De lelie van 's-Gravenhage

Chapter 30

Chapter 303,795 wordsPublic domain

En terzelfder tijd ontbrandde het vuur van een vijftigtal groote pektonnen, die zich--een pyramide formeerende--uit zee verhieven. En van dien reusachtigen vuurtoren schoten twee rosse bliksemschichten naar rechts en naar links en raakten de hooge masttoppen van twee fregatten [18], die in hetzelfde oogenblik elkaar met een oorverdoovende kanonnade in de schitterendste kleuren bestookten en de kust deden daveren van het geweld hunner slagen. De strijd was geweldig! Maar zie:--Eensklaps sloegen de trotsche schepen in lichterlaaie van rood en van wit en van blauw. En de zee weerkaatste in duizenden prachtige tinten die vlammen en vonken: robijnen, safieren, diamanten en.............................

Ik vraag u wel om verschooning! Dit alles zag ik slechts in mijn verbeelding.

Misschien is het niet mogelijk om op onze Nederlandsche kust een vaar-wedstrijd op groote schaal te doen plaats hebben: maar kon dit zoo wezen, dan houd ik mij overtuigd, dat althans zeer zeker het gemeentebestuur van 's-Gravenhage voor zijn groot stedelijk Badhuis te Scheveningen iets anders zou ontsteken dan 't geen de Franschen hier: Superbe! Splendide! en ik weet niet wat meer noemen.

Het vuurwerk bestond in een vuurpijl.--Hê!--Nóg één.--Hê!--En nog één; enz.--Een donderbus; een wiel; een donderbus; een vuurpijl.--Weer een wiel....

Maar genoeg. Het slottableau was een scheepje in Bengaalsch vuur, met--pief--paf, knap!--Uit!--

Ik verzeker u, dat een gewoon Donderdagavond-vuurwerk even mooi is als het vuurwerk der groote Régates te Nice, behalve--dit moet gezegd worden--het niet onaardig gehobbel der oranjes en het werkelijk prachtig weerspiegelen van een veelkleurig vuur in de golvende zee.

En de afloop van den stoom-, zeil- en roeiwedstrijd op den tweeden feestdag?

--Helaas, te twee uren stak er weder zulk een hevige wind op, dat de kampioenen,--vooral de roeiers, onmogelijk den kamp konden wagen of voleinden en zoo snel mogelijk de haven trachtten te bereiken. Twee zeilschepen verloren hun masten; vele kleine vaartuigen kregen averij, en één hunner werd zelfs door een hevigen windstoot omvergeworpen.

Te vijf uren zag men tusschen de hooggekamde golven nog een paar kleine booten, die--worstelende met het onstuimig element den bijna gezonken confrater op sleeptouw hadden.... Gelukkig had de bemanning van het scheepje zich weten te redden. Maar toch, om denzelfden tijd zag men langs den Paillon een brancard zeer langzaam in de richting van het hospitaal verdwijnen. Het heeft zich helaas bevestigd, dat een matroos er zeer slecht aan toe is.

Nogmaals moest nu de laatste wedkamp worden uitgesteld; maar--toen hij Donderdag den 27sten plaats had, toen waren de oogen van inwoners en vreemdelingen vrij wat minder naar zee dan naar de landzij gekeerd.

Geen wonder: Op de Promenade des Anglais--den rijweg naast het wandelpad aan zee--daar zou de "Bataille des Fleurs" worden gehouden.--Had reeds de Carême zijn fête des fleurs gehad, de Mi-Carême moest die evenzeer hebben.

En dat was aardig, smaakvol, allerliefst!

Op dien breeden rijweg met zijn palmen en oleanders langs de zee was het een onafzienbare reeks van open rijtuigen, vele op het kwistigst met groen en bloemen versierd, die elkander stapvoets voorbijreden.

Het aantal bouquetten, veelal aan de zijden of ook geheel rondom de landauers en calêches tentoongesteld, maar voor 't meerendeel binnen die rijtuigen in langwerpige manden opeengehoopt, is niet te bepalen. Prachtig was de versiering van sommige equipages, die, aan de voornaamste villa-bewoners toebehoorden, of ook van die, waarin slechts enkele "dames" waren gezeten.

Wij zagen een landauer, die behalve de wielen geheel onder groen en bloemen was verscholen. Verbeeld u, dat de tuigen van sommige paarden geheel in een bloementuig waren herschapen, en dat o.a. de reepen (of lederen treklijnen) uit een vaste aaneenschakeling van fonkelend roode camelia's bestonden.

