De lelie van 's-Gravenhage

Chapter 23

Chapter 233,978 wordsPublic domain

O die oude, zoo dikwijls beantwoorde vraag! En dat antwoord: Ja gewis, als die banden noodig zijn ter handhaving van de maatschappelijke rechten; als zij strekken om den mensch te binden aan wat goed is, en leiden tot veredeling van den geest. Ja, voorzeker mag zij dat, wanneer zoo groot een aantal vertegenwoordigers der industrie gedurig daarom vragen, ten volle verzekerd dat een wet ten behoeve dier kinderen te gelijk een wet zal zijn in het waarachtig belang der volksontwikkeling en zoo ook in het belang der nijverheid. Hoe, daar is een wet in Nederland, die den armen vader tot den kerker veroordeelt, dewijl hij een brood stal voor zijn behoeftig gezin. Ja, hem wordt de vrijheid benomen, dat eischt.... de bakker die zijn brood mist. Rechtvaardig! zeer rechtvaardig! Maar UWE burgerrechten, UWE rechten als menschen, arme, arme kinders! Doch geduld, nog een kleinen tijd en uw arbeid zal verlicht en uw geest zal ontwikkeld worden, en misschien--als gij later knappe werklieden wordt, dan krijgt ge ook nog wel iets meer te eten dan uw slechte aardappels met mosterd en uw kleffe poffers met kalk.

Maar gelooft gij dan--zoo klinkt alweder een vraag--dat onze fabrikanten gevoellooze menschen zijn! doof en blind voor den toestand der armen die hen dienen, dienen voor een loon dat den ouders dier kleinen een bloedgeld moest zijn--arme ouders, treurig overschot van een geslacht fabriekskinderen dat verging.

Neen, NEEN, zeg ik u. In gemoede houd ik vol dat het gevoeligste hart kan wonen in de borst van hem die zijn zaak ziet bloeien, zelfs ten koste van het arme jonge leven. Gewoonte, ziet ge, dat is de dommekracht die hen deed voortgaan tot nog voor weinig tijd; dat is de doffe bril waardoor men in die kinderen machines zag, werktuigen en niet veel meer.

"Marie, geef dien armen drommel daar op straat 'en boterham, 't is beroerd zooals dat kind d'r uitziet--zoo'n wurm!"

En dat kind werkte bij mijnheer zelf in de fabriek. "Ja, ziet ge, als men IN DE FABRIEK is dan is 't natuurlijk dat ze er zóó uitzien, maar op straat en voor het raam van je huiskamer, neen, dát maakt een verschil, dat doet waarachtig zeer."

Ja ZEER, omdat het oog er niet aan gewend en het hart toch goed is. Geduld dan kinderen, het grootste deel uwer heeren en meesters beseft al dat gij tot wat meer zijt geboren dan gij nu worden kunt; die heeren beseffen al dat uw belang ook het hunne wordt, als ze zien naar den fabriekswerkman ginds in het praktisch nijvere Engeland. Geduld maar, uw meesters, al doen er sommigen reeds veel om uw lot te verbeteren, ze kunnen nu nog niet alles wat ze willen--de meesten hunner althans--want ziet ge, daar is een andere macht, die hen tot nu toe weerhoudt: de concurrentie, een macht....

Maar arme fabriekskinderen, wat praat ik tot u; al kondt gij den Spectator lezen, ge zoudt er geen woord van verstaan; neen, mijnheer de Spectator, tot u is het dat ik spreek, en door u tot hen, die zoo dikwijls en ernstig vragen: Wat wordt er van de zaak der fabriekskinderen?

En het antwoord er op, vat ik nog eens saam in deze woorden: Wat elders noodzakelijk was zal ook hier blijken noodig te zijn; wat elders de schoonste vruchten oplevert [12] mag hier niet ontbreken. Nog een wijle geduld!--Voor de eer van Nederland, en--wij moeten het dankbaar erkennen--met den wensch van vele, ook der eerste fabrikanten, gaan wij een betere toekomst te gemoet, want, daar moet, daar zal een wet komen ten behoeve van het ongelukkige fabriekskind, een wet ter handhaving van den bloei der Nederlandsche industrie.

