Chapter 34
"Ik acht dat eene wet tot algemeen verplicht schoolonderwijs, als in strijd met den volksgeest hier te lande, niet gemakkelijk zal tot stand komen, en beschouw op dien grond het voorstel der Commissie, zoogoed als een voorstel om den bevonden slechten toestand te laten zooals zij is."
Er verloopen vele dagen.--De Nieuwe Rotterdamsche Courant maakt er gebruik van, en neemt de woorden van dien president tot motto, om al vast het weinig populaire commissie-voorstel met kracht te bestrijden.
En toen?
Men wachtte op U, Excellentie.--Nietwaar: De arme kinderen hadden al zooveel jaren gewacht.
Ha! Daar wordt weer een stem gehoord. De heer Van der Maesen de Sombreff--de volksvertegenwoordiger--vraagt U in 's lands vergaderzaal:
"Minister van Binnenlandsche Zaken, wat zult Gij doen?"
En uw antwoord klinkt:
"De openbare meening moet zich krachtiger uitspreken."
Neen, men had geen recht om Uw woorden in een oneigenlijken zin te verklaren:
Volgens mijne opvatting verstaat men door de openbare meening: Het overwegend volksoordeel gegrond in zijn nationaliteit, en met zijn eigenaardige begrippen van recht en onrecht.--Neen, zij is geen: "op redenen en argumenten steunende, met cijfers gestaafde, overtuiging". En bovendien, zou dan Uwe Exc., na 't ontvangen van het Rapport der Commissie, dat Rapport--inderdaad niet zonder cijfers--als van nul en geener waarde hebben ter zijde gelegd, om nu eens een meer algemeene, op redenen en argumenten steunende, en met cijfers gestaafde overtuiging te vragen aan--de openbare meening!
Genoeg, Gij hebt de Volksstem willen hooren.--"Mannen van energie," zegt een hoogbegaafd Nederlandsch geleerde: "zijn de Staatslieden, die acht weten te geven op de publieke opinie".
Toen, overtuigd dat slechts zeer weinigen in den lande, de vele cijfers zouden narekenen, die de Commissie U nog had aan te bieden: toen, na het "hooren en wederhooren" der Commissie en haren president; maar tevens na rijp beraad en ernstig onderzoek, heb ik mijn landgenooten toegeroepen:
"Nederlanders, hoort ge 't wel? De Minister vraagt U dat gij krachtiger spreken zult."
En de openbare meening heeft zich verklaard.
En in dien tusschentijd zijn de vogels teruggekeerd uit het warme Zuiden, en hebben hun nestjes gebouwd; en de boomen zijn groen geworden; en.... men heeft kermis gevierd in de Residentie; en--die kinderen in de fabrieken hebben gewacht en geleden.
Heeft Uwe Exc. misschien nog te weinig stemmen gehoord; te weinig vooral in evenredigheid van Neerlands bevolking?
't Is zeer waarschijnlijk!--Maar ik herinner U, dat men met het bedoelde kwaad, over 't algemeen slechts in fabriekplaatsen, en dikwijls zelfs dáár nog maar ten deele bekend is. Ik herinner U, dat het petitioneeren niet in den Nederlandschen volksgeest ligt; maar tevens en vooral:
Dat de namen van onze nobele Industriëelen, zoowel uit Twente als uit andere streken van ons Vaderland--die zelfs met hunne firma's op de adressen aan den Koning prijken--een overwegende beteekenis hebben; dat zij te zamen een stem vormen reeds van veel grooter kracht dan de geheele en toch kloeke stem der openbare meening; en, dat men althans voor deze namen alleen, gerust de duizenden kan missen van hen, die--wel zeker gaarne in 't belang van arme kindertjes dat stuk aan den Koning zouden teekenen, wanneer men 't hun maar voorleggen wilde, doch die, na het uitbrengen van hun stem zullen vragen: "En wat is nu eigenlijk de zaak?" of, tastende in den zak: "En, hoeveel kost dat nu?"
