De lelie van 's-Gravenhage

Chapter 27

Chapter 273,982 wordsPublic domain

Zonder een woord te kunnen zeggen, want ik beefde inwendig een beetje, omdat zoo'n soort van.... arme landloopster door mijn mevrouw nicht werd genoemd,--zonder te kunnen spreken knikte ik zooveel als, ja wel mevrouw, en wilde gaan, maar opeens werd ik getroffen door een aandoenlijk gezicht, daar ik nog--'t is misschien kinderachtig--een traan van in de oogen krijg, als ik er om denk. De juffrouw, zooveel als de nicht, sloeg hare magere handen voor het aangezicht en begon zoo luid en zoo bitterlijk te schreien dat mevrouw er merkbaar van ontdaan werd, doch haastig zeide: "Bedaar Emilie, ga en rust eerst wat van je vermoeienissen uit, morgen zullen wij samen spreken; je kind heeft ook wat verkwikking noodig,--nietwaar ventje?"

Het kind keek verlegen vóór zich en antwoordde niet, doch Emilie--zal ik maar zeggen--kon niet zoo aanstonds bedaren, maar schreide bitter voort, en terwijl zij eindelijk mijne lieve mevrouw bij de hand vatte en die vreeselijk kuste, riep zij gedurig: "U verstoot mij niet edele vrouw! o die barmhartigheid zal God u vergelden!" en nog een heele boel dergelijke uitdrukkingen meer, die ik nu om de waarheid te zeggen vergeten ben.

Wat ik vergeten zal of niet, zeker de oogenblikken nooit, die ik met mevrouw in het spreekkamertje doorbracht, nadat ik de nicht met haar zoontje in de achterkamer gebracht, er licht ontstoken en Koendert gezegd had, dat hij er de kachel zou aanleggen.--In plaats dat mevrouw naar de zaal bij de dames zou zijn teruggekeerd zat HE. nog in het kamertje--en grummels wat zag ze bleek!

"Is u niet wel mevrouw?" vroeg ik zacht en vroeg ook, of ik een glas water zou halen. Mevrouw knikte, ik haalde het spoedig en liet mevrouw drinken. Dat moet mevrouw goedgedaan hebben, want haastig stond zij op, drukte haar zakdoek even voor de oogen en mij toen tot zich wenkende zeide HE. met een bewogen stem: "Grietje wat je gezien en gehoord hebt, behoeft in mijn huis geen geheim te blijven, want, dergelijke geheimhoudingen baren slechts nieuwsgierigheid en laakbaren achterklap. Zeg aan je kameraden gerust dat de aangekomene een ongelukkige nicht van mij is, terwijl ik hun vriendelijk verzoek haar met den verschuldigden eerbied te bejegenen; jou, Grietje," liet mevrouw er op volgen, "behoef ik zulks niet eens te zeggen; je ziet dat de wederontmoeting mij eenigszins heeft getroffen, maar nu gevoel ik mij toch weer in staat om naar mijn gezelschap terug te keeren." Zie mijnheer, dit is misschien niet zoo heel belangrijk voor u en ook niet voor de beschaafde lezeressen van uw weekblad, maar wat de hoofdzaak van het geval betreft. die ik u verder mee zal deelen, ik geloof dat die wel belangrijk genoeg voor u en voor iedereen zal zijn.

Den volgenden morgen dan gaf mevrouw mij orders om de nieuwe lozee van mevrouws kleeren een stel uit te zoeken, want wat ze aan 't lijf had was bijster verlapt en schunnig en voor den wintertijd kaal en dunnetjes. Wat zag die arme nicht, bij daglicht bekeken er millankeliekjes en schraal uit. Grummels! ik had er mee te doen. Ze zat met haar zoontje bij het vuur, en schrikte letterlijk toen ik binnenkwam. Ik zei: "Goeje morgen juffrouw, of u die kleeren eens woudt passen," en toen stond de juffrouw op, kwam naar mij toe en vatte mij zoo aandoenlijk bij de handen, dat ik er puur kippevel van kreeg. "O!" zeide zij, en de tranen maakten haar het spreken moeielijk: "O, het moet u wel zeer verwonderen in mij eene nicht van uwe rijke mevrouw te zien; in mij die.... die het kleed der armoede draagt en wie de ellende op het wezen staat. De schuld.... de zonde...." maar zij sprak niet verder, en toch hield zij mijn handen vast, alsof ze mij ongaarne zag vertrekken, misschien in mij een wezen gevonden hebbende dat zij, om zoo te zeggen, tusschen haar en haar tante stelde.

