De lelie van 's-Gravenhage

Chapter 36

Chapter 364,317 wordsPublic domain

En als je nou zegt dat je toch geen loon genoeg krijgt, en dat ik wel schrijven kan, maar dat je daar niet van eten kunt, dan--dat zei Jans--lees dan eerst dit alles nog eens na, of laat het je voorlezen; en nog eens: wordt lid van een Nationale. Ga bij de lui, die het zeker goed met je meenen, omdat ze de menschen niet ontevreden met Gods bestier maar tevreden willen maken. Ik zeg, laten wij niet met de Fransoos of de Pruis konkelen, die liggen toch al op de loer, maar laten we echte Hollandsche jongens blijven--meester zeit echte Neerlandsche jongens blijven--en ons aansluiten bij die vaderlandsche vereenigingen, die het goede en de verbetering van onzen stand in de redelijkheid bedoelen. In Utrecht daar hebben de bazen en het werkvolk het allereerst een voorbeeld gegeven. Daar gaven zij die Internationale een schop, en hebben ze zich vereenigd met de spreuk: Orde, vrijheid en recht.--Orde in de hut, dat is de baas! Vrijheid bestig, als je in vrijheid maar geen kwaad doet. Vrijheid is een wonder ding. Als ik bij voorbeeld mijn vrijheid wou gebruiken om mijn moeder dood te slaan, of om te luilakken, of mij zelf te bedrinken en ons zoodoende aan lager wal te brengen, dan zeg ik, vrouw, als het noodig mocht zijn--wie weet waar een mensch toe komen kan--hou mijn arm vast; sluit de deur, of blaas de lamp uit. Ja de vrijheid is een wonder ding, want daar heb je de kanarie van Jans, als die los in de kamer vliegt dan gaat ie strijk en zet vanzelf de kooi weer in; en nietwaar als een vogel, die voor de vrije lucht is geschapen dan tevreden in een kooi is! Ik geloof jongens dat tevreden zijn met je staat, terwijl je toch werkt om het beter te krijgen, al de rechte vrijheid is.--En dan van Recht gesproken: akkoord! Recht moeten we hebben, niet meer en niet minder. Ik zeg: met God in de gerechtigheid, vooruit!

Meen jelui dat wij zelf toch niet meer zoover kunnen komen, dan zeg ik: jongens laten we dan toch zorgen dat ze van onze kinders pieten maken. Zonder leeren komen er geen knappe bazen in de wereld. Naar de school moeten ze! als wij dan oud zijn dan lachen we nog in ons vuistje, want zij zullen 't beter hebben dan wij tegenwoordig in het algemeen.--Of ze dan allemaal bazen zullen worden? Nou zoo gek ben je ook niet! Maar aldat de roem is uitgesloten, omdat ik zelf maar werkman ben, en kapabel genoeg om dit verhaal te schrijven, zoo ben ik daardoor juist in een tevreden humeur, en heb er pleizier in; en dat komt omdat ik op de school zoowat haantje op de voorste bank was, en voor het bouwkundig teekenen kreeg ik de medaille.

Maar nu denk je, Jan gaat zijn eigen opvijzelen. Neen, ik wou nog van de bazen spreken. Pas op jongens, je hebt van die zoogenaamde royale bazen die je laten verdienen in de drukke maanden, maar je dan naar huis sturen; of ook die je meer loon geven als een andere baas, omdat zij slecht werk leveren; ik zeg je, dat je dan de heler van den steler bent. Laten de bazen eerlijk blijven, en zoodoende geen brave bazen het brood uit den mond stooten. De groote lui kunnen best betalen. Wat ze niet betalen kunnen daar moeten ze maar afblijven; dat is soms beter ook, want Jans haar eerste dienst was bij zoogenaamde groote lui, en daar heeft ze een armoe bijgewoond misschien nog erger dan bij ons. Want ze moesten nog mooi weer spelen ook. En er zijn er zoo een boel: van boven bont en van onderen.... Meester wou niet hebben dat ik het laatste woord zou zetten; maar het is zoo.

