De lelie van 's-Gravenhage

Chapter 28

Chapter 283,765 wordsPublic domain

Wanneer gij het schoone Frankrijk van zijn Noorder-grenzen tot verre beneden Lyon, onder een dicht sneeuwkleed hebt bedolven gezien, en de sneeuwstorm zelfs nog met hevigheid woedt, als de avond de portierglazen van den nachttrein allengs verduistert; wanneer ge dan voorts na een twaalf uren schuddens en geeuwens, half duttend, half slapend, gedurig wakker geschrikt door een onheilspellend gefluit, wanneer ge dan--plotseling opziende, u verbeelden gaat, dat de glazen der slecht verlichte coupée weer doorschijnend beginnen te worden, en ge--wel schuiverig nog, maar toch opgewekt door het steeds groeiende licht, haastig met het coupée-gordijntje den wasem van het glas verwijdert en den blik naar buiten werpt, waar de morgenschemering gloort, waar heuvels en bergen zien allengskens baden in een fijnblauwen nevel, waar de velden bedekt zijn met het groen van gras en kruid, de amandel- en andere vruchtboomen omhuifd met roode en witte bloesems; als ge de witte scherp geteekende woonhuizen met hun platvormige daken al spoedig ziet blinken in de warme stralen der steeds klimmende zon, en de eeuwig groene ceders, met hun breede kruinen op die rotsheuvels aanschouwt: of ook--bij het steeds zuidwaarts snellen, den blik houdt gericht op die velden met de duizenden altijd groene olijfboomen, of de oranje- en citroenboomen met hun krachtig blad en de roode en goudgele appels er tusschen, zie, dan maakt zich een gevoel van u meester, 't welk ge niet gemakkelijk zult beschrijven, maar u hoe langer hoe meer, vooral met die tegenstelling van de vorige dagen, vol verrukking doet beseffen, dat de donkere lange nacht u, ongemerkt van den barren winter in den zomer heeft verplaatst.

Die zomer in den winter, ziedaar wat Nice, nog meer dan eenige andere plaats aan de Middellandsche Zee, tot het vereenigingsoord maakt van allen, die, in ruwer klimaat geboren, zich de weelde kunnen veroorloven, den winter abominable te vinden en hem geheel of ten deele uit hun kalender te verbannen.

Nice ligt aan een bocht der zee, die de Baie des Anges wordt genoemd en is aan de landzijde geheel ingesloten door een reeks van heuvels en bergen, die met hun ontelbare witte landhuizen en villa's zich amphitheaterswijze verheffen en van verre door de sneeuwtoppen der Alpen zijn gekroond.

Verrukkelijk is een vertoeven aan zee! Langs de bocht der golf bevindt zich, boven het smalle, onbegaanbare strand van gladde, grijswitte keisteenen, een breed terras, waarnevens een rijweg, die door de prachtigste hotels en villa's wordt begrensd. Dit terras--voor 't grootste deel La Promenade des Anglais genoemd--ongeveer een half uur gaans--wordt door de uitmonding van een kleinen bergstroom, le Paillon geheeten, in tweeën gedeeld. Aan de zeezijde heeft dit terras een dichte, altijd groene haag, achter welke de wandelaars zich gaarne op banken of stoelen neerzetten en er door haar beschut worden voor de somtijds vrij koele winden uit zee. Aan de zij van den rijweg heeft dit terras een beplanting van vrij hooge palmen en mirten en oleanders die,--welig groeiende zoo dicht aan zee, wel het bewijs leveren, dat men hier de uiterste grenzen der tropische gewesten reeds zeer is genaderd.

Ik waag mij niet aan een beschrijving van de zoo vermaarde kuststad, die sedert de gebeurtenissen van 1859, een Fransche in plaats van een Italiaansche is geworden; en nu--zonder de duizenden vreemdelingen er bij te tellen, een bevolking van omstreeks 55000 zielen heeft. Nochtans wil ik u even doen zien, hoe het zeer breede rivierbed van de Paillon--'t welk voor 't grootste deel slechts kiezelsteenen en maar zeer weinig water bevat, ja zelfs in den zomer meest geheel en al droog is, hoe die bedding--evenwijdig loopende met de zee, totdat het stroompje ter helfte van de stad zich eensklaps zuidwaarts keert om in zee te verdwijnen, hoe die breede keisteenen-rivier de oude stad aan de zeezijde afscheidt van de nieuwe stad--die alzoo achter haar bedding ligt. Evenals de oevers der Seine te Parijs of der Elbe te Dresden, verbinden fraaie steenen bruggen, die omstreeks honderd meter lang zijn, het Nice der oudheid met dat der hotels en magazijnen der negentiende eeuw. Een dier bruggen, waarop ik juist uit mijn venster het oog heb, en waarop voortdurend het gewemel van rijtuigen en voetgangers wordt waargenomen, verbindt de beide woelige hoofdpleinen; de reeds genoemde plaats Masséna der nieuwe met de Place Charles Albert der oude stad.