"Och heden! mevrouw heeft wel met u te doen," zei ik, "u hebt zeker veel verdriet gehad juffrouw?"

"Verdriet! o! God weet het alleen wat ik geleden heb!" zuchtte de ongelukkige dame: "maar mijn ellende was het loon voor zonde en berokkend verdriet...." Weer zweeg zij en mij eenige oogenblikken later schuchter in de oogen ziende, zeide zij zachtjes: "zeg meisje, heeft uw edele mevrouw u niets gezegd...?" "Neen, juffrouw, waarlijk niet," antwoordde ik, en nauwelijks had ik dit gezegd of de deur ging open, mevrouw kwam binnen en zag ons staan, zooals ik zeide met de handen inéén. Emilie--zal ik maar zeggen--liet mij dadelijk los, en luid snikkende op mijn goede mevrouw toetredende, riep zij met afgebroken woorden: "Vergeef mij, vergeef mij, brave grootmoedige tante! Ik heb zoo zwaar misdaan; zoo weinig uw liefde beantwoord. O, vergeef mij, om den wille van mijn ongelukkig kind? God weet het, hoe uw voorkomende liefde zonder eenig verwijt nog meer mijn hart heeft verbrijzeld. Ik bid, ik smeek u om vergiffenis!" Ik was al bij de deur om heen te gaan, want bij zóó iets hoorde ik niet, maar het "Grietje blijf!" van mevrouw deed mij blijven en op den achtergrond staande, hoorde ik verder wat er tusschen mevrouw en haar ongelukkige nicht verhandeld werd, iets wat mevrouw, zooals HE. later zeide, deed, omdat ik ten deele de waarheid gehoord hebbende, haar ook geheel moest kennen, dewijl er leering uit te trekken en zij overtuigd was, dat ik er nooit dan gepast en ten nutte van anderen over spreken zou.

De menschen in die zaak betrokken zijn allen dood mijnheer, en een leering zit in deze zaak, dus schrijf ik u ronduit wat er van aan is. Gelukkig! daar komt de kleine meid terug met de koffie en grauwe erwten voor van middag--eerst koffie zetten.

Ziezoo, dat heeft den inwendigen mensch goedgedaan. Zoo'n kopje koffie verwarmt het hart--grummels wat zeg ik, het hart? neen, mijn hart had geen koffie tot verwarming noodig, want dáár was ik straks zoo warm als op het oogenblik. Hoe zou het anders wanneer men een daad kan vermelden, die aan de hoogste liefde raakt.

