De lelie van 's-Gravenhage

Chapter 31

Chapter 314,030 wordsPublic domain

Doch hoor, de stormwind loeit: en ja, daar boven in die groote zalen van het Casino, daar wordt wel het noodweer door muziektonen en goudgeklank overstemd, maar ginder, dringt er diezelfde huilende storm niet door tot een vrouwenhart, als hij hier langs palmen en cypressen de schrille kreten wekt:

"Wij lieten ons goud ook in uwe zalen en stortten ons bloed ook naast uwe bloemen. Gevloekt, gevloekt, zij uw naam!"

En tot háár zou hij zich om een aalmoes wenden!?--Neen, duizendwerf neen! Liever berooid, en met tranen het brood der ellende gegeten, dan te bedelen bij haar, die met kwistige hand den speelduivel voedt.

Maar hij zelf, hij heeft immers aan dien duivel geofferd: ja, groote God, gansch en al, en geheel vrijwillig: vermogen; geluk; de toekomst van zijne jonge vrouw, en--van hun kind, nog ongeboren!

Een paar uren later vliegt de sneltrein door den duisteren nacht.

Een conducteur heeft aan het station te Monte-Carlo de retourbiljetten van de reizigers der eerste klasse gezien.

Naast een ons reeds bekende geelbleeke dame, die sedert haar afreis in den morgen in 't Casino niets heeft genuttigd, en daarom nu op de terugreis, volgens gewoonte, haar broodje en granaatappels en gebraden kastanjes gebruikt--naast haar zit een man, wiens kleeren zoodanig van het regenwater druipen, dat de dame haar japon reeds wat ter zij heeft getrokken en een der tegenover hem gezeten reizigers gedurig pruttelt en ten slotte de opmerking maakt, dat de bodem van dit compartiment "un vrai Paillon" gelijkt.

Slechts de naam van den bergstroom heeft het oor van dien man getroffen. Strak staart hij voor zich heen. In zijn binnenste kookt het, zooals die stroom over zijn keien-bed thans voortbruist in woeste vaart.

Wat men rondom hem spreekt hij weet het niet. Het sterker gerommel van den trein, wanneer hij door de lange tunnels boort, ontgaat hem, of wel, het doet hem in stilte verzuchten: dat die tunnel instorten en het rotsgevaarte hem voor eeuwig begraven mocht.

En in het namiddaguur van dien zelfden dag heeft een jonge vrouw de lange Avenue de la Gare te Nice ten einde gewandeld, en achter den stam van een hoogen Eucalyptus, ter zij van den breeden stationsweg, heeft zij getoefd en getuurd in de richting van het station, totdat een traan haar oogen geheel heeft verduisterd.

Gérard had gezegd, dat hij waarschijnlijk reeds met den namiddagtrein van Monte-Carlo zou terugkeeren. Het jaarcijfer van zijn Alice zou hem geluk brengen. Ja zeker! dat wist hij!

En sedert dien namiddag is het een avond geworden met regen en storm. En met den sneltrein van omstreeks elf uren--waarmee hij gewoonlijk terugkwam, is hij nog niet gekomen.--Misschien is er een oponthoud geweest, zoo peinst zij. In den grooten tunnel bij Villefranche is men met herstellingen bezig en 't gebeurt wel eens, dat de trein er een geruimen tijd moet wachten. Misschien ook was Gérard "en veine" en bleef hij er daarom tot den laatsten trein.--O! indien hij eens alles had teruggewonnen!

--Maar neen, neen, dat zal, dat kan niet zoo wezen. Immers zij heeft hem gesmeekt, gebeden, niet meer naar die speelhel te gaan, want, ja, haar voorspelling moest uitkomen dat hij alles, ALLES verliezen zou.--O God,.... als die tunnel eens ingestort was!