Welk een weelde van bloemen! In Maart!

En de bataille?--Bij 't zien van vrienden of bekenden werpt men elkander in 't voorbijrijden om strijd zijn ruikers toe, en ook de onbekenden worden niet altijd vergeten.

Wie den rijksten oogst hebben, dat zijn misschien wel de arme stakkers, die telkens toeschieten om de geurige projectielen, welke hun doel hebben gemist, soms niet zonder eigen gevaar, voor een verpletteren onder hoeven of wielen te bewaren.

O! als er eens geen andere batailles dan zulke batailles werden geleverd!

En--zou er zulk een, in ons lieve--des zomers zoo bloemrijke Nederland, niet op haar plaats zijn!?

"Nice leeft van feesten!" zei mij een inwoner. "In den zomer hebben we zelfs la Fête des Boîteux et Bossus! 't Is zeer eigenaardig. Al wat maar op den naam van gebrekkig kan aanspraak maken, trekt dan naar de bekende Promenade en vertoont zich aan hun--op dezen dag vrij wat minder interessante natuurgenooten."

Maar hiermee eindig ik niet.

Weet ge wie de voornaamste, zoo niet de eenige grootheid van Nice op kunstgebied is geweest? Het was de kunstschilder Carel Van Loo (Carle Vanloo), de zoon van een Nederlandsch timmerman.

En--was het niet aardig, dat bij die Régates toch de allereerste prijs voor stoombootvaart werd behaald door een Parijzenaar, wiens naam wel duidelijk den Nederlander verraadt, Monsieur d'Outhoorn!

En dan,--het doet het vaderlandsch hart zoo goed, ook hier steeds weder de werken van onze eenige oud-Hollandsche schilderschool te zien en te hooren bewonderen.

--Noblesse oblige!

Maar ook, hier--in het land der bloemen, leeft Holland met eere: In de breede Avenue de la Gare--de lange hoofdstraat van Nice,--is een groote bloemisterij, en voor de vitrines zag ik prachtige Azalea's, met de namen in top: Eugène Mazel, François De Vos, Le roi d'Hollande.

MONTE-CARLO.

"Cet enfer de Monaco!" dat waren de woorden, die ik van een teruggekeerde uit Monte-Carlo vernomen had, en de man had het voorkomen van iemand, die zich diep ongelukkig gevoelt. Het heeft mij vroeger wel eens verbaasd, dat zoovele menschen, die vast aan een "hel" gelooven, zoo gerust een weg bewandelen, waarop zij--volgens dat geloof--wiskunstig zeker die hel te gemoet gaan.

Nadat ik echter op zoo menig schouwtooneel die folterplaats, vol geween en knarsing der tanden, als een tooverpaleis, stralende van licht en van kleuren, vol zingenot zag voorgesteld, maar vooral ook, sedert Dantes hel, met die van Doré vereenigd, mij een onvergetelijk kunstgenot schonk, begrijp ik nog beter dat de bedoelde personen, in weerwil van hun geloof, op een hel rekenen, die inderdaad nog niet zoo zwart en zoo heel verschrikkelijk wezen zal.

Men noemt oneigenlijk den naam van het stadje Monaco, als men van de plaats spreekt, die op een andere rotshoogte der kust, ongeveer een kwartier verder westwaarts is gelegen.

Monte-Carlo! Prachtig plekje aan de Middellandsche Zee!

Als men het spoorwegstation, juist bij den golfslag aan den voet der rots, heeft verlaten, dan vindt men aanstonds er achter de breede glooiende trappen, die over en naast den rotswand, naar het Dorado voeren.

Boven gekomen, waart het verraste oog met verrukking rond.

In fijnen toon ziet gij rechts, aan de overzij van een kleine bocht der zee, de rots die, met haar drie étages van woningen in 't groen, Monaco en zijn vorstelijk paleis omhoog beurt, terwijl de zon vroolijk schittert in het zeenat aan zijn voet en fonkelt in den schuimenden golfslag, die sinds eeuwen de rots bekampt, maar niet zal doen wijken.

Recht voor u uit, en ook ter linkerzijde, hebt gij de zee, die groote--die "blauwe zee!" blauw tot den horizon toe.

