De lelie van 's-Gravenhage

Chapter 26

Chapter 264,221 wordsPublic domain

Zie je, ze was deftig van postuur; toen ik er 't eerst kwam was ze vier en dertig en zag er--zooals Koendert zegt--kostuljeus uit. Altijd netjes maar eenvoudig, in de kleederen eenvoudig, want prachtig gekleed te gaan dat deden, zooals ze zeide, de dames van 't minste állooi. Nou, 't schemerde mijn goeje mevrouw in 't geheel niet. Ze was wonderlijk vlug van verstand en sprak precies zoogoed Fransch en Duitsch en Engelsch wanneer het te pas kwam als haar moedertaal; als het te pas kwam, want die 't Hollandsch verstonden daar sprak ze geen Fransch of wat anders tegen. 't Was goed voor de kinderen om zoo'n taal te leeren, maar van groote menschen vond zij 't even verkeerd, ja slecht, als wanneer een kind zijn moeder verloochent, die hem heeft grootgebracht. Mevrouw las machtig veel boeken, maar altijd op gezette uren, want op haar tijd ging ze ook met de juffrouw van gezelschap 't huishouden na, en later 'n wandeling doen of rijden, al naar het uitkwam. 's Morgens als 't ontbijt was afgeloopen, dan moesten wij booien altijd binnenkomen en dan las zij ons uit een godsdienstig boek, ja soms ook wel eens de Bergrede of een gelijkenis van den Heere Jezus voor, och, en dat deed zij zoo mooi, dat het was alsof je er bij waart. Als mijnheer--die veel in Den Haag op de kamers van de regeering moest zijn--te huis was, dan deed die het, maar och hechie! daar hadt je niet de helft aan; mevrouw zei altijd dat men in een goed huishouden geregeld des morgens, "iets goeds" moest lezen en dat het onvergeeflijk was indien heeren en vrouwen aan hunne booien, daar ze over gesteld waren, die lezing onthielden; en ze had wel gelijk, daarom, als Koendert en ikke 's Woensdags en 's Zaterdags de werkvrouw hebben dan roepen wij ze ook altijd om 't lezen te hooren, maar och Heere! wij kunnen 't bij lange na niet zóó als onze goeje mevrouw.

Nu zult u misschien wel denken dat mevrouw, omdat ze zoo niets voor opschik en fratsen was en zooveel van degelijke boeken hield, geen liefhebberij in handwerken had. Verexcuseer me wel, als je 't gezien hadt, dan zou je de handen er van in mekaar hebben geslagen. Ze deed niet zooals zoo vele juffertjes tegenwoordig, die 'n geruit papier koopen met prenten er op en dan mannetje aan mannetje natellen en nazoeken, nu 'n draadje van dit, en dan weer van dat, neen, 't was heel wat anders. Uit de hand, mijnheer, werkte mevrouw op satijn, heele landschappen en figuren en binnenkamers met gekleurde zijde, zoo maar gladweg naar zwarte platen of levende bloemen, 't was meesterachtig en HEd. heeft mij toch dikwijls gezegd als ik er over uit was, dat zij alleen in haar jeugd een weinigje teekenen had geleerd en dit was begonnen eerst gebrekkig, maar allengs beter. Een slaafsch navolgen van gekleurde ruitjes was in hare oogen een onverdraaglijk werk, even onbeduidend als het natekenen van platen, die er bij honderden zijn, en waarvan--zooals ik mevrouw hoorde zeggen--de eenige verdienste is, dat men er vijf of zes of acht weken op peutert om bijna aan het voorbeeld gelijk te worden, 't welk men niet zelden voor weinige stuivers koopen kan.