Bij die laatste zoo plotseling gerezen gedachte is het angstzweet der arme vrouw uitgebroken. IJlings staat zij op, opent het venster en ziet naar buiten, maar de wind slaat haar den fellen regen in het aangezicht en dooft terzelfder tijd de bougie die er brandt op de tafel.

O, groote God, die tunnel! Men heeft gesproken van gevaar door de veelvuldige regens der laatste dagen veroorzaakt. Ja, dat water, neerstortende langs holen en spleten, boort er kanalen en doet de kalksteen splijten, en, o Sainte Vierge! schreit de jonge vrouw schier overluid, sauve lui, mon cher, mon pauvre Gérard!

In allerijl heeft ze het licht weer ontstoken. Ze ziet op de pendule, 't Is bij halftwaalf.--O, die onzekerheid! Ze zal........ Neen, ze moet kalm zijn.--Die laatste dagen van spanning hebben haar angstig gemaakt. Als vrouw, als aanstaande moeder is zij verplicht den lang voorzienen vreeselijken slag met waardigheid te dragen. Die vrees voor tunnels en levensgevaar, 't was overdreven.--'t Is immers nog tweemaal gebeurd, dat Gérard met den laatsten trein, omstreeks kwart na twaalven, was teruggekeerd. Ze zal hem nu rustig wachten, en dan,--wanneer zijn eertijds zoo vriendelijk stralend oog haar met matten blik de droeve waarheid zal hebben gemeld, dan zal ze hem niets verwijten, niets! dan zal ze hem te gemoet treden, en het hoofd tegen zijn schouder leunen, en den arm om zijn hals slaan en hem toefluisteren: Dat alles is nu voorbij, Gérard. Maar we hebben elkaar toch behouden, is het zoo niet! En van de kleine rente, die ik jaarlijks ontvang, zullen we heel zuinig leven op het land, en werken zullen we allebei; en het grootste geluk zal ons de lieveling schenken, die we verwachten, ons kindje, dat onze rijkdom zal wezen, en nooit mag weten dat zijne moeder, vóór zijne komst wel eens heel droevig heeft geschreid.

--Ja, ja, zoo zal ze spreken,--of neen, aan dat schreien zal ze hem niet herinneren; die razernij, die speelwoede moet vergeten, een gansch afgesloten verleden worden. Van de toekomst alleen zal ze hem spreken, van een nieuw werkzaam leven, arm in arm, hart aan hart; van een klaverblad, rijk en schoon door de innigste liefde.

--Hoor! daar klinkt een voetstap.--O, als Gérard nu binnenkwam, dan zou ze juist kalm, en vol waarachtige liefde, in dien geest kunnen spreken.

--Maar, hij is het niet.--De laatste trein kan ook nauwelijks aanwezen.--Doch ja, aangekomen moet hij reeds zijn.--Indien het niet zulk weer was, dan zou zij den vriend te gemoet gaan.--In den nacht? Waarom niet! Het hotel blijft tot twee uren open; en aan den portier kan ze zeggen.... Of eigenlijk behoeft ze dien man niets te zeggen. De eigen vrouw zal toch wel het recht hebben om, zelfs als het wat laat is, haar man van den trein te gaan halen, en vooral als zij wat onrustig wordt.

--Maar zij is niet onrustig; ze wil alleen zoo spoedig mogelijk haar lieven man ontmoeten, om hem een zoen--zoo'n innigen zoen te geven en hem zóó reeds te doen gevoelen, dat hij "het beste" nog niet verloor.

Toch staat zij een oogenblik later weer in onrust op en luistert.... doch verneemt niets dan het nog sterker gekletter van den regen tegen de ruiten.

--O zeker, haar gejaagdheid is zeer verklaarbaar. Doch,--zij wil zich verstrooien. Wel zeker, het hoofdstuk, 't welk ze in den namiddag begon, wil zij ten einde lezen. Zij zet zich. Maar als zij aan 't eind der eerste bladzij is gekomen, dan heeft zij, wel woorden gezien, doch niets gelezen. Ze was te Monaco. Op de terrassen zag ze Gérard. Ze hoort een schot....

