De lelie van 's-Gravenhage

Chapter 3

Chapter 33,861 wordsPublic domain

Adelgonde sprak niet, maar sloeg hare oogen naar beneden; de stem des jonkmans had, wel verre van haar te kwetsen, de fijnste snaar harer ziel doen trillen; een ongekend gevoel doortintelde hare aderen, en toen zij, den blik weder opslaande, den jongeling zwijgend in de oogen zag, scheen deze door haar vriendelijk lachje geheel gerustgesteld: hij plaatste zich aan hare zijde, en vervolgde nu, door dat zelfde lachje aangemoedigd, terwijl zijne rechterhand met de fraaie halsketen die op zijne borst hing, doelloos speelde: "O Adelgonde!--verschoon mij, dat ik u zoo ongevraagd bij dien schoonen naam durf noemen?--uw eerste aanblik vervulde mij met duizend zoete droomen. Hoe dikwijls brandde ik in die weinige dagen niet reeds van verlangen om háár weder te zien die, van dat gezegende oogenblik af aan, mijn geheele ziel beheerschte.--Rusteloos hield mijn geest zich met u bezig; gestadig hield ik mijne oogen op den doek gevestigd, die mij door een goeden geest, uit uwe handen was tegemoet gevoerd. Hoe brandde ik van verlangen naar dit oogenblik, om u te zeggen, dat gij uit al de oorden door mij bezocht, van al de maagden door mij aanschouwd, de schoonste, de edelste en reinste zijt bevonden: dat gij alleen...."

"Houd op edele graaf," viel Adelgonde den vurigen jongeling schielijk in de rede, die, zich zelven in zijne vervoering geheel vergetende, haar bij de fraaie hand had willen vatten: "Matig uwe opgewondenheid," ging zij weder blozende voort: "gij kent mij niet; slechts weinige oogenblikken hebt gij u in mijne nabijheid bevonden; slechts weinige woorden nog heb ik u toegesproken, en reeds spreekt gij van mijne deugden, van...."

"Alsof uw gelaat, uw oog bovenal, niet het toonbeeld, den spiegel uwer reine ziel ware," voerde Alonzo, op Adelgondes laatste woorden, haar overredend tegemoet: "Geloof mij edele jonkvrouw, waarachtige liefde woont in mijne borst. O, geef mij slechts eenige hoop; laat slechts één zoet woordeke uw rozemond ontglippen. O, zeg mij bovenal, dat geen voorwerp nog uwe keuze heeft bepaald; dat ik u niet geheel onverschillig, niet geheel...."

Hier hield Alonzo op met spreken; pijnlijk vragend staarde hij op het blanke gelaat van de Hagenlelie; en Adelgonde, verrast en op zulk een tooneel niet voorbereid, zag zwijgend voor zich neder; een traan, aan het overrompeld vrouwelijk gemoed ontweld, parelde in haar hemelsblauw oog. Doch zich als 't ware eensklaps bezinnende, stond zij schielijk op: "Wij zullen elkander wederzien, edele graaf!" sprak zij halfluid, maakte toen een bevallige neiging, en zich daarna snel verwijderende, liet zij den jongen Spinola aan zich zelven over, die, alsof hij uit een droom ontwaakte, haar met teedere oogen nastaarde. Het ontging echter zijner aandacht niet, dat weinige schreden van die plaats, een jong edelman haar tegemoet trad, die, na eene korte toespraak haar den arm bood; hem een vluchtigen blik toewierp, en zich eindelijk met de schoone Adelgonde onder de overige gasten mengde.