Zie mijnheer de redactie, als dit nu de jonge dames lezen, dan zullen ze zeggen, die Grietje de linnenmeid spreekt van dingen daar ze geen verstand van heeft--pantoffels, voetenzakken, canapé-kussens, wat al niet meer zouden we die nu met zijde op satijn gaan werken? Zie je mijnheer, ik weet van al die dingen best, maar 't was mijn bedoeling niet om die dames--als ze plezier er in hebben--haar werk te beschimpen, maar slechts om haar te zeggen wat mevrouw mij meermalen zeide: Een handwerk krijgt eerst waarde, wanneer daar eenig vernuft uit blijkt. Als er nu jonge dames zijn, die weten willen hoe mijn goede mevrouw dat werk op satijn aanvatte, dan moeten ze 't maar eens in de krant vragen, dan zal ik het eens duidelijker zeggen, zooveel als ik er mij van herinneren kan.

Als ik zoo van mevrouw aan 't praten raak, dan zou ik haast van geen uitscheiden weten. Als ik denk hoe goed ze voor de armen was en toch nooit een cent aan de deur gaf. Een staaltje van de wijze, waarop mevrouw weldeed moet ik toch geven.

In de stad bij ons was een man komen te vallen, die eene vrouw met acht bloeien van kinders naliet. Koendert vertelde het in de keuken, en ook er bij dat die vrouw 'n slechte peuzel was--zooals men zeide--smerig en lui en heel gemeen ook. 's Anderen daags, toen ik aan 't vouwen van damasten tafellakens was en mevrouw kwam kijken, sprak ik er van, precies zooals Koendert het gezegd had. Een paar dagen later kwam de werkmeid, juist toen mevrouw mij haar kraagjes te strijken gaf, en bracht haar een briefje waarop antwoord moest wezen. Dat briefje, 't welk mevrouw mij naderhand lezen en behouden liet, en dat ik uit een aardigheid tot heden bewaarde, was precies als hier volgt:

hoogWelEdele Mijnvrouw als UwelEdele MijnVrouw het Niet kwaalik neem heef ik zooVeel as Mijn man Verloore en Zit met ag Schaap Van Kinders alleenig oVer, God zel Mij niet verlaate WelEdele MijnVrouw als U mij Niet kwaalik neem ik van Uwes een klijnigheidje voor mijn armen schapen vraag De God en de hemelSche Vader zal U eewiglijk loone Voor wat UwelEdele Mijnvrouw aan Mijn gedaan heef, zal ik Verblijven In de hoop U dit niet kwaalik neem Uwe Bedroefde Dienaar--Esze De weduwe Roos. woon kortestraat 75.

Ziet u, mijnheer! ik heb dien brief maar precies zoo afgeschreven uit een aardigheid, maar toen onze mevrouw hem gelezen had gaf ze een dubbeltje aan de werkmeid, die een gezicht zette alsof ze zeggen wilde: Hoe kaal voor zoo'n rijk mensch. De weduwvrouw aan de deur had ook braaf geprutteld, maar 't bleef er bij. 's Avonds, toen de gezelschapsjuffrouw vrij-af bij de familie had, schelde mevrouw driemalen--dat was voor mij--ik kwam, en kort en goed mijnheer, wilde mevrouw dat ik HEd., 't zij met eerbied gezegd, een kornet zou geven en een jak en rok, en grummels, mijnheer! toen verkleedde mevrouw zich precies alsof ze een booi was, maar een mooie booi was ze, dat verzeker ik u. Om niet te lang te worden zal ik u 't beloop maar kort verhalen. We gingen samen, mevrouw en ikke, naar de Kortestraat en kwamen na eenig zoeken op de kamer waar de weduwvrouw van den opperman woonde. Weet je mijnheer, toen moest ik het woord doen zooals mevrouw 't mij gezegd had. 't Was er zoo netjes dat het een lust was om aan te zien, al de kinders behalve de twee oudste meisjes lagen in een bedstee te slapen. De weduwvrouw huilde ijselijk en zei dat ze niet wist hoe ze 't aan moest, ze had aan drie van de voornaamsten briefjes geschreven, maar twaalf stuivers was alles wat ze gekregen had, bedelen dat wilde ze niet en van de diakenie daar had ze ook wel uitzicht maar nog geen dadelijkheid van. Toen mevrouw nu alles gehoord, en gezegd had dat ze iemand heel goed kende die veel naaiwerk had en als het handig gedaan wier er goed voor betalen wou, zei de weduwe dat ze er maar al te dankbaar voor wezen zou, en dat Mieneke en Kaatje ook zouden werken zoo hard als ze konden. Zie je mijnheer, 't kwam heel anders uit dan de menschen gepraat hadden en mevrouw was er toch zóó mee begaan dat ze verder aan vrouw Roos deed wat ze maar kon en nog wel vijfmaal is ze verkleed naar die arme vrouw geweest, die in plaats van smerig en lui en heel gemeen, netjes en werkzaam en zeer fatsoenlijk was. Zie je, dat was nu een voorbeeld dat men de armen niet alleen geven, maar ook bezoeken moet, en als het nu gebleken was dat vrouw Roos niet deugde, wat dan? zul je zeggen. Weet je wat onze mevrouw antwoordde toen ik haar hetzelfde vroeg. Ik zou getracht hebben haar hare verkeerdheden te doen verbeteren, zeide zij, en in ieder geval voor de arme kinders wat gedaan hebben. Zie, dat moeten de beschaafde lezeressen ook zoo doen. Er zijn er wel, maar niet als te veel.

