Chapter 35
De meesten, dat was onredelijk. Nu moet ik zeggen dat Jans alleen op dát punt onredelijk is. Maar ik dank er God voor, want als Jans het niet geweest was, wie weet of ik tóch niet van tijd tot tijd bij Nol op den hoek er eentje zou gepakt hebben. Ééns is geens zegt het spreekwoord, en zoo kom je op een kouwen avond tot tienmaal ééns is tienmaal geens; en dan heb je veertig centen aan je broek, en je kijkt als een vijfcents pekelharing of een schar zonder kop.
Maar jongens, nou moet ik je zeggen, dat ik al een maand aan het denken ben geweest over die woorden van Van Vlot of eigenlijk over die Internationale. Ik zei tegen Jans: Ja maar, als we nu toch waarachtig door dat lid worden, in het huis van V. B.... konden komen (meester zei dat ik den naam hier weg moest laten) nou, in dat mooie groote huis met al die meubels en gordijnen, me dunkt....
Me dankt, zei Jans, dat je je verstand moest gebruiken. Van Vlot zei dat ze AL de huizen zouden afbreken, en dus kwam jij dan tóch niet in het groote huis van V. B....
Dáár had ze gelijk in, en ja, als we allemaal precies gelijk zouden worden, dan moest eigenlijk--na dat pleiziertje in de Maliebaan--de heele stad voor den grond worden gesmeten, om ook de steenen en het houtmateriaal gelijk te verdeelen. Ja wel, elk voor zich kon dan zijn portie meenemen om naar goedvinden op een--óók eerlijk gedeeld stuk grond, zijn huisje te kunnen zetten.
Maar zie je jongens, toen ik daar goed over prakkezeerde, toen begon het me te draaien voor de oogen. Wie drommel zou eerst de stad afbreken? Verbranden was nog zonde, want wat weg is is weg.--De voorname lui? Och goeje hemel, als ze een halven dag aan 't steenbikken waren geweest, bij voorbeeld de graaf van.... (weer geen naam zei meester) afijn dan lee ie voor mirakel; daar zit geen pit in die vingers.
En ik zelf? Als ik mijn portie beet had, wat deed ik er mee? Metselen is mijn vak, ja wel, maar al zat ik op water en brood, om een huis te bouwen, zoo'n beetje behoorlijk, ik zou er geen kans toe zien.
Maar, zei Jans toen, al kon jij als metselaar, net zoo wel als Hein van 't fabriek van Enthoven, en de baron van Die en Die, en de grutter naast ons hofje, en Hannes de diender en allemaal die nooit gemetseld of gezaagd hebben, je eigen huis bouwen, wat moesten dan de zieke weduwvrouwen beginnen?
Ben je gek Jans, zei ik, dat verdeelen en zelf opbouwen da's onmogelijk, da's larie!
Ik moest er om lachen, en Jans begon ook te lachen, zoodat kleine Anneke, die de borst kreeg, losliet. Toen lachten we allebei dat we schudden. Denkt eens jongens, hoe de molenaars en de ministers en de slachters en de boekverkoopers en de notarissen en de vroedvrouwen en de dominee's en pastoors, afijn de heele wereld die van 't bouwen niks wisten, in de knoei zouden zitten. Wat zou je zien gebeuren--dat zei ik tegen Van Vlot op een avond dat hij mij weer den kop kwam gekmaken: Laten we nou veronderstellen, zei ik, dat er op de vijftig huishouwens die bouwen moesten, veertig er zelf niet kapabel toe waren, en dat elk driehonderd gulden vrij geld in de Maliebaan had gebeurd; nietwaar, dan zou de een--al was het geen verplichting, toch alweer tegen den ander zeggen: Och vrind of burger-commun, help jij me een handje, want mijn moeder is rhumatiek of aamborstig en kan toch niet zoo tusschen 't afbraak blijven zitten.--Neen, zou die zeggen: Ieder voor zich.--Dan zou die ander hem bijvoorbeeld drie rijksdaalders onder den neus kunnen houwen. Was de persoon die rook, geresolveerd, dan zei ie: Akkoord! Was hij een schrok, dan zei ie: Voor zes rijksdaalders; en was hij een luie kerel dan zei ie neen, en ging op zijn eigen afbraak liggen.