Een vraag van geheel anderen aard klonk menigmaal. Hoe schrijf je voortaan, heelemaal woordenboeks? of....?

't Zou voor een belletrist, die zich volstrekt niet inbeeldt een taalkenner te zijn, misschien verstandiger wezen, om dit chapitre in uw weekblad blauwblauw te laten, doch de zaak der spelling raakt den auteur zoo van nabij, dat hij,--om niet inconsequent te schijnen wanneer hij zich afwijkingen veroorloven gaat--zich wel eens openlijk verklaren mag.--En zoo antwoord ik dan gaarne: dat ik op gezag--ja op gezag--in vele woorden meer letters zal schrijven dan ik gewoon was; ik wil de vorsten lang laten regeeren, en aan een adellijke een l meer geven dan aan een edeling of zelfs een hemeling--ofschoon ik het niet rechtvaardig vind. De trotsche paauw zal ik met genoegen kortwieken en met pleizier aan alle draaijers en vleijers een been ontnemen, op gevaar af dat men ze niet meer kennen zal. Wat mij betreft ik had er echter niet aan getornd om een mooije vrouw heelemaal van de been te helpen en had haar in allen geval--indien ze dan wat van haar mooi moest verliezen--veel liever de i ontnomen, en mooje in plaats van mooie gezet. Al die klinkletters naast elkaar, 't is Hottentotsch en een fraaiigheid om in te verbiesteren, zei Toon de kruier--misschien landerig omdat hem ook al z'n been ontfutseld was.

Maar ik ben bedroefd over de komst der g. Onze dierbare moedertaal wordt naar de keel gedrongen; die zachte g moet verdwijnen, de g die ons herinneren moest: spreek toch vóór in den mond en niet als de schreeuwers die de "levendiche schchellevisch" venten en de "maachchies acht om een dubbeltje, pak ze maar wech!" 't Is treurig, maar, als de wetenschap: leve de ch zegt, dan zal ik haar gaarne gunnen zich te warmen aan een kachel zonder g, en te lachen ook al zonder g, lachen zelfs om de dwaasheid dat ik laatst een lief maar onnoozel kind hoorde voorlezen: "hij zat bij de kac-hel.... vreeselijk te lac-hen."

Doch dit gepraat zou in 't geheel niets beduiden indien ik mij niet wilde verklaren omtrent een paar woorden, waarin ik de g zal blijven gebruiken in weerwil van de aangenomen regels. Ik bedoel de woorden ligt voor niet zwaar, en digt voor toe. Het onderscheid wensch ik bij de lezing niet twijfelachtig te hebben. Wanneer ik straks geschreven had: geduld kinderen, uw arbeid zal verlicht worden, dan had men een oogenblik aan meer dag- of kunstlicht in de fabrieken kunnen denken, 't geen toch waarlijk de bedoeling niet was. En gesteld eens dat daar geschreven staat: "Het boek is dicht," zou hij die van Vlotens Dicht en Ondicht bezit, niet een oogenblik in de war kunnen komen, evenals de vriend in de residentie, die een beklag ontving uit een der noordelijke provincies, en wel ter oorzake dat aan een Hagenaar een onderscheiding was te beurt gevallen waarop de noordelijke meer aanspraak meende te hebben, en de vriend nu las: maar geen wonder hij is "dichter bij het Hof". De vriend wist niet dat Z. M. er een privaat dichter op nahield. Nu wil ik gaarne aanstonds toestemmen, dat men zóó kan schrijven dat een vergissing niet ligt mogelijk wordt, doch, waar op den regel de ch voor de t de uitzonderingen gelden: behalve in de regelmatige vervoeging der werkwoorden wier stam op een g eindigt, en, in de zelfstandige naamwoorden door achtervoeging van de te gevormd van bijvoeglijke naamwoorden uitgaande op g; daar mag mijns inziens nog wel déze derde uitzondering gelden: en behalve in de woorden ligt en digt--voor niet zwaar en toe--die eensluidend als de woorden licht en dicht maar verschillend van beteekenis zijn." En nu, terwijl ik het geen gevaar acht dat men mijn derde uitzondering ligt en digt zal noemen, omdat zij juist daardoor tot een zekere bekendheid zou geraken, stap ik van dit onderwerp af, om met blijdschap de woordenlijst der Ned. taal van de wakkere heeren de Vries en te Winkel te begroeten. Gaven zij dikwijls gaarne de verzekering dat zij hun werk niet als verbindend willen beschouwd hebben, zij zullen, ik ben er zeker van, ook deze afwijking waar men die volgt, gaarne eerbiedigen. [13]