Nou, als je merkt dat de bazen slecht werk leveren en je dáárdoor meer betalen, verlaagt je dan niet om dat bedrog, een handje te helpen. Tegen de gerechtigheid in, dat komt toch altijd neer op je zelf, want als die bedrieger-baas genoeg van je heeft, dan smijt hij je weg als een afgekloven bot en dan komen de honden en knauwen je kapot. Dat rijmt wel, maar dat vleit niet.

Luistert toch naar me, kameraden, als ik zeg: zoekt hooger loon en verbetering van je stand in de gerechtigheid,--misschien was het ook niet kwaad, als het kon, door een aandeeltje in de winst van de bazen?--want op mijn woord, in de verhooging van loon alleen zit de voorspoed nog niet. Als wij, zal ik veronderstellen, het loon te hoog opdrijven, dan moet bij voorbeeld de winkelier het huis, dat hij laat bouwen, ook duurder betalen; en, om dát er uit te halen, smeert hij ons de katoen en pilo en petten en koloniale waren ook weer duurder aan, en zie je, dan kom je met al dat hooger toch aan geen beter kantoor. Hebben de bazen al niet vrijwillig in de laatste jaren de loonen met 20 à 30 percent verhoogd? En is het er beter om?

En zoodoende zal ik met goed fatsoen besluiten, want nu kan ik je die vereenigingen in ons land--die Nationale Werkmansvereenigingen van orde, vrijheid en recht aanrecommandeeren. Als je daar lid van wordt, en ik geloof dat je dat maar twaalf stuivers of twintig borrels voor je heele huishouwen in het jaar kost, dan kun je klagen, en in redelijkheid zooveel recht krijgen als je wilt.

Maar jongens, denkt niet dat je er dadelijk geld mee winnen zult en vet van worden. Larie! Werk je niet dan eet je niet, en werk je niet en eet je tóch, dan ben je een dief, en je eindigt in de kast, of erger, zooals dat arme opgehitste werkvolk te Parijs.

Jongens, de standen zijn van God verordineerd. Nog eens: laat je vrouw de kinders wasschen, en stuurt ze naar school, dat is heel wat voordeeliger op den duur dan dat ze zoo vroeg worden afgebeuld om bloedgeld voor jelui te verdienen. Ja bloedgeld mannen! Zoo denken ikke en Jans.

En alzoo, laat het vreemde ding loopen; sluit je niet bij die Inter- maar bij een echt Nationale Werkmansvereeniging aan, en toont dat je wijzer bent dan de eend die--je weet wel--door zijn eigen kuiken werd opgegeten.

Nou weten jelui er alles van, en blijf ik niet met de pen maar met het hart,

Jelui Kameraad,

Jan Stukadoor,

Metselaar.

ANTWOORD VAN JAN STUKADOOR AAN PIET SCHAVER.

Aan den lezer.

Jan Stukadoor heeft een antwoord aan Piet Schaver geschreven, [29] en ik ben hem gaarne behulpzaam om het onder de oogen van zijn kameraden te brengen.

Dat de man het beter met hen meent dan Schaver uit zijn brief heeft willen opmaken, daarvoor kan ik instaan.

Was zijn hoofddoel, om den werkman allereerst te waarschuwen tegen een onmogelijk communisme, waarmee men, in navolging van elders, ook ten onzent de hoofden op hol zoekt te brengen, hij wenscht niet minder van harte dat er spoedig verbetering zal komen in het lot van zijne standgenooten, indien zij werkelijk reden hebben tot klagen in deze dure tijden.

