Chapter 24
Maar men zou kunnen zeggen dat de heer, die zoo vraagt, de zaken door elkander haspelt. Joostje is toch in elk geval geen auteur, en Nederlandsche geschriften zijn geen lucifers. De heer zegt niet eens of hij houten- of windlucifers bedoelt, of wasjes misschien.
Wat ons betreft, we zullen de quaestie--zoo het er eene wezen mocht--de quaestie laten.
Maar--in allen ernst kunnen we toch bij nader inzien niet zoo volledig toestemmen dat de Nederlandsche auteur, om zijn beperkten kring van lezers, in 't beklag moet wezen.
Immers er zijn twee middelen, die den kring voor hem verwijden, zoo dat noodig of wenschelijk is:
Zijn de Levens van Rembrandt door Mr. Vosmaer, en van Steen en Potter door Van Westrheene geen echt Nederlandsche werken, al werden zij door hen in 't Fransch geschreven? Slechts een Nederlander kon het doen zooals zij het deden, en, deinsden zij niet terug voor het moeielijke van hun taak, in al de landen waar men met ingenomenheid een nieuw licht over de levens en werken dier coryphaeën der kunst zag opgaan, daar worden nu mede de namen hunner talentvolle biografen met dankbaarheid en eere vermeld.
Het tweede middel is voor den Nederlandschen auteur wat gemakkelijker.
Hoe langer hoe meer ziet men in den vreemde mannen verschijnen, die onze schoone moedertaal beoefenen en zich geroepen gevoelen om de literarische vruchten van Nederlandschen bodem op den hunnen over te brengen.
De Nederlander, nog niet bijzonder gewoon aan zulk een beleefdheid, voelt er zich een weinig door vereerd, en 't geeft hem eenigermate de gewaarwording alsof hij bij voorbeeld aan een Duitsche badplaats het Wien Neerlandsch bloed hoort spelen; soms veel te gauw of veel te langzaam, maar dat doet er niet toe, 't is toch het Wien Neerlandsch Bloed van ons!
De gemoedelijke Nederlander zou aanstonds als hij dat hoort, en maar in staat was om een quartet te blazen, uit gevoelige dankbaarheid het Volkslied van.... enfin van de Badplaats gaan aanheffen, maar dat kan niet en hij bepaalt er zich toe om straks den kapelmeester zijn compliment te maken: 's War schön! Wunderschön!
Nu zijn we waar we wezen willen.
Een Duitsch literator heeft zich de moeite gegeven om eenige Nederlandsche geschriften in zijne moedertaal te vertolken, en is daarin volgens het oordeel van vele Duitsche tijdschriften en couranten uitmuntend geslaagd.
Reeds een paar malen vonden wij zijn naam in onze nieuwsbladen abusivelijk vermeld, en kwam het ons voor dat de man, die o. a. het jongste werk van den grijzen Van Lennep op meesterlijke wijze voor Duitschers "genietbaar" maakte, aanspraak heeft op onzen dank en een eervolle vermelding in deze kolommen, te meer dewijl wij vernamen dat het zijn voornemen is om voort te gaan met het vertolken van Nederlandsche geschriften, die hij daartoe geschikt zal achten.
Dr. Adolf Glaser is te Wiesbaden in 1829 geboren. Aanvankelijk voor den handelsstand bestemd, bleef hij tot zijn vijftiende jaar op 't gymnasium te Wiesbaden, en kwam daarna in een fabriek van een oom te Mainz, die veel zaken met Holland deed en daarom den jongen Glaser de Nederlandsche taal deed beoefenen.
In 't belang der zaak reisde Glaser zeer veel, niet slechts in Duitschland, maar ook in Zwitserland, Italië, België en Nederland. Op zijne reizen ontwaakte steeds meer en meer in de borst van den jongen koopman de liefde voor natuurschoon en kunst, zoodat hij eindelijk besloot den handelsstand te verlaten en zich, door de studie der fraaie letteren, aan de kunst te wijden.
