De lelie van 's-Gravenhage

Chapter 33

Chapter 333,901 wordsPublic domain

Dat jongske is het arme fabriekskind, het kind van Zwarte; het knaapje, dat door de macht van het geld werd gered uit zijn ellendigen staat, en opgevoed en onderwezen zal worden, om mensch te zijn, waarachtig mensch!

't Is wel jammer dat zulk een kunstlicht zoo spoedig voorbijgaat. Het schoone tafreel is verdwenen. Wij staan in het duister, in 't nachtelijk zwart.

Hoort ge daarginder--dáár in dien donkeren hoek, dat klagende stemmetje wel. Het kermt om--water.... water! Ontelbare malen hoort ge dat: water! En dan, als wierd het stemmetje moe van altijd datzelfde woord, dan kreunt het: "Dorst, dorst!"

Ouders! hoort ge uw kind dan niet? Moeder Zwarte, weet gij 't niet dat uw arme Saartje, met brandende lippen en tong, naar een teuge smacht en te zwak is om die zelve te krijgen?

Maar de moeder slaapt, en de vader, hij ronkt. Voor het te bedde gaan heeft de beschonken man gezegd, dat hij die fratsen wel kende, en--als ze te lui was voor d'r werk, dat ze zich dan, evenals Sander, ook maar door zoo'n sinjeur moest laten oprapen; dat gaf nog betere rekening. En de moeder heeft gemeend dat het zoo erg niet zou zijn, als ze maar eens goed warm kon worden; en zij heeft het bibberende meisje met een rok, waarvan zij zich bij het te bedde gaan ontdeed, wat beter toegestopt. Toen de moeder dat gedaan heeft, toen was het dat er een klein, een heel klein sterretje tusschen de zwarte wolken blonk.

Maar nu, nú is 't weer nacht, pikduistere nacht; want ook de stormwind heeft de gasvlam uitgedoofd, die er nog brandde niet verre van Zwartes woning.

En daar slapen de ouders, die, al ware het uit lage zelfzucht alleen, te waken hadden bij het bed van hun doodzieke kind. En dat kind, het kan niet meer zeggen dat ze dorst heeft; haar lippen zijn als verschroeid; haar mondje is vuur van binnen; in haar hoofdje bonst en giert en dreunt het. Dat doet de koorts, de heete verslindende koorts. Zoo'n arm verzwakt schepseltje is niet in staat om die koorts te doorstaan.

En--niemand hoort er haar telkens stiller en doffer gekreun. En niemand ziet het klamme zweet daar parelen op het dof gezichtje: en niemand hoort er, na zes uren strijds, dat laatste, dat allerlaatste zacht pijnlijke snikje, het snikje dat klinkt als een dankbaar zoetvloeiend ... verlost!

En daarbuiten, daar buldert de stormwind als met donderenden weerklank: Vermoord! vermoord!

En dát, dát is nu de wonde der arme academiestad.

Zij is afgrijselijk! Gij begrijpt het nu wel dat het een dringend verzoek is om artsenij, waarmee de boodschapper zich belastte.

Een verzoek? Neen, een smeekschrift; want hij is de eerste boodschapper niet; hij dringt slechts tot spoed.

Vermoord! Vermoord! buldert de wind. En ja, die arme fabriekskinderen, ze worden vermoord naar ziel en naar lichaam.

In een nieuwen vorm gaf ik u die oude, maar des te vreeselijker waarheid. Slechts wat ik zelf gezien en gehoord, of ook door ooggetuigen heb vernomen, gaf ik u weer in vluchtige trekken. En dat mijn verhaal u niet heeft voldaan; dat gij het "niet mooi" hebt gevonden, zie, dat zou mij verheugen, indien ik u maar getroffen had, indien ge maar diep gevoeldet, dat daarginder natuurgenooten, zwakke kinderen, armelijk gekleed en ellendig gevoed, 13-14-15 uren daags moeten werken in een klein bestek, ja--somtijds nog bovendien den ganschen langen nacht, wanneer de Zondag moet volgen.