Jan Stukadoor is een eenvoudig man, die de groote sociale quaestie evenmin zal oplossen als Pieter Schaver, al meenen zij beiden er iets op gevonden te hebben; maar ik meen toch dat èn Stukadoor èn Schaver wenken geven die der overweging wel waardig zijn. De philanthropie kan slechts den arme te hulp komen. De werkman moet door eigen krachten tot een beteren toestand geraken. Doch de standen die boven hem zijn, dienen hem daartoe de hand te reiken en allerminst in den weg te staan. De rijken, zegt Jan in zijn eersten brief, kunnen best betalen. Welzeker! Maar de rijken--en ook allen die zich, 't zij meer of minder tot den gegoeden stand mogen rekenen, zij willen niet genieten ten koste van den nijveren werkman, wien dikwerf het noodigste voor zijn gezin ontbreekt, en die zijn kinderen moet laten arbeiden in stee van ze te doen onderwijzen. De rijken in ons vrije Nederland willen niet rijk zijn ten koste van den armen werkman, die in 't zweet van zijn aanschijn of met verkleumde handen hunne kostelijke huizen bouwt of de weelde van hun salons helpt verhoogen.

En de Nederlandsche fabrikanten en werkbazen, ook zij begeeren hun winsten niet ten koste van hen, die voor hen den arbeid verrichten. Hun hart zal hen dringen om steeds vaster de handen ineen te slaan tot het beramen van de middelen, die den werkman zullen opheffen uit zijn veelal beklagenswaardigen staat. Maar ook, Jan Stukadoor heeft het reeds gezegd: van het onredelijk opdrijven der loonen kan de werkman geen duurzame verbetering van zijn lot verwachten. De loonen moeten--naar gelang van den arbeid--in billijke evenredigheid staan tot de prijzen der eerste levensbehoeften.--Mijns inziens heeft Jan zijn beste woord aan het eind van dezen brief gesproken. Men leze en oordeele of zijn denkbeeld voor verwezenlijking vatbaar is.

Dat dan door vereeniging van alle krachten de tijd spoedig moge komen, waarin tevredene werklieden als Jan Stukadoor--indien 't beweren van Schaver in dit opzicht waar moest wezen--niet langer tot de uitzonderingen zullen behooren, is de oprechte wensch van

J. J. C.

ANTWOORD AAN PIET SCHAVER.

Timmerman.

Piet Schaver, als ik je niet voor een eerlijk kameraad hiew dan zweeg ik, maar nou wil ik niet zwijgen, en al heb ik er spul mee, ik wil nog een korte brief aan je schrijven zonder dat ik mijn neef er mee inhaal want, daar schijn jij een mier aan te hebben, en mijnheer C. zal hem toch wel nazien wegens de fouten. Maar als jij een mier aan schoolmeesters hebt dan ben je toch glad mis, want van de scholen moeten onze kinders het hebben.

Ik zeg dan dat ik schreef omdat ik geloof dat jij het eerlijk meent, maar anders staat het je alles behalve mooi om mijn goeje gezindheid voor de kammeraden verdacht te maken. Wil ik je zeggen hoe dat komt? Dat komt omdat je mijn brief al heel slecht gelezen hebt, en dat had je gepast als je me voor een zeur en een kind en ik weet niet wat meer scheldt.

Maar pikkeneurig of bekanterig ben ik niet, en daarom zal ik je maar heel kort en goed vertellen dat ik het net zoogoed, en misschien nog wel beter met onzen stand van menschen meen als jij.

Ik begin maar met je te zeggen dat je rekening voor jou misschien heel mooi, maar voor mij geen pijp tabak waard is. Jij zegt dat ik de rekening voor zijn achten maak en dat ik dan nog een kanarie heb. Nu schreef ik duidelijk "acht met de kanarie mee." Dus dat is zeven Piet, en niet acht; want de kanarie kost zoowat 1-1/2 cent in een heele week aan zaad. Dus zie je, ik heb negen gulden voor z'n zevenen.

