voorhoofd van den geliefden man: "Is 't zoo niet beste vadertje? Zie maar, uw lieve aanstaande bruid knikt u zoo opbeurend toe."--En zij, die aanstaande zilveren bruid:

"Pierre," zegt ze: "geen zorg in 't verschiet. Al moest er oorlog komen, hier toch zal het vrede blijven. Waar is men veiliger en kalmer dan in ons lieve dorp, in onze heerlijke vallei!"

"Veilig! daar spreek ik niet van Eugénie. La France, c'est la force, la gloire! la victoire! Ik zou niet weten hoe men een enkel Fransch burger één haar zou kunnen krenken. De Keizer wenkt en 't gaat naar Berlin, waarachtig naar Berlin!"

Papa had gelijk, zóó zou het wezen! En hier in het stille heerlijk gelegen dorp, had men toch zeker niets te duchten. De ramp voor het arme Duitschland zou groot zijn, nu ja! men kon ze betreuren, men kon medelijden met dat in vele opzichten nog zoo ruwe volk hebben, maar, onder Gods leiding moeten immers zelfs bloedige oorlogen meewerken tot de opvoeding en beschaving van nog weinig ontwikkelde naties. (!) Ach Blanche en Virginie willen 't hopen met haar lieve ouders mee, dat God ook nu uit dit schijnbaar kwade, het goede zal doen geboren worden. Als 't noodig moest zijn, dan zal men haar vooraan vinden in de rijen van hen, die den vijand zullen weldoen; want immers nog dezen morgen had Monsieur le Curé zoo roerend als krachtig gezegd: "Mais moi je vous dis: Aimez vos ennemis; bénissez ceux qui vous maudissent; faites du bien á ceux qui vous haïssent, et priez pour ceux qui vous outragent et persécutent!" En nu, geen somberheid meer; nog veertien dagen maar, en dan is het de heerlijke dag, dat de villa Toulemaire één enkel feestbouquet zal zijn, en dat de armen van 't vreedzame dorp het zilveren bruidspaar zullen zegenen voor de milde giften, die het voor hen heeft weggelegd.

Veertien dagen later was het een prachtige zomerdag.

Aan den voorgevel der villa Toulemaire stak men de groote vlag uit. Geen wonder, 't zilveren trouwfeest wordt gevierd.

Maar hoe! is het de grijze bruidegom zelf, die de driekleur ter viering van het feest langs den fraai met sierplanten begroeiden gevel zal doen wapperen?--Ja, maar doodsbleek is zijn gelaat; zijn tanden klemmen soms knarsende opeen.

"Stil! Ik wil het Eugénie, ik wil het! Laat los! weerhoud me niet."

"Maar Pierre.... ik bid, ik smeek je, goede trouwe man!"

"Vervloekt! zij zullen 't weten dat ik het een laagheid zou achten. Een verraad! te gehoorzamen aan 's vijands bevel.--Laat los!--Zoo! Daar waait ze, de vlag!"

"Maar Pierre! In 's hemelsnaam denk aan onze kinderen. Denk aan Blanche en Virginie. Mijn God. wie zal ze beschermen tegen de woede dier barbaren, indien....?"

"Beschermen!? God zal ze beschermen Eugénie, de God die ons vijf en twintig jaar te zamen spaarde en zegende. God zeg ik, door mijn arm."

"Pierre, och lieve Pierre! weersta die woestaards niet. Je hebt het gelezen dat alle tegenstand der bevolking vreeselijk zal gestraft worden.--O God, welk een feestdag!"

Pierre antwoordde niet, maar zijn oog sprak het bevel dat de Fransche vlag daar zou blijven, om den vijand te toonen dat Pierre Toulemaire geen lâche en geen traître was.

Ja, dat zal hij toonen. Zie maar: in zijn keurig schrijfvertrek gekomen, neemt hij uit de geheime lade zijner secretaire, een paar kleine revolvers; laadt ze en verbergt ze zorgvuldig in zijn kleeding. Ha, nietwaar, men zal toch vreugdeschoten lossen op een zilveren bruiloftsfeest!

En de zilveren bruid, als zij straks weer beneden komt, dan bekruipt haar opnieuw en sterker de angst dat die breede helderkleurige vlag, dat gedenkstuk van zoovele blijde dagen, haar en haar geliefden ten verderve zal worden. Zij wil....

Maar groote God, wat weerhoudt haar om reeds aanstonds haar plan te volvoeren? Ziet ze goed? Is dat Gaspard, Blanches beminde, zoo bleek, zoo deerlijk gehavend?--Hoe! is het waar 't geen hij snakkend naar adem met snijdend geluid en slechts ten deele verstaanbaar uitbrengt?