In 1853--op vier en twintigjarigen leeftijd--vertrok hij, na eenige voorbereidende studiën, naar de academie te Berlijn en werd in 56 tot doctor gepromoveerd.
Reeds als student had Glaser zich een goeden naam door het schrijven van drama's en novellen verworven, zoodat hem al spoedig te Brunswijk de redactie van het Tijdschrift Westermann'sche Illustrirte Monatshefte werd toevertrouwd, welk blad onder zijne leiding weldra een zeer goeden naam en groot debiet mocht verwerven.
Sedert zijne vroegere reizen in Nederland, waar hij zich meermalen een geruimen tijd ophield, was het steeds een lievelingsdenkbeeld van Glaser, om de Nieuwere Nederlandsche literatuur in Duitschland bekend te maken. In 1857 had hij reeds met goeden uitslag zijne krachten aan een onzer klassieke werken beproefd. Herrigs Archif für das Studium der neueren Sprachen, nam een verhandeling van Glaser op, die getiteld was: Joost van den Vondel und sein Lucifer, een stuk waarin hij de verheven schoonheid van Vondels treurspel in een helder licht plaatste.
In 't jaar 1865 begon hij echter meer bepaaldelijk nieuwere belletristische werken van Nederlandschen bodem in 't Duitsch te vertolken. Zijn het er nog slechts weinige, met het oog op de toekomst is het voor ieder Nederlandsch auteur en voor de eer onzer letterkunde zeer belangrijk te vernemen, dat de Duitsche tijdschriften en nieuwsbladen den heer Glaser den overvloedigsten lof brengen voor de uitmuntende wijze waarop hij: Nederlandsche Novellen, en Hänschen Siebenstern, bij hen heeft ingeleid.
Om bijzondere redenen bepalen wij ons tot een paar mededeelingen betreffende Glasers jongste werk.
De Augsburger Allgemeine Zeitung zegt: Dass wir es können--Klaasje Zevenster naar waarde schatten--das danken wir Herrn Adolph Glaser dem Redakteur der Westermann'schen Monatshefte und bekannten Novellisten, der uns den Roman "Hänschen Siebenstern" in gutes Deutsch so gut übersetzte dass wir uns an der Uebersetzung wie an einem Original freuen konnten. Solche holländisehe Annexionen lassen wir uns gerne gefallen, enz. enz.
In de Hausblätter leest men: "Die Uebersetzung ist dem Original ebenbürtig--sie spricht uns durchaus an, als sei sie selber ein Solches." Wat ons betreft, die met de Niederländische Novellen mochten kennis maken, we moeten erkennen dat zeker maar zelden eenig vertaler beter de eigenaardigheden onzer taal zal vatten dan de heer Glaser het deed.
In een verslag van de Gartenlaube für Oesterreich wordt doctor G. genoemd: der bekannte, geistreiche Erzähler und Redacteur der Illustrirten Monatshefte von Westermann, der gediegensten Zeitschrift Deutschlands. Elders, in de Berliner National Zeitung wordt hij de bekende dichter genoemd.
Uit dit alles zal blijken dat de Nederlandsche literatuur zich in Duitschland in uitmuntende handen bevindt.
Tot de oorspronkelijke werken van Glaser behooren: Familie Schaller, roman in zwei Bänden, Bianca Candiano, Erzählung, Erzählungen und Novellen, drei Bände. Voor zijne Gedichten ontving hij van den voormaligen Hertog van Nassau de gouden medaille van verdiensten, en voor het drama Galileo Galilei--'t welk van zijn tooneelwerken vooral in Weimar den meesten opgang maakte, van den later ontslagen Koning van Hanover, mede het gouden eerbewijs.
Wij eindigen dit verslag met den wensch, dat Glaser nog lang den lust zal behouden om op zijne wijze te annexiren. Misschien biedt Kellers Van Huis hem al terstond daartoe de schoonste gelegenheid aan.