En, als zij u uit overoude tijden verhaalt, hoe Hercules van Hellas' boorden hier 't allereerst voet aan wal kwam zetten; hoe de oud Grieksche held er Geryon en de woeste bergroovers bestreed en verwon, hoe hij de Grieksche beschaving er bracht en hier een weg dwars door de Alpen sloeg, waardoor aan dit oord voor altijd de naam van Portus Herculis verzekerd werd; als gij nog luistert naar haar sprookjes: van de zeenimfen en de Saracenen, en uw oog eensklaps door een eenigszins lager liggende groene vlakte wordt getroffen, dan--schrikt ge, want ge hoort een stem aan uw zij, en het klinkt in uw oor!

"Die groene vlakte dáár, dat is de Tir aux pigeons."

"Ei, is dat de Tir aux pigeons!" Uit zekeren hemel was ik alreeds in een soort van hel gevallen.

Het schandelijkst, lafhartigst en wreedst vermaak, 't welk ooit werd uitgedacht, wordt ook hier even schaamteloos aangeboden, als helaas door zoovelen zonder zelfverachting genoten.

Is niet de duif het beeld der reinheid en zachtheid, 't symbool der zoetste liefde? Welnu, tweemaal 's weeks worden een aantal van die bevallige diertjes, wit als sneeuw of blauw als een zomerhemel, uit hun cages genomen en gekerkerd in gaten met beweegbare kleppen, welke gaten op kleine afstanden van elkander, in die grasvlakte zijn gemaakt.

De duif, snakkende naar licht en lucht, wendt binnen die holen haar uiterste krachten aan, om dien vreeselijken onderaardschen kerker te ontkomen. Ten laatste doodelijk vermoeid, ontsnapt het diertje aan dat knellende en martelende dak.

Het duizelt, zwenkt, ziet de blauwe lucht, verzamelt nog eens zijn krachten om zich hoog boven die aardsche folterplaats te verheffen, en.... Dan is het oogenblik van genot voor den mensch gekomen. De arme bedwelmde duif te treffen in haar vlucht; haar te zien buitelen, vallen! welk een voldoening!

Maar niet zelden mist het schot van den onervaren schutter geheel of ten deele. In het eerste geval keert de argelooze duif naar haar kooi terug, waar zij haastig wordt binnengelaten, om haar weinige dagen later nogmaals aan dat "vermakelijke spel" te kunnen overleveren. In het tweede geval heeft men het eigenaardig genot van zijn slachtoffer te zien fladderen,--telkens weer zich verheffende, om het allengskens afgetobt te zien dalen, al lager en lager naar de zee--die zich straks over de arme ontfermen zal.

Men zegt dat ook vrouwen....

"Kom mee; we moeten verder!"

Als gij u omwendt, dan ziet ge op de hoogte van het zeer breede terras den prachtigen nieuw opgetrokken voorgevel van het Casino-gebouw aan de zeezijde--met zijn schoone lijnen en voortreffelijk beeldwerk. Doch de toegang tot het gebouw is niet aan deze zijde. Van het terras, met zijn hooge, wit marmeren bloemvazen, begeven wij ons, langs welig begroeide perken, naar dien ingang aan de landzijde. De liefelijkste plekjes, en tal van belommerde banken nooden u er een wijle te rusten.

Die verzoeking kunt en moogt ge niet weerstaan. Zie, de cactussen met haar opeengroeiende bladeren, grooter dan het ovaal van een menschenhoofd, reusachtige aloë's, hier en ginder bloeiende met een stengel van ruim zes meters hoog; bloemen, overal lachende in 't rond, purperroode camelia's, geraniums vol geuren, en inzonderheid de rozen, die hier voor geen wintermaand wijken.--En dan, langs die bosschages, zoowel van het blijvende, alsook van het nú weer zoo liefelijk ontloken lentegroen, langs de stammen en onder het loof door van ceders en mirten en oranjes, van seringen, peperboomen en citroenen, tintelt in het helblinkende zonlicht de blauwe zee, en schittert het witte zeil van een schip in de verte.

O, men zou er willen blijven in dat paradijs. Maar, de paradijsslang verloor haar lokstem nog niet.

Toen men dit Eden op de eertijds zoo weinig bezochte rotshoogte, grootendeels kunstmatig, in 't aanzijn riep, toen heeft men wel degelijk op haar lokstem gerekend. Neen, onder dat heerlijke lommer toeft men niet langer. Men moet verder! Die slingerpaden golven zelfs niet veel, en voeren schier rechtstreeks tot het doel.--Reeds bevindt ge u aan de Noordzijde, bij den ingang van het Casino.