En een groot deel van die ongelukkige schepsels! ze zijn de kostwinners voor hun luie onbarmhartige ouders; ze zijn.... Doch immers, ik heb ze u geschetst, naar waarheid geschetst, al sprak ik u niet van de verregaande zedeloosheid, die hen almede besmettend omringd. En gelooft gij mij niet: welnu, bezoek de Leidsche fabrieken; gij zult zien, en, zoo uw harte al aanstonds niet bloedt, dan zult ge toch voorzeker, weergekeerd in uwe woning, bij het aanschouwen van uw lief en bloeiend kroost, moeten uitroepen: Groote God! bestaat er zulk een ontzettend kwaad in ons dierbaar Nederland, in het land welks grootsch verleden van vrijheid spreekt en van recht voor allen! Goede God, wordt er dan niets gedaan in ons lieve vaderland voor die honderden, ja duizenden van rampzaligen, die er vermoord worden, langzaam vermoord! En al zijn die ellendige ouders ook verschoonbaar, ja onschuldig zoo ge wilt, onwetende, ontzenuwde wezens als ze veelal zelven van jongs af aan waren, en al ziet ook een groot aantal fabrikanten met deernis neder op de ellende die hen omringt; al geven u vele brave rechtschapene mannen onder hen, de oprechte verzekering, dat ook zij zoo vuriglijk wenschen die armen eenigszins te kunnen opheffen uit den deerniswaardigen toestand, waarin zij verkeeren, ze fluisteren u toe: "Wat we willen, we kunnen het niet; ééne is er die 't ons belet, en haar naam is: Concurrentie!"

Hoe! zou zij de moordenares der arme kinderen zijn, zij, de schoone kloeke vrouw, die de leuze van vrijheid in hare banier voert?

Ja, zij is het! En de schoone vrouw, die zich baadt in de wierookgeuren die men haar toezwaait, ze zondigt, bedwelmd door dien geur; en haar leuze van vrijheid, zij voert ze hoog, schaamteloos hoog! Vrijheid! ja vrijheid voor allen en voor alles! gilt ze in dollen overmoed: Wie zal er den ouders het recht over hunne kinderen ontnemen; wie zal ze gelasten, hunnen arbeid te verlichten of hen ter schole te zenden, wie, wie zal MIJ beletten....

Zwijg: schoone waanzinnige vrouw! Weet gij 't dan niet hoe de Staat--en rechtvaardig,--der arme gevallene, die uit schaamte haar kind vermoordde, de vrijheid ontneemt? Ha! voor die ongelukkige den kerker, en voor u de dartelste vrijheid; gij die boeleert met den gouddorst, en duizenden kinders vermoordt, zonder blozen vermoordt naar ziel en naar lichaam!

Neen! ik zeg het u, de ure zal weldra slaan, waarin men u ketenen zal, ja ketenen in de banden eener zegenrijke wet!

Edelen, en grootmachtige wetgevers in den Staat! Ziet, daar valt de smeekbrief neer voor uwe voeten.

Nogmaals, ten laatste: De kranke stad en hare zusters snakken naar redding en artsenij. Gij vraagt den boodschapper niet waar het kruid is te vinden, het kruid dat hulpe kan geven. Gij weet het wel: Daarginder, aan gene zijde van den Oceaan, daar bloeit en daar tiert het op Engelands bodem; daar behoedt een schoone zegenrijke wet die arme arme fabriekskinderen voor den ellendigen toestand, waarin zij hier te lande verkeeren. Dáár zijn hunne werkuren minder in aantal; daar gaan ze ter schole en worden ze onderwezen, drie, ja vijf uren per dag. En de onderwezen kinderen worden bekwame werklieden; en de nijverheid, zij bloeit er; en ik bid u, waarom zouden wij bij onze overzeesche naburen, ja zelfs bij het grootste deel ook der minder ontwikkelde Staten van Europa ten achterstaan?