Den Haag, 26 S. 67.
Tot mijn groot leedwezen is het later bij herhaling gebleken, dat de heer A. Glaser een groot deel van zijn goeden naam in Duitschland aan een annexatie-geest heeft te danken die in zijn land, zonder twijfel, even slecht staat aangeschreven als in ons dierbaar Nederland.
Slechts twee feiten ten bewijze:
I. Die Pflegemutter von Adolf Glaser is een woordelijke vertaling van J. J. Cremers Deine-meu.
II. Sommige letterlijke vertalingen van Glaser--zoowel werken van andere Nederlandsche auteurs als van mij, verzwijgen het vaderschap, en vermelden een: dem Holländischen nacherzählt, terwijl--ook dan wanneer de auteur werkelijk op een middenschotje vermeld is, de naam van den vertaler op den omslag, ja op den rug en menigmaal boven elke pagina prijkt. In Bohemen werd mij door een boekhandelaar Von der Bühnenwelt von Glaser ter lezing aanbevolen. Het was eene vertaling van mijn Tooneelspelers.
28 Jan. 1878.
DIENTJE VAN 'T VEER.
De heer Slingervoet Ramondt heeft onder den bovenstaanden titel, "een verhaal uit de Betuwe" in 't licht gegeven, "ten voordeele van de noodlijdenden door de overstrooming, in de provincie Ferrara in Italië." In zijn woord vooraf verklaart hij, dat de zucht om die ongelukkigen nog wat meer te kunnen helpen dan hij 't reeds deed, hem tot schrijven heeft gedrongen: "C'était plus fort que moi," zegt de heer R.: "Ik schreef in de vrije uren die mijn beroepsbezigheden mij overlieten. Ik schreef haastig, omdat spoedige hulp noodig was." En iets verder: "Het is mijne bedoeling volstrekt niet, de toegevendheid van het publiek, de welwillendheid der recensenten in te roepen. Onverbiddelijk heb ik zelf vaak het produceeren van liefdadigheids-literatuur en liefdadigheids-kunst afgekeurd. Ik lever dan ook thans mijn werk over aan de gestrengste, onmeedoogendste critiek."
"En dat staat er werkelijk?" vroeg een hooggeëerde bezoekster, terwijl een trek van edele verontwaardiging haar schoon gewelfd voorhoofd kwam plooien: "Maar dat is spotternij! "Een schrijver, die zelf menigmaal de "liefdadigheidskunst onverbiddelijk heeft afgekeurd" roept de strengste, de onmeedoogendste critiek in, over een lettervrucht die hij schreef--let wel--in de vrije uren die zijn beroepsbezigheden hem overlieten,--alzoo vermoeid van den arbeid misschien--en, HAASTIG, omdat een spoedige hulp er noodig was!--Maar wie zoo schrijven kan, hij is.... hij verdient...."
"Bedaar, hooggeachte vriendin, en bedenk dat die schrijver toch het hart op de rechte plaats heeft: Door liefde gedrongen heeft hij gezongen, en in weerwil dat hij 't zoo druk had.--Ik bid u wees niet te gestreng?"
"Hij verlangt het. Geen de minste toegevendheid begeert hij. Hij moet wel zeer overtuigd zijn van de voortreffelijkheid zijner schepping. Zie maar, hij staat daar met het hoofd achterover, met de hand aan 't rapier."
"Mijn geëerde vriendin was nooit voorbarig. Neen, die schrijver staat daar niet met het hoofd in den nek of de hand aan den degen, ik heb u nog niet gezegd wat hij er spoedig op volgen laat. Luister: Hij wacht zijn vonnis. Hij is er van overtuigd dat er geen genade voor hem is. Hij wenscht slechts dat gij zijn vonnis niet al te spoedig zult vellen, "omdat anders het doel van zijn uitgave gemist zoude zijn."