Nou vraag ik jou, Van Vlot, of er dienzelfden dag alweer geen verschil van stand zou wezen, want die hielp, had de rijksdaalders van den ander. Zie je, zoo'n stad van gelijkheid is onmogelijk. Maar zei ik, verondersteld dat je zoo'n stad kondt hebben, dan zet ik het jou om me te zeggen hoe de magere kranten-Hannes met zijn zuster Letje--de strijkster-zwavelstok--aan den kost moesten komen? We zouden alles zelf moeten doen, want maatjes egaal, alles gelijk, nietwaar? Op onzen lap grond, zaaien en oogsten; koren dorschen en malen; meel kneden, brood bakken,--vee fokken, slachten, natuurlijk alles!
Maar toen viel Jans me in de rede, en zei: Kom schei toch uit met die gekkenpraat; waar wil jij mee ploegen als je geen ploegen kunt koopen, hoe wil je dorschen zonder vlegel, malen zonder molen, slachten zonder mes. Waar moet dat alles vandaan komen en wie zal dat maken als iedereen zaaien en maaien en dorschen en bakken en slachten moet?
Waar de machines vandaan moeten komen? zei Van Vlot: wel, net als de messen en allerlei meer tegenwoordig: uit Engeland.
Zie je jongens, nu zijn we wel dom, maar toen lachten ik en de vrouw toch nog ééns zoo hard. Wij dachten dat dié Internationale over de heele wereld, voor alle landen was. Meende Van Vlot dan dat ze in Engeland toch wel ten pleziere van ons Hollanders aan 't werk zouden blijven.
Van Vlot werd nijdig om 't lachen en liep de deur uit. 's Nachts om éen uur kwam hij stomdronken in vergissing bij ons aankloppen, en toen vroeg ik: wie--ná dat vetje in de Maliebaan--den jenever voor hem zou stoken? En toen zeidie met een smoorvloek erg door den neus: Dat doet de.... de Inter....nation....ale.... voor den duivel!--Nou, als die Internationale de likeurstoker voor den duivel is, zei ik, dan blijf je me met dat ding van mijn lijf af, en ik bracht den lap in zijn huis, want ik had met z'n arme vrouw te doen.
Toen jongens, zijn er een paar maanden voorbijgegaan, en ik heb druk werk gehad in 't voorjaar, zoodat ik van dat ding niet meer hoorde. Maar op een avond dat ik naar huis ga zeit Pietersen tegen me--met een knoop er op: Waarom ben jij nog geen lid van de Internationale? We moeten er hier kerels als jou bij hebben.
Waarom Pietersen? vroeg ik.
Omdat jij een knappe kerel bent, zeidie: Van Vlot en zijn soort kunnen we missen. Dronken volk geeft geen fedusie, en het ding is goed--voor den donder!
Als het ding goed voor den donder is Pietersen, zei ik, dan is het toch ergens goed voor.
Ergens! zei Pietersen: wou jij zeggen dat het niet heelemaal goed was? Moet de eene mensch slaven en zweeten, terwijl de ander, God beter 't, als een lui varken in zijn stoel leit? Kijk--zie, daar heb je weer zoo'n schandaal! die mooie mesjeu in dat open rijtuig leit er als een beest. En wat doet ie? Niemendal!--Ik zeg je: er uit moeten ze! dat volk! 't Is van ons gestolen!
Nou wist ik toevallig dat de heer in dat rijtuig--want er kwam ons een rijtuig voorbij--een dokter was die zich niet geneert om bij de kwaadaardigste ziekten in de grootste achtergaten te gaan. Cholera of pokken daar maalt hij niet om; en ook dat hij niet alleen met de gift, maar niet minder om zijn taal voor de armsten als een vader is.
Wou jij zeggen Pietersen, dat dokter V. van jou gestolen heeft? zei ik.
Ja, G. v. d.! riep Pietersen. We zullen ze wel krijgen G. v. d.!
Toen jongens, wier ik er koud van, maar ik zweeg. Dat zwijgen beviel Pietersen niet. Hij begon lastig te worden en grof als riviergrind, 't Liep zoo graveelig dat hij zijn gezegde van "knappe kerel" weerom nam; ik was een...... (het woord was te smerig zei meester, ik moest maar titteltjes zetten.) Best; maar dat andere woord was eigenlijk nog gemeener hoewel het niet zoo vuil was: ik was een verraderlijke Pietjak.--Wat Pietjak is dat weet ik nog niet.--Zulke kerels, die de goeje zaak tegenhielden moesten goddorie, zei Pietersen, al vooruit op d'r ziel hebben, en als hij mij 't avond of morgen bij den kraag kon krijgen, dan zou hij zijn eigen daarop trakteeren.
