Chapter 32
Zie, in de voorhoven van zijn werkplaats, daar stoken de dienaars een vuur van bedwelmende hitte.
Uit vluchtigen sluimer ontwakende, rekt hij en spant hij zijn leden en spieren.
Krachtig heft hij zijn ijzeren armen omhoog, en--wanneer hij ze heft, dan grijpen zijn vingers in stang en in drijfwiel; dan stampen zijn voeten op kammen en staven; dan wielen en keeren ontelbare raders; dan snort het, en gonst het, en bonst het alomme, en trilt er zijn stem als met dondrenden klank: "Voort raderen, voort! Schept haastig uit ruwe wol een kostlijken draad, den menschen ten koesterend dekkleed!" En--'t snort en het dreunt en 't bonst er nog sterker; en altijd klinkt nog die stem:
"Voort raderen, voort!"
Ik weet niet waar Saartje gebleven is. Een groot doch somber gebouw is zij binnengegaan; een steile trap heeft zij beklommen, en, hijgende naar den adem, is zij verdwenen in een der zalen van de uitgestrekte stoom-wolspinnerij.
Evert, die zijn broertje in de eenzame straat heeft achtergelaten, moet haar al spoedig gevolgd zijn; ook hem ontdekt gij niet meer.
Zijt gij een vreemdeling in dit verblijf, dan ziet gij in den aanvang slechts weinig. Wel flonkeren er, in afwachting van den naderenden morgen, een menigte gasvlammen, doch het licht wordt gedurig onderschept en gebroken door een aantal gevaarten, die gestadig hun arbeid verrichten. Zijt voorzichtig dat uw kleed niet gevat wordt door een der vele machine-raderen, die u bij den nauwen doortocht van weerszijden bedreigen, en--let op den grond, dat uw voet niet haakt in de breede pees, die ginder een zeer groote schijf in beweging brengt. Die schijf, 't is het hoofdrad der trommel van den schrobbelmolen der machine, die de vastgepakte wol in losse en platte vlokken te voorschijn brengt.
En er naast, dat andere werktuig, dat is de kaardmachine, die immer de vlokkige wol blijft ontvangen, ze kaardt en verdeelt in haar ijzeren binnenste, en vallen laat in donzige plokken.
En die plokken of rolletjes wol,--zoolang als een arm, zoo dun als een pink, en zoo licht als een veder--wáár of ze blijven? Zie, vele losse raderen wentelen heen en weer; en voeren ze toe aan den grofmolen daar; zij lasschen ze snel aan de plokken of draden, die haast zijn versponnen, snel, ongelooflijk snel: zevenhonderdmalen in één uur, negen duizendmalen op den langen dag.
Doch die losse raderen hier, zie, ze zijn van een ander fatsoen dan de grootere dáár, die er wielen en snorren om hunne assen.
Nietwaar, ge zoudt zweren dat het menschen waren, heel kleine menschen, die staan op hunne voeten als wij; met armen en handen, zeer zwakke handjes; met aangezichten als die van ons, maar flets van kleur en slap van vormen; aangezichten waarin oogjes blinken als een laatste vonk in den bleeken aschhoop. Gij zoudt zweren dat het menschen waren, akelig kleine en arme oude mannen en vrouwtjes, die gaarne hijgende zouden neerzitten bij den warmen haard, en de dorre handen uitstrekken naar een versterkende bete. Nietwaar, gij zoudt zweren dat het natuurgenooten waren, arme ontzenuwde wezens van gelijken aanleg, met dezelfde behoeften als wij; maar gij bedriegt u, zie slechts hoe ze wielen en keeren; negen duizend malen op den langen dag, voortgejaagd door den werkman die--grootsch als zijn oorsprong, doch gesard door zijn duivel, steeds woedender brult:
"Voort, raderen, voort!"
Doch gij vertrouwt ons niet, hoe langer gij tuurt op die kleine raders--want gij gevoelt wel dat het raderen zijn,--toch ziet ge klaar, onbedrieglijk zeker, dat zij--geschapen tot redelijke wezens, nog met het kleed der menschen zijn bedekt.