Excellentie, de volksgeest wil verbetering van 't lot der fabriekskinderen. Immers van welke richting of begrippen ook, er is geen Nederlander, die een toestemmend antwoord zal geven op de vraag: Vindt gij 't waarachtig goed dat jonge kinderen zoo boven hunne krachten werken, en zoo ellendig onwetend blijven?
Goddank! geen Nederlander wil dat in ernst. Die 't feit dulden, ze zijn verblind. Ja, meelijdend kunnen ze zijn. Ze geven aalmoezen gaarne,--misschien meer dan goed is--maar spreekt men van de ongelukkige kinderen die hen dienen, dan spreekt men van een werkkracht. Van een werkkracht. 't Is niet anders.--Wij hebben 't vroeger gezegd: raderen zijn het, anders niet.
Excellentie! Men heeft aan uw wensch voldaan.
Men heeft van vele zijden gesproken:
Ten 1ste. De Commissie van onderzoek naar den toestand der kinderen, arbeidende in de fabrieken, heeft u voorgesteld om het kind tegen een onredelijke exploitatie te beschermen, door eene wet tot algemeen verplicht schoolonderwijs.
Ten 2de. Reeds voorlang teekenden dertig Leidsche fabrikanten een adres, met verzoek om dien arbeid te regelen bij de wet.
Ten 3de. De Maatschappij van Nijverheid deed hare stem hooren.
Ten 4de. De Maatschappij tot Nut van 't Algemeen kon in 't einde niet zwijgen.
Ten 5de. Een adres der Twentsche Vereeniging van Handel en Industrie kwam U in handen.
Ten 6de. Zoo mede een legio van dag- en weekbladen, 't welk artikels wijdde in 't belang eener wettelijke regeling; en ook het kleine getal dat, tegen die regeling gestemd, nochtans het bestaande kwaad volmondig erkent, terwijl het zich daarna in vrome wenschen voor de toekomst verliest, en zijn redeneeringen besluit met een: "O mochten eerlang....!" of: "Wij hopen van harte...!!"
Maar Exc., niet alle Nederlanders--al erkennen allen dat de toestand van het fabriekskind verbetering behoeft--wenschen, zooals wij, dat de arbeid dier kinderen zal worden geregeld door eene wet.
Ten 1ste. In 't vrije Nederland willen sommigen geen inmenging der regeering in zaken van Handel en Nijverheid. Handel en Nijverheid moeten zich vrij ontwikkelen en bewegen.
Ten 2de. Het middel--zoo vreest men--zal erger zijn dan de kwaal: Wanneer de kinderhanden voor een groot deel aan den fabrieksarbeid worden ontnomen, dan zal de fabrikant een grooter getal kinderen moeten aan 't werk zetten; het getal fabriekskinderen wordt dan misschien wel verdubbeld, en--zooveel te meer ellendigen zullen er zijn.
Ten 3de. Bij minder verdienste der kinderen zal de armoede der gezinnen nog grooter worden.
Ten 4de. Het ten deele vrijgestelde kind zal misschien door onmenschelijke ouders elders tot het verrichten van nog zwaarder arbeid worden genoodzaakt.
Ten 5de. De wet in Engeland, die men in substantie hier te lande zou willen volgen, werkt--zoo beweert men--òf slecht òf gebrekkig.
Ten 6de. Al kon er zulk een wet tot stand komen, hoe zal men, zonder groote en voor den Staat zeer drukkende lasten, die wet naar behooren gestreng kunnen handhaven?
Uwe Excellentie zal toestemmen dat de bezwaren niet door mij worden voorbijgezien.
Mag ik--zoo kort mogelijk--een antwoord geven?