De kameraads wilden het bijleggen, maar ik zei dat er van bijleggen geen spraak was, omdat er niets bij te leggen viel. Maar toen we 't politie-bureau voorbijkwamen, toen zei ik, hard genoeg dat ie 't hooren kon: Zoolang als de eene werkman den ander nog bedreigt, is het goed dat ze dáár wacht houwen, en dat de heeren op 't Binnenhof ook nog recht en gerechtigheid spreken.
Nou vraag ik je jongens, als alles maatjes egaal-commun was, hoe zou je dan hulp krijgen als je ziek lei, en recht krijgen als een gemeene rakker je bij avond of ontijd een loer had gedraaid?
Toen heb ik gaan zitten nadenken, en hoe langer ik nadacht en met meester en Jans er over sprak--de meester is nog een neef van mijn vrouwskant,--hulponderwijzer--hoe meer ik begreep dat die heele broederschap en alles maatjes gelijk, net zoo onmogelijk is als met de hand aan den hemel te reiken. De meester zei, en daar had hij gelijk in: Moeten de kinderen dan voortaan niet meer leeren op school? Om kinderen te kunnen onderwijzen moet je met je hoofd en niet met je handen werken. Om dokter en rechter en profester te worden, is het allemaal met den kop werken. Nu moeten die lui toch op stoelen zitten als ze hun hersens inspannen om de wijsheid uit de boeken te halen. Zie je, en dáárom kunnen ze 't ruwe weer zoo niet verdragen; en als het werkvolk grof werk doet met de handen, dan doen zij fijn werk met het hoofd. En, werken met de handen, dat kun je vrij wat langer volhouden als met den kop. Laat Pietersen of Van Vlot eens een klein briefje schrijven, zei Jans, dan zul je eens zien hoe'n spul ze daarmee hebben. Wil je wel gelooven jongens, dat ik zelf over dit opstel al meer als een verreljaar doende ben; alle Zaterdag avonden, en soms Zondags een beetje. Maar ik zeg je dat ik er menig zweetje op gehaald heb, en dat ik 't al lang had laten steken als meester en Jans niet zeien dat ik 't doen moest, en meester niet altijd hielp met overschrijven. Wat betreft dat ik jelui wil zeggen wat ik denk, ik dank God dat ik het doen kan, want, nóg eens jongens, die Internationale die piert ons met open oogen. Ik zeg niet uit wreedheid of slechtheid, maar omdat ze niet zien kan.
Ik zeg tegen Jans, hoe moeten al de brieven door 't land komen, en van Oost en West--waar ik nog een broer bij 't Zevende heb--als je geen heeren hadt, die al die landen en plaatsen van de wereld kennen en zooveel als de direktie verstaan? Als je alles zoo naprakkezeert, dan moeten er heeren zijn op 't kantoor, die een boel meer weten als de bestellers, die alleen maar 't adres hoeven te lezen.--Larie dat maatjes-egaal van de commun. Larie, dat zei ik al een half jaar geleden. En nou? Jongens, lees jelui de krant niet?--Ei, zeg ik tegen Van Vlot--want tegen Pietersen daar spreek ik niet meer tegen--ze hebben zich mooi laten kijken in Parijs, die oppersten van de maatjes-egaals. Toen ze in de knoei kwamen en hun lijf moesten bergen, toen werden ze gevonden met duizenden franken--dat zijn zooveel als halve guldens bij ons--hun kleeren genaaid aan specie en papier. Zie je, dat waren de lui die krek regeerden als alle andere regeerders, maar onder een schijn van maatjes-egaal. Ze aten en dronken van de bovenste plank, en verlakten het werkvolk, waar de meesten van hen, vroeger zelf toe behoorden. Begrepen jongens: één zeit er bij voorbeeld tegen je: Vooruit mannen, er onder met de rijken! Dan denken jelui: Vooruit naar den vetpot, nietwaar? Maar hij die je aanvoerder is, komt het eerst bij het laadje, en als jelui dan aan 't vechten bent en in de konkels raken, dan pakt hij zijn biezen naar Noord- of Zuid-Amerika, en jelui--je wordt in de doos gestopt. Heb je 't niet gelezen? Neen, in de doos niet alleen, je wordt als krengen in de kalk verbrand, levendig, net als een slak waar je zout op doet. Maar--dat is de gerechtigheid. Ja zoo waarachtig als God leeft, jongens, ik zeg met de volle overtuiging: dat is de gerechtigheid! Als ik er niet zoogoed over geprakkezeerd had, dan zou ik zeggen: ik weet het niet. Maar nou, ik heb goed nagedacht en--ik begrijp er alles van!