Maar wat spreek ik van artsenij te zoeken in den vreemde; Uwe wijsheid zal het weten te vinden op eigen bodem, naar eigen behoeften. Neen, ik vraag u niets meer dan eene wet in het belang dier ongelukkigen. Het tafreel, dat ik schetste van den edelen knaap met het jongske aan zijne zijde, het was in een kunstlicht geplaatst. Dat beeld zou een uitzondering kunnen zijn; een toekomst voor die armen kan het niet worden. Die minvermogende kinderen, ze moeten werken en zij zullen en kunnen het, indien gij u hunner ontfermt; ja ze zullen meer doen dan nu, want immers nu zijn ze verlamd en ontzenuwd, en de ervaring heeft elders--ook reeds hier te lande, in de werkplaatsen van waarachtig menschlievende mannen geleerd, dat te veelvuldige arbeid der Industrie nádeelig wordt, terwijl meerdere rust en onderwijs voor die kleinen haar krachtig verheft.

Machtige wetgevers in den Staat! gelooft ze niet de valsche boodschappers, indien ze komen mochten, die u zouden verhalen, dat de hulpe, die wij van u afsmeeken, een onnoodige is.--Zij zouden liegen!

Maar neen, komen zullen ze niet; want ik zeg u: Zij, zij zouden metterdaad de ellendigen zijn, die de schoone vrouw tot ontucht en kindermoord verleiden. Die boodschappers, ja, ze zouden verbleeken indien gij hen krachtig betichttet dat zij dus inderdaad de moordenaar onzer arme fabriekskinderen zijn. Neen, daar zal er geen komen, die u driest in het aangezicht zal werpen dat daar geen moord geschiedt in den vollen zin des woords.

Ik bid u, laat mij begaan met hem die het zou wagen; ik vraag hem dan zacht: Zeg, ongelukkige, hebt gij dan dat eene kamertje vergeten, het kamertje met de reinigings-machine van het ruwe katoen, waarbij het kind in slechts luttele jaren zijn rampzalig leven der win- of der sleurzucht ten offer brengt? Zie,--zie--dán verbleekt hij, en sluipt hij terug.

Maar ik weet het, daar zullen, daar kunnen geen boodschappers komen, om tegen mijne zending te getuigen. Hoor maar, hoor! de arme stad, zij kermt te luide en roept om hulp.

Edelen en grootmachtige wetgevers in den Staat, ziet, aan uwe en mijne kleederen, waaraan de handjes dier kleinen werkten, kleven droppelen bloeds. O! toeft dan geen oogenblik langer, zendt de hulpe die Gij gebieden kunt; dat heeft haast, groote haast. Doet de stad verrijzen uit haren nood, en hare zusteren met haar; en dan, dan zal er een stemme suizen door uwe zielen: Wél u, dat gij hebt saamgewerkt--niet tot leniging, maar ter voorkoming van jammer en ellende. Wél u, dat gij der Nederlandsche Nijverheid een schoonere toekomst hebt gewaarborgd; en wél u, wél u bovenal, dat Gij die armen daarginder--en nu zonder geld--naar ziel en lichaam gered en WAARLIJK HEBT LIEFGEHAD.

EEN WOORD AAN MIJN LANDGENOOTEN. [21]

't Was een prachtige zomeravond.

Aan 't eind van den grooten dorpstuin met het uitzicht langs den wegkronkelenden zandweg, over de golvende korenvelden, dáár, onder het lommerrijk geboomte, hield hij mij staande.

"Gij moet mij helpen," sprak hij met warmte.

Ik zag hem vragend aan.--Wij hadden over den toestand van het ongelukkige fabriekskind gesproken. Hij was er mee bekend: immers zijn ambt bracht hem gedurig in de stoomfabrieken van ons vaderland.

"Zou ik u helpen? Ik?"