Ten 1ste. Geen inmenging der regeering.--De grootste voorstander van den vrijen handel, de Engelschman, wiens naam door de gansche wereld klinkt, Macaulay, toont met onweerlegbare klaarheid aan, [28] dat juist in 't belang van Volk en Nijverheid, de wetgever moet ingrijpen, waar men 't kind ten behoeve der industrie, op onredelijke wijze exploiteert en ongeschikt maakt om ooit een denkend werkman te worden.
Wie Macaulay in dezen niet gehoord heeft, dien zal Uwe Exc. naar ik vertrouw, het recht van spreken, zoo niet ontzeggen, dan toch voorzeker niet toekennen. En, als de groote Macaulay het woord heeft, dan mag de Nederlandsche auteur gevoeglijk zwijgen, om nochtans, indien er tóch weder van het "aan banden leggen der vrije Industrie" mocht sprake zijn, den onnadenkende nogmaals toe te roepen: De fabrieksnijverheid hier, ligt inderdaad door den kinderarbeid gebonden.
Ten 2de. Gesteld dat het getal fabriekskinderen inderdaad werd verdubbeld--'t geen niet het geval behoefde te worden--dan nog zou dat dubbel getal een minder geëxploiteerd, en zeker een beter onderwezen cijfer uitmaken.
Ten 3de. Men zegt: Bij mindere verdiensten zal de armoede nog grooter worden. Ik vraag Uwe Exc.: wanneer een onzer eerste en edelste fabrikanten, die in zijn fabriek de kinderen reeds vrijwillig in plaats van 12-16 uren daags, slechts 8 uren werken laat en 2 uren onderwijs geven, wanneer deze verklaart, dat hij hunne verdiensten nagegaan, en bevonden heeft: dat de kinderen in 8 uren tijds juist hetzelfde verdienden als vroeger in een zooveel langeren tijd; wanneer de uitkomsten elders--zoomede in Engeland--dit eveneens aantoonen, dán mag men de sombere voorstelling van grootere armoede, inderdaad met schouderophalen begroeten. Immers 't is een gezonde redeneering: Het kind dat minder werkt, werkt beter. Waar het product in waarde rijst, daar kan het werkloon grooter worden. Maar zelfs in het ergste geval--aangenomen dat de loonsvermindering plaats had--waarin men toch zou kunnen voorzien--dan zal ze slechts tijdelijk en een gevolg zijn van den eersten schok. En, ware het niet de grootste onredelijkheid om de volgende geslachten fabriekskinderen, ja, de nu reeds ter exploitatie aangewezen maar nog wat al te jeugdige wurmen, meedoogenloos op te offeren voor de mogelijke, maar stellig ras voorbijgaande gevolgen van dien eersten schok!
Ten 4de. Dat de kinderen nog meer zullen te lijden krijgen is alweder een onjuiste voorstelling. Indien de kinderen van 8-13 jaren, voortaan bijvoorbeeld zeven uren per dag zouden werken, en drie uren schoolgaan, wanneer ze zóó, tien uren per dag zullen bezig zijn; dan immers wordt de vrees, de sombere voorstelling tamelijk ongegrond, dat de ouders, 't zij in hunne woningen 't zij er buiten, nog een geschikte gelegenheid zullen vinden of scheppen, om hun kroost aan eenigen geregelden winstgevenden arbeid te zetten. Bovendien, wanneer het den Staat ernst is met Zijn toezicht, dan zal hij in verband met gemeente-, kerk- of armbesturen, ook daartegen maatregelen kunnen nemen.
Ten 5de. De Engelsche wet--zoo beweert men--werkt slecht of gebrekkig. Volmaakt doet ze het zeker niet, hoe zou dat mogelijk zijn. Maar wie beweren durft dat ze slecht werkt, ik vraag het Uwe Excellentie: Zou een Engelsch Minister van Binnenlandsche Zaken, zou een Bruce, heden eene wet voordragen ter regeling van den arbeid der kinderen die in de mijnen arbeiden--eene wet in den geest van die op den arbeid der kinderen in de fabrieken, indien de laatstgenoemde bevonden werd slecht te zijn. Mij dunkt dit kan volstaan.