--Zou het inderdaad slechts een schoone droom zijn geweest, dacht Alonzo bij zich zelven; zou dat bekoorlijk schepsel slechts een baatzuchtige coquette zijn, die eerst met schijnbare belangstelling mijn waarachtige liefdesontboezemingen aanhoorde, om dat voorwerp, hetwelk haar meer dan zich zelven bemint, te zekerder aan haar triomfwagen te hechten, alleen met het doel om het getal harer aanbidders te vergrooten?--Maar neen! ging hij in zich zelven voort, terwijl hij een hem aangeboden roemer met kostbaren Rijnwijn van een zilveren schenkblad nam: neen! dat is niet mogelijk; dat engelengelaat kan zóó niet huichelen. Neen: Wij zullen elkander wederzien, heeft zij gezegd; ja, dat heeft zij duidelijk gezegd; en 't was toch niet geveinsd, dat in haar oog, den azuren hemel gelijk, die traan opwelde.--Maar toch.... zij verliet mij eensklaps.... eensklaps.... juist in dat zoozeer gewenschte oogenblik, toen ik een woord van liefde uit haren mond dacht te vernemen; en, zich verwijderende, ijlt zij een ander tegemoet, dien zij wellicht meer hare liefde waardig keurt, doch die haar nooit kan beminnen zooals ik haar bemin!

Zeker zou Alonzo zijne bespiegelingen hebben voortgezet, en door zijn driftig gestel nog langer tusschen hoop en vrees zijn geslingerd geworden, ware de jonge edelman, die Adelgonde even te voren was tegemoet gaan, en in wien wij de trekken van hem herkennen, die in het vroeger met Van Bergen gevoerde gesprek, ons reeds zijn huichelachtigen aard ontdekte, hem niet met een schijnbaar vriendelijk gelaat ware genaderd, en, hem in zijne overpeinzingen storende, vragend had aangesproken.

"Is het den edelen Alonzo Spinola vergund, met somberen blik een luisterrijk bal bij te wonen, 't welk Maurits mede ter zijner eere heeft aangelegd? Mag de edele graaf, wellicht treurende om eene in zuidelijker streken verlaten geliefde, de ook niet te verwerpen Hollandsche schoonen naar zich laten smachten, terwijl de muziek der liefelijke fandango hem in de ooren klinkt?--Kom," vervolgde hij, terwijl hij een zijdelings loerenden blik op Alonzo wierp: "kom! zij zal u niet vergeten. Spoedig keert gij tot haar terug, en het zal haar goed zijn te vernemen, dat gij, te midden der Nederlandsche maagden, alleen aan háár dacht, die uw geheele hart schijnt te beheerschen."

Alonzo, die den onbescheiden vrager met eene buiging had begroet, scheen niet geneigd zijne geheimen voor hem bloot te leggen. "'t Is waar," sprak hij: "de fandango is een schoone dans, en zeer geliefd in mijn vaderland, ik dacht niet dat die hier reeds bekend was."

Jonker Walter Van Rodenberg scheen niet voldaan met dit antwoord. Gemeenzaam, als waren zij oude bekenden, nam hij Alonzo onder den arm, en met hem de groote zaal binnenstappende, ging hij fluisterende voort: "Gij zult mij toch moeten bekennen, dat zich hier lieve schepseltjes in overvloed bevinden.--Zie," zeide hij, even met den vinger wijzende: "ziet gij die lieve brunette, in rood satijnen kleeding? zij is waarachtig niet slecht; of dat kleine zwarte ding daar, wier levenslust haar uit de oogen straalt? Of misschien staat u die lieve blondine daar beter aan?" vervolgde hij, op Adelgonde wijzende, die juist aan de overzijde der zaal, aan den arm van Van Wolkensteijn op en neder wandelde: "Nu, waarachtig, dan zou uwe keus niet slecht te noemen zijn, het is de freule Van Bergen; de kwade tongen betwisten haar wel is waar dien oud-adellijken naam, doch," ging hij voort, terwijl hij ter sluiks een blik wierp op Alonzo, die bij deze laatste woorden zoo bleek als een doode geworden was: "doch wat raakt der liefde naam of geboorte; eene vrouw blijft eene vrouw; het genot van haar bezit blijft hetzelfde. De schoone zal mij reeds verwachten," zeide hij, zien eensklaps verwijderende, en naar Adelgonde toetredende, nam hij haar van den jonker Van Wolkensteijn over, en voegde zich met haar bij de dansende paren.