"Het doel! Altijd dat doel! Kan er ooit een doel zijn, waaraan men de heilige Kunst mag ten offer brengen!" De Kunst eischt van hare priesters algeheele toewijding; althans geen onmogelijk-vluchtige, geen gejaagde, met een brok brood in den mond, met den lijmpot in de hand, en de bedelaars aan de deur.--Kunst en Philanthropie gaan dikwerf te zamen; maar familie zijn ze niet. Zal de Philanthropie--hoe edel haar karakter ook zij--nog langer ongestraft de verheven figuur aller eeuwen en gedachten durven beleedigen, en haar rein gewaad bezoedelen in haar domme haast!--"C'était plus fort que moi!"--Weet hij dan niet hoeveel zelfbeheersching er geëischt wordt van de ware priesters der Kunst; hoeveel onwrikbaar geduld, hoeveel zelfverloochening!--Kent hij Da Costa niet!--Heel 't Oosten is een graf! schreef de groote dichter. En hij schetste verder het gloeiende Oosten, met zijn vervallen steden, zijn tempels en paleizen in puin; de lachende vruchtbare dreven van weleer, in woestijnen veranderd. Twee drie bladzijden heerlijke verzen! Maar die bladzijden--gewikt en gewogen--werden met één pennestreek vernietigd; en, daar stond als in arduin gehouwen, dat plechtig:
--Heel 't Oosten is een graf. [15]
Er werd aan de deur geklopt, en--reeds in hetzelfde oogenblik geopend, trad een allerliefst persoontje de kamer in.
De ernstige spreekster van zooeven stond op; sloeg haar bournous in edele plooi om den schouder, en verliet met een deftigen groet het vertrek.--Ik volgde haar; drukte haar bij 't uitlaten de hand, en zij wist wat die handdruk haar zeggen moest.
--Niet goed gemutst? vroeg de schoone bezoekster lachend, terwijl zij bij mijn terugkomst in de richting van de deur wees.
--Een weinig ontstemd. Er is een verhaal in 't licht gekomen ten behoeve van de noodlijdenden in Ferrara, en....
--O dan spreek je van een nieuwen Betuwschen schrijver, viel de andere in: Ik heb dat allerliefste stukje van den heer Slingervoet Ramondt daar juist gelezen.--Je kent de Betuw tusschen Rijn en Waal; den dijk er omheen; de lachende heuvels aan gindsche zij. Je kent haar 's winters.... ijsgang; watersnood.--Prachtig is die watersnood in dat verhaal geteekend; dat klimmend gevaar, die angst; 't verlaten van de bedreigde woning; die achterblijvende hond! 'k Zeg allerliefst! En natuurlijk!? Daar komt een ontvanger in; van der Teen, of.... van der Veen,--precies naar 't leven genomen! Wat ruw, maar magnifique! En dan de droefheid der ouders in de schuit die hen redt, nadat hun arme jongen verdronken is. En die lafhartige Willem Van Balen, de onwaardige ellendeling, zoo armzalig afstekende bij den ruwen maar flinken ontvanger.--En eindelijk het lieve Dientje zelve. 't Is wel geen aangrijpende figuur, maar, als het boekje is uitgelezen, dan blijft ge nog een wijl op haar grafschrift staren, en veegt een traan uit uw oog.--Ja allerliefst en aandoenlijk! En dan nog wel in der haast geschreven omdat de nood in Ferrara zoo groot is. Nobel, allernobelst! ik wensch den schrijver met zijn edel hart, de meeste voldoening toe, en hoop dat honderden zijn Dientje Van 't Veer zullen lezen en koopen.
Waarde Spectator!
Gij hebt u herinnerd dat ik geen critiek schrijf, en vraagt mij nochtans mijn oordeel over het verhaal uit de Betuw van den heer S. R.
En mijn antwoord?
De ernstige Critiek, mijn eerste bezoekster, zal den heer S. R. zeker volgaarne zoo gestreng mogelijk haar oordeel zeggen, indien hij haar later eens een werk kan aanbieden, 't welk hij onder andere omstandigheden het licht doet zien.