Maar 't is een wanhopig werk om steden als Nice met slechts enkele pen- of potloodstrepen aanschouwelijk te willen maken; ik wil u dus slechts schetsen wat mij bijzonder in 't oog viel.

Aan Nices oostelijk einde, juist achter de genoemde kustpromenade (aan deze zijde: "Le Quai du Midi" genoemd) bevinden zich twee rijen zeer lage woningen, meest eenvoudige winkelhuizen of estaminets, waarover, reeds voor vele jaren, omstreeks 250 meters lange asphaltwandelingen zijn aangelegd, welke terrassen--met hun steenen kanteelen, waaruit zich van afstand tot afstand de veelal ranke schoorsteenen verheffen--voorheen tot de grootste merkwaardigheden der stad zijn gerekend, doch die, sedert den aanleg der veel lager en dichter aan zee gelegen promenades, schier geheel zijn verlaten. Slechts nu en dan waagt zich nog een nieuwsgierige aan den gloed der zon, door het asphalt weerkaatst, om nog iets meer uit de hoogte, over den grijswitten steen der kanteelen, het prachtige blauw der zee met haar blinkenden golfslag tegen de grijsgroene kust te kunnen genieten.

Het inwendige der oude stad is het echte Italiaansche Nizza. Tegen de helling gebouwd, zijn de straten--amphitheaterswijze oploopende, zeer smal en donker, en zóó vuil, dat een Hollandsche huisvrouw--die tegenwoordig de schoonmaak in 't hoofd heeft, er met recht van aan 't draaien zou raken. Maar ofschoon ik niet geloof, dat er in die oude stad met haar hooge, grijze, uiterst schilderachtige woningen en duizend verrassende tafreelen--die men straatinterieuren noemt, veel aan een geregelde schoonmaak wordt gedacht--zoodat de neusorganen er mede dikwijls last lijden; elders wordt er wel degelijk geklopt en geboend en geborsteld. Onder de hooge brugbogen van het genoemde, voor een groot deel droge rivierbed staan de mannen met hun verbrande gezichten, zware knevels, grijze kleeren en veelal roode mutsen te beuken op tapijten, waarvan het stof der vreemdelingen in dichte wolken opstijgt. En zie dan, waar het groenglanzige water van het bergstroompje--na de regens der voorlaatste week--nog haastig voortsnelt om zich al spoedig geheel te verliezen in zee, daar hurken aan weerszijden van zijn boorden, in grooten getale, jonge en oudere vrouwen neer en strijken met krachtige hand haar groote stukken wit-gele zeep op katoen of linnen, en wasschen, en wringen en spoelen, en spreiden straks de witte en grijze en roode kleedingstukken op het steenen bleekveld der bedding, waarop--behalve de heldere zon--van den heden nochtans gedurig met zware wolken bedekten hemel--ook de vreemdeling een wijle uit de hoogte blijft turen, indien hij althans nog niet te lui is geworden om anderen vlijtig aan 't werk te zien.

Voor hem, die eerst sedert een week aan deze zuidergrens van ons werelddeel vertoeft, vernieuwt zich telkens weder die zonderlinge verrukking van zich om dezen tijd van het jaar--b. v. in een dichtbelommerd park bij springende fonteinen met boek of nieuwsblad te kunnen neerzetten, of ook aan het strand de koele zeelucht te mogen inademen met hetzelfde gevoel van welbehagen als op den schoonsten, doch niet te warmen Juli-dag, aan ons Scheveningsch duin.