En slechts weinige minuten later stond daar achter een der vierkante kolommen van de arcade aan het eind der Place Masséna een jonge vrouw, turende in de richting van de Avenue de la Gare. Het vreeselijk visioen van daar straks, het staat haar gedurig voor den geest. Of de trein reeds lang aan en het dus te laat is, zij weet het niet.

Er komen nog rijtuigen en ook zeer enkele voetgangers uit die richting naar deze zij. Neen, men zal haar niet bemerken. Maar al zou men haar zien en haar schaamteloos toespreken, ze zal hier blijven; immers wat deert het haar; zij wacht haar man!

En hij zal komen.... ja, want die akelige voorstelling was een leugen, een zinsbedrog. Een siddering van verrukking doortintelt de arme vrouw. O Jezus! Maria dank! daar komt hij! Bij dat gaslicht van verre heeft ze hem gezien. Dat was zijn gang--zijn figuur. Ja, hij draagt een lagen hoed.--Zie hij nadert.--Ondanks den plassenden regen ijlt ze op hem toe. Maar.... groote God! dat stak als een dolk: een vreemde wijkt ter zij en werpt haar de woorden toe: "Trop tard petite; ma femme m'attend."

"O, Sainte Vierge!" krijt de hevig geschokte, en duikt, zedig in haar donkeren schuilhoek. En schreiende en snikkende, leeft de flauwe hoop nog op in haar borst, dat Gérard langs een anderen weg in hun hotel zal zijn teruggekeerd, en als een gejaagde hinde spoedt zij zich voort en bereikt de zoozeer bevolkte woning, die voor haar echter ledig, geheel en al ledig is.

Omstreeks dien zelfden tijd, terwijl de bezoekers van Monte-Carlo, die met den laatsten trein in Nice waren teruggekeerd, voorzeker reeds allen hun woning hadden bereikt, ging een jong man langzaam langs een der achterstraten van Nice naar de Place Grimaldi, een lommerrijk plantsoen, 't welk rust op bogen, waaronder de bergstroom voor een wijle in 't verborgen bruist. Nog slechts weinige minuten geleden stond hij op den hoek van den breeden Pont Neuf, het oog strak gericht op de kamers, waar de vrouw hem wachtte, die hij zoo innig liefhad aleer de zucht naar rijkdom en goud die liefde versmoorde.--Maar dat was gelogen! Hij heeft haar nóg lief. 't Was immers zijn doel, zijn streven geweest om haar rijk en gelukkig te maken! O God! en het moest hun verderf worden! Zij heeft het hem gezegd! Duizendmalen heeft zij hem gesmeekt--gebeden, om niet voort te gaan op dien weg.

Doch de hartstocht heeft hem verblind. De winzucht heeft hem koortsig het bloed door de aderen gejaagd. "Terugwinnen!" is de lokstem geworden van den satan--die hem altijd weder bergen vol gouds in de toekomst bleef toonen.

O groote God! waartoe te leven? Die jonge schoone vrouw zien wegkwijnen in armoede en ellende; geketend aan den man, die als het beeld van wroeging steeds een schaduw zal werpen op haar pad!--Ja zonder hem zal zij vrijer ademen; voor haar alleen zal het noodige niet ontbreken; en--verlost van den "speler" zullen bloedverwanten en vrienden haar met liefde omringen!

De nacht is donker. Ofschoon het niet meer regent, jagen zware wolken nog steeds voort aan den hemel. Van verre ratelt de golfslag der hoogschuimende zee langs het keien-strand. Op den linkeroever van den Paillon, onder de hooge platanen, wier takken zwiepen en kraken, wendt de jonge man eensklaps zijn schreden naar de steenen balustrade, aan wier buitenwand de bergstroom zich in de diepte een weg baant naar zee. Bij het flikkerend licht van een gaslantaarn vindt hij gemakkelijk de steenen trap, die naar de veeltijds droge bedding voert, terwijl nu echter, bij den hooggezwollen stroom, het schuimende water op de onderste treden klotst.