Kortom, mijnheer,--want ik ben al bang dat de brief te lang wordt hoewel ik zoo kneuterig op mijn schrijf ben--kortom dan, ik hoorde toen en later wat de oorzaak dier armoede geworden was. De juffrouw--nicht--werd als wees van Mevrouws eigen zuster bij HE. grootgebracht. Ze had niets geen geld, maar moet een lief meisje geweest zijn, hoewel altijd met romans van die Franschen, daar mevrouw, zoo'n afkeer van had. Ze las stil bij avond, op bed, en wier wat ze romenesk noemen. De juffrouw kreeg les in alles, tot de piano en teekenen toe. Maar door die piano, zie, daardoor kwam het. Die muziekmeester was een Franse flierfluiter die snorren en lang zwart haar had. Meestal zat mevrouw er bij, maar soms was ze wel eens uit of er niet bij als ze hoofdpijn had. Die Fransoos moet de juffrouw altijd geprezen en gezegd hebben, dat ze zulke mooie bandjes en wat al niet meer had en ook, dat ze hem op de piano haast de baas was. Dat streelde de juffrouw en ze studieerde op de piano dat het mevrouw soms te druk wier, maar ook--en daar zat hem de kwaje kneep--ze verlangde naar niets en naar niemand sterker dan naar dien vreemden muziek-poespas. Wat er toen allemaal zoo precies is voorgevallen, dat weet ik niet, maar wél, dat die twee meer voor malkaar gingen voelen dan rechtuit,--zij ten minste. Hij moet haar een heelen boel in 't hoofd hebben gehangen en zij moet hem gezegd hebben dat ze ook smoorlijk op hem verliefd was. Daar was het spul aan den gang. Op zekeren dag werd onze mijnheer zoo maar brutaal weg door dien Fransoos aangesproken en om de hand der nicht gevraagd. Wat een narigheid--dat kun je begrijpen. Een vreemde overgewaaide snoeshaan, die in de Vlakkesteeg op een kleine kamer woonde en wel om zijn knapheid, gaandeweg eenige lessen kreeg, maar een slechte betaler was, die kwam maar zóó om de hand van een meisje, dat destijds haast als mijnheers en mevrouws dochter werd aangemerkt. Dat het spaak liep kun je begrijpen. Huilen van juffrouw Emilie geen gebrek, maar mijn goeje mevrouw had door haar godsdienstige en verstandige gesprekken toch zooveel vermogen op de juffrouw dat zij hare dwaze en dolzinnige plannen liet varen--dat meende mevrouw ten minste. Mooie stukken! drie weken ging alles zijn gang. De Fransoos had als muziekmeester natuurlijk zijn paspoort met een replement er bij gekregen. Daar kwam mijnheer en mevrouw op een goejen morgen in de ontbijtkamer, en daar lag een brief op tafel van de hand van juffrouw Emilie. Wat mevrouw ontstelde, kan ik u niet zeggen, want ze las niets meer of minder, dan dat de juffrouw niet langer in een huis kon blijven waar zij met de grootste onbarmhartigheid werd behandeld en waar men haar tijdelijk geluk dwarsboomde. Kort en goed, zij had den heer Dulo--of zoo wat--niet kunnen en willen vergeten en ongelukkig maken; zij hadden elkander eeuwiglijk trouw gezworen en dien eed mocht ze niet breken. Als mevrouw den brief las, zou ze reeds naar Frankrijk vertrokken zijn, met den man dien ze als haar zelve liefhad. God zou het haar vergeven--schreef ze--dat zij om het heil haars levens te verwerven een klein misdrijf had gepleegd, en uit tantes schrijftafel eenige losse gelden en drie bankjes van honderd gulden had meegenomen, benevens het juweelen garnituur, dat zij van tante toch krijgen zou als ze meerderjarig zou worden, besluitende met de toezegging, dat zij die schuld later wel af zou doen, want dat ze met haar eenig dierbaren Alfonsus--geloof ik--de wereld zou doorreizen om met hunne talenten veel geld te verdienen.

Hoe die eerste dagen zullen geweest zijn kunt gij begrijpen. Mijnheer schreef naar Brussel en Frankrijk, want in 't land was van die twee geen spoor te vinden; maar wat hij schreef of deed van de ongelukkige juffrouw Emilie hoorden ze verder niets.

En ja, die daar tien jaren later--ik was bij mevrouw toen in 't achtste jaar--'s avonds berooid met een kind kwam aanzetten was diezelfde juffrouw Emilie. 't Was haar naar werken vergaan. Niet naar Frankrijk maar naar Amerika had zij zich met haar Alfonsus ingescheept,--daar had mijnheer geen idees op gehad. In 't eerst was alles mooi geweest en ze hadden waarlijk, in Nieuw-jork en nog meer zulke namen, gespeeld op conserten ook; toen was de juffrouw--zie, zonder zelfs getrouwd te zijn--van een zoon bevallen en had later weer van voren af aan, getrokken en geleefd, zonder zin of nagedachte, altijd met de muziek voorop. Maar de juffrouw was er van al dat trekken en die vermoeienissen niet mooier op geworden; kortom, die lieve mijnheer Alfonsus had zijn bekomst van de mooie handjes, en toen, toen was er voor de ongelukkige een leven begonnen, te akelig om te zeggen. Als ik er van verhalen wou, zouden de dames er naar van worden; aan de woorden: schelden, razen, slaan en gebrek, hebben zij zeker genoeg. Nog drie jaren--vijf in 't geheel--hield ze het met dien poespas uit, toen liep ze van hem weg, zwierf, tobde en wurmde met haar kind nog vijf jaren in de vreemde wereld op de ellendigste wijze, kwam om Godswil mee terug naar Holland, en na een geheelen dag in de nabijheid van het huis te hebben gedwaald, waagde zij het eindelijk 's avonds aan te schellen.