"Ja, met de gave die God u schonk. Schets een verhaal uit de werkelijkheid waarvan ik u sprak, en niet slechts zult ge de harten uwer lezers treffen, maar ook hen opwekken om ter redding dier arme wezens de handen inéén te slaan.

Had ik hem goed begrepen? Wenschte hij een verhaal, een vertelling over den toestand van het fabriekskind in ons vaderland!? 't Was mij alsof ik voor den ingang eener duistere, mij geheel onbekende groeve stond, en men 't verzoek tot mij richtte om er als gids in vooruit te gaan.

Zonder antwoord te geven staarde ik in het dommelig verschiet.

Hij begreep dat zwijgen.

"Je hebt kinderen, nietwaar?" hernam hij ernstig: "welnu, ga dan de kinderen zien, die in de fabrieken werken; keer naar huis terug, en--schrijf."

De nijgende zon wierp gouden glansen over de golvende korenvelden.--Ik drukte hem de hand. Wij hadden in Gods prachtigen tempel ons verbond gesloten.

En, Landgenooten, de schrijver dezer regelen ging, en zag. En toen hij thuis kwam, en zijn eigen kinderen liefkoosde en kuste--ach, hij wist niet waarom zoo anders dan gewoonlijk--toen hij daar verhalen moest van die bleeke holoogige dwergjes, die men fabriekskinderen noemt; en de zijnen daar dwong om te eten, neen, om slechts een enkele kruimel te proeven van den erbarmelijken kalkmeel-poffer, die het leven dier arme kleinen moet rekken voor een geestdoodenden arbeid van 12-15 uren daags. Toen, ja waarachtig, toen wist hij 't wel wat hij schrijven zou; hij zou zijn stem voegen bij die van Coronel [22], van Le Poole [23] en anderen, en de uitkomst moest leeren of de eenvoudige vertelling [24] inderdaad eenig gewicht zou kunnen leggen in de schaal der menschelijkheid.

Landgenooten! 't Is u bekend wat er sedert dien tijd geschied is.

In 1863 benoemde de Minister Thorbecke een commissie, die belast werd met het onderzoek naar den toestand der kinderen, arbeidende in de fabrieken; en de man, wiens hart op dien zomeravond zoo warm had gesproken, hij mocht de voldoening smaken zich aan het hoofd der commissie gekozen te zien.

Zeven jaren zijn voorbijgegaan. Zeven!

Waarom leg ik zulk een nadruk op dat woord?

Zal het een verwijt zijn aan de commissie van onderzoek, omdat zij zeven lange jaren behoefde voor haar moeilijke taak?--Neen! beschuldiging zou miskenning kunnen worden, en misschien slechts terugkaatsen op den Minister, die tot leden dier commissie mannen koos, van wier kunde en trouw hij was verzekerd, doch wier maatschappelijke stand hun slechts luttel tijds voor het gewichtig onderzoek gunde.

Neen Landgenooten, wij beschuldigen niet, maar ik leg een sterken klemtoon op dat getal, omdat menig hart in dien langen tusschentijd heeft gebloed bij 't bedenken: En terwijl men nu past en meet en weegt, kwijnen en lijden en ontberen die armen maar altijd voort, en sterven van uitputting vóór dat ze geleefd hebben.

Nederlanders, 'k zal u de stemmen niet herhalen, die voor zeven jaren, 't zij uit onwetendheid, 't zij uit een kwalijk begrepen eigenbelang, te midden uwer verontwaardiging klonken, en den "novellendichter" wat al te gemakkelijk van overdrijving beschuldigden. Ze zullen thans niet zoo licht herhaald worden; immers, landgenooten, de commissie van onderzoek naar den toestand der kinderen, arbeidende in de fabrieken, heeft in haar rapport een veroordeelend votum uitgebracht.

Van de vele woorden en cijfers, in de laatste dagen namens haar in 't licht gegeven, neem ik slechts de volgende volzinnen over:

"Men bevindt dat het fabriekskind in ontwikkeling ten achteren is bij andere kinderen, die niet in de fabrieken arbeiden. Men bevindt dat die achterlijkheid ten deele ook het gevolg is van te vroegen en te langdurig voortgezetten arbeid."