Bij het afdalen raakt zijn gloeiende hand den ijskouden glibberigen muur.--Dat is de doodskou!--Hij huivert. De klokken van Nice verkondigen het eerste uur na middernacht; maar toch, het licht van dezen nieuwen dag zal hij niet aanschouwen.

Nooit zal hij het daglicht meer zien, de zon die zoo helder scheen, toen zij op dien schoonsten dag van zijn leven, in 't wit satijn en met den witten sluier om haar blanke schouders, aan zijn zijde zijn eenige rijkdom was, toen haar liefdevol oog hem toeblonk als de reinste diamant........

--Haar diamanten!--Als hij eens een laatste kans kon beproeven met de kleinoodien, die Alice bezit.--O God, dat was de duivel!--De vonken en glanzen, die ginds en her van gaslantaarns of hoog vensterlicht in 't bruisende water wiegen, ze hebben hem de diamanten en nogmaals het goud dier speelbank getoond. O, glimplichten zijn het!--rijk worden, 't is een hersenschim. Nog geluk vinden op aarde--een onmogelijkheid!

Zie, de bergstroom klimt. Duizelig donker is het daarbeneden. Een vochtwalm, met dampen van den plotseling overstroomden vunzen bodem benauwen de borst. En de klokken van "Nizza la bella" brommen in dien donkeren nacht reeds het tweede uur van den nieuwen dag. En nog altijd giert de Libeccio en bruist de Paillon, terwijl de laatste, wat hem weerstaat meesleurt, langs pijler en steen naar den wijden Oceaan.

In den namiddag van dien zelfden dag berichtten reeds de nieuwsbladen van Nice dat men nabij de monding van den Paillon, tusschen een paar rotsblokken gekneld, het lijk van een jonkman had gevonden, wiens gelaat deerlijk verminkt, niet te herkennen was, terwijl nadere bijzonderheden omtrent den persoon vooralsnog ontbraken. Naar men vermoedde--zoo schreef men--moest de ongelukkige een nieuw slachtoffer zijn van den duivel, die, van elders verjaagd, helaas voorgoed naar 't scheen, zijn troon aan de boorden der Middellandsche Zee had gevestigd. En, met de bijvoeging, dat men zich gelukkig mocht achten, dewijl er in de verloopen maand, slechts twee gevallen van zelfmoord hadden plaats gehad, terwijl men er in dezelfde maand van het vorige jaar een twaalftal [20] te vermelden had, constateerde men den volgenden dag niet slechts het droevige feit, dat de speeltafel een nieuw slachtoffer telde, maar verzekerde men er nog bij, dat, de ongelukkige zijn zeer aanzienlijk vermogen tot den laatsten franc toe had verspeeld, en een treurende weduwe niet slechts in droefheid, maar ook in bitteren nood had achtergelaten.

En het nieuwsblad, waarin dit treffende bericht stond te lezen, het trilde in de hand van de jonge vrouw die, twee dagen geleden onder de arcades, haar Gérard heeft gewacht en die nog later zoo vele bloedige tranen heeft geschreid.

"O God!" roept ze, terwijl het nieuwsblad haar hand ontglijdt en ze zich aan de borst van haar dierbaren, tot haar wedergekeerden man werpt. "O Gérard, je hebt me lief! Ja dat heb je getoond, mijn schat, mijn leven!"

En hij, hij drukte haar vurig aan zijn borst.

Engelachtig geduld! onbegrensde vrouwenliefde! Och hij heeft haar getoond hoe lief hij haar had! Als de berooide is hij tot haar teruggekeerd. Arm zijn ze; arm heeft hij haar gemaakt, ellendig en arm. Maar zij--"Neen, neen" vleit ze op den zoetsten toon der liefde; "Rijk heb je mij gemaakt door je moed, door niet te vertwijfelen in die bange ure; door het besluit om te willen leven, ja, te leven voor mij!--O God! die arme vrouw!" en met een blik naar het vallende nieuwsblad herhaalde zij: "Die arme, arme vrouw!"