Of is die man krankzinnig misschien!
Ten 6de. De wet, zoo zij tot stand zal komen, moet gestreng gehandhaafd worden, en, het toezicht zal voor de schatkist alweder een drukkende lastpost zijn.
Voorzeker, gestreng en met de beste krachten zal zij moeten gehandhaafd worden.
En de middelen...? Excellentie! indien het geld dan werkelijk een bezwaar--ofschoon toch in veler oogen zeer zeker een allerlaatste bezwaar kan wezen, welnu, dan neem ik de vrijheid om, als equivalent voor 't geen de arme fabriekskinderen den Staat zullen kosten, UExc. het denkbeeld aan de hand te doen van een andere kinderwet er tegenover.
Ik zou dan voorstellen, dat de Regeering eene belastingwet op de vóór- of doopnamen in 't leven riep.
Mijne bedoeling is deze:
De eerste vóórnaam zal vrij zijn; doch de tweede met vijf gulden belast, en de volgenden met een steeds klimmende taxe, zoodat men voor een zesden naam een som van twee honderd gulden of meer, bij de geboorte-aangifte zou moeten voldoen.
Deze belasting--UExc. zal 't gereedelijk toestemmen--ware er eene die niemand zal drukken: die, naar mijne berekening, jaarlijks een bedrag van f 200,000 aan 's Rijks schatkist kon opleveren, en waarschijnlijk veel meer, aangezien het zwak voor namen bij de gegoede standen er zeker niet op verminderen zou. 't Ware een luxe-belasting in 't belang der armen.
"In 't belang der armen?" vraagt nóg de tegenstander, die in weerwil van de uitkomst door den genoemden fabrikant verkregen, beweren blijft dat de armoede der fabrieksgezinnen--althans in den aanvang bij het in werking treden eener wet--grooter zal worden dan zij reeds was.
"In 't belang der armen!?"--UExc. vergunne mij nog eens te antwoorden:
Aangenomen voor een oogenblik dat door bijzondere locale oorzaken, die armoede bij den eersten schok inderdaad hier en daar zal toenemen, dán juist zou die tweede kinderwet in den nood kunnen voorzien.--Men roept reeds met luide stem: Welk een misgreep! De Staat kan geen philanthropie uitoefenen.
Ik weet het. Doch wie zal het philanthropie kunnen noemen wanneer men iemand een hem toegebrachte schade vergoedt? Indien de Staat dan werkelijk met het uitvaardigen eener wet individuën benadeelt, dan zal hij dit uit de aangewezen gelden kunnen vergoeden. Wat de Staat onteigent ten algemeene nutte, dat betaalt hij, en ruim. Waar de Staat zijn onderdanen in 't belang van Volk en Nijverheid--gesteld dan!--verdiensten ontneemt, dáár moet hij tegemoetkomen. Ja zelfs, aan de kleine fabrikanten, die door 't begeeren van eene schadeloosstelling, blijk zouden geven van onvermogen, kon hij in den aanvang een vast te stellen vergoeding schenken, naar evenredigheid van 't aantal kinderen, 't welk hem door de wet zou worden ontnomen. Indien de Staat op deze wijze, uit de baten der tweede kinderwet, de gevreesde gevolgen der eerste--volgens die sombere beschouwingen--hielp verijdelen, dan oefende hij zeker nóg minder philanthropie uit, dan wanneer hij gratificaties aan weduwen en weezen verstrekt, voor diensten door echtgenooten of vaders aan den lande bewezen.