En nu ten slotte die vele vragen naar aanleiding van de schier algeheele afkeuring van mijn jongste tooneelwerk aan de eene, en het buitengewoon groot succes er van aan de andere zijde. Ik zal er niet op antwoorden, alleen wil ik met het oog op mijn vaderstad, voor de inwijding van wier nieuwen schouwburg ik mijn Emma Berthold heb geschreven, openlijk den wensch uiten, dat een reeks van meer dan veertig voorstellingen er van te Rotterdam haar de overtuiging zal hebben geschonken, dat de auteur zich de taak in waarheid niet ligt heeft geacht, maar ter eere van Arnhem--en mocht het zijn van het Ned. tooneel--getracht heeft het beste te schenken wat hij te schenken had. Niets anders dan de zucht om zoo mogelijk ons tooneel te helpen zuiveren van de gruwelen en onzinnigheden, die er zoo dikwijls den volke worden vertoond, spoorde hem aan om het, in ons land waarlijk niet uitlokkende veld te bearbeiden, en, als ik nu met blijdschap verneem, dat een schoon oorspronkelijk werk van onzen genialen Schimmel zoo groote scharen naar den schouwburg lokt, dan word ik gedrongen om allen, die hun volk liefhebben en zich krachtig tot die taak gevoelen, krachtiger dan ik, luide toe te roepen: Schrijft mannen, schrijft goede stukken, zorgt voor een juiste opvoering er van, evenals onze classieken daarvoor zorgden, en, gij zult den bloei van ons tooneel bevorderen en den wansmaak verjagen uit die leerschool voor het volk.

Den Haag, 22 Jan. 66.

CORRESPONDENTIE.

Aan den WelEd. Z.Gel. Heer Dr. S. Sr. Coronel.

Geachte Heer!

Ontvang mijn vriendelijken dank dat gij naar aanleiding van mijne regelen in den Spectator, nog eens de belangen der arme fabriekskinderen hebt ter sprake gebracht.

Mij dunkt wij zijn het volkomen eens. Men moet geduld hebben--ofschoon het moeite kost. Doch, waar uw naam wordt genoemd, daar voel ik mij gedrongen om aan hen, die ongeduldig telkens weder vragen: komt er nog geen verandering in den toestand der ongelukkige fabriekskinderen, den raad te geven, al wachtende, nog eens uw dieptreffend en verre boven mijn lof verheven In 't Gooi te lezen, te vinden in den Gids jaargang 1863, maar vooral ook uw sprekend betoog, getiteld: De toestand der kinderen in onze fabrieken en het gewicht eener regeling van hunnen arbeid, uitgegeven bij de Erven Loosjes te Haarlem 1863.

Geloof mij inmiddels met de meeste hoogachting te zijn:

WelEd. Zeer. Gel. Heer,

12 Febr. 1866. Uw. Dw. Dienaar.

EEN KUNSTENAAR MÆCEEN.

Mijnheer de Spectator!

Vergun mij u iets mee te deelen.

Omdat gij er nog niet van gesproken hebt vermoed ik dat het u òf onbekend òf althans slechts bij geruchte zal bekend zijn.