En drie dagen later verlieten de jeugdige echtgenooten de woning, die, ofschoon wel vroolijk gelegen, voor hen zoo somber was geweest. Ze traden mij voorbij, met een groet, en het was alsof de jonge man zich schaamde omdat--ja, omdat het wel bekend kon wezen dat men de terugreis naar 't Westen van Frankrijk bekostigde van hetgeen de diamanten zijner Alice hadden opgebracht.

Maar het oog der jonge vrouw straalde vol levenshoop, als wilde zij zeggen: "wij zullen ons geluk herwinnen; ziet maar, hij heeft zijn vrouw geen weduw, en ons kindje geen wees willen maken. Wij zullen arbeiden en keeren voor eeuwig den rug----à cet enfer de Monaco!"

FABRIEKSKINDEREN.

Een bede, maar niet om geld.

't Is winter. Een koude Decembernacht houdt met kille vingers oud Hollands grijze academieveste den blinddoek voor de oogen.

Slechts een waardig trawant van den reuzengeest dezer eeuw voert strijd met den nacht, en rukt er gedurig den blinddoek weer los. Zie maar, de gasvlammen werpen van afstand tot afstand een vluchtig licht in de holle straten en ginds langs de sombere grachten.

Waartoe die kamp; waartoe dat licht? Immers de stad ging ter ruste en slaapt.

Geloof het niet, want telkens moet ze wakker en ziende zijn, wakker en ziende om er te waken voor het onheil dat naderen kon. En de oude stad, zij slaapt dan ook niet. Slechts bij wijlen bevangt haar een lichte sluimering, en 't schijnt u toe als droomde zij van haar alouden roem,--evenals de teedere loot van den grijzen vorst der Alpen, die zoetjes dommelt aan haren boezem, en murmelt en fluistert van de grootheid harer afkomst.

Maar toch de grijze veste, hoe vluchtig ook haar sluimering zij--telkens turende over den blinddoek heen, om er te waken zelfs in den nacht, toch vermag zij het niet zooals zij 't zou willen.

De arme is krank!

Ja, 't hoofd is wel helder, zelfs klaarder dan voorheen; ja haar hart klopt wel even luide voor deugd en voor trouw als in de dagen harer jeugd, nochtans gij ziet het wel hoe haar rechterarm als verlamd terneder ligt.

Luister:

Een deel van haar eelste sappen ging over in onzuivere vochten; in vochten die zich vormden tot een afzichtelijke wonde; een wonde die hare krachten verteert, en wellicht in 't einde haar voert tot de slooping van haar glorierijk bestaan.

Arme stad! Dochter van den Staat! Richt u op, en werp u aan 's vaders borst. Daar zijn nog zusteren die lijden als gij. Smeek hem dat hij, voor u en voor haar, ter hulpe kome; dat hij zijne dienaars zende met artsenij en zalve, ware het noodig, met vlijmend lancet.

Maar gij, novellendichter, wat spreekt ge in beelden en raadsels? Hoort ge niet reeds de stemme opgaan, die u vermaant tot eenvoud en kalmte, die u toeroept; Blijf wie ge zijn wilt?

En ja, hij gevoelt wel de juistheid dier woorden; maar ach! koortsachtig jaagde hem het bloed door de aderen, want immers--men heeft hem die wonde getoond! Van hem heeft men een woord begeerd aan den vader der lijdende stad; een smeekwoord om hulpe, ter spoedige redding. Was het wonder dat hij moeite had al aanstonds den juisten toon te treffen, beseffende het hoog gewicht zijner roeping. Nochtans van nu aan zal hij trachten eenvoudig te zijn, ontzettend eenvoudig.