Mijn laatste voorstel zal echter, naar ik vertrouw,--ofschoon het m. i. uitvoerbaar is--niet ten uitvoer behoeven gebracht te worden. De mededeeling er van moest UExc. slechts bewijzen, dat de gewichtige zaak wel degelijk van alle zijden door mij werd bezien, aleer ik onze Landgenooten opwekte om aan Uw roepstem gehoor te geven.--Wat den eisch van sommigen betreft, dat ik aan UExc. een concept-wet ter regeling van den arbeid der kinderen in de fabrieken zou moeten aanbieden; de Nederlandsche auteur, meent zijn roeping niet te mogen voorbijzien; het was zijn plicht om telkens mede op de wond te wijzen, die zoo dringend genezing behoeft; doch geneesmiddelen voor te schrijven, of desgevorderd het lancet in 't zieke vleesch te zetten.... dát is de roeping en taak der Nederlandsche Regeering.
Excellentie, de zaak "der gemartelde natuurgenootjes", is er eene van het allergrootste gewicht. Zal men in den naam eener valsch begrepen vrijheid, de marteling dier kinderen meedoogenloos doen voortduren; de wonde al meer en meer doen inkankeren? Zal men, voor het hoogvereerde beeld der vrijheid geknield, wonderen van die vrijheid verwachten, en slechts biddende zuchten, zonder de handen met kracht aan 't werk te slaan!?
"Vrijheid, vrijheid in Nederland!" roept men ons toe: "Vrijheid in ALLES!"--Welzeker! in alles! Loopt dan met revolvers gewapend, gij mannen dier vrijheid, en schiet uw tegenstander overhoop. Laat de spoortreinen vertrekken zonder regel of orde, en tegen elkander instormen als 't u vermaken kan. Bergt vrij petroleüm of buskruit in uw pakhuizen, en steekt den rommel in brand, dat het dreunt en dondert in 't rond, indien ge ruimte wilt, ruimte voor uw vrijheid!
Maar Exc., de zaak is te ernstig voor zulke dwaze consequenties.
Immers, 't geldt de vrijheid, de rechten dier arme kinderen.--Ik weet dat UExc. het gevoelt: 't Geldt hier het leven van aankomende Nederlanders, van toekomstige burgers, 't welk in de fabrieken physiek en moreel wordt verwoest.
Neen, UExc. wil die marteling niet straffeloos doen voortduren, maar bestrijden--ook in 't belang der Nederlandsche Industrie. De volksstem heeft gesproken en zijn wensch tot den Koning gericht. Gij hebt dien wensch vernomen; en, wanneer Gij nu in des Konings naam, de handen aan 't werk slaat, ik bid U, vergeet dan toch de vele stemmen onzer eerste Industriëelen niet, en vergeet Macaulay niet, en vooral niet dat de behandeling dezer volkszaak, na zoovele jaren wachtens, spoed vereischt, grooten spoed, want de verdrukking van die ellendige kleinen moet een eind nemen in ons vrije dierbare Nederland.
Excellentie, Minister van Binnenlandsche Zaken, men wacht op U.
Met de meeste hoogachting teeken ik mij,
Uwer Excellentie's Dw. Dienaar:
J. J. Cremer.
En men heeft op den Minister gewacht, totdat nog drie jaren later, de eerste wet ter regeling van den kinderarbeid in de fabrieken, door een nieuwe regeering bekrachtigd werd.
BRIEF VAN JAN STUKADOOR.
METSELAAR.
Onder toezicht gesteld van zijn neef den hulponderwijzer B.
Aan den lezer.
De neef van den werkman door wien mij het nevensgaande opstel in handen kwam, zal het mij--zoo min als de Lezer--ten kwade duiden, dat ik een aantal van zijne verbeteringen, zoowel in stijl als taal, tot het oorspronkelijke heb teruggebracht, ja zelfs dat eenige door hem geschrapte woorden--waarin de schrijver niets vreemds had gevonden--door mij op hun plaats zijn hersteld.
Dat de Nederlandsche werklieden de veelal zeer juiste beschouwingen van den wakkeren Jan met een Bravo! zullen begroeten, en, beter nog, ter harte willen nemen, is de wensch van:
J. J. C.
AAN ALLE NEDERLANDSCHE WERKLIEDEN
LEDEN EN GEEN-LEDEN DER INTERNATIONALE.