Natuurlijk kent gij Dantes Divina Commedia. De Hollandsche vertalingen, inzonderheid die van A. S. Kok in metrische verzen, zullen u evenmin vreemd zijn: en zeker hebt gij de platen van Gustave Doré bewonderd, waarmee de Fransche pracht-uitgave van Dantes Inferno geïllustreerd werd.

Indien gij nú niet begrijpt wat ik bedoel, dan kan ik gerust vertellen; de zaak moet u vreemd, en de naam van den man u nog onbekend zijn.... Maar stil.

Nog zelden had ik zulk een prachtig boek in handen, en zeker heb ik nooit gedacht er zoo een present te zullen krijgen. Als er niets grooters is dan folio-formaat, dan is het folio, maar anders--is het grooter.

Zie, nu ik de zwart kartonnen doos open, waarin het groote boek, op de wijze als onze photographie-albums, besloten ligt, nu is een goed deel van onze theetafel bedekt. We zouden de thee wel kunnen wegzetten.

Voorzichtig! Die band--rood met verguld--is smaakvol en stevig. Op den rug--die nog te zien is--leest ge in gulden letters: De Komedie van Dante, en dan op het bovenblad in het beeld der eeuwigheid: De Hel van Dante.

Onwillekeurig worden de vingertoppen, hoe schoon ze ook zijn, nog eens vluchtig aan den zakdoek gebracht, want de uitroep: prachtig! komt telkens terug.

Zwaar, deftig en blank is het papier. Erg veel wit zien we in 't begin.

Ha! dat is schoon: Tegenover het titelblad, waarvan de roode en zwarte letters door het glanzig vloeipapier gluren, zien we het borstbeeld van den man wiens reuzenschepping de eeuwen trotseerde: het beeld van Dante Alighieri in overschoone photographie.

Die photographie--van den heer F. W. Deutmann te Amsterdam--werd genomen naar een marmeren buste, vervaardigd te Rome door Eumene Baratta op last van den eigenaar die.... Maar, nog even geduld, want luister, op de volgende bladzij zingt onze Ten Kate den bard der oudheid toe:

Dante Alighieri.

"In één grootsch werk de schepper van zijn taal, En 't heerlijkste, ooit in menschentaal geschreven, Waarin niet slechts de middeneeuwen leven, Maar 's levens polsen kloppen, al te maal.

Der volkren Dichter, door zijn volk verdreven En vogelvrij verklaard, in zegepraal Op vleuglen van 't genie naar 't ideaal Der liefde, zijn Beatrix, opgeheven!

Van uit den diepsten nacht in 't hoogste licht Trapswijz' geklommen, wordt zijn Hemelsch Dicht Symbool der weergeboorte uit zonde en smarte, Die 't menschlijk leven godlijk loutren moet. Zóó schildert, met zijn tranen en zijn bloed, Deez' Dante in beelden 't drama van elks harte."

En als we dan het zware blad weer omslaan dan lezen we:

Mijnen waarden vriend Dr. Hacke, vertolker van Dante's Inferno.

En weer klinkt het lied van onzen zanger:

"Gij zijt hen nagewandeld, onbevreesd Als derde volgend door de ongastvrije oorden! En wat Virgiel en Dante zagen, hoorden, Gij hebt het mee ervaren in den geest.

Ja meer! Gij zijt des Dichters tolk geweest, En 't is uw roem, als voortaan in ons Noorden Het zuidlijk orgel zingt met de eeuwige akkoorden, En Neerland huivrend zijn Inferno leest!

Excelsior! Van uit de schriklandouwen Naar boven!..... Zalig zijn zij die daar rouwen! De smart tot God is heilig loutringsvuur. Doe als uw meester! Stil ter goeder uur De zielzucht onzer edeler natuur: Wij smachten naar Beatrix--doe ze aanschouwen!

"Dr. Hacke?"

Jawel, Dr. J. C. Hacke van Mijnden! Kent ge hem niet?