Alonzo stond als aan den grond genageld. Wel had hij de vuile tong des jonkers willen bestraffen, doch de macht had hem daartoe ten eenenmale ontbroken. Roerloos stond hij daar; honderden gewaarwordingen doorwoelden zijne borst, en--dankbaar zegende hij den volgenden morgen de liefelijke droomen, die aan zijn overspannen geest, rust en kalmte hadden teruggegeven.

VIERDE HOOFDSTUK.

De graaf Van Bergen zat in zijn hoogen, met rood marokijn leder gevoerden ebbenhouten leuningstoel, op zijn kasteel den Oldenburgh, hetwelk ongeveer op een uur afstands van 's-Gravenhage was gelegen. Met strakke oogen staarde hij in het groote, helder vlammende vuur, welks bestanddeelen, die spoedig in asch zouden verkeeren, bouwkunstig waren opeengestapeld. Vroolijk knappend spatten de vonken en stegen in den ontzaglijk breeden schoorsteen op, om weldra echter in kleine stofjes weder neer te komen.

Des graven lichaam was bijna geheel in een fluweelen morgenkleed gewikkeld; alleen waren zijne beenen en voeten zichtbaar, die in zwarte zijden kousen en groote roodlederen pantoffels staken. De wanden van het ruime vertrek, aan welks einde Van Bergen was gezeten, waren behangen met groote portretten in prachtig gesneden eikenhouten lijsten. Het waren des graven ouders en voorouders, die zwijgend, in ouderwetsche kleederdrachten, van hun hooge standplaatsen schenen neder te zien. Die groote kruisramen met kleine in lood gevatte vensterglazen, gaven over de breede gracht, die het geheele kasteel omringde, het uitzicht op een eikenhouten bosschage, dat nu geheel van bladeren ontdaan, door de ijle takken, het oog een vrijen doorgang liet, en het de in nevelen gehulde torens van het vorstelijk 's-Gravenhage in de verte deed aanschouwen. Adelgonde zat--insgelijks in een morgengewaad, doch van witte stoffage, voor het middelste der groote kruisramen. Een prachtig borduurwerk rustte op haren schoot, en met een bewonderenswaardige vlugheid hanteerden haar kleine vingeren de fijne borduurnaald. De stilte duurde onafgebroken voort. Adelgonde wendde het oog naar haren vader, doch naardien hij met den rug naar hare zijde gekeerd zat, kon zij noch den somberen ernst van zijn edel gelaat, noch zijn zwaar gerimpeld voorhoofd aanschouwen.

Nu sloeg zij haren blik naar het nevelachtige landschap. Akelig dof teekenden zich de naakte takken der eiken tegen den somberen grijzen hemel. Geen sterfelijk wezen ontwaarde zij in de rondte, en toch, toch bleef haar oog in dat donkere verschiet staren, toch zweefde haar geest over die thans zoo droeve landstreek, en dwaalde met vurig verlangen, maar tevergeefs, door de ontvolkte straten der stad en door de ontruimde balzalen van het Prinselijk paleis, ten einde den schoonen jongeling te ontdekken, die uit vreemde gewesten moest komen, om haar met een gevoel bekend te maken dat zij kort te voren nog slechts bij name gekend had. Een diepe zucht, dat onbetwistbare kenmerk van een vurig verlangen, ontglipte aan haar hijgenden boezem, en slechts met ééne gedachte bezield, haar geest zich slechts met één wezen bezighoudende, ontging het harer aandacht geheel, hoe aan het andere einde der gracht de breede ophaalbrug werd nedergelaten, en een fraaie koets de poort van het kasteel binnenrolde.

Eensklaps werd de deur geopend en de gravin de douairière Van Bergen aangediend.