Een breede trap met kolonnade, die u aan het Stedelijk Badhuis te Scheveningen herinnert, voert u in een zeer breede vestibule.--Recht voor u uit--over de geheele breedte van het gebouw--bevindt zich de bal- en concertzaal, waar des middags en 's avonds een uitmuntend en sterk bezet orkest bij voorkeur Italiaansche muziek doet hooren. Het plafond der zaal, waarvan de eenigszins gewelfde hoeken door vier reusachtige, vergulde vrouwenbeelden--de priesteressen van een "gouden" vrede--wordt gedragen, is voorts versierd met onderscheidene hoogst verdienstelijk geschilderde tafreelen, in den geest van het carré boven de vermaarde trap der groote opera te Parijs. De toon der geheele zaal, die nog met een menigte ander beeld- en schilderwerk, op 't kwistigst is versierd, heeft, in den toon van havanna met goud, iets sombers, zoodat de frisch roode kleur van het fluweel der achthonderd zeer gemakkelijke fauteuils er volstrekt geen kwaad doet.

Ter rechterzijde van de straks binnengetreden vestibule, bevinden zich de conversatie- en leeszalen. In een der laatsten is het getal nieuwsbladen legio, en ook Nederlandsche couranten ontbreken er niet.

Het Casino van den Monte-Carlo biedt alles, wat er in zijn parken te zien, of binnen zijn zalen te genieten valt, den vreemdeling gratis aan en zoo ook het noodzakelijke toegang-bewijs tot de groote zaal ter linkerzijde der vestibule.

Een goud-gegalonneerde Cerberus opent u een breede deur, en gij betreedt die zoozeer bevoorrechte plek, waaraan de bekrompen geest dezer eeuw nog niet zijn ruwe hand durfde slaan, en waar het den mensch ten minste nog vrij staat zijn geluk te beproeven!

Overdag en zelfs des avonds bij lamplicht, heeft die zeer groote speelzaal mede iets sombers. Zij is in Moorschen stijl gebouwd en op Oostersche wijze rijk gekleurd en behangen.

Aan de zes tamelijk ver vaneen geplaatste speeltafels ziet gij, in 't midden der roulette-tafels, vier croupiers, twee aan twee tegenover elkander gezeten, en achter hen, op wat hoogere stoelen, hun bespieders, inspecteurs genoemd; terwijl aan de beide uiteinden der tafel weder een assistent heeft plaats genomen. Aan de trente-et-quarante-tafels is het dienstdoende personeel iets minder sterk. Die "ambtenaren" worden van tijd tot tijd door versche confraters afgewisseld, want van des middags 12 tot des avonds 11 uren staat de affaire geen oogenblik stil.

En--tusschen die mannen met hun zwarte harkjes en scherpziende oogen en ongeloofelijk snel geldschietende en geldstapelende vingers, tusschen die dienaren van "la veuve Blanc", zitten mannen en vrouwen van allerlei stand en leeftijd,--men zou zeggen "op 't eendrachtigst saamverbonden" neer.

De Prince de X zit er naast den nommé Pyr, die als garçon de café in Florence zijn meester bestal en al spoedig zal worden ingerekend, na het gestolen geld aan den speelduivel te hebben geofferd.

Madame la Baronne de V. zit er tegenover een vervaarlijk roodgeverfde matrone met elf ringen aan vijf vingers.

Inzonderheid om de tafels waaraan een speler--bij uitzondering--zeer "en veine" is, of ook waar in weinige oogenblikken duizenden worden verloren, verdringt zich de vlottende menigte, die overigens met een onophoudelijk va-et-vient haar geluk nu eens aan deze, dan weder aan gene tafel beproeft.

Te midden van een aanhoudend geschuifel en gefluister, waarboven slechts de stem van den croupier en het voortdurend gekling-klang van geld wordt vernomen, treffen de zachtgesproken woorden: "Tiens, comme ce grand est en veine!" mijn oor.

't Was een breedgeschouderd man van een buitengewone grootte, met een aristocratisch schoon gelaat. De rechte neus zetelde boven den forsch vooruitspringenden knevel, die den fijn besneden mond overschaduwde. Aan zijn blanke hand droeg hij een zwaren zegelring.--Achter de speeltafel staande speelde hij over den schouder der zittenden heen. Eenige goudstukken van honderd francs [19] werden door hem op "rood" gezet, en, zeven bankbiljetten van vijfhonderd franc fladderden er naast.

Het balletje der roulette vloog in 't rond.

Welke diepe voren ploegden nu dat schoone voorhoofd!