Ziedaar de heele historie;--maar het einde....? Geen verwijt zelfs kwam over de lieve lippen der brave mevrouw. Alleen zeide zij--toen ik er bij was--deze woorden: "Kind, je hebt veel geleden, zie dáár ligt de bijbel; en dáár," zij wees door het venster naar den hemel--"dáár woont God!" Mevrouw deed wat zij dikwijls haren Zaligmaker na had gebeden: zij vergaf gelijk zij wenschte vergiffenis te bekomen. Zij deelde in de blijdschap des hemels, die verheugd is, over één zondaar die zich bekeert. Zij vergaf niet alleen, maar zij deed wèl bovendien. In overeenstemming met haar echtgenoot werd er voor de jonge, maar door het leed vroeg verflenste vrouw, ten platten lande bij fatsoenlijke lieden een paar kamers gehuurd; dáár leefde zij, door ervaring tot God gebracht, met haren zoon in vrede en dankbaarheid; daar beweende zij vurig de groote zonden der jeugd; en hare brieven getuigden van de meeste dankbaarheid jegens hare weldadige bloedverwanten en van de hope op vergeving bij God.

Als dáár geen leering in zit, mijnheer dan weet ik het niet. Van 't begin tot het einde zie ik er leering in--zelfs betreffende mijn brave mevrouw, die met dien Fransoos en de mooie woorden van Emilie te goed van vertrouwen was geweest. Afein, dat alles wil ik niet uitpluizen, de dames hebben verstand genoeg. Het zoontje is zoo wat drie jaren vóór zijn diepbedroefde moeder gestorven--waaraan weet ik niet; de juffrouw zelve een jaar vóór mevrouw, ik geloof aan een hartkwaal.

Grummels, wat een lange brief; ik eindig dus maar sito, we moeten ook aan de erwten, en noem mij hoogachtend:

Uw Dw. Dienaresse, GRIETJE SLUIMER geb. MISPEL.

Arnhem, 5 Januari 1857.

P. S. Ik heb de kleine meid die school gaat, nog eens de fouten laten nazien en laat het maar verder aan u over; snejeer u niet om te laten staan of te verbeteren wat u goedvindt. 't Komt maar op de zaak aan, en al zie ik ook tot mijn spijt dat de laatste pagina's wel een beetje slecht zijn geschreven, nichtje kon er uit wijs worden en hoop zulks ook bij u het geval zal zijn.

Atjuus.

JAN, PIER EN KLOAS.

'En oud vertelseltje nog eens verteld.

't Was op een zomermiddag dat Jochem, de klompenmaker van 't dorp, zich de zweetdroppels van 't aangezicht wischte--zoo had ie geloopen. Met een stevigen ruk trok hij aan de schel van dominee's pastorie; streek met de mouw nog eens langs het glimmende voorhoofd, en vroeg aan Saar de meid die opendeed, of onze jonge domenei thuus was?

--Neen, ja, maar dominee zat aan de preek.

--'t Kos niet schêlen d'r was hoast bij, groote hoast.

"Toch geen zieken in huus?"

"Neen."

"'En kiend gekommen?"

"Neen neen."

"Ruzie?"

"Neen neen!" Moar domenei most ie sprêken eer 't te loat was.--Eer 't te loat was....!

Saar vloog de trappen op en, een paar minuten later stond Jochem in de deur van dominee's "stedeerkoamer", en zei: "Dag soamen m'nheer domenei," en streek zich de gele haren glad over 't voorhoofd....