Immers, in 't midden van die bontvale rij--het helderst door een der gasvlammen verlicht, daar ziet ge Saartje, het kind van Gerrit Zwarte, het arme kind dat de koorts heeft, dat zich reppen moet, ongelooflijk snel en gestadig. Gij herkent het arme meisje wel, al schrikt ge terug, nu ge haar droevig figuurtje in 't volle licht te beter kunt zien.
Een hoofd, een gansch hoofd is zij kleiner dan uw dochtertje, dat in dit uur gezond, ja met de rozen op de wangen, op 't zachte kussen te droomen ligt en zoo oud is als zij.
Gij schrikt terug bij het beschouwen van dat voos en flets gezichtje, met dien wijden mond en die onnatuurlijk glinsterende oogjes. Gij wendt den blik van haar af, en uw oog blijft gevestigd op het jongske aan hare zijde. Tien jaren oud, gelijkt hij een kind van zeven lentes--wat zeg ik, een kind--van zeven barre winters te zijn. Telkens en telkens werpt hij een lodderigen blik op den grofspinner, die aan gene zijde van den molen zijn werken bespiedt; en angstig rept hij gestadig de handjes, want ziet ge, al tweemalen heeft hij van hem een duchtigen tik met den rolstok gehad, hier op den schouder, erg valsch! erg valsch en gemeen!
En aan deze zijde van den tweeden molen, ziet gij dien krommen knaap er wel staan? Zijn hoog en breed voorhoofd doet u vermoeden dat zijn geest iets meer behoeft dan een werktuiglijken arbeid voor zijne handen. Arme onderdrukte geest! wat kan hij meer doen dan tellen, altijd tellen: Zie, zóóveel plokken gelascht geeft ééne minuut, en zestig malen dat getal maakt omstreeks een uur, en als hij die zelfde som straks driemaal verkrijgt, dan is de schoft- of laveitijd nabij; dan mag er het kind.... Doch neen, zijn rust te nemen, dat mag hij dan niet; dat uur is voor zijn kwelgeest, den spinner. Immers, de groote machine weet van geen rusten; immers de plokken, die zij aanhoudend laat vallen, ofschoon ze niet aanstonds verwerkt zullen worden, ze moeten geraapt en op hoopen gelegd. En straks, als de spinner weer aanvangen zal, dan is er de taak van den knaap schier verdubbeld; want, de voorraad van gansch een uur moet worden ingehaald op het nimmer vertragende werktuig, het werktuig, dat altijd plokken voortbrengt; wel honderd in ééne minuut.
Maar toch, die lavei, zij gunt er den kleine een uur van minder gestadigen arbeid. Dat uur is hem welkom, het uur van negen tot tienen. Jaapje heeft een goede moeder, en die moeder heeft hem voor zijn ontbijt een koekebak gegeven, een heele-cents koekebak; dien kan hij nu opeten, en hij smaakt zoo lekker. Wat weert zich die arme kromme knaap om zijn geel-grauwen poffer--waarvan de wetenschap leert dat hij slechts één vijfde voedende deelen bevat, zoo zuurachtig klef en zoo krakend van kalk of van krijtstof--naar binnen te slokken.
Doch gij zult het begrijpen, daar zijn de kinderen van Zwarte en nog anderen, die hebben zulke goede moeders niet als hij; ze zien hem aan met begeerige blikken, en Heintje Pink heeft gister gedreigd: dat Jaapje de helft er van mee heeft te geven, of dat hij hem anders........ Maar Heintje ziet een anderen kant uit, en het arme Jaapje grijnst van genot nu hij het ziekelijk mengsel binnen heeft: Te tellen, dát heeft hij geleerd, te deelen nog niet.