"Hacke van Mijnden?" zegt ge, en kijkt rechts en links, "Dr. Hacke van Mijnden--Doctor....?"

Tob maar niet langer. Gij kent hem niet. En dat is juist het mooie van de zaak.

Ik herhaal het: dat is nu 't mooie van de zaak.

Dr. Hacke is een man van middelbaren leeftijd, en het eerste dichtwerk, dat hij het publiek--neen nog slechts zijn' vrienden aanbiedt, het is de vrucht van een studie sinds de dagen zijner jeugd. Mij dunkt dat heet liefde en eerbied hebben voor de kunst, dat heet eerbied en achting gevoelen voor haar waardige vierschaar, en--voor zich zelven!

Men heeft mij gezegd--en 't kwam uit een goede bron--dat Dr. Hacke de geheele Divina Commedia--of althans de Inferno--reeds driemalen voor eigen studie en genot in 't Nederlandsch overbracht, om steeds dieper de schoonheden van het onsterfelijk gedicht te peilen, aleer hij besluiten kon een vertolking er van aan de pers te vertrouwen. Luister even welke eischen de ernstige man zichzelven stelt. Hij zegt in zijn voorwoord--zonder opschrift:

"Indien het nu bij de overbrenging van een dichterlijk kunstwerk in eene andere taal altijd een vereischte is, den vorm, waarin de dichter zijne gedachte gekleed heeft, in het oog te houden, dan is het vooral bij Dantes Komedie het geval, waar niets willekeurig is, waar alles mathematisch en harmonisch in elkander past, waar elke uitdrukking, elke vorm, ik zou haast zeggen elk woord, met een bepaald doel gekozen werd."

En verder:

"Niettegenstaande de redenen door Macaulay aangevoerd voor zijne uitspraak, dat eene vertaling nooit behoort geschreven te worden in verzen, die bijzondere moeilijkheid voor het rijm opleveren, heb ik getracht, én den geest, én den nauw daarmede verwanten vorm van het dichtstuk te bewaren, door niet alleen voor zooverre 't mogelijk was, regel voor regel en woordelijk te vertalen, maar ook vooral, door de terzine met hare driemaal herhaalde vrouwelijke (slepende) eindrijmen na te volgen; het rijm toch maakt de terzini uit, die zonder dat, van kleur en doel verstoken zou zijn."

Of Dr. Hacke daarin geslaagd is, en of hij het gezegde der Italianen: "Traduttore-traditore (vertaler-verrader)" op zich behoeft toe te passen; of hij schitterend de vele bezwaren heeft overwonnen, die hij vond op zijn moeielijk pad, dewijl onze taal "noch den rijkdom, noch de verscheidenheid van slepende uitgangen heeft die aan de Italiaansche eigen zijn". Op dit alles zal ik u geen antwoord geven. Gij weet het, ik matig mij niet gaarne in 't publiek een oordeel over anderer kunstwerken aan, en vooral zou het hier al zeer dwaas zijn een oordeel over een jarenlange studie te vellen, gesteld zelfs dat wij het Italiaansch spraken als onze moedertaal òf--als Dr. Hacke.

Maar wilt gij eenige bladen met mij omslaan en luisteren, dan kunt gij zelf oordeelen.

Doch eerst moet ge zien, want door het vloeipapier, waarop in 't midden keurig en zuiver gedrukt staat:

"In 't midden van de loopbaan van ons leven Heb ik mij in een duister woud bevonden.

De Hel, Z. I. I."

door dat vloeipapier heen schittert reeds een der geniale scheppingen van den Czaar der teekenaren, en als ge het rammelend vloeipapier omslaat, dan ziet gij dat eenzame woud, met zijn fantastisch licht, zooals alleen Gustave Doré het schetsen kon, het duistere woud, dat de wereld moet voorstellen, verzonken in onwetendheid en zonde, en waarin de dichter, zelf met den voet in struik en distelen, angstig omziet, dewijl hij "het rechte pad had laten varen".