"Zoo Jochem, thuis alles wel? Had je me wat te vragen?"

"Da's te zeggen, 'en verken z'n eigen de poot verzwikt, moar Geis de schêper het 'em besproken.... en nou wordt ie béter; anders alles heel best domenei, moar ik heb oe asteblief vrindelik wat te verzuuken...."

"Zoo en dat is?"

"Joa domenei, ikke.... hêhêhê!"

"En wat zal 't wezen Jochem?"

"Ikke, hêhêhê.... ze zeggen domenei da'k zoo verdrêjd mooi zingen kan; en zonder m'n eiges te schandoalizeeren, mo'k zeggen dat ze geliek hebben; 'k kan ook net brommen as 'en urgel, zeggen ze, met gebazuun d'r bij zeggen ze."

"Zoo! en....?"

"Joa, zie, domenei, en.... en.... Nou he'k geheurd dat meister,--domenei zal nie kwoalik nemen--z'n eigen zooveel as verploatsen geet, en...."

"En....?"

"Domenei zal niet ten kwoaje rêkenen: nou docht ik.... neen, nou docht Mei, m'n wief, domenei, dat ikke...."

"Wou je meester worden, Jochem?"

"Potstorie! meister worden? ikke domenei? neen, a'k zoo wies geleerd as domenei was.... hêhêhê...." Lekt met de roode tong langs de klep van zijn pet: "'t Veurzangers boantje.... hêhêhê.... Za'k verzuupen domenei a'k 'et niet wêzen wou?"

"Ahzoo Jochem, was dat je wensch. Wel man wou jij voorzingen? Zoo zoo, enne.... Ben jij zoo in de zangwijzen thuis?"

"Dat zal woar wêzen domenei.... hêhê!"--Kijkt bescheielijk naar dominee's pantoffels; veegt met den rug van z'n hand langs den mond; smijt eensklaps het hoofd achterover en gilt eensklaps op hartverscheurenden toon, terwijl hij met zijn klompenmakersvinger de maat slaat, het eerste vers van den 96sten psalm: Zingt zingt een nieuw gezang, en wat er verder volgt.

Dominee schoof onder Jochems lofzang het raam dicht, 't geen echter niet verhinderde dat een paar voorbijgangers met verbazing naar de studeerkamer der pastorie opzagen, en de kalkoenen als bezetenen aan 't schateren gingen.

"Nou, hêhêhê--wat he'k domenei gezeid....?" grinnikt Jochem nu hij gedaan heeft en met de oogen dominee's pantoffels weer opzoekt.

Dominee is inééns schrikkelijk verkouden geworden en schermt van belang met den zakdoek langs mond en neus.

"Waarlijk Jochem, je hebt een stem van belang; maar zie je...." Dominee wendt zich weer haastig naar 't venster en Jochem kijkt zeer verrast naar buiten, want--kiek, domenei giebelt van 't lachen.

"Dat kalf!" hakkelt de lacher ter afleiding terwijl hij naar buiten wijst.

Jochem mot ook lachen alhoewel ie niks vremds oan dat kalf ziet....

"Zoo'n dom.... gezicht!" hakkelt dominee, terwijl hij met geweld zijn lachen zoekt te bedwingen.

"Kiek, nou blêrt ie, domenei," roept Jochem, terwijl hij op het kalf wijst, en heft daarbij een zoo langgerekten hikkerigen lach aan, dat dominee het eensklaps weer uitproest en, alles in de kamer aan 't schudden raakt.

"Zoo'n beest!" brabbelt "onze jonge domenei" na eenige pijnlijke seconden.

Maar nu--nu heeft hij al zijn zelf beheersching tegenover dien uitspattenden lachlust gesteld....

"Enne Jochem, dus wou je voorzanger worden?"

"Krek domenei, hihihihi, en NOU nog liever, went ik wiest niet dat onze jonge domenei zoo vroolik van memeur was. As domenei is stroef is, zei mien wief. Moar ze most 'et is weten! 'En mins mag vroolik wêzen óók, wat zeg gij d'r nou toe?"