En ginder nabij de fijnspin-tafels, waaraan voor 't grootste deel de meisjes haar arbeid verrichten, daar staat Heintje Pink, die Jaap en zijn koekebak heeft vergeten. Zijn luid geschreeuw kunt ge niet hooren door het alles overstemmende geraas der machines. Terwijl hij de wol in het kaardwerktuig bracht, hadden zijne kleine vingers te zorgen meteen dat de altijd grijpende tandjes er binnen, gezuiverd werden van de vezelen wol, die er kleven en groeien in het geoliede ijzer.--En 't was voor de derde maal in weinige weken dat die nijdige haastige tandjes hem knepen het vleesch van zijn schrompele vingers; en Heintje, hij schreeuwt en hij kromt van de pijn, en de meisjes, die van nabij zijn gejammer aanschouwen, ze trekken voor 't meerendeel haar oude gezichtjes in lachende plooien.
Arme, verstompte, gevoellooze meisjes! Zwakke, ellendig verdorvene kinders! Hoe--kinderen? Neen! 't was toch voorzeker een optisch bedrog; want hoor, nu het uur is verstreken, nu klinkt met verheffing van stem en nog sterkeren klank weer het woord van den vreeselijken werkman:
"Voort raderen, voort!"
Doch gij toefdet daar reeds lang genoeg en wilt een ander tafreel.
Welnu, een net steenen huisje staat voor ons open. In het ruime voorhuis wordt gij aangenaam getroffen door den zoeten roomgeur die het vervult, en de helderheid van maat en vaatwerk, die u als tegenlacht.
Gij bevindt u in de woning van een echt Hollandschen melkboer. 't Is er vroeg dag in zoo'n huis. Hij, de jonge bewoner der beide boven-voorkamers, Willem baron Van Hogenstad, jurist aan de Leidsche academie, hij had daar ook op gerekend. Gisteravond heeft hij met Koen op diens kamer Mathesis gewerkt. Na éénen heeft hij turende en turende op een hellend vlak, dat vlak al grooter en grooter zien worden, akelig groot, en het vlak heeft hem opgeslokt, inééns, zonder dat hij er iets van bemerkte.
Koenraad moet wel zijn best hebben gedaan om Willem weer wakker te krijgen, doch het is hem niet gelukt. Toen Willem omtrent zes uren in den morgen de oogen heeft geopend, toen lag hij op de canapé, met een kussen onder 't hoofd en een deken over zich heen gespreid. Ha! Koen had best gezorgd; maar--op z'n eigen kast, in z'n eigen bed, daar zou 't nog beter zijn. Weinige minuten later is Koenraads huisploert wakker geschrikt van het toetrekken der huisdeur.
Willem, diep in den kraag van zijn overjas gedoken, vervolgde intusschen haastig zijn weg naar de straks genoemde woning van den melkboer. Omstreeks aan 't einde van een smalle straat gekomen, die hij ter bekorting van zijn weg had gekozen, heeft hij een zonderlinge vondst gedaan. Daar lag een knaapje, ellendig gekleed, met het hoofdje rustende op den kleinen arm, en dien arm gekromd op den scherpen rand van een lage stoep.
Wat waren zijn wangen koud!--Was hij dood? Neen, zijn ademhaling ging vrij geregeld. Maar wat te doen met dat kind! Hem meenemen!? Waarachtig! Zoo'n arme drommel!
Ha! dat was een goed besluit; het moet wel voortkomen uit een onbevangen edelaardig gemoed. 't Was niet het gevolg der berekening, omdat geen andere hulp er nabij was. Neen, meenemen! waarachtig! dat was het eerste, en 't bleef zoo.
Bravo, zoon van Minerva! gij zijt er één van het echt oud Neerlandsche bloed. Bravo, Willem Van Hogenstad, nu toont ge dat ge van adel zijt, niet slechts van den adel die de kwartieren în 't wapen telt, maar van dien dieperen adel der ziel.... Doch stil, ga niet voort, of hij smijt u naar 't hoofd dat ge de klaplooper zijt.