Nu mijnheer de Redactie, eindig ik deze, Koendert en ikke we gaan naar mijn zuster en zwager Janssen in Doesborgh lozeeren, dus, of ik gauw weer zal kunnen schrijven weet ik niet, maar als ik nu den volgenden keer eens over een andere dame spreek, dan zal ik van onze goede mevrouw, ook nog wel een woordje zeggen zoo af en toe, want over HEd. ben ik nooit uitgepraat.

Nu mijnheer, zet deze nu maar in de krant, ik ben al weer nieuwsgierig om het te zien, en ook met de groeten van Koendert noem ik mij met de meeste hoogachting, mijnheer de Redactie

Uw Dw. Dienaresse, GRIETJE SLUIMER. geb. MISPEL.

Arnhem, 18 Junij 1856.

P. S. Ik bedank u wel voor uw present-exemplaar.

Atjuus.

III.

Mijnheer de Uitgever van het Dames-Weekblad.

Ik ben een boon als UE. al niet lang zult gedacht hebben: waar zit Grietje Sluimer toch, ze schreef in haar laatsten brief dat ze lozeeren ging te Doesborgh, maar van Juni tot haast November zal ze daar niet geplakt hebben. Mis gedacht Mijnheer! en toch goed gedacht, want wij zijn wel uit geweest al dien tijd, maar niet achtereenvolgend in Doesborgh gebleven.

Nu voor acht dagen weer te huis gekomen, had ik heel wat te redderen, want het huis van Sliedrecht is wel wat vochtig; de spinnen hadden ook braaf geboezeerd, zooals Koendert dat noemt. Op een stapeltje vond ik al de Nos. van de Dames-Courant bijeen, die ik gemist had, en ik dank UE. daar wel vrindelijk voor. Om op mijn propo te komen, wat ik ook zeggen wou.... á ja, met veel genoegen mijnheer, las ik vooral mijn eigen brief weder; Koendert had er ook aardigheid van, en kan zich met mij best begrijpen, dat er--zooals zij het noemen--zooveel oteurs komen, omdat het zoo iets aardigs is, dat inktgeknoei in mooie drukletters te zien overgebracht. Nou kunt u wel denken dat ik het fameus druk had zooals ik reeds zeide, en niet dadelijk kon gaan zitten om UE. te schrijven, maar de boel is nu zoo wat aan kant en alles op zijn plaats, reden waarom ik zoo vrij ben, u eens weder te schrijven.

Waar een mensch toch toe komen kan! Lieve deugd, wat heb ik staan kijken. Zie, ik dacht dadelijk, dat moet ik voor de krant eens opstellen, zonder namen te noemen. Ja mijnheer, in mijn vuur zou ik de kluts kwijtraken om geregeld te vertellen. Mijn voeten worden koud, wacht ik zal eerst een kooltje nemen.