Het was een kleine, reeds bejaarde dame, die kort daarop het vertrek binnentrad. Hare kleeding was smaakvol, doch voor haren leeftijd kon men die met recht te zwierig noemen. Een zwaar, groen damasten kleed omgaf haar wel is waar kleine, maar niettemin welgevormde gestalte; kleine zilveren lokken die voorheen zwart moesten geweest zijn, krulden om haar voorhoofd, terwijl haar verder hoofdtooisel in een witten sluier verborgen was, die gedeeltelijk over haar linkerschouder, gedeeltelijk over haar rug tot aan de knieën hing. Van onder den witten kraag kwam een fraai bewerkte gouden halsketen te voorschijn, waaraan een kruisje bevestigd was, dat met twaalf diamanten schitterde. Voorheen had zij voorzeker op schoonheid aanspraak gemaakt, want nog zelfs in dezen oogenblik vertoonde haar gelaat wel verouderde, maar toch nog zeer regelmatige trekken. Haar schier altijd nedergeslagene oogen echter, gaven iets geheimzinnigs aan een gelaat dat, bij al het voormalige schoon, toch aan een mindere afkomst deed denken.

Van Bergen, door deze onverwachte verschijning in zijne overpeinzingen gestoord, was de gravin bij haar binnenkomen te gemoet gegaan. De bediende, in sierlijke liverei, had een soortgelijken leuningstoel als dien waarop de graaf had gezeten, schuin tegenover den zijne, doch op een grooteren afstand van het vuur nedergezet. De dame nam plaats, en Adelgonde die de binnenkomende met een dienaresse had begroet, hetwelk met een genadig hoofdknikje der andere was beantwoord, verliet op een gebiedenden wenk van haren vader, het vertrek, en begaf zich naar hare kamer.

"Voorzeker hadt gij mij niet verwacht?" begon de dame, zoodra zij zich met den graaf alleen bevond, terwijl haar stem een Fransche afkomst verried.

"Ik kan niet ontveinzen mevrouw, dat uwe komst in dit vroege voormiddaguur, na een zoo lange afwezigheid, mij eenigszins verrast; het schoone weder kon u onmogelijk tot dit bezoek hebben aangespoord."

"De begeerte om u te zien was voorzeker niet de geringste drijfveeren, die mij tot dezen wandelrit deden besluiten, doch...."

"Ongetwijfeld is deze echter niet de voornaamste?" hernam Van Bergen, hare rede aanvullende.

"Over zaken had ik u insgelijks te spreken," hervatte de dame: "Ik vertrouw dat de zoon van mijn zaligen echtgenoot mij met eenige belangstelling zal aanhooren, en durf dit gereedelijk veronderstellen, dewijl hij mij reeds zoovele blijken zijner goedheid heeft gegeven."

"Gij zult mij verplichten het zoo kort mogelijk te maken, dewijl ik ten twee uren in Den Haag word verwacht," zeide Van Bergen, terwijl hij een paar brandende stukken hout die naar voren gevallen waren, met den voet terugstiet.

"Mijn speciaal verzoek is slechts in weinige woorden vervat," hernam de andere: "De gegrondheid en billijkheid er van zult gij weldra inzien, en mijn waarde zoon zal, vertrouw ik, volkomen met mij instemmen, dat de weduwe van zijn dierbaren vader, onmogelijk op den duur van een jaarwedde kan bestaan die, hoe edelmoedig ook door hem uitgereikt, slechts de geringe som van vier duizend kronen bedraagt.--Mon Dieu! hoe is het mogelijk van deze geringe som een staat te blijven voeren, die aan de douairière van uwen vader past? Hoe is het mogelijk, zeg ik, van zulk een gering jaargeld, behalve zich zelve, zijne bedienden te kleeden, te voeden, zijne paarden en rijtuigen te onderhouden? Kan men van deze som, ik vraag het u zelven, waarde zoon, op dat naargeestige kasteel nu en dan menschen om zich verzamelen, ten einde de bewustheid te behouden dat men nog in een bewoonde wereld leeft?--Impossible, zeg ik u, en ieder zal mij dit toestemmen. En gij, dierbare zoon, die even grootmoedig als dapper zijt, zult het mij voorzeker niet ten kwade duiden dat ik op de verhooging eener jaarwedde kom aandringen, die u zelven, bij eenig nadenken, onbeduidend moet voorkomen."