Wat den bladertooi aan deze zuiderkusten betreft, ik moet bekennen, dat het voor het meerendeel niet het sappige groen van onze boomen en heesters in den zomer is. Ofschoon men de bladvormen met die van onze linden, peppels, seringen, moerbeziën en vele andere zou kunnen vergelijken, het blijvend blad heeft meer het harde, vaste van onze conifeeren. De olijfboomen zou men bijna voor een soort van knotwilgen houden, nochtans hooger en met hunne takken rechtstreeks aan den stam verbonden en niet gesproten uit den steeds weer besnoeiden moederstronk. Tot de steeds groene boomsoorten, als palmen, olijven, ceders en velerlei dennen, waaronder er zijn, die men treurdennen zou kunnen noemen--behoort inzonderheid, als een der grootste en lommerrijkste, de calyptus, die men langs het trottoir alsmede in parken en tuinen veelvuldig ziet. Geheel zonder bast, met zware, bijna candelaberswijze opgaande, even bastelooze takken, heeft de calyptus een dicht loof van blaren, die den vorm hebben van zeer groote, doch geheel platte peulen. Wat de boomen betreft, die ook in ons Noorder klimaat worden gevonden, zooals eiken en platanen, ze verliezen in 't late najaar hun blad, doch nu reeds ziet men langs de avenues de lange rijen der laatste in het lichtgroene waas, dat een spoedig ontplooien der blaadjes voorspelt. Wat de kleine heesters betreft, ze zijn reeds alle in 't blad, de rozen vertoonen haar knoppen en bloemen, zoo ook de geraniums, een keur van balsemijnen prijkt om den muziektempel in den Jardin Public, waar een kolossale mirteboom u inzonderheid treft. Waar men ook langs tuinen of parken wandelt, ziet men steeds de roodgele oranjes en citroenen in hun hooge bladerkroon prijken, en--naar ik verneem, is dit alles slechts een schaduw van den rijkdom aan planten en bloemen die men vindt in de parken der villa's rondom de zoozeer bevoorrechte stad.

Bij 't nazien van mijn gekrabbel bespeur ik, u slechts een zeer flauwen weerklank te hebben gegeven van 't geen hier verrast en bekoort. Misschien schrijf ik u later wat beter en deel u dan eens een enkel tafreeltje uit deze streken mee. Wilt ge alvast een paar bijzonderheden:

Wie hier een woning of kamers huurt, moet vooruit betalen, omdat--door de nabijheid van het beruchte Monaco, de verhuurder nooit zeker is, dat zijn huurder, na het verschijnen der huur, geen geruïneerd man zal wezen. Gisteren onder de kolonnade van het genoemde Café de la Victoire nabij een jongen Hongaar gezeten, hoorde ik hem tot zijn metgezel op zeer matwrevelen toon de woorden zeggen: "Ah! dans cet enfer de Monaco, on perd tout son argent!" Nochtans voldeed hij zijn absinth met een biljet van honderd francs in betaling te geven, en kocht van een bloemenmeisje een welriekenden rooden Anjer en gaf haar meer dan zij hebben moest.

Dames, die op diamanten verzot zijn, kunnen hier volop gratis genieten, nl. met het zien van de prachtigste garnituren. Voor een winkelraam zag ik een steen, vieille roche 20 1/2 car. genoteerd fr. 80,000. Twee oorbellen "Très-belles roses d' Hollande" fr. 2200. Twee steenen, oorknoppen nouvelle roche 4522/32 car. fr. 2500, en twee oorknoppen vieille roche 30 1/2 car. fr. 105,000.

's Morgens en 's avonds vooral kunnen wij onze winterjassen en mantels best velen. Men zegt, dat het hier om dezen tijd van het jaar bijna nooit zoo koud was; maar we zitten binnenshuis zonder vuur, zien de vliegen al dwalen en--'s middags eten we onze doperwtjes van den kouden grond.

Vaarwel!

Nice, 13 Maart 1879.

Amice!

Gij wilt nog iets meer uit Nice vernemen; welnu, in mijn vorig schrijven sprak ik van de kostbare edelgesteenten, die hier achter de winkelramen zijn uitgestald en steeds met onweerstaanbare kracht zoowel de donkere kijkers van 't Zuiden als de blondlokkige dochteren van Noordelijker streken geboeid houden; ten opzichte van deze en velerlei andere kostbaarheden--waartoe ook vooral diamanten heerenringen en gouden horloges met zware kettingen behooren--wordt mij verzekerd, dat men ze hier op onderscheidene plaatsen tegen een uiterst lagen prijs kan bekomen, en wel omdat die voorwerpen de laatste droevige plechtankers zijn geweest, waaraan de slachtoffers van Monaco zich tevergeefs in hun speelwoede hebben vastgeklampt.