Maar aldat ik gelijk heb dan zul je nog zeggen dat het hier in Den Haag te weinig is. Akkoord! ten minste zoo als jij het opneemt. Maar je hebt slecht gelezen zeg ik nog eens. Ik heb in mijn brief mij zelf in 't geheel niet als zoo'n bovenste willen ophemelen omdat ik rond kom, en ook niet als voorbeeld willen stellen, want ik heb het meer als duidelijk en wel drie of vier keer gezeid: dat mijn vrouw er mee schuld van is dat wij 't, na venant, goed hebben, Goddank! Heb je dan niet gelezen wat ik van mijn wijf zei? Staat er niet in mijn brief duidelijk en klaar dat er kapitaal in de armen van Jans zit, en dat zij werkt meer as meer, en van een gulden er twee maakt? Jans wou niet dat ik er alles van zeggen zou, maar je hebt toch van de vier wollen sokken gelezen. Dikwijls heeft ze door de mevrouw bij wie ze 't laatst diende wat grof naai- of breiwerk, en Dinsdags en Vrijdags gaat ze uit schoonmaken omdat moeder toch op de kleintjes past.

Zie Piet, als je mijn brief niet averechts hadt uitgeleid dan zou je me al dit schrijven bespaard hebben, want de vingers staan er niet naar. Maar jij doet me in alles onrecht. Heb ik gezeid dat het schande is dat de vrouw van P. alle jaar een kind krijgt? God beware! Jans had er alle jaar óók wel een kunnen krijgen als het de wil van God was geweest, maar ik zeg, of ik meende ten minste, dat het niet vreemd is als er armoe wordt geleden wanneer de vrouw, die zoo dikwijls in 't bed leit, een slons van een wijf is. Zie je dát was de riddenaasie.

Heb ik gezeid, Piet, dat alle vrouwen van onzen stand slonsen zijn, en zoodoende jou Neeltje ook beklad? Ik zeg je dat dat een groote leugen is; jou Neeltje kan net zoogoed als mijn Jans zijn, en ik ken er wel drie bij ons op 't hofje die ik met pleizier gemorgen en g'n avond zeg, maar Teun van Van E. is een slons, en zoo zijn er meer, en--zeg ik: dan is er armoe en averij, al verdienden ze achttien gulden in plaats van negen.

En van den drank gesproken. Je weet hoe ik er over denk, maar, heb ik alweer gezeid dat al onze kammeraden zuiplappen zijn! Van hen die af en toe een borrel drinken, daar spreek ik niet van. Neen Piet, dan zou ik me schamen als ik zóó de kammeraden geschandalizeerd had. Ik weet te goed hoeveel brave kerels er zijn die weten wat hun vrouw en kinders toekomt. Maar omdat de drank een pest is waar toch zoo onmannierlijk veel aan versplendeerd wordt, daarom spreek ik er met zoo'n schuwigheid van, en zeg nog eens: jongens past op dat je je niet door dien duivel strikken laat--want gelijk heb je, de drang is groot en de trek is ook groot, maar: drie borrels maken een roggetje!

Neen man, jij hebt mijn bedoeling heelemaal verkeerd uitgelegd; want wat was dan eigenlijk mijn heele bedoeling? Om jou voor te rekenen dat men van negen gulden leven kan? Neen! Wat zou het beduiden! Jij weet wel dat ze in andere plaatsen van 't land nog van heel wat minder moeten rondscharrelen.--Ik heb met mijn domme verstand alleen maar willen zeggen, hoe dom ik het ding vind dat ze: de Internationale noemen. En als jij nu zegt dat het onnoodig was, dan zeg ik: dat je nooit met Van Vlot en nog een boel anderen hebt gesproken.--Zou jij denken dat er niet een heele boel zijn die meenen dat het maatjes-egaal best mogelijk is, als ze worden opgeruid? Ik zeg je ja; en omdat ik begrijp dat er zoo zijn--al zijn de meesten wijzer--ik wou toch eens uitleggen hoe dom en hoe gevaarlijk dat ding is. En zie je, dat heb ik gedaan, en ik heb er geen berouw van.

Maar vooral Piet Schaver, ben ik verdrietig dat je mijn hoofdbedoeling zoo scheef heb uitgelegd. Meen jij het misschien beter met de kammeraden dan ik? Zoo doe jij het voorkomen. En ik schreef juist omdat ik wou dat allen het beter kregen, of--zoo goed hadden als ik.