Wat mij betreft, terwijl ik den heer R. gaarne mijn meening over het schrijven en aanwenden van het Betuwsch dialect zou zeggen, indien ik eens 't genoegen had persoonlijk met hem kennis te maken,--want voor uwe lezers is het van weinig belang--zoo wil ik nu slechts het wel wat vluchtige oordeel van mijn laatste bezoekster onderschrijven, en er aan toevoegen: Iemand die reeds zóó in der haast zijn verhalen dicht, wat zal men niet van hem mogen verwachten indien hij eens wat minder gejaagd is.
Met den wensch dat de veelbelovende schrijver zijn tijd in 't belang der Nederlandsche letterkunde voortaan ruimschoots zal vinden, en de tijd zijn werk in 't eind overvloedig moge kronen, noem ik mij
Uw Dw.
EEN MOOIE APRILMORGEN IN 'T HAAGSCHE BOSCH.
Langs het vijvervlak door een koeltje gerimpeld, glanst vroolijk de lentemorgenzon. Blij schallend vieren de vogels hun hoogtij in 't woud. De fijne bolsters hebben den drang van 't jonge leven niet langer weerstaan. Tusschen de zware stammen zijn de heesters reeds geheel met lichtgroen omhuifd, en ook de iepen en beuken tooiden zich reeds met een zachtgroen waas. De rosse knopjes der eiken glimmen hooger, bottende in 't zonlicht. Frisch groen breekt het bruin van den sierlijk golvenden bodem, die bedekt is met een glanzige bloemensneeuw van duizenden bosch-anemonen.
Verrukkelijk bosch! Trotsch in den zomer, als ge uw rijkdom van lommer aan den frisschen vijverzoom huwt; prachtig in 't najaar, als de schuine zonnestralen tinten tooveren in uw dieper groen en bruin; liefelijk, betooverend schoon in 't voorjaar, als het koeltje suist, en de zonnestraal spreekt van lieven en leven.
En gewis, alles stroomt er naar buiten; oud en jong, rijk en arm, nu de zon, na malschen regen de lustwarande der hofstad zoo prachtig tooit voor het groote jaarfeest der Natuur....? Zacht wat! Nu ik aan 't eind van den breeden vijver,--als zoo dikwijls reeds op dit vriendelijk plekje--de zoete stemmen van een eersten lentemorgen beluister, nu bespeur ik, noch langs die vijverzoomen, noch op de paden tusschen 't hout, eenig spoor van menschelijk leven. Doch zie, een woudduif schrikt op. 't Geklinklang van een bungelend wapen doet zich hooren. Achter den heuvel, waar 't zwartaarden rijpad slingert, worden twee ruiters ten deele zichtbaar. In galop schieten ze langs 't malsche heestergroen voorbij. Ginds, bij 't klimmen van den heuvel, verrijzen ze even, maar duiken ook aanstonds weer weg achter den zoom der bosch-anemonen.
Hoe! is er in dit vriendelijk morgenuur--en immers nog vóór bureautijd--geen enkele wandelaar in 't prachtige Haagsche Bosch?
Ja toch, ginds in de verte daar gaat "de grijze mijnheer," en daar, op 't groote pad, keert de altijd lezende bakkersjongen met zijn leege broodmand als naar gewoonte dood-langzaam naar de stad terug. Of hij wijsheid of dwaasheid zoekt....? Natuurschoon en 's meesters voordeel zeker niet. Ei zie, 't is waarlijk druk dezen morgen; daar komen nog twee personen de kleine brug af, en gaan mijn zitplaats voorbij.
"Nein! Traviata nicht gesehn, nein!"
--'t Is egoïstisch misschien maar bij 't vernemen van iets dergelijks, krijgt men er vrede mee, dat het 's morgens vóór den pantoffeltijd, zoo kalm blijft in het heerlijke bosch.