Uit mijn venster, ter zijde aan de straat Charles Albert, heb ik het oog op een zwart bord, waarop met roode letters: "Facteurs Express" staat te lezen, en te midden van andere aankondigingen dier heeren zaakwaarnemers trekt het zwart op wit: "Villa à vendre" niet het minst de aandacht.

Naar ik vernam, is het een "voorname" cocotte, die deze villa aan haar bekoorlijkheden was verschuldigd, doch haar eigendom nu à tout prix verkoopen moet, aangezien zij in "cet enfer de Monaco",--volgens onzen Hongaar--haar geheele vermogen verloor.--"Verdiende loon!" zegt er iemand. En de Franschman: "Déshabillée! que veut-elle de plus!"

Meer dan ergens elders in Europa worden aan de Baie des Anges alle talen der beschaafde en minder beschaafde wereld gesproken. Russen, Engelschen, Denen, Amerikanen, Nederlanders--ofschoon niet in grooten getale--Turken, Grieken, Duitschers, Zwitsers, Italianen "het woelt en krioelt hier alles dooreen", en het zou al spoedig de Babelsche spraakverwarring wezen, indien het liefelijk vloeiende Fransch niet door al die vreemdelingen werd gehuldigd als "la langue du monde entier" waarop slechts de lords en ladies van tijd tot tijd een uitzondering maken en daarvoor natuurlijk nog wat meer betalen dan de minder preutsche vreemdelingen van het continent.

Dat een winterverblijf te Nice niet goedkoop is, zal u geenszins verwonderen, en zulks te minder, indien gij in aanmerking neemt, dat het "saison" er tegen het einde van November begint om in het begin van April te eindigen.

Van Mei tot November is Nice bijna even verlaten als Scheveningen of zoovele andere badplaatsen in Duitschland of Zwitserland in den zomer zijn bezocht. Vele voorname hotels worden er geheel gesloten en zeer vele groote magazijnen en kunstuitstallingen breken op en trekken naar koeler oorden om er aan badgasten en reizigers de van het zuider stof gereinigde preciosa als hautes nouveautés te doen bewonderen. Met het sluiten van die hotels verdwijnt ook een groot deel van het heirleger der onbegrepen wezens, die men--hoe oud ze ook zijn--garçons blijft noemen. Zij vertrekken mede--veelal naar Zwitserland, om er hun dienenden geest in een Schweitzerhof of hotel Rigi-Kulm, op zóó vele meters boven de oppervlakte der zee te verheffen. Ook de portiers volgen hun voorbeeld en blijven--ofschoon in een geheel andere omgeving, volmaakt dezelfden: behalve dat zij een ander portaal zullen bewonen en een anderen hotelnaam in gouden letters op hun pet zullen dragen.

Zooeven sprak ik van nouveautés, maar ontegenzeglijk is het waar, dat wie zich de allereerste voorjaars- of zomer-modes wil aanschaffen, ze het vroegst in Nice of in andere zuidelijke zustersteden zal vinden, in weerwil dat Parijs steeds de modewereld regeert. Doch 't is natuurlijk, dat Parijs, 't welk zich zelf nog gedurende eenige weken ferm in 't bont blijft hullen, het eerst zijn clientèle aan de Méditerrannée bedenkt, waar het o. a. heden een dag is--hoewel de wind voor hier zelfs buitengewoon koel blijft--dat een vrij spraakzaam Engelschman er dezen morgen van beweerde, dat men er zóó te Londen geen twintig in den ganschen zomer telt.

En nu reeds sedert twee weken zagen we alle dagen de zon aan den diepblauwen hemel--slechts enkele malen voor korten tijd met zware wolken bedekt, doch zonder dat deze vacantie gaven aan de wakkere spuitgasten, die hier van den morgen tot den avond in de weer zijn om het witachtig stofplaveisel van straten en parken en pleinen in een grijsachtige modder te herscheppen.

De trottoirs blinken hel, de blauwe brillen zijn legio, terwijl men ontelbare witte en grijze en roode parasols op alle wegen en niet het minst tusschen 2 en 5 uren op de Promenade des Anglais, tusschen de palmen en oleanders en tegen het blauw der kalme zee ziet wiegen en blinken.