Ziezoo! u moet dan weten dat we van Doesborgh naar Zutphen zijn gegaan, bij een Neef en Nicht van Koendert, die een kommenij hebben, zonder kinderen; meer om wat om handen te hebben dan om den broode, want Esboom heeft van UE weet wel, en Doortje-nicht--een beste vrouw--kan er van haar zelves ook zijn. Wij waren er met veel plezier en zijn op een dag heen en weer naar Hetloo geweest in een knap wagentje en naar de Laatste Stuiver meer dan eens en ook naar het gesticht van Mettree. Zie mijnheer, het is misschien kinderachtig maar ik kreeg de tranen in de oogen toen ik al die spullen en die bloeien aanzag, die voor tijd en eeuwigheid worden behouden; 'k ga graag naar een komedie en ook wel graag naar een paardenspul, maar 'k verzie op dat Mettree nog liever een rijksdaalder dan in die spullen drie kwartjes. Ja, mijnheer, het is een mooi en heerlijk gesticht, zooals ik wenschen zou dat er een paar dozijn in het land waren; maar ziet u, in Zutphen zelf is nog een ander gesticht dat ook heel nuttig en, helaas! ook ekstra noodig is, maar toch aan vreemdelingen, zooals Koendert en ikke, een naren indruk geeft. Ik meen het onnoozelen- of krankzinnigenhuis. Esboom, woonde er dicht in de buurt, en zoo zagen wij alle dagen een heelen troep van die ongelukkige menschen voorbijkomen die, óf met geleiders gingen wandelen, óf van minder allooi, naar het land gingen werken, buiten de stad. Voor geen duizend gulden zou ik er alleen, zoo een zijn tegen gekomen.

Op een Woensdag morgen--ik weet nog best, we zaten te ontbijten--was er een akelige drukte op straat; een lijkstaatsie kwam roerende ons huis voorbij met twee koetsen er achter.

Esboom, die van alles het fijne nog al weet, zei dat het zeker een doode uit het gesticht was, want het kwam van dien kant en de dokter zat in de tweede koets. Toen hij er goed over nadacht, herinnerde hij zich van een oppasser--waar hij zeer mee bevriend is--voor eenige dagen gehoord te hebben, dat een dame van grooten huize erg slecht lei; die zou het zeker wezen, maar hij zou het nader nog wel eens vragen.

's Anderendaags kwam Polle--zoo heet Esbooms vriend--tusschen schemerdonker eens even aanloopen. Het duurde niet lang of Doortje-nicht had hem reeds naar de lijkstaatsie en naar den persoon gevraagd die begraven was.

"Wel ongelukkig," antwoordde Polle: "'t was zoo'n knap slag van een vrouw, de dochter van een schout-bij-nacht, uit 's-Gravenhage geboortig, zij heette van E."

Ziet gij mijnheer, namen wil ik niet noemen, en daarom zet ik maar blootweg een E. Toen ik dien naam hoorde, liet ik waarlijk van schrik de breikous zakken en vroeg: "heette zij Mathilde of Dora?"