Een half uur later staat de zwaarlijvige echtgenoote van Baks den melkboer, op den drempel van een der mooie kamers, die haar voornamen student tot zit- en studeerkamer dient. Zij kan 't zich ter wereld niet begrijpen, hoe mijnheer zoo'n vuil schandaal van de straat mee naar boven heeft gedragen. Goddank, ze houdt van helder en netjes, weet je, en nou leit daar op de andere kamer zoo'n smerig sezjet in mijnheers ledikant, en de hemel mag weten wat voor ontuig hij mee in huis heeft gebracht.
"Wil j' is kijken?" fluistert Van Hogenstad, terwijl hij de juffrouw wenkt hem in de achterste kamer te volgen, en haar te gelijk--half ironisch, half ernstig--een knipoogje geeft.
"Kijken! wát zou ik kijken!" prevelt de juffrouw, terwijl zij met krakenden tred den jonker volgt, den jonker, die, op zijn teenen loopende, haar naar het ledikant in de andere kamer is voorgegaan, en nu het groen damasten gordijn ter zijde schuift.
"Hoe vin je dat, hé?"
"Hoe ik dat vind....? Mag ik reis vragen, mijnheer, hoe uwes mama dat zou vinden?"
"Heb je wel eens op straat geslapen, juffrouw Baks, met 'en stoep tot je kussen?"
"Lieve hemel, ikke!" roept de juffrouw: "Ik ben Goddank 'en fatsoenlik-manskind; maar weet je waar zu'k gespuis van afkomstig is,"--en zij wijst met haar vleezigen vinger op den armen Sander, die in Willems ledikant zoo kostelijk te slapen ligt,--"van 't repalje weet je, uit de febrieken; van ouwers die drinken en luieren en d'r eigen onmondig vleesch voor den kost laten zorgen, zie je, weet u mijnheer, van zu'k repalje!"
"Zoo, juffrouw Baks."
"Ja van volk, dat z'n eigen vader en moeder voor 'en glas jenever aan de galg zou helpen; maar wil ik je reis wat zeggen mijnheer, als je van 'en ouwer mensch 'en goeje raad wilt aannemen: pas op dat je je vingers niet brandt; 't vuilmaken van je eigen boel en 't gebabbel in de straat wil ik daarlaten, maar met je dat verwaarloosd en liederlijk sezjet heel Christelijk aan te trekken, ga je vlak buiten je boekje. Als we t' avond of morgen zoo'n zuiplap in de deur krijgen, die mijn of m'n man 'en maling schopt, omdat we z'n kind van 't febriek hebben afgehouwen, dan bent uwes responsabel; iederman blijft baas over z'n eigen kinders. Als bijvoorbeeld uwes mama...."
"Wil je klaar zetten, juffrouw Baks?!"
Lieve hemel, wat zette ie vreeselijke oogen op.
"Ja wel mijnheer; twee kadetjes, niet waar?"
"Zes kadetjes en tien krentenbroodjes juffrouw Baks."
Guns watte oogen!
"Koffie- of theewater mijnheer?"
"Chocolade-water, juffrouw Baks."
Juffrouw Baks maakt rechtsom-keer; en als ze langzaam wegschommelt, dan mompelt ze bij zich zelve: Om zoo'n vuil opraapsel 'en fatsoenlik mensch nog te schandalizeeren ook.--Weet je, ze zou wel.... maar, d'r kamers, en 't lieve geld! Je moet al wat doen in de wereld!
En terwijl ginder in de fabriek de grofspinner vloekt omdat hij één der raderen mist aan zijn molen, slaapt de arme kleine Sander zoo rustig voort op het kostelijk leger van zijn weldoener.