Van Bergen heeft haar geheel laten uitspreken. Eenige malen had hij haar reeds in de rede willen vallen, doch zich ook telkens bedwongen.

Langzaam en met de oogen strak op het vuur gevestigd, ving hij, na eenige oogenblikken zwijgens, aldus aan: "Gij schijnt te vergeten mevrouw, dat het u niet vergund is mij bij een naam te noemen die, behalve door mijn vader, mij alleen door háár kon gegeven worden, die mij onder het hart heeft gedragen. Reeds lang bestaat zij niet meer, de edele moeder, die mij met smart heeft ter wereld gebracht, en mij van mijn vroegste jeugd af aan, godsvrucht en deugd als de hoogste goederen leerde waardeeren. Zij bestaat niet meer op deze aarde; doch in die zalige oorden, waar zij, in den Heere ontslapen, is henengegaan, moet het haar als een heiligschennis in de ooren klinken, dat een andere vrouw," en hier sloeg de graaf een paar fonkelende oogen op zijne bezoekster: "in hare rechten tredende, dien zoon bij een naam durft noemen, waarop zij alleen, door natuur en bloed had recht verkregen.--Het grieft mij tevens diep," vervolgde hij, terwijl de gravin, die gedurende deze toespraak, en ook nú nog, zonder de minste gemoedsaandoening op het gelaat, de oogen voor zich hield nedergeslagen: "door u in de noodzakelijkheid te zijn gebracht, u te herinneren, dat ik u na den dood mijns vaders, uit uwe verworpenheid tot een staat heb teruggevoerd waaruit hij u, niet zonder billijke redenen, had verstooten.--Laat mij uitspreken, bid ik u," ging hij voort, bemerkende dat de gravin hem in de rede wilde vallen: "Herinnert gij u niet dat mijn vader u van alle rechten op zijne nalatenschap heeft verstoken gelaten? Dat zijn uiterste wilsbeschikking u slechts zóóveel verschafte als noodig was om behoorlijk naar uw vaderland te kunnen terugkeeren? Dat ik u uit uw ellende en broodsgebrek heb teruggehaald? Dat ik u het voorvaderlijk kasteel den Blankert met al zijn toebehooren vrijwillig heb afgestaan, en u nog bovendien die aanzienlijke jaarwedde van vier duizend kronen heb verleend, op welke gij thans ondankbaar nederziet, als geschiedde u het grootste onrecht?--Neen, spaar uwe woorden mevrouw!" vervolgde hij, terwijl hij opstaande met driftige schreden het vertrek op en neder liep: "Ik weet zeer wel dat gij de wettige gemalin van mijn vader zijt geweest; maar ik weet ook zeer goed dat die vader duizend malen het onzalige oogenblik heeft verwenscht waarin hij, God en zijn ontslapene gade vergetende, uw liefde kocht, en eindelijk al meer en meer door uwe schoonheid verblind en in uwe strikken verward, u herwaarts voerde, om zich met u in den echt te begeven. Zeer wél weet ik mevrouw, dat gij uw zondigen aard niet verloochenende, hem spoedig daarna ontrouw zijt geworden, en dat de naam van Van Bergen door u slechts in oneer is gedragen. Dit alles weet ik zeer goed mevrouw, doch heb God tevens menigmalen gedankt, dat hij u geen zoon heeft geschonken die het oud adellijke bloed der Van Bergens, met het uwe vermengd, tot oneere van dat geslacht, zou hebben in stand gehouden. Neen, beter is het mij dien naam met mij in het graf te nemen, dan spruiten van dat geslacht te zien opgroeien die, op anderen bodem gekweekt, hoogst waarschijnlijk hun eigendommelijke kleur en gedaante zouden verloren hebben.--Gij ziet," zoo eindigde hij: "dat, hoewel ik u in verscheidene jaren niet heb gezien, ik de ware toedracht der zaken toch geenszins vergeten heb. Verschoon mij wat ik u bidden mag, in het vervolg van uwe bezoeken; zij verlevendigen slechts treurige herinneringen in mij. Stel u tevreden met datgene wat ik vrijwillig voor u opoffer. Hecht u niet langer aan deze aarde, welke gij reeds spoedig zult verlaten--verlaten, om rekenschap uwer daden af te leggen. Bereid u voor tot dien gewichtigen stap, en wijd uw laatste levensjaren niet aan het najagen van ijdel zingenot, dat u, in uw jeugdigen leeftijd, het pad der zonde deed betreden."