Dat alle werklieden het graag beter willen hebben dat is waar, en dat is ook goed. Maar dat alle werklieden ontevreden zijn dat is niet waar. Ik ben het niet. En nou kun je denken wat je wilt, maar ik weet wat ik ben. Jans kan het getuigen.

En nu zeg ik in 't geheel niet dat onze stand maar moet blijven zooals die is omdat IK tevreden ben, gezegend met gezondheid en met een vrouw als Jans. Neen waarachtig niet; ook ik wil zelfs graag wat meer verdienen als 't wezen kan. Kammeraden! heb ik gezegd, zoekt in de redelijkheid dat je wat meer krijgt. Sluit je aan bij de nationale werkmansvereenigingen, die samen naar de beste middelen zoeken om onzen stand te verbeteren, dát heb ik gezegd. Schreef ik niet in mijn brief: Recht moeten we hebben, niet meer en niet minder. Met God in de gerechtigheid vooruit!--Heb ik niet gezegd dat de groote lui best betalen kunnen, en dat ze er anders maar af moeten blijven?

Neen, Piet Schaver, onzen stand te verbeteren door gepaste middelen dát heb ik geen larie genoemd, want als ik alles maar bij 't oude wou laten dan zou ik niet van klagen spreken. Maar larie is het, als men, zooals jij, van zeuren en kletspraat spreekt wanneer een mensch uit den drang van 't hart, zijn kammeraden wil zeggen wat de verkeerde weg is, om tot beter te komen.

Maar nou de rechte weg, zul je vragen? Ik heb er alles van gezeid wat ik weet: aansluiten bij een Nationale zei ik, en dan zorgen dat onze kinders toch behoorlijk leeren, want dat is een voorname. Maar zie je, waar jij in 't eind op neerkomt daar had ikke en Jans wel schik in. Wel zeker als er nog zooveel land is, dan moesten ze dat in de kamers van de Staten ginderaal maar uitmaken om volk aan 't werk te zetten; of anders zei ik laatst tegen Van Wiel--die familie in Australië heeft en daar zoo ijselijk van ophemelt--dan moesten er maar een boel naar zoo'n land over zee trekken, en als zij het daar goed konden hebben--ik suspeneer dat het zoo is omdat Van Wiel het met een woord van waarheid betuigde--ik zeg als zij het daar goed konden hebben, dan dunde het hier wat op, en zouden de bazen wat minder volk kunnen krijgen en wat beter over de brug moeten komen. Zie je Piet, ik blijf er bij: Ik wil geen klagen in onredelijkheid, geen gemor en gemopper, maar vooruit in de gerechtigheid!

En nou atjuus, ik meen het zeker zoogoed als jij met de kammeraden, en eindig met de pen maar niet met het hart als dat ik mij noem zonder verdere kriewel of nietsigheid uw vriend:

Jan Stukadoor.

Leve de Neerlandsche jongens!

DE OORLOG EEN NOODZAKELIJK KWAAD?

't Is al laat in den avond, doch binnen de kleine landbouwerswoning, schuins achter 't zwarte dennenbosch, daar brandt nog een lichtje.

Moeder slaapt, ja kijk maar. Als vader haar nu, zooals hij gezegd had, nog eens zachtjes g'endag kuste, dan zou kleine Karl de lamp wel uitblazen, en gauw in de bedstee kruipen. Ja zeker, en heel stil zijn; en zorgen dat Lieschen en Else niet wakker werden; ja, en als hij zelf schreien moest, dan zou hij de handjes maar vast voor den mond houden, want Koning Wilhelm zal vader toch wel gauw weerom sturen, nietwaar? Koning Wilhelm was immers zoo heel braaf, en kon ook niet weten dat moeder nu juist zoo ziek was, neen!

Fluistrend heeft het zevenjarige jongske gesproken terwijl hij tot zijn vader opzag, en de vader--die straks nog, tot lang na zonsondergang, de sikkel dreef door het rijpe graan, maar ach! zonder het werk te kunnen volenden--hij drukt de vereelte hand op het hoofdje van zijn kind, en dan.... Maar neen, spreken kan hij niet.