In weerwil van de Duitsche proclamaties tegen 't verzet der Fransche burgers, en 't geen nog daarenboven in dien geest door den "flauwhartigen" dorpsmaire was aangeplakt, waren hij--Gaspard en Antoine, Virginie's aanstaande,--met nog twee vrienden, benevens een schaapherder en nog drie jonge boeren, allen met buksen gewapend, naar den Steenenburg gegaan om van daar--schier aan alle kanten gedekt en met het steil uitgehouwen rotspad in den rug--naar de zij der chaussée te kunnen vuren, indien de vijand het dorp durfde naderen.

Gaspard heeft bijna niet verder kunnen spreken. Het roekelooze maar toch vaderlandslievende waagstuk is den uitvoerders duur, ontzettend duur te staan gekomen.

"Ga niet naar den Steenenburg, nooit nooit meer," heeft Gaspard in 't eind half waanzinnig gestameld: "Nauwelijks was er een schot gelost of drie der onzen sloegen reeds neer, en stortten langs de smalle rotstrap naar beneden. En de anderen....? O God, hier ben ik om te zeggen wat hun lot werd of worden zal. Ga nooit meer naar den Steenenburg! De takken zijn er niet hoog, neen, maar toch ... O, ga er nooit meer heen, in Gods naam, nooit!"

Blanche klemt zich aan den roekeloozen dierbare vast, en smeekt hem dat hij haar niet meer verlaten zal.

"En Antoine....?" krijt een andere vrouwenstem.

Uit de verte klinkt trompetgeschetter. Langs de breede chaussée trekt een deel van het zegevierend leger naar het dorp in kwartier. De grond dreunt van 't steeds naderkomende heir; 't gerommel van de raderen der kanonnen, de hoefklank der paarden, het kettinggerammel der amunitie-wagens, vermengd met het luid gezang der overwinnaars, 't weergalmt als een onweer van verre.... en straks in het oor der bleeke dorpers, als het vreugdgeschrei eener helsche macht, of het brullen van wild gedierte ter vernieling gereed. Een kleine voorhoede is reeds van achter het beukenhout in de vallei voor de bewoners der villa zichtbaar geworden.

"O Jésus Marie!" gilt weer de stem, die straks naar den geliefde vroeg, maar geen antwoord bekwam. Nu behoeft ze dat antwoord niet meer. Staart ze in een vuurpoel waarin haar schat ligt? Ziet ze een toekomst van geluk plotseling geheel verdonkerd? Ze weet niet wat ze ziet.... Ja toch: Aan deze zij van de bonte krijgsgroep treedt hij, Antoine, blootshoofds met verwilderde haren naast een te paard gezeten "duivel" voort. Zijn bovenkleeren schijnen hem in een fellen strijd van 't lijf gescheurd. De beide handen heeft men hem vast op den rug gebonden, en met het paard moet hij gelijken tred houden, want, om den ontblooten hals heeft men, o God van liefde, een touwstrik gelegd!

Virginie Toulemaire kent zich zelve niet meer.

In wanhoop vliegt ze voort naar beneden. Zij zal die wreedaards dreigen, smeeken.... Maar, hoor, nog eer ze beneden kwam, knalde er reeds van achter een klein bosschage bij den landweg een schot, en weder, en nogmaals, tot twaalf malen achtereen.

Was hij krankzinnig geworden, de brave beweldadigde van het tweede Keizerrijk?

Heeft hij zóó met zijn revolvers de overwinning der Pruisen willen verkleinen? Heeft dan de grijze Toulemaire--achter die heestergroep verscholen--niet bespeurd dat het leven van jongeren, die toch niet roekeloozer waren dan hij, reeds aan een zijden draad hangt en besefte hij niet dat door zijn hernieuwd vergrijp, dat leven reddeloos moet verloren zijn!

Een der huzaren is neergestort.

"Donnerwetter! Verfluchter Franzoos!" Ha! in 't open veld, op leven en dood een kamp te wagen, dat wil de eerlijke Duitscher, maar tegen 't verraad...! Daar klinken twee, drie karabijnschoten. De oude man zinkt bewusteloos neer.

De huzaar, die Antoine bij het moorddadige koord vasthield, heeft zijn plicht gedaan. Daar lag hij "der alte schwartzhosige Turco!"

Maar zie, op 't oogenblik dat de huzaar den dood van zijn nevenman wreekte, heeft hij het touw, waarmee hij Antoine regeert te luttel vastgehouden, en, met een ruk, die hem schier de oogen uit de kassen wrong, is de ter dood verwezen jonkman in vrijheid!