De geur van Nice--althans van het nieuwe Nice--is in dit seizoen de geur van--violen. In mijn geheele leven zag ik zoovele van die welriekende bloempjes niet als hier op één enkelen dag. Overal ziet men viooltjes, bij een kleurenpracht van velerlei andere bloemen zonder wederga. Van de twintig voorbijgangers--'t zij mannen of vrouwen--zelfs van de zeer eenvoudigen, heeft er zeker één, aan boezem of in knoopsgat, een tuiltje van groene blaadjes met een centrum van violen. Dat er, behalve in zoovele bloemwinkels, een schat van kleuren en geuren langs de straat wordt te koop geboden, behoef ik u niet te zeggen. 't Zij mij vergund u even te verhalen, van welk klein drama een der Nicische bloemenmeisjes vóór luttele dagen de hoofdpersoon is geweest.

Rosa Chiappero, een zeventienjarige Nicienne met prachtig zwart haar, met een rozenblos op haar zuidelijk teint, een paar zwarte bijna doorloopende wenkbrauwen, een oogenpaar donker als marmerzwart, doch met al den gloed der Italiaansche zon, Rosa had haar mand met violen-bouquetjes even op een bank van de quai St. Jean Baptiste neergezet, toen een rijzig jong werkman--Philippe Loudello--door een oud man--Philippes vader--gevolgd. snel op haar toetrad, haar, met bekendschap groetende, toesprak en haar fraai gevormde lippen nog schooner roemde dan de roos in het violen-bouquetje, 't welk hij á tout prix van haar begeerde.

Mlle Chiappero scheen het zeer warm te krijgen en trok den rooden foulard los, dien ze om het kwistig in breede tressen gevlochten haar had gebonden: "Ah M.'sieur Philippe." sprak ze, "prenez-un, s'ilvousplaît!" en wierp met een soufflement de phh! haar fraaie kopje een weinig in den nek, alsof ze met niets anders dan met de zonnewarmte te kampen had, en liet terzelfder tijd den rooden foulard naast zich op de bank glijden.

Hoelang Philippe Loudello zich nog--bij de geur der welvoorziene bloemenmand,--in de zonnestralen van Rosa's heerlijk oogenpaar bleef koesteren, we weten het niet, maar zooveel is zeker; dat hij--nà zijn bouquetje zorgvuldig met een speld, hem door Rosa gegeven, in het knoopsgat te hebben bevestigd, haar vaarwel zei met den zacht gefluisterden wensch: dat ze hem met de mi-carême ook die andere bloem,--de bloem van haar rozenlipjes zou schenken!

Toen Rosa's lange koolzwarte wimpers bij Philippes zoetklinkende woorden naar omlaag gingen, werd er eensklaps een! "Ah mon Dieu!" uit haar mond vernomen: "Ah mon Dieu! le foulard! Hier was hij, en hij is er niet meer!"

"Dites.... mon pére, tu l'auras vu....?" riep Loudello; maar rondziende zag hij den toegesproken grijze evenmin als Rosa--steeds zoekende--haar zijden foulard. De oude Loudello moest ongetwijfeld zijn doorgewandeld en zijn weg om den hoek der rue Chauvin hebben vervolgd.

Philippe was zeer begaan met het lieve kind en sprak haar geruststellend toe; hij zou niet rusten, eer zij haar mooien doek terug had, 't zij door de hulp der politie, 't zij dat hij haar een nieuwen foulard mocht vereeren.--Dat "un méchant" den doek in 't voorbijgaan had weggenomen, zulks leed geen twijfel. Want er woei geen windje en--noch op dit wandelpad naast den rijweg met zijn hooge winkelhuizen, noch in de diepte op het steenachtige bed van den Paillon was hij te bemerken.

Toen mlle. Chiappero Philippes verzekering had vernomen, toen zag ze hem met haar glinsterende oogen, waarin reeds een traantje geblonken had, zóó vriendelijk dankbaar aan, dat mr. Philippe in stilte den eed herhaalde, dien hij zich zelven gezworen had.

Met de laatste carnavalsfeesten heeft hij Rosa voor 't eerst ontmoet, en toen hij haar, op dien zoeten avond verliet, had hij in stilte gezegd, dat zij zijn vrouwtje moest worden, zoodra zijn patroon hem, ter wille van zijn goeden naam en erkende kundigheden, van gewoon ouvrier tot maître d'atelier zou hebben bevorderd.