Ja kameraden, God heeft groot en klein verordineerd in de wereld: daar heb je een vlooi en een olifant, nietwaar? een keisteentje en een hooge berg, een grasscheutje en een eik in 't bosch. Notabene! Maatjes-egaal in de wereld! Jans en zelfs Van Vlot, toen ie goed nuchter was, we hebben weer geschaterd van 't lachen: dan moesten de vrouwen ook maar een broek aantrekken, en de kinderen hun vader en moeder de les lezen. Neen, Van Vlot, zei ik, God heeft kleine sterren en groote zonnen gemaakt, en zoo denk ik dat Hij 't met de menschen ook gewild heeft. Neem jij één stand uit de wereld weg--ik meen van wat goed of noodig is--en de heele boel leit op z'n....--Als de opstekers van 't gas 's winters bij donkeren avond, hun werk niet deden, dan ging jij en ik bij Janssens op den hoek, met een fortuintje 't water in; en--als ze commun waren, dan verdikten ze 't zeker om voor jan en alleman 't gas aan te steken.--Nog eens, die zijn hersens bijeen houdt, die is wel stekeblind als hij niet ziet dat die heele Internationale, misschien met een goeden aard en bedoeling begonnen, eindelijk den ondergang van den werkman achter de mouw heeft. Lees de krant jongens, als je lezen kunt: geen mooie praatjes van vetpot, maar van daadwerkelijke zaken. Staat maar op tegen de wet van God of de natuur, en je krijgt het voorgoed op den kop. Nu liggen al de mannen, die al weer op den vetpot te Parijs rekenden, en die al met het omverhalen van rijkelui's huizen en verbranden zijn begonnen, voor goed onder den grond.--Heb jelui daar pleizier in, ga dan je gang; maar ik zou je danken. Ik zeg tegen Jans--of eigenlijk ik heb het eergisteravond gezeid, toen we samen in de bedstee leien: God geef dat onze Hollandsche jongens zich niet door die vreemde poespas in de draaierij laten brengen. Ik zeg maar: als je je best doet, zooals wij, nietwaar, dan ben je misschien geen haar minder gelukkig dan bijvoorbeeld de baron van (ik schrijf den naam niet, want dat geeft weer spul met den meester) afijn, ik zeg geen haar minder. Of zijn bed zooveel mooier is, daar ziet hij niks van als ie slaapt; en als de rijke lui graag op die weeke spullen van bedden en donsen liggen, ik voor mijn part, ....'k zeg tegen Jans, kunnen ze nou beter slapen dan wij met zijn beiden?--En dan de pot? Jans heeft twee diensten gehad, de laatste als keukenmeid. Maar denk jelui, jongens, dat ze dien pot toen we getrouwd waren, een halven dag heeft gemist? Jans zeit dat het met lekker eten net gaat als met alles, wat je alle dagen hebt, daar gaat het raar van af. Ze zeit dat haar volk--groote lui hoor--altijd aan hun vrienden vertellen van een reisje, toen ze ergens--ik weet niet waar--geen lozies konden krijgen; toen ze zich op een zolderkamertje in een bedstee behelpen moesten, en twee dagen niks als zwart brood en melk en een eindje worst konden krijgen, en dat ze daar altijd met zoo'n schik en behei van vertelden alsof dat nou de pleizierigste tijd van hun leven was geweest.--Ja, zul jelui zeggen, maar 't rijkelui's smullen is toch niet kinderachtig, en ik wou toch liever aan hun tafels zitten dan voor onzen schralen kost. Ik zei het ook, maar meester gaf me laatst een goed bescheid: Dat moet je nog niet zeggen, zei die. Alles heeft zijn mooi en zijn leelijk. God is rechtvaardig, zei meester, en let jij nou eens op, zei die tegen me, of de rijke lui over het algemeen niet ongezonder zijn, en bleeker en lang zoo sterk niet als de werkman. En wat de sterkte betreft, dat is vreemd genoeg, want de grooten kunnen toch alle dagen hun vleesch krijgen en eiers en al wat ze lusten; en neef, zei die, de rijke die altijd lekker volop heeft, kent geen honger. Alle lusten hebben hun lasten, en alle lasten hun lusten, want God is rechtvaardig, al schijnt het zoo niet. Het liedje zegt:
"Rijken altijd volle maag. Armen steeds in 't eten graag. Honger maakt blauwboonen zoet. Vet de maag bederven doet."