"En als vadertje dan weer thuiskomt, dan zal hij voor Karl ook een mooie klapbus van vlierhout snijen; is 't niet vader?" vleit het jongske op nog zoeter toon.

God, wat bange stond! Bevend heft de vader het kind omhoog; drukt zijn lippen op dat lief en rond gezichtje, en zegt dan bijna onhoorbaar:

"Zoet wezen Karl, heel zoet! en".... Maar, verder kan hij niet; dikke tranen breken met geweld naar buiten.

Wees krachtig Walter! Ja, krachtig!--Zóó. Nog een zoen op Karls voorhoofd. Nu tilt hij het kind in de bedstee over de slapende moeder heen. Dáár, op vaders plaats, zou het jongske slapen voortaan.--Karl fluistert nog dat hij aan onzen lieven Heertje zal vragen of vader er Zondag mag weerzijn, want dan blijft hij thuis uit de school, en zal dan een heele boel boschbessen voor 't zoete vadertje plukken.

"Goed mijn jongen, goed! Maar stil nu dat moeder niet wakker wordt."

Ach, nu zal hij dan aan die lieve zieke vrouw den zoen ten afscheid moeten geven.... Neen, eerst in de bedstee ginds de beide kleine meisjes zachtjes vaarwel gekust!

Zie, daar liggen ze, de blonde koornbloemen--roode koonen, blauwe oogen.--Maar die oogjes zijn nu gesloten, ze zien hem niet aan.

Weet hij wel wat hij doet nu hij ze zachtjes, beurt voor beurt, op die roode lipjes en malsche armpjes zoent; nu hij Lieschens zacht weerstrevend handje vastklemt en het drukt aan zijn lippen; nu hij Elsje--kleine woelwater, ruiter van vaders knie--de blootgewoelde beentjes nog eens toedekt? Ach neen, hij weet niet wat hij doet nu hij zijn kranke vrouw--om haar een doodend afscheid te besparen, schier onvoelbaar zacht een zoen op de bleeke wang drukt.--Groote God, welk een andere zoen dan dien hij haar gaf.... ha, op dien heerlijken middag, nu zeven jaren geleden ... Voor de bedstee valt hij op de knieën neer. Zijn handen blijven een wijle gevouwen; zijn lippen bewegen zich krampachtig.--Moed, Walter; moed!--Voort nu.--Ja, voort!

Zóó, het licht is al uitgeblazen.--Voort!--

"Nacht vader. Zondag zeker weerkomen vader!" klinkt het nog eens aan moeders zij.

En moeder Bertha.... Wat! wie.... wat is er?

Eensklaps gaan haar matte oogleden open; ze tast met de hand voor zich uit.

"Walter, Walter!" roept ze.--Hoort ze de deur niet zachtjes sluiten?--"Walter!" klinkt het nog eens met angstige kracht terwijl ze overeind vliegt: "Walter! O gerechte God, waar is hij? Walter, Walter!"

"Stil Moeke, niet schreien! Karl zal aan Koning Wilhelm gaan zeggen dat Moeke zoo ziek en bedroefd is, en dan brengt ie vader weer mee, en...."

Maar de zwakke vrouw verstaat hem niet. Ze wil haar steun, haar liefde, haar helper, haar trouwe, navliegen; ze zal hem terugbrengen; ze moet hem hier houden, tot morgen, ach ja! tot morgen althans.

Doch, haar krachten.... haar duizelend hoofd.... en, losbarstende in 't vreeselijkst geklag:

"Weg, weg! O groote God, mijn Walter! weg!?"

Ach arme, ja! Uw Walter ging heen, en, voor altijd.

II.

Frau Remse stond peinzend voor het raam van haar kleinen winkel, en tuurde naar de dikke regenwolken, die over de smalle straat naar het marktplein joegen.

Ja, wat een mensch zich wel eens tot een ongeluk rekent, zoo denkt ze, dat blijkt hem later soms ten zegen te zijn.