Toen Willem de kamer van Koenraad verliet, toen heeft hij gerekend nog een paar zoete uurtjes op zijn bed te zullen doorbrengen, maar nu--zijn slaap is gansch en al geweken. Hij heeft het ook druk gekregen. Om de waarheid te zeggen, toen hij het ongelukkige perceeltje op zijn kamer had, toen is 't hem bij eene nadere beschouwing niet meegevallen. 't Begin was niets geweest; maar om nu vol te houden! Boeh! wat een morsig boeltje. Doch een student weet zich te redden. Met behulp van een mes heeft hij het kind, dat dubbende en slapende, niets anders dan: och, en ajasses, gezegd had, de armelijke kleeren van 't lijf getrokken; heeft verder den steenkouden bloed haastig een oude wollen overjas om de droevig tengere leedjes geslagen, en, na hem vervolgens op zijn bed te hebben gelegd, heeft hij de dekens over hem heen getrokken, hoog-op tot aan den neus, nog hooger, tot aan de ooren; zoo'n arme drommel!
't Was geen wonder dat de jonge baron de vunze kleeren van 't ventje met de tang in de kachel wierp.
Fluks een paar turven er op gelegd, en toen het boeltje in brand gestoken, zag hij alras hoe de vlammen eensklaps zoowel van boven als van onder uit de kachel sloegen. Ja, juffrouw Baks heeft gelijk: Als je zoo'n ouwen rommel opruimt, dan krijg je een vlam en een rook van geweld; maar 't is heel gauw gedaan; 't heeft niets te beduiden.
Een groot uur later ontwaakt de arme Sander uit een diepen slaap. Eerst tuurt hij geeuwende een wijle suf voor zich heen; maar dan, dan spalkt hij de oogen open, al wijder en wijder, steekt zijn hoofdje buiten het ledikant, en werpt een onbeschrijfelijk vreesachtig verbaasden blik in het keurige slaapvertrek waarin hij getooverd is.
Een angstig geween roept eensklaps den jonker.
Bij het zien van den voornamen heer die hem haastig nadert, duikt het schreiende kind vreesachtig terug, en verbergt zijn hoofd in het kussen.
"Zoo, kleine slaper, ben je al wakker!" zegt Willem met zijn vriendelijk welluidende stem, en laat er dan aanstonds op volgen: "Zeg, lust je een boterham?"
Dat laatste woord werkt machtig.--Een boterham? Ja, ja, die lust hij wel; en terwijl hij door de tranen heen een tweeden blik op den vrager werpt, doch ook aanstonds zijn oogen weer neerslaat, glijdt een nauwelijks hoorbaar ja hem van de lippen.
Ik weet niet of gij zoudt gelachen hebben, indien gij Willem opnieuw met het altijd vreesachtige knaapje hadt zien tobben en sollen; wanneer ge gezien hadt, hoe hij hem tilde van 't bed, hem dwong de voeten te steken in een paar wollen kousen, die nog veel langer dan zijn geheele beentjes waren; hoe hij de dunne armpjes door de mouwen van de oude overjas trok, en die mouwen, ter vrijmaking van de handjes, meer dan ter halverwege opsloeg; toen hij het arme zoo wonderlijk toegetakelde manneke in zijn zit- en studeerkamer op de canapé deed plaats nemen; hem overlaadde met dik geboterde broodjes en krentenbollen, en verder onthaalde op een enormen kop zeer dikke en geurige waterchocola. Ik weet niet wie er zou gelachen hebben om de inderdaad overdreven goedheid van den student, maar zeker, zeer zeker zijn lieve moeder niet; zij zou een traan hebben weggepinkt; zij zou.... Doch genoeg, de zoon denkt het allerminst om zich zelf; hij heeft slechts oogen voor het arme schaap, het knaapje dat zeker één van die ongelukkige fabriekskinderen is, waarvan men hem wel eens verhaalde, één van de ongelukkige wezens, die geboren worden met den vloek, dat hun lichaam--niet een tempel, maar een ellendige kerker zal zijn voor den geest, die sprank van het eeuwige, van het ideaal, die sprank der Godheid zelve.
Nu Willem zoo'n schepseltje van nabij ziet, nu is het hem onbegrijpelijk dat hij vroeger zoo koud is gebleven als er sprake was van hun rampzaligen toestand.