Vrienden, laat ik je zeggen, dat je gefopt wordt, op mijn woord van eer. Ik zeg niet, dat ze het niet goed met je meenen; neen, maar dan foppen ze zich zelf. Ik ben zooveel als handwerksman of metselaar, en versta mijn vak zoogoed als mijn baas, daar durf ik me op beroemen, en ofschoon de roem is uitgesloten, ik zeg het, omdat het waar is, en ik een hekel aan praatjes heb.
In den laatsten tijd hoorde ik gedurig van de kameraden dat ze armoe hadden, geen eten genoeg, omdat ze te weinig verdienden. Dat is waar, vooral als ze--zooals Jan Van End--een vrouw hebben die vijfmaal in de kleine zes jaren een kind krijgt, en op den koop toe een slons is.
Weet je wat ik verdien in de week? Gemiddeld, winter en zomer, negen gulden. En daar moet ik van leven met mijne vrouw, vijf kinderen--God weet of het er bij blijven zal--en, behalve een kanarievogeltje van Jans, mijne oude halfblinde moeder. Bedeeling zou ze kunnen krijgen, maar ik zeg: eer zullen ze me doodschoppen, eer dat ze mijne arme moeder van den arme zullen bedeelen.
Is negen gulden te veel met zijn achten, als ik de kanarie van Jans meereken? Dat weet jelui wel beter; en toch Goddank jongens, ik heb nog nooit honger geleden. Dat zit hem hierin, dat ik geen drank gebruik. Of ik geen borrel lust? Nou, daar mot je om kommen! Als ik hem zie, dan komt me het water over't hart; maar ik zeg, neen baas, je zult me niet pieren, want ik heb er een kennis aan dood; dien stond het schuim op den mond toen hij de eeuwigheid inging, en was zoo zwart van binnen als een schoorsteen. Nou, als je van klare zwart wordt, dan zit er toch de duivel in, al heeft hij geen bokspooten of kettings aan.
Ik zei dan dat ik nooit honger heb geleden, en daar geef ik je mijn woord van eer op. Maar weet je wie daar ook de schuld van is, dat is mijne vrouw. Als je ze zag--ze zit hier bij me terwijl ik dezen brief schrijf, want de meester zei: schrijf jij gerust Jan, jij weet het goed uit te leggen, en ik, zeidie, zal je wel met de taal en de spelling helpen--ik zeg dan, als je mijn vrouw zag dan zou je zeggen: een knap wijf, en ik zeg een goed wijf ook; die het anders zei, die heeft er geen verstand van of is jaloersch; zooals de vrouw van P.--ik wil zijn naam geen schande aandoen, maar die is jaloersch. Jongens, je moest ook eens kunnen zien wat een helder wijf of ik heb. Toen ze voor de vierde keer--in de negen jaren een kleintje had, toen was Wouter, de lieve schreeuwer met zijn mooie oogjes, nog geen tien uren oud, of ze had alweer vier wollen sokken gestopt, en, nog al geen gaten!--Neen, zooals mijn beste wijf den boel bij elkaar houdt, daar weet je niet van; en ik zeg, als ze van kapitaal spreken: daar zit kapitaal in de armen van Jans. En toch geen houten, waarachtig niet: mollig als boter. Als alleman zoo'n vrouw had, dan was er geen armoe. Van één gulden maakt zij er twee; ook omdat zij van twee uren er vier maakt. Vroolijk is ze altoos; en als ze pruttelt, dan is het alleen over de belasting op de zeep.