't Is winter. Koud was Decembernacht, en ijzig koud is nog zijn vroege morgen. Zes slagen bromt de klok uit Leidens hoogsten toren. Door de Breestraat en de Hoogewoerd leidt onze weg naar een der achterbuurten der stad.

Bij het licht eener gaslantaarn zien wij, op weinige schreden afstands, een armelijke woning. Haar bouw herinnert aan Leidens glorievolle eeuw, aan de eeuw toen zijne zonen en dochters kloek waren en sterk, en streden voor recht en voor vrijheid.

Niets is er aan dien gevel veranderd; alleen zoudt ge bij dag kunnen zien, hoe de kleine in lood gevatte ruiten van voorheen, naar den eisch der tijden, door een wat grooter soort zijn vervangen. Eertijds kon Gods lieve zon slechts luttel in die woning schijnen; maar nu...? Helaas, gij ziet het niet hoe die grootere ruiten voor 't meeste deel met een vettig stof zijn overdekt; hoe er vele, onachtzaam gebroken, slechts ruw met ondoorschijnend papier werden beplakt; hoe er thans in die armoedige woning, overdag nog minder licht straalt dan weleer, en--maar genoeg, dat is bedroevend, zeer bedroevend!

In de kamer der genoemde kleine woning, die wij al aanstonds door de voordeur betreden, zou een volslagen duisternis heerschen, indien niet de gaslantaarn daarbuiten, door het straks genoemde venster, eenig schijnsel naar binnen wierp. Het zwaar geronk van een man, benevens de geregelde of snellere ademhaling van eenige slapende kinderen, treft onze ooren. Juist op dit oogenblik bericht de groote torenklok het zesde uur na middernacht. In de bedstee waaruit het naar geronk blijft klinken, verneemt ge, te gelijk met den eersten klokslag daarbuiten, eenige beweging. 't Is eene vrouw die zich haastig opricht. Met een nijdig: "Snork toch zoo niet!" geeft zij den man aan hare zijde een stomp op den schouder, en leent, terwijl het nare geluid een wijle verstomt, nauwlettend het oor aan den doffen klokslag uit de verte.

"Zes!" bromt de vrouw binnensmonds, rekt zich geeuwende de leden, stapt nu spoedig uit de hooge bedstee, en sloft een oogenblik later op neergetrapte pantoffels naar een andere bedstee.

Drie kinderen slapen er bijeen; twee jongens van tien en dertien jaren, benevens een meisje, dat bijna haar twaalfde jaar heeft bereikt. In de slaapstee der ouders kreunt vluchtig een kind van weinige maanden, waarschijnlijk nu het bespeurt dat moeder hem verliet, en, in de wieg er voor, droomt een meisje van vier jaren, misschien met een droevig lachje om den mond, van mooie winkels met allerlei brood.

"Toe kinders, er uit!" roept de moeder met schrille stem het slapende drietal toe, en als zij het schamele dekkleed heeft weggeslagen, dan trekt zij den oudsten knaap bij den arm, haar Evert die, langzaam ontwakende, met lodderigen blik voor zich heen ziet, terwijl zij verder op soortgelijke wijze de beide andere kinderen te wekken tracht. Die taak is geen lichte. Saartje althans weert onbewust de moederhand af, die haar diepen slaap komt verstoren, wijkt naar de achterste hoek der bedstee terug, en kromt zich schier tot een bal ineen, met het hoofd op de knieën.

Een klagend geween vervult eensklaps het vertrek. 't Is Sander, het jongste der knaapjes. Onbarmhartig door de moeder uit de bedstee getild, staat hij half wakende, half droomende, met de bloote voetjes op den killen vloer.

"Stil Sander, als vader het hoort!" vermaant de moeder, en als zij nu hém en ook haar oudste--die inmiddels zijn bed heeft verlaten, de schamele kleeren heeft toegeduwd, dan tast zij opnieuw naar het weggedoken meisje, trekt haar bij haar hemdrokje naar voren en beurt het kind, dat woest van zich afslaat, mede uit het bed.