Zeer in de nabijheid der jongelieden, doch voor hen geheel onzichtbaar--nl. om den hoek der reeds genoemde rue Chauvin--had terzelfder tijd de oplossing plaats van het raadsel: waar toch de foulard mocht gebleven zijn!

Een zeer bejaard man had zich zoo snel hij kon van de quai St. Jean Baptiste, langs wagens en rijtuigen heen, naar de rue Chauvin begeven, en, na een paar maal met een schuwen blik te hebben omgezien, heeft hij een roodzijden foulard uit zijn broekzak te voorschijn gehaald, met het voornemen om hem haastig in den binnenzak van zijn paletot te verbergen.

Doch zie, eensklaps verbleekt de nu eenigszins verhoogde kleur van den 78-jarigen man. Een op de quai St. J. B. gestationneerd sergeant de ville had van verre gezien, hoe Monsieur François Loudello--le vieux--den doek van de bank genomen en er zich zeer snel mee verwijderd had.

Weinige minuten later berustte het corpus delicti op het politiebureel en ontving de oude Loudello een aanzegging om--als beschuldigd van diefstal op den openbaren weg, des anderen daags ter terechtzitting te verschijnen.

Maar de oude man verscheen er niet.--Hij was ziek!--très-malade, le pauvre vieillard!--Doodsbleek verklaarde Philippe Loudello zulks aan den rechter, en roerend was de toon, waarop hij smeekte, dat hij in de plaats van zijn "bon vieux père" zou worden verhoord en, zoo men een altijd braaf en eerlijk oud man moest straffen, omdat hij, kindsch geworden, als een kind had gehandeld, dat men dan hem--Philippe mocht gevangen zetten, ofschoon die smaad hem dan ook zijn naam, zijn eer, zijn toekomst als maître d'atelier, zijn liefde, zijn leven zou kosten!

Maar hoe treffend Philippes pleidooi voor den ouden vader al verder mocht zijn, het recht moest zijn loop hebben, en de arme Philippe barstte in een bitter snikken los, toen hij aan 't einde der zitting den ouden vader tot een gevangenisstraf van 10 dagen hoorde veroordeelen. Bijna stikkende in tranen van smart en verkropte woede, heeft Philippe de rechtzaal verlaten, en,--Rosa voorbijgaande, heeft hij het gelaat met de beide handen bedekt en verzucht: "Ah! ce maudit foulard."

En het eind der geschiedenis!

Hij zal ziek zijn en ziek blijven! had Philippe gezworen: "In de gevangenis komt le vieux chéri, zoolang ik adem heb, nooit."

Wordt het laatste bewaarheid, van die ziekte schijnt de oude man reeds hersteld te zijn; althans, naar men zegt, is de grijze Loudello voor een paar dagen weder in het Parc public gezien, terwijl hij er naast mlle. Rosa met haar bloemen op een bank onder den hoogen mirteboom zat.

De punt van den roodzijden foulard kwam uit den borstzak des ouden te voorschijn, terwijl Rosa zelf een witten foulard om haar ravenzwart haar had gebonden.

Avec le ciel il y a des accommodements. Men zegt, dat mlle. Chiappero ter elfder ure op den inval is gekomen, van zich te herinneren, dat zij tijdens de carnavalsfeesten den foulard aan den ouden Loudello, die hem zoo mooi vond, had toegezegd en--dat de sergeants de ville in last hebben gekregen om, à l'égard du vieux, de vijf vingers voor de oogen te houden. En voorts zegt men, dat de chef van Mons. Philippe--vernemende hoe de brave jongen zich, in weerwil van die gevreesde schande, voor zijn grijzen vader heeft willen opofferen, hem met den 1sten Mei tot maître d'atelier zal verheffen, en dat met de mi-carême, le bon et beau Philippe van de lippen der schoone zwartoog het roosje zal plukken, waarvan de geur zich steeds zal vernieuwen en even duurzaam zal zijn als de kleur van le foulard du vieux père Loudello.

Nice, 24 Maart 1879.

Amice!

Het komt mij bijna onmogelijk voor om in dit seizoen uit Nice te schrijven, zonder van den zomer te gewagen, die hier telkens meer bekoort en verrukt.

"In 't volle groen! Met bloemen zonder tal!"

Ik vermoed, dat de Baie des Anges zijn naam is verschuldigd aan de onzichtbare nabijheid "dier zalige hemelingen", gelokt en onweerstaanbaar geboeid door den bloemengeur, die van zijn oevers opstijgt.