Terwijl de verraste huzaar, verwoed, ijlings uit den zadel springt, knetteren weer karabijnschoten.

Men had niet slechts den vluchtenden Franzoos, neen, men had ook de vlag van den Erbfeind gezien. Alsof er geen Sieg en Proclamaties bestonden, zag men daar voor het hooge dakvenster een bejaarde dame door anderen geholpen, nog juist de laatste hand slaan aan het tergend werk om met het uitsteken dier verwenschte driekleur den overwinnaar te bespotten.

Men bedroog zich. De vlag, die straks achter het geboomte was verscholen, heeft men niet eerder kunnen zien, en het inhalen er van zag men nu voor een tergend uitsteken aan.

Joseph, de huisknecht, wankelt op den zolder achteruit, en slaakt een kreet van ontzetting. Zijn brave meesteres, die niet rustte aleer zij, ondanks Pierre's verbod, de vlag zou hebben ingehaald, mevrouw Toulemaire sloeg de hand op de borst, werd zoo wit als het wit der driekleur, en zonk door een kogel getroffen ineen. Blanche staat als verlamd. Gaspard, nog ontdaan van 't geen hem weervoer, en 't geen hij zag, vangt nabij het zolderraam gekomen de waardige vrouw in zijn armen op.--Maar, een tweede kogel vliegt het dakvenster binnen.--Buiten wordt een luid Hurrah! vernomen. Ze hadden hem daarboven herkend den "sluipmoordenaar", dien men losliet om aan 't dorp te boodschappen wat het lot van "struikroovers" werd.--Hoe! durfde hij nog van boven hen bespotten: Hurrah! die Zündnadelspitze ging hem dwars door de hersenpan heen!

Vorwärts! Marsch! Is die villa hier een rooversnest, een moordenaarshol! Vorwärts! Den brand er in! Al het bandietentuig gestraft ten exempel. Vorwärts! Hurrah!

Intusschen is Antoine Berrier, aan den huzaar en het vreeselijke koord ontkomen, ijlings langs het struikgewas, waarachter de oude man zich straks heeft verschanst, de buitenplaats ingerend. Geen andere drijfveer dan zelfbehoud jaagt hem voort. Doch nu, wat is het dat hem den weg verspert? Een jonge vrouw ligt daar gebogen over het lichaam van.... O God! den edelen Toulemaire!

"Virginie! mijn engel!" roept de vluchteling nu hij mede zijn dierbare herkent.

Het meisje ziet op; doet een poging om te spreken, doch haar tanden klemmen opeen; haar oogen draaien onbestemd; een zachte kreet ontsnapt aan haar doodsbleeke lippen, en nevens het lijk.... zoo meent ze, van haar dierbaren vader zinkt ze machteloos neer.

Een rassche wending op de hem wel bekende slingerpaden bezijden de villa, had Antoine zooeven aan 't oog van zijn vervolger ontrukt. Vluchtig omziende neemt hij nu zijn dierbare in den trillenden arm, en voelt met de andere hand of inderdaad het hart van dien braven oude niet meer slaat. Maar neen, hij is niet dood, de edele Toulemaire.

"Virginie hij leeft! Moed, moed!" roept Antoine op gedempten toon.

Zij heeft het gehoord, maar ze kan.... neen.... ja, ja toch, 't is eensklaps alsof er een nevel optrekt, alsof er een zonlicht doorbreekt. Zij opent de oogen; drukt de hand op den boezem, en, nadat een huivering haar trillen deed, komt ze langzaam overeind. De hoop om dien lieven vader te behouden, schenkt haar schier bovenaardsche krachten. Langs een dicht begroeid zijpad, dragen Antoine en Virginie den zieltogenden man naar de villa. Door de achterdeur zullen ze er binnengaan, en, om de arme moeder den eersten schrik te besparen, zullen ze hem brengen in de kleine kamer, die vooral in den laatsten tijd als het heiligdom der "bloemen van Monsieur Toulemaire" werd beschouwd, ja, ja, omdat men wel wist dat ze er iets werkten en bewaarden voor den heerlijken feestdag.