Heeft ze niet dikwijls geklaagd dat haar eenige Frits nog zoo jong en zoo wild was: die goeje Frits! te jong en te wild althans om haar in haar kleine winkelzaak met den noodigen ernst van dienst te zijn. Maar nu, Godlof! met dien vreeselijken Erbfeind, terwijl alle Landeskinder gereed moesten staan om 't leven voor 't vaderland te wagen, ja nu behoudt zij haar jongen toch, haar ondeugenden besten Frits, ha!--omdat hij gelukkig nog te jong is.

Wel dubbel moet ze deernis hebben met haar arme buurvrouw: Vier kloeke zonen zag die goede moeder gisteren heentrekken om ze misschien--wie kon het zeggen--nooit weder te zien.

"Stil Mirza," roept Frau Remse, terwijl ze nu naar de winkeldeur ziet, want Mirza, de mooie witte does, krabde met zijn pootje gedurig tegen het onderplint, en joeg onstuimig zijn staart heen en weer, en weder en nogmaals krabbende, maakte hij een jankend geluid.

"Stil Does! Frits zal wel dadelijk komen. De leerink bij dominee zal wel gauw uit zijn. Kom dan maar hier Doeske, hier bij de vrouw!"

Maar Doeske deed alsof ie 't niet hoorde. 't Was al over den tijd dat de jonge baas moest thuiskomen, dat wist hij zeker, en--met het neusje schuins ter zij, even jankende, komt het voorpootje weer vooruit, en krabt hij opnieuw uit al zijn macht.

"Foei, Mirza!... Zoek dan den baas!" roept Frau Remse, en legt op dat laatste een bijzondere klem.

't Zou toch mogelijk kunnen zijn, meent de hond; en ijlings zijn plaats verlatende, vliegt hij den winkel uit, naar achter, de gang ten einde, ritselt met de nagelpootjes langs de trap in weinige sprongen naar boven, en dan, na 't snufflend zoeken op het kamertje van den jongen baas--onder 't bed en naast de kleerkast, hier, ginds, overal, maakt hij ijlings denzelfden weg--ritslend langs de trappen terug, en zit al spoedig weder voor de deur in den winkel, en krabt, luid jankende, vier vijf malen achtereen.

Frits kwam wel een half uur over etenstijd; maar, hij kon het niet helpen. Al de jongens van de leerink waren in optocht gegaan naar ouden Heinrich, met z'n verminkt en verhakt karkas--zooals hij 't zelf noemde--om Heinrich te feliciteeren dat Duitschland nu eindelijk eens met den Erbfeind zou afrekenen, en de kwitantie presenteeren voor de beenen, die Heinrich bij Leipzig verloren had.

"Z'n oogen fonkelden moeder," zegt Frits bij 't verhalen: "Ha! riep ie, als ze 't maar wilden, dan ging ik nog op m'n krukken mee, zoo oud als ik ben." En dan tot Mirza die den kop onder zijn hand poogt te schuiven: "Stil Doesje, koest! Heb jij honger! Dáár! Ik heb het niet!"

Maar Frits moest toch wat eten.--Zie er was wel veel sombers in dezen tijd, omdat zoovelen van de zij hunner geliefden werden opgeroepen, maar--moeder en Frits, hoe dikwijls ze ook in de laatste twee jaren werden beklaagd om het droevige lot van den armen krankzinnigen vader, nu kon men hen benijden: ze bleven te zamen, ja, Goddank, want Frits haar lieve wildzang was pas zeventien jaar.

Frits keek strak naar den grond. Maar hij was dan toch zeventien jaar! Heeft oude Heinrich niet gezegd: Als ik jou beenen en jou jong bloed in 't lijf had: Donnerwetter! dan zou ik ze leeren die sakkerbleus!

Frits had geen rust op zijn stoel. Hij moest weer voort. Met een twintigtal Turners had hij afgesproken om Zum weissen Hirsch op de markt bijeen te komen. Daar werden telegrammen en de Köllnische Zeitung gelezen; daar zouden ze een Lebe Hoch wijden aan Koning en Vaderland, daar zingen het:

"Heil dir im Siegerkranz!"