Wij slaan nu eenige bladen om en, luister:

Virgilius heeft Dante de poort der helle gewezen waarboven geschreven staat:

"Wie binnentreedt late alle hope varen."

en Dante spreekt:

Toen vatte hij mijn hand, en wel tevreden Zag hij mij aan, en schonk mij nieuwe krachten, Zoo daalden we in den afgrond naar beneden,

Waar zuchten, luide kreten, jammerklachten, Die duistre sterrelooze lucht doorboorden, Zoodat ze mij tot droeve tranen brachten.

Vermengde talen, vreeselijke akkoorden, Geschrei van smart en wanhoop of van woede, Met handgeklap en schelle of doffe woorden

Verwekten een geweld, dat, nimmer moede, In 't rond draait in die eeuwig duistre luchten, Als zand, gedreven door des stormwinds roede.

Nu zou ik wel kunnen voortgaan, maar de Inferno heeft drie en dertig zangen, en elke zang gemiddeld honderd veertig verzen.--Ei! zie nog eens even die terzines:

Krachten, klachten, brachten. Doorboorden, akkoorden, woorden. Woede, moede, roede.

En dan, een schier woordelijke vertolking!

Mij dunkt wij moeten eerbied krijgen voor den man, die niet slechts den moed had om Virgiel en Dante te volgen op hun somber pad, maar die er zijn leven aan wijdt om een klassiek kunstgewrocht van vreemden bodem in een Nederlandsch kunstwerk voor het heden te herscheppen.

In een Nederlandsch kunstwerk! Zie Mijnheer de Spectator, ik ben er zeker van: het doet u goed zoowel als mij, dat een vermogend Nederlander, in stee van met Franschen tongval te spreken, ons dierbaar Nederlandsch zóó lief heeft dat hij het kneden en vormen wil tot de herbouwing van een onvolprezen monument der middeleeuwen, op vaderlandschen grond!

Ja het doet ons harte goed, en met hooge ingenomenheid mogen we wijzen op dit feit in de geschiedenis onzer hedendaagsche letterkunde, want eene vertolking als door Dr. Hacke geleverd--en nog te leveren--bewijst ons opnieuw den onwaardeerbaren rijkdom onzer heerlijke moedertaal. En--wat wordt zij dikwijls verloochend, die lieve taal van Vader en Moeder!

Gij hebt het reeds gehoord, de dichter--rijk in meer dan eene beteekenis--hij gaf de volwassen vrucht van zijn talent, mét de gouden schalen waarop hij haar aanbood, aan zijn vrienden ten geschenke.--'t Is niet alledaagsch wat ik u vertel en wel de moeite waard er nota van te nemen.

Maar 't zou nu toch wel mogelijk kunnen zijn dat gij juist van dit laatste uw grief maaktet tegen den dichter; de grief namelijk, dat Dr. Hacke slechts aan zijn vrienden schonk waar gansch Neerland recht op heeft.

Neen, ik weet wel, gij eischt niet dat het getal vrienden zal afhangen van de vrienden. 't Getal is al wél zult ge zeggen: honderd vijftig! Maar wat gij hem in stilte verwijt misschien, 't is dat hij zijn werk niet in een gewonen vorm--al ware het dan ook tegen een matigen prijs--voor 't groote publiek heeft doen verkrijgbaar stellen.

't Is mij onbekend welke redenen Dr. Hacke daarvan terughielden. Maar, het begonnen en nog slechts voor één deel voltooide werk heeft hij lief. Vermoedelijk wil hij het gaarne heel rustig voltooien en althans tot zoolang van zijn lievelingsstudie slechts smaken, wat hij er mee te geven wenscht.--'t Kan zijn dat ik mistast, maar het komt mij zoo voor.