"Welzeker Jochem. Maar gesteld eens dat jij voorzanger kondt worden, weet je wel dat het een kerkelijke bediening is, en....?"

"Joa! joa wel, krek! kark-karkse-bediening domenei."

"Juist, maar dat daarom een voorzanger, die tegelijk voorlezer moet zijn, bijzonder in de bijbelsche geschriften te huis behoort te wezen."

"Juust, krek domenei, dat he'k dukkels gezeid, en doarum as we 's oavends niks bêters te doen hebben, dan lês ik de vrouw nog altied uut de biebelse historie-vroagen veur, woar oe zoalige veurganger mien uut gekortegezeerd het."

"Dat is heel loffelijk Jochem."

"Verekskezeer, domenei, niet loffelik, moar schriftuurlik, went de biebelse historie-vroagen zin uut de schriftures."

"O, dan zul je daar zeker nog al in thuis wezen."

Jochem slaat een schuin linkschen blik op het borstbeeld van Bilderdijk, dat op de hooge boekenkast staat, en zegt: "Zou 'k oe verzuuken domenei!"

"Komaan Jochem, dan moest jij me eens op den weg helpen...."--Jochem, steeds naar boven ziende, knijpt een oog dicht, en drukt de lippen opeen.

"Nietwaar Jochem, Noach had drie zonen?"

"Joa wel!"

"En hun namen waren?"

"De noamen.... hêhê.... de noamen?.... Noach had drie zeuns: Zak, Zak.... Kem.... och Zak-Zak-Zak...."

Dominee ziet even naar buiten. Ernstig: "Sem, Cham en Jafet, nietwaar?"

"Doar hei't. Zek, Zak en Joafet--krek! Net as domenei zeit en in de historie-vroagen steet; 't lee me ien 't heufd te drêjen, moar 'en mins kan z'n eigen versprêken. Zek, Zak en Joafet."

"Sem, Cham en Jafet!"

"Da's den uitsproak domenei. Krek: Sem, Kam en Joafet."

"Heel goed, Jochem, en nou wilde ik graag eens weten wie de vader van Cham was."

Jochem ziet nog hooger, en krijgt een klein spinnewebje in 'toog, waarin een onnoozel mugje gesnapt wordt.

"De voader van Kam....? De voader.... van.... Kam?" Hij wendt het oog van het mugje aan den zolder naar 't kalf in de wei.... "De voader.... van Kam.... ? Domenei meint wie de voad'.... van Kam was....?"

"Ja wel Jochem, dat moest je me eens zeggen."

Jochem diepzinnig: "Joa moar, za'k verzinken, da's buuten de biebelse historie-vroagen! De voader.... van Kam....? dat zin striekvroagen. Domenei mot niet kwoalik nemen, dat zin duuvelse vroagen.... Zeg ik!"

De duuvelsvroager glijdt achter zijn schrijflessenaar weg, en 't klinkt den klompenmaker op heel vroolijken, moedgevenden toon in het oor:

"Neen 't is geen duivelsvraag maar heel natuurlijk. Weet je wàt Jochem--ga jij d'er maar eens over denken, of met je vrouw o..o..ver praten". En de spin vliegt verschrikt naar den hoek van den zolder, en Jochem: "Zoo domenei; nou bestig dan"--hikkerig lachende--"met plezier domenei; zal 't es beprakkezieren, met de vrouw over proaten, atjuus!"

"Hoe is 't gegoan Jochem? Zou 't lukken met 't veurzangersboantje, en zu'j dan nog een keuje nemen, en krieg 'k de neie iezeren pot, en den blauwen rok en...."

Jochem kan op al die vragen niet inééns antwoorden. Aldat ie veur deez keer op schoenen liep, hij is buuten oajem.

"Goed gegoan Trieneke; best gegoan! Onze neie jonge domenei had schik in mien. 'En oarig vroolijk mins; lachen dee ie net of 't m'n buur was, niks domeneisachtig; moatjes egoal. Moar geleerd, wies geleerd! nog boven de biebelse historie-vroagen uut."