"Treize; noir, impaire; passe!" riep de croupier, terwijl hij schier terzelfder tijd het geld van den edelman wegharkte en tevens het goud en zilver van zoovelen, die den man "en veine" op "rood" waren gevolgd.

Tot hen behoorde een oud heer met zilverwitte haren en een hoogst eerwaardig voorkomen; althans wanneer hij met de blanke wimpers naar omlaag,--prikkende in het speelkaartje--zijn kans te berekenen zat. Als hij de oogleden even opsloeg, dan zochten ze goud!

Een dame aan zijn zij ziet zeer bleek, terwijl ze een klein hoopje goud met haar fijne vingertoppen terdeeg schikt, maar inderdaad, blijkbaar zoekt ze te tellen. Een heer, die tegenover haar zit en gedurig schuw in 't rond ziet, is zeer rood, geweldig rood, bijna zoo rood als de roos op den sterk gewelfden boezem van een dametje, dat telkens moet wisselen en opzetten voor een zonderling geverfd oud heer met een magnifique zwarte krulpruik en een verbazend groot bouquet in den boezem van zijn vest, waarboven hij een hemelsblauwe das draagt. Die heer is blind en ik hoor hem tot zijn dametje zeggen; Yes darling twenty-four, and black!"

Darling speelt en verliest. Of darling zóóveel opzet als de blinde bedoelt.... dat weet ik niet.

Naar mijn vluchtige berekening heeft de groote edelman van daareven in drie zetten meer dan tienduizend francs verloren. Hij begeeft zich van de roulette naar een trente-et-quarante-tafel.

Een keurig gekleed heer van omstreeks vijf en twintig jaren trekt nu mijn opmerkzaamheid. Ik ken hem; 't is geen landgenoot, maar te Nice heeft hij zijne kamer naast de onze.

Ja, 't is de neef van een Franschman, wiens groote gaven zijn naam beroemd maken. Nog geen jaar geleden is die neef getrouwd; hij had fortuin; maar--het bekoorlijke vrouwtje--la gentille Alice B....--die hem haar hand en hart wou schenken, we hadden haar voor weinige dagen op den corridor ontmoet met oogen van 't schreien rood.

"Ah c'est lui qui l'a fait!" had men ons gezegd: "Il perd tout son argent! la pauvre belle femme!"

En daar zat hij. En zijn oogen zwommen in een geelachtig rood, en met de vlakke hand streek hij van tijd tot tijd de zweetparels weg, die hem van de haren dropen--ofschoon zijn uiterlijk voor 't overige zeer kalm schijnt. Hij neemt een bankbiljet uit een blijkbaar schraalvoorziene portefeuille.... Neen, het bankbiljet verdwijnt weder.--Hij opent een portemonnaie, neemt een goudstuk en volgt met schijnbaar rustigen blik het loopende spel.... Zie, de bank verliest. Ha! Nú moet het goudstuk wachten, en tóch het bankbiljet van vijfhonderd francs gewaagd worden.

Hij zet op 20--l'age d'Alice!

Een oogenblik later heeft de hark van den croupier de vijfhonderd francs doen verdwijnen. Op het gelaat van den speler is geen bijzondere gewaarwording te lezen. Nochtans zijn hand trilt zichtbaar als zij in 't einde het straks teruggehouden goudstuk op "rood" zet.

"Vingt; noir, pair, passe!" roept de croupier.

Het gelaat van den jongen man is nu doodelijk wit geworden. Hij ziet naar de schatten van den croupier en ook vluchtig naar de stapeltjes goud van den matrone die naast hem zit.--'t Wordt er hem te benauwd.--"Permettez!" zegt hij opstaande, en als hij achter de massa verdwijnt, dan heeft een vreeselijk bleek jonkman, die akelig kucht en hoogst waarschijnlijk in de laatste periode van tering verkeert, den verlaten stoel reeds in bezit genomen.

Een zonderling gedruisch wordt op 't onverwachts in de zaal gehoord. De menigte, die zich voortdurend rondom de tafels beweegt, stroomt eensklaps naar eenzelfde tafel ter linkerzij. Men mompelt en spreekt alras luider.

Wat is er gebeurd? Men weet het niet.

De bankdirectie wil het niet weten. Een schandaal moet á tout prix vermeden worden.--'t Is hier alles digne, hoogst fatsoenlijk!--La banque, c'est la paix!

De persoon, die met zooveel behendigheid een goudstuk onder de hand van den croupier heeft weggemoffeld, wordt openlijk in het gelijk gesteld. 't Was een vergissing. De persoon die den dief heeft betrapt zal zich vergist hebben.