Dit te vernemen is ons genoeg. Dit slechts wilden we door die mannen bevestigd zien.

Men kan zich bedriegen; maar wanneer bij een aandachtige lezing van het bedoelde rapport, de overtuiging zich schier op elke bladzij aan ons opdringt: dat men tot een slotsom geraakte, geheel in strijd met een vooropgestelde of vroeger gevestigde meening, dan juist heeft die uitspraak, terwijl ze mede 't bewijs is van oprechte trouw, de grootste waarde.

"Wij zullen zien!" sprak een hooggeleerd lid der commissie, toen hij voor zeven jaren zijn taak zou beginnen; doch, na zijn eerste onderzoekingen klonk het reeds zachter: "'t Is erger dan ik dacht. Er moet wat aan gedaan worden."

En dat laatste woord van dien hooggeachten geleerde, is nu, Gode zij dank, de uitspraak der geheele commissie: Er moet wat aan gedaan worden.

En wat is dan haar voorstel; welke wet wenscht zij dan als "de beste voorbehoeding tegen onredelijke exploitatie van het kind", en om het "de gelegenheid tot behoorlijke ontwikkeling van lichaam en geest te verzekeren?" Hoort:

Het eenige middel waarvan zij een goede uitkomst verwacht, is: Een algemeen verplichtend schoolonderwijs.

Verplicht schoolonderwijs? Ja, ja waarlijk, zoo klonken er stemmen: niet slechts voor die arme fabriekskinderen, maar voor alle onwetende kleinen moet de wetgever zorgen. Zie Duitschland, zie....

Stil! Weet gij 't niet Nederlanders, dat de man, die mij tot het schrijven van een verhaal bewoog, dat de president der genoemde commissie bij het gezamenlijk onderteekend rapport, een afzonderlijken brief heeft gevoegd?

"Mijn voorstel," zoo schrijft hij aan den Minister: "moet een geheel ander zijn dan U door haar--de commissie--wordt aangeboden. Ik acht," zoo gaat hij wat verder voort: "dat een wet tot algemeen verplicht schoolonderwijs, als in strijd met den volksgeest hier te lande, niet gemakkelijk tot stand zou komen, en beschouw, op dien grond, het voorstel der commissie zoogoed als een voorstel om den bevonden slechten toestand te laten zooals hij is. Enz."

get. A. A. C. De Vries Robbé.

Den toestand te laten zooals zij is! Maar Nederlanders, landgenooten! die uw kinderen liefhebt, dat wilt ge niet! Hebben ZIJ dan geen kinderen, de overige leden dier commissie? O, indien zij ze hadden, ze zouden bedacht hebben dat hun raad, het begraven was eener zaak, die niet slechts een onderzoek vorderde, maar nu 't allereerst beteugeling van het kwaad, terwijl dat kwaad als werkelijk bestaande werd aan 't licht gebracht.

Of meent gij nog dat een wet, als door de commissie begeerd, geenszins in strijd is met den Nederlandschen volksgeest en nog bovendien wenschelijk zou zijn?

Leest dan Landgenooten, het uitmuntende hoofdartikel in de Nos. van 6, 7, 8 en 9 Nov. 1869, der Nieuwe Rotterdamsche Courant. Mij dunkt de voorstanders van een algemeen verplicht schoolonderwijs, ze moeten na de lezing er van wel in tegenstanders veranderen, of althans erkennen dat het voorstel der commissie ten behoeve van het fabriekskind, inderdaad--maar zeker ter goeder trouw--een voorstel is geweest om den bevonden slechten toestand te laten zooals hij is.