"En zou'j 'et boantje dan kriegen Jochem; en hoeveul zou 'et afschuuven, zeg?"

"Loop! weet IK 'et! moar kriegen doe 'k 'et zeker. As ik één vroag buuten 't buukske moar beantwoorden kos. Alêvel: as't geen duuvelsvroag is, 'en striekvroag blieft 'et da's zeker."

"'En striekvroag, loa's heuren Jochem?"

"Joa, zie, we sprakken van de kalver, en toen kwiem 't op den ark van Noach, en toen zeidie: Noach had drie zeuns. Joa, krek zei ik.--Sem, Kam en Joafet, zeidie. Joa, krek zei-ik. Nou, zeidie, dan most gij m'n es zeggen, wie de voader van Kam was."

Griet slaat de handen ineen: "En wist ie dát niet.... ezel....!?"

Jochem beteuterd: "Ikke?"

"Kuuken!"

"Wa' blief?"

"Schoapskop zeg ik!"

"Hê!?"

"Domme eend, da'j niet wiezer bint!"

Jochem wou dat ie licht kreeg, en kiekt noar 't vuur: "Moar wát, wát is 't dan toch?"

"Zie, ge bint zoo stomp as 'en klomp. Noach had drie zeuns: Sem, Kam en Joafet, nietwoar prefester! Wie is nou de voader van Kam? Boeh! heij' oe begriep dan niet? De meulenoar van 't darp het drie zeuns: Jan, Pier en Kloas.--Klomp van 'en kerl, wie is nou de voader van Pier?"

"Potstorie da's woar!" roept Jochem: "da's zoo kloar as 'en neie klomp."

"Ezel! en dat was 'en striekvroag, hè! A'j nou niet gauw loopt noar 't domineishuus, dan zel 't veurzangersboantje wel heelegoar verspeuld zin, en 't keuje, en de iezderen pot en de blauwstreepsen rok....! Vort domoor, vort!"

En Jochem staat weer in--domenei's stedeerkoamer.

Over 't stuk had ie noagedocht; 'en mins was niet altied glad bij de tong. Domenei had van.... van.... van....--Hij strijkt zich de haren glad, en lekt zich den duim.--Domenei had van.... Jozef gesproken, of...."

"Je zoudt me zeggen, wie de vader van Cham was," helpt dominee, terwijl hij, aan de schrijftafel gezeten, en op den elleboog geleund, met de volle hand zijn lachspieren omvat.

En Jochem, nu geheel op de hoogte, roept, terwijl hij een triumfanten blik werpt op het herkauwende kalf in de wei: "De voader van Kam, domenei--a'k 'et boantje zal hebben; wel domenei: de meulenoar van 't darp, de meulenoar van 't darp!"

BRIEVEN UIT NIZZA (NICE).

Nice, 7 Maart 1879.

Amice!

In de hoop dat het u niet onaangenaam zal zijn van de boorden der Middellandsche Zee eenige potloodkrabbels van mij te ontvangen, zend ik ze u, met den wensch, dat ze--althans voor een deel uwer lezers--nog wel iets wetenswaardigs mogen bevatten.

Misschien zult ge mij benijden, indien ik u zeg, dat wij heden, na ons ontbijt in het ruime Café de la Victoire geheel à l'instar de Paris te hebben gebruikt, op het breede trottoir onder een overdekte kolonnade en met het uitzicht op de altijd drukke Place Masséna, omringd door hooge laurierstruiken, oranjeboomen, palmen en velerlei andere gewassen, een uurtje zitten te genieten bij een frischwarme temperatuur, terwijl een bonte menigte--zelfs tusschen de beide rijen tafeltjes onder die trottoir-kolonnade door--voor onze oogen voorbijgaat. Ja--ofschoon gij niet jaloersch zijt--ge zult mij benijden en ge moogt het vrij, want al werd ons dit nieuwe leven niet zonder uren van angst en smart geschonken, dankbaar mogen we thans een zon zien blinken, die deze kusten, vooral in den winter, tot El Dorado van Europa maakt.