Van Bergen hield op met spreken; hij scheen vermoeid en overspannen. Met de armen kruiselings over de borst geslagen, beschouwde hij het onveranderlijke gelaat der gravin.

Even sloeg zij hare oogen die, voor hare jaren, van een buitengewoon vuur schitterden, naar hem op. "Gij valt mij hard graaf," sprak zij op diep verongelijkten toon: "Gij valt mij inderdaad zeer hard. Is het daarom dat gij mij uwe gunsten betoont, om mij geheel en al te kunnen vernederen? Werd ik daarom de echtgenoot van uwen vader, om door hem verstooten en onterfd te worden, en werd ik door den zoon gedeeltelijk in mijne rechten hersteld, om daarna van hem weder de grofste beleedigingen te moeten verduren? Moest ik daarom dat schoone Frankrijk, dat aangebeden Parijs verlaten, waar ik...."

"Waar gij in dolle vaart de hel en uw eeuwig verderf tegemoet sneldet!" viel Van Bergen haar met een donderende stem in de rede.--"Vertrek mevrouw," ging hij voort: "verlaat mijne woning! Wat ik u bidden mag pijnig mij niet langer met uwe tegenwoordigheid. In uwe nabijheid komt de zwakheid mijns vaders mij als een onvergeeflijke misdaad voor. Scheur toch niet, gelijk de adder, de borst open, die u nog liefderijk koestert. Verhard u niet, maar bekeer u; bekeer u voor God die lankmoedig is en genadig. Ga nu van hier en herdenk deze woorden, welke ik hoop dat de laatste zullen zijn, die ik ooit tot u spreken zal."

De graaf floot driemalen. "Is de koets der gravin in gereedheid?" vroeg hij een binnenkomenden bediende.

"Ja uw genade, zij wacht voor de kleine poort."

"Dan zult gij hare genade naar den wagen begeleiden."

Daarop vergezelde Van Bergen zijne stiefmoeder tot aan de deur; maakte eene buiging; en de gravin die door deze spoedige wending van het gesprek alle hoop moest vaarwel zeggen, om het in haar voordeel te vervolgen, sprak geen enkel woord, neigde aan de deur gekomen, volgde den vooruitloopenden bediende, en wierp zich in hare koets, met de hel in het hart en een glimlach om de lippen.

Adelgonde, op hare kamer gekomen, kon, nu geheel aan zich zelve overgelaten, aan hare gewaarwordingen den vrijen teugel vieren. Dat overkropte gevoel, hetwelk haar na het bal van den vorigen avond steeds had bezield, en hetwelk doorgaans uit een onbevredigd verlangen naar een geliefd voorwerp ontspruit, deed groote tranen langs hare blanke kaken vloeien, welke tranen eenigermate haar gemoed verlichtten, dewijl zij, doch zonder het nog recht te beseffen, reeds vurig beminde en zich reeds eenzaam gevoelde in afwezigheid des geliefden.

De schoone Adelgonde weerhield hare tranen niet, en gevoelde zich zelfs ruimer toen ze ruimschoots vloeiden.