Maar wat dan?--Zou men blind willen zijn voor de eerlijke en dikwijls niet geheel ongegronde bezwaren tegen een wettelijke regeling van den arbeid der kinderen in de fabrieken? Zal men het oor sluiten voor de waarschuwende stemmen, als ze daar spreken van de gevaren waaraan men het kind gaat blootstellen, erger misschien dan waaraan men het te ontrukken wenscht? Zal men doof zijn voor de eischen der vrijheid in ons eenig en dierbaar Nederland!?

Neen, voorzeker neen! Immers juist eerst dán wanneer men al die bezwaren goed heeft doorzien, eerst dan zal de wetgever kunnen optreden om ook de vrijheid te waarborgen van het mishandelde kind.

En spreken moet hij. Zou Nederland nog langer dralen om het voorbeeld van het grootste deel der Europeesche naties te volgen, en de stem der menschelijkheid te doen klinken?

Nog eens: de toestand is slecht. Dit is een bestaande zekerheid. Hierin te voorzien is plicht. De gevolgen, die men van een wettelijke regeling vreest, zijn onbewezen mogelijkheden!

Zal men den uitgehongerde een maaltijd weigeren, uit vrees dat hij door overmatig gebruik zijn leven in gevaar zou brengen!? Zou men ook nu in Nederland weer nalaten het goede te doen, omdat men het betere, het volmaakte niet aanstonds bereiken zal?

Wat wij dan willen?

Nederlanders, wij willen een verstandige wettelijke regeling van den arbeid der kinderen in de fabrieken, zoo mogelijk gepaard aan verplicht schoolonderwijs. Wij willen dat de wet ook zal straffen wanneer onmeedoogende ouders niet zelden beulen voor hun kinderen blijken te zijn. [25]

Wij willen dat de wet zal straffen wanneer de industrie--'t zij dan moedwillig of uit gewoonte en sleur--menschenlevens verwoest, en alzoo werkelijk "verrotting brengt in den Staat."

Wij willen dat er een wet kome:

omdat wij gelooven dat inmenging der Regeering hier evenzeer noodzakelijk is, als waar zij elders optreedt als beschermster van het kind en met straf bedreigt wie "zijn bestaan in gevaar brengt"; [26]

omdat wij gelooven dat een wet, én voor die arme schepsels én voor de industrie zelve, van onberekenbaar nut zal worden indien zij niet te veel wil, doch wat ze gebiedt met gestrengheid zal handhaven.

Of zou men zich toch laten afschrikken door den kreet: Maar om Godswil, wat moet er dan van den arbeid worden! wie zal de ontbrekende en zoo noodige handjes aanvullen, wie....!?

Nieuwe toestanden, nieuwe hulpbronnen! Bekreunt zich de IJzeren-baan om 't verval langs den straatweg!--En immers, wanneer een machine naait of breit, dan zullen ijzeren raders ook wel spoedig die arme levende raderen kunnen vervangen.

En wat vreest men dan weder dat er ouders zullen zijn, die hun niet verdienende kinderen binnenshuis op nog zwaarder proef zullen stellen! Neen, wanneer die arme verdierlijkte onmondige ouders de zekerheid hebben dat er een toezicht bestaat, en dat als gevolg er van het publiek en vooral ook de armbesturen het oog op hen gevestigd houden, dan wagen zij het niet, en zullen wellicht in 't eind nog beseffen dat men dit strenge toezicht tot hun waarachtig welzijn in 't leven riep.

Landgenooten! in een zitting der Tweede Kamer onzer Staten-Generaal, heeft de Minister Fock in antwoord op een interpellatie van den heer Van der Maesen de Sombreff gezegd, dat hij omtrent het toezicht op de fabriekskinderen nog geen wetsontwerp wilde voorstellen: Eerst moest de openbare meening zich krachtiger uitspreken.

Nu zult gij 't weten waarom ik u schrijf.

Landgenooten, mannen en vrouwen, ouden en jongen, 't is omdat ik wensch dat gij als één man zult opstaan en uw bee voegen bij de mijne; dat gij tot den Koning een adres zult richten 't zij in den volgenden of in een beteren vorm:

Sire!