Ik zeg ja, wij zijn sterk, ja wel, maar als de ziektens komen, dan maaien ze toch altijd 't meest in onze buurten.
Dat komt omdat de mindere man niet zindelijk is, zei meester. Toen wier Jans giftig; want Jans is als een brand. Maar toen zeit meester: Zoo hebben jelui dan ook de cholera in 66 en nou de pokken gehad? Watblief? Neen, zei Jans.--Akkoord, zei meester, dat komt omdat jij van geen smerigheid houdt, en omdat jelui je zelf en de kinders verstandig hebt laten inenten, en geen kwezels bent, die van Godslasterlijk jammeren als God zelf het medicijnmiddel aan de hand geeft. Zie je jongens, ik ben Griffermeerd van mijn geloof; wat jelui bent dat kan me niet schelen, want ik zeg altijd, de secties en de pletons maken toch maar één schutterij, is 't nietwaar; en of je onzen lieven Heer al wegcijfert, dat gaat er net mee als met de ginneraal of kornel. Jij kunt wel zeggen: ik lach er wat in; maar je zult tóch aantreeën en marcheeren en ekserseeren, zooals hij verkiest, net zoogoed als de korperaals en de sergeants en de luitenants en de heele schutterij.--Nou jongens--en daar heb je het alweer--wat zou de heele schutterij doen--of laten we nou de heele militaare macht nemen--als er geen onderscheid van stand was? Wat waren de soldaten zonder onder- en boven-officieren? Over de stommigheid van Pietersen moest ik lachen. Die zei dat ze die luie bl.... bovenop hun paarden mettertijd ook wel 't loopen zouden leeren. Nou vraag ik, wat wou een leger beginnen, als ze geen hoofdofficiers hadden, die uit de hoogte alles afkeken en meer overleg in één uur moeten hebben als een gewoon soldaat in een heel jaar?
Weet jelui wat ik zeg--en ik blijf er bij--al dat maatjes-egaal-commun, dat is de kooi waar de vreemden ons in willen vangen. Ik heb er over geprakkezeerd, en zeg: als je goed werkt, en niet den luiaard uithangt; als je je geld niet aan klare spendeert en ook niet door je vrouwen aan allerlei mutsen en linten en snoeperijen laat verknoeien; als je dan in de redelijkheid niet genoeg voor je vrouw en kinders te eten hebt, zegt het, en klaagt er over in de redelijkheid, en zonder dreigementen, dát is van Gods wege ons recht; maar laat je niet pieren door mooie praatjes van de Internationale.--Weet je wat die heele Internationale is, zei meester: dat is de domme goeje eend die een haviksei uitbroeide en later door zijn kuiken werd opgegeten; of anders zei meester: 't is de vos, die de kat de kastanjes uit het vuur laat halen.--Jongens als jelui lid er van wordt, dan ben je niks wijzer als die eend of die kat, en daar ben je te goed voor.
Weet je wat ik zeg tegen Jans, ik zeg: Jans, een varken eet afval, een koe gras en hooi, en 't roofgedierte verslindt de krengen. Maar de mensch eet wat gebakken of gekookt is, nietwaar? Alweer ieder naar zijn aard van mensch of dier. Maar als een mensch zich verlaagt tot een roofdier, dan moet hij ook krengen verslinden zeg ik.
Ik zeg nóg eens, dat ik geen enkelen groote ken, noch van het Voorhout noch van de Vijverberg, die gestolen heeft, zooals ze vertellen, want ze zeggen: Bezitting is diefstal. Neen, als bezitting diefstal is, dan, zeg ik tegen Jans, kunnen ze jou gouwe bellen, die ik eens met een ekstra verdiende, ook wel diefstal noemen; dan kunnen ze onzen baas die als opperman is begonnen, maar die van den morgen tot den avond gewerkt heeft en nog van alles geleerd tot in den nacht toe, dan kunnen ze hém, omdat hij een kop voor tien had, óók wel een dief noemen. Als ik onze baas was en ze noemden me een dief omdat ik met Gods hulp gelukkig gewerkt had, dan zou ik óf de tranen in de oogen krijgen óf liederlijk kwaad worden misschien.