"Messieurs faites votre jeu!"

Indien gij meent, dat de jonge man, die den beroemden naam draagt, en zooeven zijn laatste goudstuk verloor, zich tot het plegen van een diefstal heeft kunnen verlagen, dan bedriegt gij u. De dief, die door zekere personen scherp in het oog wordt gehouden, en zich al spoedig ziet aangesproken, om zich kort daarna met zijn nieuwen "vriend"--een net gekleed geheim politie-agent te verwijderen, is le nommé Pyr, garçon de café van Florence, en--'t werd reeds vroeger gezegd, dat hij zijn dierbare vaderstad slechts vluchtig zal weerzien om een établissement in Toulon te betrekken, waar hem voor altijd de lust zal vergaan, zijn fortuin met gestolen geld te beproeven.

Maar de man met den gevierden naam?

Tegen den middag van dienzelfden dag moesten de lampen reeds vroegtijdig in de speelzaal worden ontstoken. Een geelbleeke, bijna armoedig gekleede dame, die, sedert een groot jaar dagelijks van Nice vice-versa reist, om, in weerwil dat zij somtijds kleine sommen wint en te gelijk nooit meer dan een vijf-francstuk waagt, toch van lieverlee haar matig vermogen te zien verdwijnen, die dame, reeds scherp turende door haar lorgnet, had reeds de opmerking gefluisterd, dat het te donker werd, om het spel naar eisch te kunnen volgen.

De jonkman met de tering, die een paar vuurroode kleurtjes boven de jukbeenderen heeft, zegt kuchende: "Ich spiele im Nachtdunkel."

De vroegere duisternis werd veroorzaakt door een wolkenmassa, die uit zee kwam opzetten en straks, na een vluchtig licht, de hooge zaalvensters doet dreunen van een geweldigen donderslag.

De gaskronen zijn spoedig ontstoken. Het bevreemdt u dat er geen gas boven die speeltafels brandt, maar--le maître d'hôtel connait son monde. Boven iedere tafel worden twee brandende carcellampen aan de vergulde kettingen opgehangen. Met zulke olielampen loopt men geen gevaar, door het afsluiten van een gaskraan de speeltafel met haar schatten plotseling in 't duister te zien gehuld.

En buiten ontlast zich het donkere zwerk in een geweldigen plasregen. Langs de paden, terrassen en trappen van den Monte-Carlo stroomt het water gutsend naar omlaag. De voorlaatste trein in de richting van Nice en Marseille zal slechts luttel reizigers van Monte-Carlo met zich nemen. Om den regenstroom te ontgaan blijft men in de speelzaal een goudstroom verwachten.

Binnen de schier ledige wachtkamer van het station Monte-Carlo heeft zich een net gekleed heer in een der causeuses gezet.

Nu staat hij op; gaat het vertrek een paar malen op en neer en vraagt dan aan den deurwachter of de laatste trein naar Nice niet te elf uren twaalf minuten vertrekt.

Na een bevestigend antwoord te hebben ontvangen, begeeft de jonge man zich naar buiten. 't Besluit was genomen. Men zegt dat de eigenares van de bank den totaal geruïneerde niet verlegen laat.--Ja, die oude vrouw zal helpen;--Nu zijn vermogen het hare is geworden, nu zal zij den berooide een klein gedeelte er van niet weigeren!

Haastig voortgaande bemerkt hij ternauwernood dat de slagregen zijn kleeren geheel doortrekt en dat hij bij het stijgen schier een bergstroom doorwaadt.

Nochtans, nu staat hij weer stil en aarzelt opnieuw.

De drager van een naam door meer dan één volk met eere genoemd, zal hij zich verlagen tot het smeeken om een aalmoes aan de vrouw, die?....

Wie is zij? Wie was haar man!?

Men heeft hem van een fortuinzoeker verhaald, die slechts een speelzaal te Parijs verliet, om te Homburg zijn werk te vervolgen; die, van daar verdreven, een vorst aan den speelduivel koppelde en het vorige jaar ten grave daalde zonder van zijn vermogen, meer dan tachtig millioenen schats, iets anders te kunnen meenemen dan de vervloeking van duizenden, die hij in de zonde gestijfd en verstrikt had.

Maar die vrouw! Men heeft hem immers ook gezegd dat zij kerken en godshuizen bouwt, en stijgt haar naam niet in eere, als zij met die millioenen haar dochters aan prinsen en vorsten huwt!