De heer Polle bedacht zich en verzekerde dat de eerste letters van haar voornaam M. A. waren. Mathilde Aleksandrine riep ik, en had werk om van mijne verbazing te bekomen. Zij gestorven, zoo ongelukkig gestorven, dat beeldschoone meisje. O mijnheer, ik had haar gekend zoogoed als mij zelve. Haar moeder, een juffrouw B. van haar eigen, was een beste vriendin van mijn brave zalige mevrouw, ieder jaar kwam zij met Mathilde en Dora een week of wat bij ons lozeeren. Poetjes van kinderen! Mathilde, waarover ik schrijven wil. was als een beeldje zoo mooi, en werd van jaar tot jaar al mooier, ze was zwart van haar, bruin van oogen en blank daarbij als krijt. Wat ze hebben wou kon ze krijgen, want mevrouw Van E. gaf haar alles toe, zoodat mijn goeje mevrouw wel eens zei: "'t lieve kind wordt te ijdel," en mevrouw had gelijk. Toen ze achttien jaar oud was. wier ze al ten huwelijk gevraagd, maar ze bedankte omdat haar zinnen voornamer waren. Ik geloof niet dat mijn beste mevrouw in een heel jaar zoo dikwijls in den spiegel zag als juffrouw Mathilde op éénen dag. Het allerliefste zat ze dan ook vlak over den spiegel, maar overdag, voor 't raam, om zooals Koendert destijds zeide: naar de wandelstokken te zien. Nooit heb ik met een lozee zooveel te stellen gehad. Als de dames eens uitgingen dan had ik met juffrouw Mathilde alleen wel een groot uur werk. "Trui wat dunk je," was het dan, "staat me dit goed, of kijk, vin je dat beter, of dit?" of weer wat anders, o, in 't bespottelijke! Somwijlen drie zijden japonnen op één dag; ja 't was akelig, en altijd draaien om in 't oog te vallen zelfs bij ons achter, als er binnen te weinig op gelet wier. Het heugt mij nog als de dag van gisteren, dat ze eens mee naar een bal was geweest en thuis gekomen, onder het uitkleeden in tranen uitbarstte. Juffrouw Dora vroeg naar de oorzaak, maar toen begon onze juffrouw Mathilde in het Fransch, en ziet u, dat verstond ik niet, maar eindelijk kon zij in 't Fransch van kwaadheid niet meer voort, en ik merkte, dat ze te weinig naar haar zin gedanst had, en verweet zulks hare zuster, dewijl zij haar voor dien avond een zijden kleed had aangeraden, 't welk haar zooals ze zeide, "zat als een gek, en niemendal kleurde".

Mijn brief zou veel te lang worden, wanneer ik alles van juffrouw Mathilde zou verhalen; genoeg mijnheer, zij was zoo ijdel als zij mooi was, en heeft het genoeg getoond met dien knappen G. die candidaat-notaris was, en dien zij letterlijk met haar gekheid--de Heere vergeve mij--in 't graf heeft geholpen.

Sedert een jaar of zes had ik volstrekt niets van de dames Van E. gehoord en u kunt dus begrijpen, hoe ik ontstelde, toen de vriend van Esboom dat treurige nieuws verhaalde.

"Ja," zeide de heer Polle, toen ik van mijn eerste verbazing eenigszins bekomen was, "die ongelukkige dame was wel de voornaamste en de knapste die wij hadden. Geen kosten zijn er door haar moeder gespaard, doch alles vruchteloos. Zij meende de troonopvolgster van de koningin--ik meen--van Engeland, Victoria te zijn en wachtte alle dagen in de grootste onrust op een brief, die haar tot de regeering zou roepen. Haar parelen en diamanten, die ze had meegebracht, verwerkte zij zelve, op een balein, tot een soort van kroon, en indien de dokter of haar verzorgster niet met eerbiedige buigingen tot haar kwamen, dan ontvlamde zij in de schrikkelijkste woede.

Nog veel verhaalde ons de heer Polle en ik werd er naar van om 't hart. Letterlijk moet de schoone juffrouw door haren hartstocht in twee jaren tijds als verteerd zijn, en toen zij stierf, was zij bijna onherkenbaar geworden.

Twee dagen later zijn wij met Esboom en Doortje-nicht den weg naar Warnsveld op gewandeld, waarnaast het mooie kerkhof ligt; wij zijn er op gegaan en ik vond er ook een gloednieuwe zerk met de namen Mathilde Aleksandrina Van E. er op. Daar lag ze dan, en ik dacht aan de woorden van mijn zalige mevrouw: "Het kind wordt te ijdel!" en ik dacht ook aan mevrouw Van E., die te verblind was om die schrikkelijke ondeugd in haar kind te bemerken, en ik nam mij voor om dit aan uw krant of weekblad te schrijven. Ja mijnheer, als er zooveel door de meisjes in den spiegel wordt gekeken dan deugt het al niet; dan zijn ze op weg naar juffrouw Mathilde, naar--o! foei! ik kan er akelig van worden en wilde nog zoo graag eens aan alle mevrouwen met kinderen toeroepen: "Pas op, dat uwe meisjes niet te ijdel worden, één ligt er op het kerkhof te Zutphen en 't was zoo'n mooie!"