Maar alleman kan zoo'n vrouw niet krijgen, dat weet ik wel; dáárom en ook met dien ellendigen drank heeft er menigeen veel meer noodig dan ik. Maar, is het misschien door ziektens of dingsigheden dat je armoe hebt, terwijl je werkt zooveel en zoogoed als je kunt, en den boel niet vergooit of verzwendelt, dán zeg ik: jongens, zoekt, als je loon te laag is en je met al je werken niet te eten hebt, in de redelijkheid dat je wat meer krijgt. Ik zeg in de redelijkheid, want of wij elkaar een loer willen draaien of niet,--anders draai je je zelf den hals om, en daar heb je niks geen plezier van.
Onze kleine Albert was krek een jaar--ik weet het nog, omdat de vrouw toen op suiker bij de koffie trakteerde, en dat is een heele ekstra--toen kwam Van Vlot bij ons inloopen. Ik begreep hem niet, want hij zei den heelen tijd zoo'n Fransch woord. Nou ken ik het; 't was de Internationale.--Meester heeft het me voorgespeld. Als ik daar lid van werd, dan kregen we mettertijd net zoogoed te vreten--dat waren met permissie zijn eigen woorden--als de rijkdom en al de grootheid in eigen persoon. Wis en waarachtig, zei Van Vlot, hier bij ons in 't land zijn we wel gek om ons eigen dood te werken voor dat rijkelui'svolk, en voor de bazen, die van ons zweet en bloed mooi weer spelen. De Internationale, zoo zei die, wil met orde en recht onzen toestand verbeteren. We zullen een tijd beleven Jan, zoo zei die, dat al die wind van groote huizen en van de swietmesjeus met hun mooie dametjes uit is, alleman egaal, jij net gelijk met je baas, en je baas net gelijk met den grootsten baron of ginneraal uit het Voorhout. Allemaal glad weg van één slag, en allemaal krek evenveel centen op zak. Ook de centen van den koning moeten we verdeelen, en van de prinsen. Alle grootheid naar de weerlich, zei die; dat was nou het communismus. Dit laatste woord heb ik zelf onthouwen, want dat ding leek me een slaadje als het goed was. Nou, zei Van Vlot, als je niet tegen je eigen vleesch bent, dan moet je ook lid van die Internationale worden, daar staan pieten aan 't hoofd, en ze hebben in andere landen al zooveel jongens en centen bijeen, dat ze ons best den mond kunnen openhouwen als wij alvast de weerlich van 't werk geven.
Toen Van Vlot niks meer zei, toen zei ik: Maar dan zul jij er zeker al wel dadelijk uitscheien Piet, want aan werken daar heeft hij in den regel kaas aan. Neen nog niet Jan, zeidie toen, want die Internationale stuurt geen kind om een boodschap. Zoo gauw als wij van onzen stand hier te lande zoo goed als allemaal lid van die vereeniging zijn, en de kans schoon staat om onzen slag te slaan, dan beginnen we dat vetje; dan gooien we--'t waren zijn eigen woorden--bij al dat groote volk lekkertjes de glazen in, en houwen acht dagen vetpot, en dan: naar den grond met al de rijkelui'shuizen, en, verdeeling van de dubbeltjes in de Maliebaan! Wil je lid worden? zei Piet er bot bovenop. En ik zei: Wat kost het? Zooveel, zei Piet.--Ik keek Jans aan, en Jans zei niks, maar ik zei: Ik zou je danken. 'k Wil er eerst over prakkezeeren.
Toen Van Vlot weg was--eerst zanikte hij nog wel een uur lang, en 't meest over dat pleziertje in de Maliebaan--toen zei ik tegen Jans: Wat dunkt je?
Jans zei: Wat wil dat zeggen, Inter?
Dat weet ik niet, zei ik. Toen dadelijk naar meester.
Meester zei dat Internationale zooveel beduidt als een verbond tusschen alle naties of volken; en dat het hier dus de vereeniging was van al de werklieden over de geheele wereld.
Dat zoodje zou ik wel eens bijeen willen zien, zei ik tegen Jans toen ik weer thuis kwam--'t was Zondag.
Ik niet, zei Jans: vooral vandaag niet, want dan staan de meesten niet vast op hun beenen.