Maar hoor, wat gillend angstgeschrei vervult het vriendelijk lusthuis? Een "waanzinnige furie" vliegt de breede vestibule door en naar buiten:

"Beulen!" gilt ze: "Beulen!" en altijd weder datzelfde, dat tergende: "Beulen!"--'t Is Blanche. O God, ze weet niet wat ze doet; ze weet niet dat zij zich uit de armen van een paar trouwe dienstboden met geweld heeft losgerukt; en dat haar kleeren er door gescheurd, en haar haren zijn losgegaan. Ze weet niet welk ijzeren voorwerp ze greep om er den dood mee te wreken van.... O Heere Jezus! hoe kan ze de namen noemen van een engelachtige moeder; van een innig innig geliefde! "Beulen! Moordenaars!" gilt en grijnst nu de teedere maagd, die nog slechts van het vreeselijk tooneel op den zolder getuige was, en vliegt langs de prachtige bloemperken een viertal huzaren te gemoet die haastig naderen, met den hun opgedragen last om dit nest uit te roeien met al het "schurftgebroed" dat zich er in bevindt.

Nu houden ze stand. Donnerwetter, tegenover zulk een vijand staan ze niet dikwijls. Prachtvolles Mädchen! Ha!

De ruwe scherts van een dier krijgers hoort Blanche niet. Doch nu, nu voelt ze een hand op haar schouder, en op luchtigen toon de vraag: of Mamsell die Herren komt einladen in Paris den Cancan zu tanzen?

Maar zij--ze hoort niet wat ze zeggen:

"Beulen! Beulen!" krijt ze opnieuw, en....

Men had het zoo niet verwacht. Dat schoone Fransche kind is een ware tijgerin! Met een kleine zaag, het eerste voorwerp, 't welk haar straks op den zolder in 't oog viel, merkt ze den driesten spreker op vreeselijke wijze het aangezicht.

De scherts maakt plaats voor een hevigen toorn. Ze hebben wel harten die mannen, en Karl Wunder zou zelfs in gewone dagen een schoone vrouw niet zuur kunnen aanzien, laat staan haar leed doen--maar nu, als ze zóó op z'n Turco's beginnen...!

Een ruwe uitval en een forsche greep naar de teedere hand, die tot een vernieuwden aanval het vreemde wapen verhief, doen Blanche plotseling geheel en al verlammen. Een doodelijk wit vervangt haar hoogroode kleur. Dikke zweetdroppels glijden langs haar blanke blauwgemarmerde slapen en gitzwarte lokken naar beneden. Een hevig zenuwtoeval schokt haar slanke leden.

Men werpt haar naast het bloemperk in 't gras neer.

Is men hardvochtig! Wie kan het helpen, als God het zoo wil(!) "Vorwärts!"

En de Duitscher, het felst gebeten op hen, die na een heeten strijd den overwinnaar nog het zoet van de zege en het genot eener korte ruste benemen durft, kent op hoog bevel geen genade:

"Voort meiden en knechten van dit weerspannig nest. Heraus! Donnerwetter, heraus!!"

Ha! dat is een poltron! Wat schreit en klaagt en bidt die gegalonneerde Franzoos, terwijl hij op de knieën gevallen angstig met de hand naar dat kleine vertrek wijst.... Was will er? Nun!? Geen genade!--Maar nochtans, aleer ze onverbiddelijk hun werk gaan beginnen, toeven de Duitsche krijgers een oogenblik.

Daar op den dorpel van dat kleine vertrek staat: "de sluipmoordenaar", die zooeven ontsnapte aan het koord waarmee men hem--wat nader bij het dorp dan zijne kameraden--ten afschrik van alle "valschaards" heeft willen straffen. Daar staat hij. Vlammen vuurs schieten er uit zijn oogen, maar toch, evenals de livreiknecht, die ginds steeds handenwringend op de knieën ligt, klinkt zijn stem schier schreiend, terwijl hij als in vertwijfeling bidt dat men genadig zal zijn, want: dat ze daar sterven in dat kamertje, die nu vijf en twintig jaren vereenigde echtgenooten, het zilveren bruidspaar!

De Duitschers verstaan hem niet. Doch, wát hij ook smeeken moge, er is geen genade voor de burgers die zich verzetten.

Helaas! het zal Antoine niet meer baten of hij smeekt en klaagt en dreigt en vloekt, en tandenknarsend zich verweert, terwijl hij--nu men hem terdege bindt--tevens gedurig met wanhopigen blik naar zijn engel, zijn dierbare Virginie blijft omzien.

En zij! O God, kan ze hier in deze kamer werkeloos blijven!

De hand van den stervenden vader laat ze ijlings los, en even als Blanche straks daarbuiten, vliegt ze op die wreedaards toe om hun den dierbaren buit te betwisten.

Maar neen, er is geen God meer! de menschen zijn duivels, verscheurende dieren! Durven zelfs die Duitsche klauwen haar tengere leest zoo ruw en schaamteloos omvatten!