Saartje, op den grond gezet, opent de oogen; zij droomde daareven, dat een akelig dier haar bij de keel had; nu ziet ze.... haar moeder; en de teedere handjes klemt ze inéén, en de kille knuistjes drukt ze tegen de brandende oogen, en zegt dat het zoo tikt in haar hoofdje.

Maar de moeder hoort het niet. Toen zij Sander heeft losgelaten om het meisje te wekken, is het jongske, overheerd door den slaap, in de knieën gezakt, en ligt met het hoofd tegen den muur, opnieuw in een diepe rust.

"'t Is ook wat erg, ze gingen om twaalf uur naar bed!" mompelt de moeder. Zich schielijk tot het jongske voorover buigende, schudt zij hem nogmaals wakker; doch, als nu het kind opnieuw en sterker dan straks aan het krijten gaat, dan legt zij hem haastig de hand voor den mond, en ziet er met angstigen blik naar de zij van haar bedstee, want--ruw klinkt de stem van haar man, met een nijdigen vloek: "Hé--mondhouwen. Zeg!"

Een klein kwartier later beweegt zich een schamel drietal kinderen in de nog onbevolkte straten van Leidens achterbuurt.

De nachtwacht, die van zijn laatste ronde huiswaarts keert, hij kent ze wel. 't Zijn de kinderen van Gerrit Zwarte den voormaligen timmermansknecht; van Zwarte, die sinds een paar jaren--zooals hij zich uitdrukt--bang voor springende knokkels is geworden, en daarom zijn handen maar in de broekzakken houdt.

Daar gaan ze, die kinderen. Evert, de oudste, trekt Sander met zich voort, en paait den bibberenden kleine met de woorden: "Kom maar, 't is warm daarginder."

Sander kan 't niemendal schelen; hij wil er gaan liggen, hier op die stoep, en--met het handje, waarin nog de kruimels van den straks gekregen en haastig opgegeten kouden aardappel kleven, wrijft hij zich steeds en alweder langs de loodzware oogleden: hij wil niet verder--weet je, hij wil niet!

En Saartje, met opgetrokken schouders en de armen in haar boezelaar gerold, gaat ze haar broertjes op eenige schreden afstands haastig vooruit. Bij iederen voetstap dien ze doet, tikt het haar sneller en sterker in 't hoofdje; dat heeft ze eergister ook gehad; maar nu is 't erger, veel erger; ze zal maar doorloopen, nóg harder, dat ze eerder in de warmte komt.

Saartje is ginds om den hoek reeds verdwenen. Evert kan met Sander, dien hij stevig vasthoudt, niet zoo haastig voortgaan.

Eensklaps ontsnapt er een nare kreet aan zijn mond; met pijnlijk gebaar trekt hij ijlings de hand terug, waarmee hij Sander heeft voortgetrokken. Het arme slaapdronken kind had hem kwaadaardig gebeten, gebeten in de hand, die tot loopen hem dwong, dewijl hij slapen wilde, niet anders dan slapen.

"Leelijke rakker!" schreeuwt Evert, en.... Doch neen, wij vervolgen hier niet. Arme zwakke onwetende schapen! We zouden u beschuldigen, wij, terwijl we slechts deernis met u hebben, en slechts medelijden voor u vragen. Ha! of we niets meer voor u wilden!

En waarheen zal het nu?

Zie, een steenen vinger, hoog zich verheffende boven de daken, hij wenkt uit de verte.

En daar--gij betreedt er eene der vele werkplaatsen van den grootschen werkman, kloeksten zoon van den geest dien we noemden.

Wondere spruit van genie en verstand, bedeeld met ontzettende kracht en rusteloozen ijver, geboren den menschen ten welvaart en zegen--stil, wie fluistert daar zacht: en vaak ook ten moordenaar?