't Wordt tijd dat ik eindig; als dit geschrift gedrukt onder de oogen van spiegeljuffers komt, dan wensch ik haar dat ze bang worden, en aan 't versje zullen denken, dat mijn vader ons in de school liet opzeggen:

Wil 'k weten wie ik ben; Zoo moet Gods woord de spiegel zijn Waar ik mijn hart uit ken.

Nu vaarwel mijnheer, zet dit maar gerust in uw krant, en verblijve:

Uw Dienstw. Dienaresse, GRIETJE SLUIMER, geb. Mispel.

Arnhem, 22 Oct. 1856.

[De Redactie plaatst den brief van Mej. Sluimer volgaarne, doch verzoekt HEd. vriendelijk zoo HEd. later weer mocht schrijven, iets meer op taal en spelling te letten, dewijl de correctie al te veel tijd vordert. Enkele fouten liet zij onverbeterd. Het laatste gedeelte van den brief was bijna onleesbaar. Intusschen blijft zij zich aanbevelen.]

IV.

Mijnheer de uitgever van het Dames-Weekblad!

Als ik eens een boek las of een verhaaltje, dan heb ik meestal opgelet dat de schrijvers net deden als de meeste menschen, namelijk dat ze met een weerpraatje begonnen. 'T is: óf een zoete, geurige zomermorgen, óf een regenachtige najaarsavond, maar 't allermeest een koude stikdonkere winternacht. 't Is wel iets om tot lezen uit te lokken dat ze daarmee beginnen, dewijl alle menschen bijzonder veel belang in 't weer stellen, natuurlijk omdat zij er zoo afhankelijk van zijn. Vandaag--'t is den 5den Januari--heb ik mij op uw verzoek eens weer aan een brief voor het Weekblad gezet, en nu ik zit, nu kan ik niet nalaten om toch ook iets van 't weer te zeggen, want hoe hard of Koendert ook in onze potkachel zit te pooken, hoe hard hij ook uit zijn doorrooker dampt en hoe'n flinke kool ik ook in de test heb, we zeggen toch maar gedurig dat het grummels koud is geworden. 't Is waarlijk griemelig als je naar buiten ziet. Aan de overzij woont een knappe Schoolmeester, maar ik heb medelijden met al die roodneusjes die daar binnengaan. Nu, 't sneeuwt ook niet weinig en zoo jachterig, weet je, iederen keer met zoo'n rukwind er bij dat de sneeuw opstuift alsof een bakker aan 't ziften is. Mijn zusters kind dat we, zooals U weet, bij ons in hebben, is met boodschappen naar den slager en den kruidenier toe; ik heb met de stumperd te doen en wou dat ze al terug was; maar zie je mijnheer, waar de dingen toch al weer goed voor kunnen zijn; dat het vandaag zulk koud en guur weer is, doet mij aan een persoon denken, die met juist zulk weer bij mijn zalige mevrouw kwam. 't Was een Zaterdag avond--'t heugt me als de dag van gisteren--Aaltje was met de vaten bezig, Koendert met het zilver schuren en ik met het opbouten van nachtmutsen--zoo goed weet ik het nog. Nu was het bij ons aan huis Zaterdags avonds altijd een druk geschel; slager, bakker, kruienier en zoo al meer omdat er bij mevrouw 's Zondags nooit van boodschappen-doen inkwam.

In de kwiesienjeere--zooals ze zeggen--brandde een stevig vuurtje, want het was vinnig koud en het stormde buiten van geweld. Opeens wordt er weer gescheld en omdat Koendert juist met het mooie tabaks-komfoor doende was, zoo liep ik maar even naar de voordeur en nam een servet voor 't warme brood mee.