Maar, zoo zijn de menschen, ze moeten zien om te gevoelen; ze lezen in hunne nieuwsbladen van de duizenden slachtoffers der mijnen, en van de honderdduizenden in den bloedigen krijg. Ja, 't heet dan verschrikkelijk, maar ook aanstonds, aanstonds plooit weer een lach hun mond, want daarnevens--in het nieuwsblad, worden zij vergast op een aardig avontuur. Ja, zóó zijn de menschen, zoo zijn wij, WIJ menschen! We moeten zien van nabij, we moeten hooren en tasten; maar wij schuwen de ellende en houden haar gaarne van verre.
Ei zie dan, en luister nog even. 't Zal nu zoo akelig niet zijn, misschien zelfs--om te lachen.
"Ben jij 'en prins?" klinkt het zachtjes van Sanders lippen, en het jongske, wiens vreeze na het kostelijk onthaal voor een groot deel was geweken, werpt een schuwen blik op zijn gastheer, doch slaat de oogen ook aanstonds weer neer.
"Ik? Wel neen!" lacht Willem, uit zijn gemijmer ontwakende: "Maar--áls ik het was, zou je dan wel altijd bij zoo'n prins willen blijven?"
"Ja wel," zegt Sander.
"Waarom?"
"Om ditte!" zegt de jongen en likt nog eens langs den rand van den grooten chocolade-kop.
"Hadt je dat nooit geproefd?"
Het ventje grinnikt alsof hij wil zeggen: Dat kun je begrijpen! "'k Docht eerst dat het mosterd was," zegt hij iets later.
"Mosterd?"
"Ja, die haalt moeder in een potje, en 's middags als we van 't febriek kommen, dan krijgen we aardappels met zoo'n beetje mosterd in 't water."
"Niets anders?"
"Ja, soms wel een scheutje azijn. Vader en moeder eten meestal spek, maar da's gallig voor de kinders zeit moeder."
"Beesten!" roept Willem.
Neen Sander, schrik maar zoo niet; dat geldt niet u of een van uws gelijken; hoor maar, hij vraagt u weer vriendelijk:
"En hoe heet je vader?"
"Dat weet ik niet," is het antwoord.
"Maar jij, hoe heet jij?"
"Sander Zwarte."
"En wat doet je vader?"
"Hé, hé," grinnikt de jongen, "moeder zeit zuipen."
"Maar wat is hij van zijn ambacht?"
"Ambacht?" grinnikt het kind.... daar had hij nooit van gehoord.
"Waar verdient hij zijn centen mee?"
"Dat doen wellui."
"En hoe oud ben je al ventje; ben je al zeven?"
"Ikke," zegt het jongske, "ikke ben tien."
Ongelooflijk! zoo'n worm! "Dus moet je zeker in de fabriek werken?" vraagt Willem opnieuw.
Angstig kruipt het jongske ineen. Die vraag had hem eensklaps aan zijn plicht, aan zijn vreeselijk lange dagtaak herinnerd; aan den spinner, die hem zijn loon onthouden, aan den vader die hem ranselen, aan de moeder, die hem geen eten zal geven; en bevende zegt hij:
"Maar 'k had ook zoo'n slaap, en gisteravond toen ik dertien of veertien uren gelascht had, toen dreigde de spinner dat ie me zou kielhalen als ik weer stond te hangjassen, zeidie."
"Kielhalen!" herhaalt de student met saamgetrokken wenkbrauwen: "kielhalen, wat is dat?"
"Ja, dat weet ik niet," herneemt de jongen, en angstig rondziende, als vreest hij dat iemand hem beluistert, vervolgt hij: "maar ze zeggen dat ie achter z'n bast 'en emmer met water hêt staan; en als nou 'en slecht kind--zoo zeit ie--z'n luie oogen niet open wil houwen, dan douwt ie 'em even met het hoofd in den emmer: ten minste als 't opperste menheer van 't febriek d'r niet bij is; maar 't zal niet waar wezen; hé zoo koud!"
Ja koud, ijzig koud; om van te rillen.
"En ga je ook school?" vraagt Willem weder, na een oogenblik van sombere stilte.