Nu zult gij wellicht vragen--en oogenschijnlijk met eenig recht--of het mij dan vergund was u, en mét u het publiek op deze prachtuitgave opmerkzaam te maken, terwijl Dr. Hacke haar niet aan de openlijke critiek onderwerpt. Ik herhaal u dat ik er niet aan dacht een beoordeeling van zulk een werk te schrijven, maar,--voelde ik mij gedrongen op het feit te wijzen, een woord van den dichter zelf geeft mij 't recht tot deze mededeeling, en, ik weet het vooruit, uw eerbied zal stijgen voor den man, die bij zooveel studie en dichtvuur, ook de Nederlandsche beeldende kunst beschermen wil, door haar zoo mogelijk aan zijn grootsche taak te verbinden. Dr. Hacke schrijft:

"Er blijft mij bij de uitgave van dit eerste gedeelte alleen nog dit te zeggen overig: met de vertaling van het tweede gedeelte ben ik reeds gevorderd, en hoop, zoo God mij het leven laat, dit evenals het laatste in denzelfden vorm uit te geven. Voor dit gedeelte kon ik van de schoone platen van Doré gebruik maken; voor de beide volgende deelen hebben verschillende kunstenaars onder mijne vrienden mij reeds hunne hulp toegezegd; zeker ben ik daardoor, dat die deelen in belangrijkheid zullen winnen. [14] Het zou mij zeer aangenaam zijn zoo deze woorden aanleiding konden geven, dat nog meer kunstenaars uitgelokt werden om mij hunne talenten tot het illustreeren van dit werk aan te bieden."

Gij ziet het.... terwijl Dr. Hacke zijne vrienden reeds heeft uitgenoodigd, wenscht hij dat nog meer kunstenaars hem hunne talenten zullen aanbieden, en, ben ik dan niet in mijn recht wanneer ik door middel van deze regelen, de tolk zijner wenschen tracht te zijn in 't belang der Nederlandsche kunst!

Mijnheer de Spectator, terwijl ik weet dat gij mij gaarne het prachtwerk gunt, 't welk ik dank aan een gelukkige kennismaking met den Kunstenaar Mæceen, geef ik u evenzeer de verzekering dat Dr. Hackes werk ten mijnent voor u met de meeste liefde ter lecture en ter bezichtiging openligt. Kom en gevoel mét mij, wat reuzenarbeid de dichter ondernam, en voor een derde reeds ten einde bracht. Zie nogmaals de drie en veertig u bekende meesterstukken van Doré; merk op hoe onze Haarlemsche Kruseman mede een kunstenaar is waar hij een prachtwerk weet uit te geven, dat naar mijn inzien aan de hoogste eischen van goeden smaak en typographische uitvoering voldoet.

Kom en zie, en wensch dan evenals ik: dat de dichter gespaard zal worden tot de voltooiing van zijn werk, dat hij "in dien arbeid troost en kalmte moge vinden bij de herinnering aan bittere verliezen", en dat eens zijn geheele vertolking der Divina Commedia het algemeen eigendom zal zijn van het onverdeeld en altijd Nederlandsch sprekende Vaderland.

Den Haag, 10 April 1867.

EEN TALENTVOL ANNEXEERDER.

't Is wel eens gezegd dat er in Nederland moed toe behoort om te zijn wat men "auteur" noemt. Immers zeide men, het land is zoo klein en bovendien is het aantal Nederlandsch lezende Nederlanders naar verhouding te klein. Ja, voegde men er bij, de volharding van een Nederlandsche auteur mag wel bewonderd worden: hij is kunstenaar uit roeping, uit liefde tot de kunst.

Op deze vereerende beschouwing mogen we niets afdingen. Wel hooren we achter ons vragen, of Joostje, die met de meeste volharding dagelijks lucifers vent--voorzeker gedreven door een inwendige roeping om anderen van vuur en van licht te voorzien--niet insgelijks om zijn volharding moet worden bewonderd? De stumper weet immers dat hij maar weinig kans op debiet en nog minder op prijsjes heeft, want, zegt Joostje, gaat de eerste niet dadelijk af dan heeten ze allemaal vochtig.