"Nu de toestand der kinderen, werkende in de fabrieken, is gebleken slecht te zijn tengevolge van een te vroegen en te langdurig voortgezetten arbeid, nu naderen wij Uwe Majesteit met eerbiedig verzoek, dat het Uwer Majesteit zal behagen met Uwer Majesteits regeering een wet in 't leven te roepen, die het arme fabriekskind tegen een onredelijke exploitatie beschermen, en het zoo mogelijk de gelegenheid tot een behoorlijke ontwikkeling van lichaam en geest verzekeren zal.

Uwer Majesteits getrouwe onderdanen, enz. enz.

Ik weet het, Landgenooten, waar 't een werk der liefde geldt, en mede in 't waarachtig belang der Nederlandsche Industrie, daar zult gij niet achterblijven.

En wanneer dan te midden dier vele namen, ook hier en daar de namen zullen prijken van hen, die aanstonds bereid zijn om oogenblikkelijk voordeel prijs te geven, nu zij de waarheid moesten hooren van hen die hard schenen omdat de Concurrentie hen tot hardheid dwong of de sleur hen verblindde; ja, dan zullen die namen der edele Nederlandsche industriëelen, als diamanten schitteren in den band der liefde dien wij te zamen mochten vlechten.

God geve dat geen enkele hunner ontbreken zal!

Ruim zeven jaren zijn er voorbijgegaan sedert den schoonen zomeravond, toen de ondergaande zon haar gouden glansen over de golvende graanakkers wierp; zeven lange jaren sedert den stond dat mij het woord in de ooren klonk: Welnu, ga dan de kinderen zien die in de fabrieken arbeiden. Ga ze zien!

En nu nóg werken en slaven ze, en grijpen als raderen mee in de groote machine, van 12 tot 15 uren daags. Nog bloeden ze, en schreien ze, en roepen om hulp.

Spoedt u dan Landgenooten! Gij hebt het gehoord: De openbare meening moet zich krachtiger uitspreken.

Zoudt gij nog aarzelen? Neen, zie, daar staat uw eigen dierbaar kind; het ziet u liefdevol aan; het vliegt u in den arm, en smeekt u om zijnentwil, dat ge gaan zult, haastig gaan, ter bescherming van die arme gemartelde natuurgenootjes.

OPENBARE BRIEF AAN ZIJNE EXCELLENTIE DEN MINISTER VAN BINNENLANDSCHE ZAKEN.

1870.

Ick bidde U Indien Gij heden geen gelegenen Tijt hebt om desen Epistel te lesen, doet het Morgen; maer by Uwe veele drockten, vergeet denselven niet.

Excellentie!

In de hoop dat dit schrijven in 't belang der arme fabriekskinderen mijn laatste zal kunnen zijn, richt ik het tot U, Excellentie, Minister van Binnenlandsche Zaken!

Ik doe het met vertrouwen, wel wetende dat het lot dier armen U ter harte gaat, al wordt ook de brief van den Haarlemschen burgemeester, [27] tot nog toe, vruchteloos gezocht in het anders zoo volledige Rapport der "Commissie van onderzoek naar den toestand der kinderen arbeidende in de fabrieken".

Excellentie! 't Is U bekend: in 't jaar 1863 ontving de genoemde Commissie van den Minister Thorbecke haar mandaat.

Zij arbeidde zeven jaren.

Eindelijk ziet haar uitspraak het licht.

En zij constateert dat.... zwart zwart is.

Nochtans, de Commissie ging verder. In strijd met haar vroegere meening--volgens den president dier commissie, mede blijkbaar uit haar ingediend Rapport--heeft zij een voorstel van wet gedaan, en wel, om het fabriekskind voor zooveel mogelijk tegen een onredelijke exploitatie te beschermen, door eene wet tot Algemeen Verplicht Schoolonderwijs.

De president der Commissie teekent in een afzonderlijk schrijven hiertegen protest aan, met de woorden