En bij 't stil genieten van 't jonge leven in 't ronde, is 't zeker niet vreemd dat de geest terugdwaalt naar de lente van 't leven, die reeds zoolang voorbij is. Wat was 't een heerlijke tijd, die blonde jeugd! ... vroolijk, vrij, zonder zorg, in dartele onschuld genietende....
Straks bij 't opstaan zal ik 't eerst begrijpen hoe David Bot mij plotseling zoo klaar voor den geest is gekomen.
't Was in den knikkertijd. David had me al mijn knikkers afgenomen, en bovendien was ik er hem nog twintig schuldig gebleven--twintig met inbegrip van twee albasters.
"Willen we quite ou double?" zei David.--"Wat is dat kiet oe doebel?"--David was drie jaar ouder en veel sterker en ook knapper dan ik.--"Wel we doen even of oneven; als je 't raadt ben je me niemendal schuldig, en anders dubbel zooveel."--Goed! Ik raadde even. 't Was oneven. "Da's veertig!" zei David: "Nog eens!"--"Oneven"--"'t Is even" zei David: "da's tachtig." Ik kreeg het vreeselijk warm.--"Nog eens?" vroeg. David. "Neen, neen!"--"Niet? Ben je mal; als je 't raadt heb je alles weerom!"--"Nou! oneven."--"Mis!" zei David: "da's honderd zestig."--nou win je 't!"--"Even!"--"Alweer mis, driehonderd-twintig." De tranen sprongen mij in de oogen.
"Nogeens!" riep David. En nog eens raadde ik mis, en David lachte, en telkens stak hij mij zijn roode saamgeknepen hand toe; en toen ik nog vijf malen met bevende stem had misgeraden, toen grinnikte David: "Nou schei ik er uit! Twaalf duizend vierhonderd tachtig knikkers ben je me schuldig. Je zult ze me geven hoor of anders ben je een dief en je komt aan de galg!"
O zalige kindertijd! Acht dagen lang heb ik in doodsangsten doorgebracht. Ellendiger kan de totaal geruïneerde huisvader zich niet gevoelen, dan ik mij gevoelde; vooral wanneer die kleine propperig dikke David, mij, sarrende, telkens papiertjes in handen speelde, waarop dat schrikkelijke cijfer geschreven stond, o, dan brak mij het angstzweet uit, en eens, midden onder schooltijd, toen hij de lei omhoog hield met een poppetje aan de galg er op en alweer dat cijfer er onder, toen wenschte ik dat ik dood was. Eerst nadat ik alles aan mijn goede moeder gezegd en zij mij honderd knikkers gekocht had, ademde ik weer vrijer, want de propperige David vond--evenals ik--tusschen de getallen 1 2 4 8 O en 100 zoo'n groot onderscheid niet.
Blijde kinderjaren! Mijn nichtje Anna had een bakkesje om te stelen, en op de kinderbals dansten we meestal samen. Eens had zij tegen David gezegd, dat zij niet met hem dansen wilde, omdat hij zoo gniepig met mij gespeeld had. Den volgenden dag zei David tegen mij, dat Anna scheel zag, en van de pokken geschonden was. Ik ben toen woedend geworden, want Anna was als een meikers zoo glad, en mooier oogjes waren er niet in de heele wereld! Hoewel David zooveel ouder en sterker was dan ik, heb ik hem toch een duchtigen slag gegeven. Maar David heeft me daarop met zijn stevige knuisten zoo erbarmelijk toegetakeld, dat mijn linkeroog bont en blauw zag. 't Was om razend te worden! Meester zei dat ik was begonnen en daarom moest schoolblijven, en duizendmaal schrijven: Ik mag mijn kameraden niet slaan. Toen David naar huis ging, stak hij de tong tegen mij uit en fluisterde: "Weet je, ze is scheel en mottig!"