Zie--tegenover het jongske, tot wien de vraag was gericht, daar staan in de breede en nette boekenkast--slechts weinige achter een groene gordijn verscholen--de bronnen en schatkamers van wijsheid en wetenschap, van deugd en van recht, van beschaving en godsdienst; daar staan de klassieken die getuigen, hoe voor tientallen eeuwen 's menschen geest reeds krachtig streefde naar het schoonste ideaal: des geestes eeuwige volmaking! Daar staan ze, de wetten der Oude Romeinen, die reeds de zwakken beschermden tegen het onrecht en der moordenaren staal; daar staan ze in de bontste mengeling dooreen, die wijzen en geleerden, die godvruchtigen en zedenmeesters van vroegeren en lateren tijd; en het is alsof ze luisteren, aandachtig luisteren naar de antwoorden van dat kind.
Neen, naar school gaat hij niet.
Naar school kan hij niet gaan, want dertien, veertien, ja vijftien uren moet hij werken--staande werken, op éénen dag.
Naar school gaat hij niet, want het dagloon moest dan minder worden, en dat zou voor vader en moeder te schadelijk zijn.
Boeken? Neen, boeken heeft hij nooit gezien.
Ja! als dát, daar tegenover hem, boeken zijn, dan weet hij 't wel: dat zijn bijbels; moeder heeft er ook zoo een, en ze zeit: "'en dominee's-bedrieger."
Wat een dominee is? Dat weet hij niet. Of ja, die woont in de kerk.
En wat de menschen Zondags gaan doen in de kerk? dat kan hij niet zeggen; want hij is er wel in geweest, maar heeft toen geslapen.
En waar het brood van gebakken wordt? dat weet hij niet.
En dat de tafels en stoelen van het hout der boomen gemaakt worden, dat weet hij evenmin; ja zelfs nooit heeft hij gehoord vanwaar de wol afkomstig is, die reeds bij duizenden ponden door zijne handjes ging; noch heeft hij vernomen dat van diezelfde draden, die hij laschte, een kleed wordt geweven, zooals er nu een zoo warmpjes om zijne leedjes sluit.
Hebt ge dat gehoord, groote mannen van den ouden en nieuwen tijd? Nietwaar, dat was een droevig examen in de aloude en wijd vermaarde academiestad. Mij dunkt, ik zie de gulden rugtitels verbleeken op de werken van uwen geest; ik zie ze huiveren en inéénkrimpen de vruchten van uw hart of verstand; gij wenscht dat de gordijn der breede boekenkast u scheide van dat ongelukkige voorwerp, van het voorwerp dat u driest in het aangezicht slaat, en u kermende toekrijt:
Gelogen dat de mensch een heer der schepping zou zijn!
Daar is geen vrije wil.
Daar is geen recht in de wereld, noch een rechtvaardigheid die haar bestiert.
Daar is....
Doch wij grijpen de gordijn en schuiven haar voor de breede boekenkast, en te gelijk voor dit droevig tafreel.
Nochtans onze taak is daarmede niet ten einde. Wij hebben nog twee andere tafreelen.
Het eerste ziet ge in een schoon doch fantastisch licht; het tweede in het diepe zwart van den nacht, wanneer er slechts ééne enkele ster breekt door de voortgezweepte wolken.
En dat eerste tafreel?
Zie, in dat schitterende kunstlicht, lieflijk als het schijnsel der maan, maar toch zoo klaar als de zon, blinkende als goud en zilver dooréén gemengeld, daar ziet ge, te midden van een lachend plantsoen, een jongeling; gij herkent hem terstond: 't is de wakkere edelman, die zich toerust met de kennis om later te waken voor de rechten der menschheid, 't is Willem Van Hogenstad.
Aan zijn zijde staat een teer doch aardig jongske dat, netjes en helder in de kleeren, te midden van den rijkdom en pracht eener te voren niet gekende natuur, de oogen telkens met de uitdrukking der dankbaarste verrukking en der innigste gehechtheid tot zijn weldoener opslaat.