--Bedrieg ik mij dan waarlijk niet, dacht zij: heeft die jonge Spanjaard mij dan inderdaad zoo op eenmaal het hart ontstolen? Is hij mij dan in die weinige oogenblikken reeds zóó dierbaar geworden, dat ik mijne tranen niet weerhouden kan? Slechts weinige woorden heeft hij mij toegesproken; doch zij waren zoo liefelijk, zij klonken zoo oprecht, en hij sprak met een gevoel, dat van zijn waarachtige liefde getuigde. Zou het dan waarheid zijn, dat mijn beeld het eerste is, 't welk op zijn licht ontvlambaar gemoed een zoo diepen indruk heeft gemaakt? Zou dan waarlijk mijn bleek gelaat hem meer hebben getroffen dan de donkere haren en gloeiende oogen der dochteren van het Zuiden?

Adelgonde sloeg bij deze laatste gedachte de oogen op haar toiletspiegel, en hoewel zij de geringste ijdelheid zelfs als eene ondeugd verfoeide, kon het niet anders of die blik moest haar, op dit laatste punt, ten eenenmale geruststellen.

--Wie is schooner dan hij? ging de bevallige, in Amors strikken verwarde jonkvrouw bij zich zelve voort: Welk Nederlandsch edelman is fierder en kloeker gebouwd? Wie toch, van al die jonkers, spreekt zóó bevallig, en zóó oprecht van vriendschap en van liefde? O, neen! wat zijn hunne woorden! Zouteloos, vervelend geklap, in vergelijking van Alonzo's welluidende en zoetklinkende taal.

Zoo droomde Adelgonde voort,--aan Alonzo gelijk, geslingerd door vrees en hoop, door twijfel en vertrouwen; maar toch smolten door de sympathie der zielen, hunne gedachten wonderbaar ineen.

Een zacht tikken aan de kamerdeur wekte haar uit dien streelenden droom. Vlug pinkte zij den laatsten traan weg, die nog tusschen hare lange wimpers parelde, en na bekomen verlof trad Adelgondes bevallige kamenier het boudoir van hare gebiedster binnen, ten einde haar in het kleeden behulpzaam te zijn.

Het was Anne, de ons reeds bekende geliefde van Maarten, de vroolijke Anne, die den benijdenswaardigen post van kamerjuffer bij de jonkvrouw Van Bergen bekleedde: Anne, wie van het altijd keurige toilet harer jeugdige meesteres de meeste eer toekwam; die altijd even opgeruimd, even voorkomend, even dienstvaardig en bescheiden tevens, de achting en vriendschap van hare gebiedster ten volle waardig was. Hare gestalte was van een tamelijke lengte; hare vormen waren rond; haar kopje, dat met een paar zwarte kijkers voorzien was, trok niet zelden de aandacht der jonge lieden tot zich; haar haren waren gitzwart, doch gedeeltelijk onder een klein kapje of mutsje van roséfluweel verborgen; hare kleeding was net doch hoogst eenvoudig, en vooral muntte daarvan het hagelwitte voorschoot uit, dat zelfs de sneeuw in helderheid verre overtrof.

"De lieve freule zou hare kleeding geheel en al vergeten." begon zij eenigszins spotachtig: "Gisteren, ja, toen moest er meer haast gemaakt worden: Maar het is ook niet alle dagen bal, zegt Maarten, als hij mij eens een frisschen zoen geeft. Neen, van daag zal het er niet zoo op aankomen; gisteren moest ik wel een uur te vroeg beginnen, en nu is het waarlijk wel een half uur over den tijd."

"Ik zal mij heden niet kleeden, Anne!" zeide Adelgonde: "De graaf is naar de stad, komt eerst laat te huis, en wie zou heden nog een bezoek op den Oldenburgh komen afleggen?"

"O!" hervatte Anne met een glimlachje: "er zijn zoovele vreemdelingen in Den Haag gekomen, die zullen de naburen toch wel eens komen opzoeken. Wie weet welke bezoeken ons nog te wachten staan!"