Maar jawel, pas had ik de deur open of ik zag al dat het de bakker niet was.

"Ben ik hier terecht bij mijnheer Van W?" klonk een beverige stem en ik zag een soort van juffrouw voor mij, die een alles behalve proper voorkomen had, terwijl zij een jongetje van een jaar of tien aan de hand hield.

"Ja wel," zeide ik, "maar mijnheer is niet thuis," die was in Den Haag op de Kamers van de regeering. "Niet thuis" zuchtte de juffrouw; "och asjeblieft ga 't maar eens vragen."

Dat wilde zooveel zeggen als: "je hebt zeker gelogen, mijnheer is wel thuis;" ik werd er niet boos om, wel wetende dat zulke onwaarheden dikwijls van wegens de lui moeten overgebracht worden en de dienstboden alzoo in kommissie--zooals ze 't noemen,--tegen beter weten en willen aan, liegen moeten, maar zie je mijnheer, daar was mijn goeje mevrouw niet van thuis en ik herhaalde daarom dat mijnheer uit de stad, maar mevrouw wel thuis was.

De vreemde juffrouw steunde een woordje, dat hare blijdschap moest uitdrukken en stapte de deur binnen. Ik wist niet recht, mijnheer, of ik haar toe zou laten of tegenhouden, want bedelarij mocht 's avonds de deur niet in, dat was 'n vaste boodschap, maar, ik had den moed toch niet om de juffrouw den toegang te weigeren en, om de waarheid te zeggen, de scherpe wind stond ook zoo vreeselijk op de voordeur dat ik weinig behagen in een langer gesprek tusschen deur en drempel had. In één woord mijnheer, vóór dat ik het zelve recht wist, stond de avondbezoekster op de mat ook binnen de lakensche tochtdeur; en, bij 't licht der kloklantaarn zag ik nu eerst recht wat een naar en haveloos perceeltje ik in huis had gehaald en zou--ziedaar!--twee zesthalven uit mijn zak hebben gegeven zoo ik die juffer met goed fatsoen weer op straat had gehad.

"Maar wie bent uwes dan?" zeide ik, haar nogmaals van 't hoofd tot de voeten opnemende. "Wie moet ik aan mevrouw zeggen dat er is....?" ik was een beetje onthutst mijnheer--"want zie je, als u komt om een aalmoes dan mag ik niet naar binnen gaan. Mevrouw geeft nooit aan de deur, maar althans niet bij avond en ontijden."

"Och! neen," klonk toen haar antwoord,--en ik vond bij me zelve dat ze wel iets moois en fatsoenlijks in haar stem had,--"neen ik kom geen aalmoes vragen, ik kom.... ik ben...." maar ze sprak niet verder en ik zag duidelijk dat ze moeite had om haar tranen te bedwingen. Het jongske aan haar zijde stond te knie-knikken van de kou en hield zijn ijskoude vingertoppen in den mond om ze met zijn adem te verwarmen.

Ik hield mij toen overtuigd mijnheer, dat er bij die vrouw geen kwaad overleg was, maar vroeg tevergeefs naar naar naam, totdat ten laatste haar woorden: "zeg maar een oude bekende," mij verwonderd deden opzien maar mij tevens zoo spoedig mogelijk aan haar verlangen deden voldoen.

Nooit in mijn leven mijnheer, heb ik zoo'n raren avond beleefd. Mevrouw had twee dames op theevisite en een warm broodje. Zij deed mij licht in het spreekkamertje brengen, en ontmoette er de juffrouw met het kind. Toen wist ik natuurlijk niet wat er verhandeld werd--later begreep ik het.--Mevrouw schelde driemalen, weet je voor mij--en ik kwam. Wat ik nooit verwacht had te hooren, werd mij gelast. De juffrouw, die door mevrouw gladweg haar nicht werd genoemd, moest met het kind in de achterkamer gebracht, dáár de kachel aangelegd en goed koffie met brood worden toegediend. "Mijn nicht wil liever alleen blijven," zeide mevrouw: "omdat zij vermoeid van de reis is."