En ik, die duizendmaal schrijven moest, dat die leelijkerd mijn kameraad was!! Toen ik thuis kwam zei mijn vader, dat meester mij stellig niet onrechtvaardig zou gestraft hebben, en moeder, dat het van David zeker een grapje geweest was.
In den zwaren beukestam ginds, staat met kolossale letters de naam DAVID gesneden; en David Bot heeft mij aan die donkere dagen herinnerd, en aan nog zoovele andere uit die vroolijke zorgelooze jeugd, uit die nooit volprezen lente van 't leven.
In 't midden van een breed uitgesneden hart, staat in dienzelfden beukestam, ter linkerzij en veel hooger den naam Maria.
Maria! En ik denk aan het schoone jonge vrouwtje dat haar Eduard aanbad. Hij--hij droeg haar op de handen. Hun liefde was hun hemel. En--nog was het kindje niet geboren, dat hun echt bekronen zou, toen zij starend neerzat in 't sombere rouwkleed. Geknakte lelie! En uw zomer zou zoo schoon zijn! Maar uw kind werd uw liefde en rijkdom. Zoo had de zomer dan toch zijn bloemen voor u, trouwe moeder.
In dien boomstam staan nog een menigte naamcijfers en jaartallen. Misschien bezie ik de kloeke beuken, die de herinnering aan meer dan drie geslachten bewaren, later wel eens wat nauwkeuriger; nu is 't genoeg. Met de frissche morgenlucht heb ik tevens een fiksche teug uit den frisschen levenskelk genoten. Neen, als de lente herleeft, en land en bosch jubelt in den zonnestraal met de zachtste tinten en kleuren, dan droomen we niet van een zoet weleer, dat slechts in de herinnering zoo vlekkeloos schoon was; dan leven we evenmin in een toekomst, hunkerende naar een zorgloozen ouderdom, die nooit zal komen; maar dan leven we in het heden en roemen in de heerlijke lente, die nu weer haar schatten ontplooit.... Maar zie, bij 't genietend voortwandelen langs het lichtste groen van iepen en eschdoorns, terwijl hooger de vogelkers met zijn sierlijk witte bloemtrossen, honinggeuren door 't bosch verspreidt, komt toch een droeve toon, een toon van smart en rouw en vervlogen kracht en geluk het hart beroeren: Ginds op een bank zit een grijsaard. 't Is een arme; een houten kruk staat naast hem; om zijn versleten zeer rossen hoed, zit een breede nog rosser rouwband. Zijn gezicht moet hij missen, want de drie kinderen, die slechts op zeer korten afstand anemonen plukken, hij roept ze en waarschuwt hen toch niet te dicht bij het water te komen--ofschoon de vijver nog op grooten afstand is.
Arme tobber, eens kondt ge zien; eens kondt ge de lente genieten; eens kondt ge u vrij bewegen, dartel zooals die kleinen ginds, of rustig zooals hij die uw zitplaats nadert.
En de kinderen keeren met hun bloemen tot grootvader terug; en, als ze hem hun schat toonen--alsof hij dien zien kon--en het kleinste meisje hem de anemonen onder den neus drukt, dan lacht hij tevreden en niest, om zijn verrukking aan 't kind te toonen. En terwijl grootvader de roode wangen van het lieve bloemplukstertje streelt, roept haar oudere zusje: "Nou draaien, grootvader! Toe!" En zie, zij heeft den oude het eind van een lang touw reeds in de hand gegeven. "Ja kom, nu lustig aan 't springen," zegt grootvader: "Jij Jan, 't eerst meedraaien." En de grijsaard draait het springtouw. En met luisterend oor, het hoofd een weinig ter zij, bespiedt hij den lustigen touwdans der kleinste. Ei, 't oudste zusje, ongeduldig, springt mee in de bocht. En grootvader glimlacht, want: Ja ja, hij bemerkt het wel. Maar ze mag het wel doen! En het touw vervat hij gedurig van de eene in de andere hand. "Neen, ga je gang maar; grootvader zal wel draaien, als jelui maar pret hebt!"