Neen jongens, de standen in de stad en overal, dat zit hem in de verscheidenheid van hersens en het maaksel van de menschen. Net als er geen twee blaren aan de rozestruik dáár in den pot, egaal van maat zijn, en evenmin als er twee menschen zijn die je niet van elkaar kunt onderscheiden--ten minste altijd nog wat in 't een of ander--even zoomin kunnen er twee menschen bestaan die precies even knap zijn, of evenveel verstand en ook evenveel geld en goed in de wereld hebben. Dat is niet anders.--Of ik niet liever, als ik het voor 't kiezen had, een menister als metselaar zou zijn? Waarachtig wel, maar al dat gezanik, dat zoo'n man heeft en in de kranten en veel niet genoeg, dat is ook geen slaadje, zeit meester.--Als ik 's avonds met Jans en de twee oudste kinders de boteram met koffie gebruik, dan zeg ik altijd: Goddank!--Vraag maar aan Jans of 't waar is of niet, en dat doe ik uit mijn hart en mijn ziel, want waarachtig jongens, als je tevreden bent, dan heb je niks meer van noode; Meer is larie; LEKKER is ook larie, aan MEER heb je niks anders als oppassen en bewaren en uit het bederf houwen, en LEKKER is..... koffie met roggebrood als je honger hebt, veel meer dan taart met wijn als je nooit honger en zelfs geen tijd of werk genoeg hebt om honger te krijgen.--Maar, zeg je, wijn is toch een andere smaak, en versterkend.--Versterkend? zeit meester, niks zeit ie: de rijken drinken het om de maag, die nooit trek heeft wat grager te maken; en lekker? meester had eens op een trouwerij het spelletje gezien, dat ze met de oogen dicht geen onderscheid tusschen wijn en water konden proeven, dat had ie zelf mee ondervonden, en nu zeg ik: als dát je lekker is, dan komt er toch ook voor een stooter verbeelding bij.
Weet je wat het is jongens? Wij moeten voor ons eigen zien dat we, net als de voorvaders van onze rijke lui, door werken en goed oppassen vooruit komen. Als de rijke lui TEKORT KOMEN TEGEN ONS, DAT MOETEN ZIJ VOOR GOD EN HUN GEWETEN VERANTWOORDEN; ja, dan moeten ze 't met hun krachtelooze en zieke lichamen maar boeten ook! God is rechtvaardig; maar wij hebben niks van hen te reclameeren als alleen dat ze goed werk naar den eisch betalen. Rijden ze in mooie wagens, daar leven de wagenmakers van, en de lijstenmaker van 't verguldsel. Als je zeggen zoudt dat de groote kapitalen--zooals ze tegenwoordig op den winkel praten--ons den dood doen, en dat die de wereld uit moeten, en ook verdeeld moeten worden, net als alles in de Maliebaan, of ievers anders, dan, zeit meester,--en ik mot zeggen dat was het naadje van de kous--dan, zeit ie, als die kapitalen er niet meer waren, dan zou je nooit van zijn leven een groot werk zien tot stand komen. Zie je jongens, nu begrijp ik het ook: die heele rijke lui zitten met den aap, en spikkeleeren daarmee in wijsheid of domheid, net zoolang totdat ze bij voorbeeld een spoorweg moeten aanleggen, of een Haarlemmermeer moeten leegmalen--nog al geen kleinigheid--of totdat ze op groote schaal werkmanswoningen gaan bouwen.--Nou wat zeg je. Als we neen zeggen dan bennen we onredelijk. Onder de grooten zijn er tegenwoordig meer als genoeg, die toonen dat ze ons jandoosie beter lozies gunnen dan in 't gevangenhuis of in de ongebluschte kalk.--Pas op, jongens, laat je niet foppen. We moeten vooruit, dát is sekuur. Ons villen mag er geen een, dáárom moeten we lid van een goede werkmansvereeniging worden, waar we ons eigen belang naar wet en recht kunnen bespikkuleeren. Die vereeniging of vereenigingen kunnen we de Nationalen noemen, dan hebben we met geen Pruisen en Fransoozen te maken (ze zeggen dat het voornamelijk Engelschen en Italianen zijn, maar wat raken ons de Engelschen of Italianen!) Ik geef je den raad jongens, werkt, en drinkt niet, en laat je vrouw de kinders den neus afvegen, en verzuimt niet om ze naar school te sturen. Als ze goed geleerd hebben dan kunnen ze (als ze van God de hersens er voor kregen) bazen worden, van niemendal op, en zelfs wel ginneraal of alles wat hoogheid is. Meester heeft uit een boek daarvan voorgelezen, maar Jans en ik sloegen de handen er van ineen. Nou van De Ruyter dat weet jelui allemaal.