De lelie van 's-Gravenhage

Chapter 22

Chapter 224,027 wordsPublic domain

Maar nu moet U hooren. U weet nog wel dat de officier dat mes achter in den rug kreeg en neerviel? Nu, en toen kon hij niet verder; en de aandrang van het volk was zoo groot--want het paardenvolk met de kanonnen kwam ook al achteraan--dat een sergeant en twee soldaten van de Pruisen, den officier maar gauw in het huis droegen waar ze juist voor stonden. Nu was dat eigenlijk hoognoodig, want de officier zou bijna door zijn eigen volk onder den voet zijn geraakt, zoo hard liepen ze van blijheid dat de Franschen op de vlucht waren en het weer hadden verloren. En ziet U, dat was nog gelukkig, want nu de officier er in was, nu werd het huis niet in brand gestoken, en het was juist het huis van den timmerman. Vindt U dat niet baldadig, dat in brand steken? Maar nu moet u verder hooren, want, daar was het om! Toen die vreemde soldaten dan in het huis kwamen, zagen ze de drie kinderen.--Alphonsje was bang geworden voor zijn vader, die daar zoo akelig op den grond lag, en was boven op een kastje geklauterd. Kleine Henri schreeuwde uit al zijn macht, en kleine Lotte ook, zeker omdat ze haar moeder niet zag. De sergeant zei aan een der soldaten dat hij die kinders maar in de achterstraat moest jagen, en dat hij het lijk van dien man in de werkplaats zou sleepen.

Alphonsje schreeuwde nu op die kast uit al zijn macht, en smeet den soldaat die hem pakken wou, met een mooi pronkkopje; maar het raakte gelukkig niet.

Toen de soldaat hem eindelijk beet had, en Henrietje ook, en hij Lotte met haar mooie zwarte oogjes uit de wieg wilde nemen, toen begon Alphonsje zoo hard om zijn vader en moeder te gillen, dat de mannen zelf er naar van werden.

"Afblijven! Zusje geen kwaad doen!" riep hij, allemaal in het Fransch: "anders zal ik je bijten!"--Dat verstonden die mannen niet, maar de officier, die op het bed van den vader en de moeder was gelegd, en juist door een soldatendokter geholpen werd, zei iets. En toen kwam de soldaat met het kindje bij den officier. En de officier zag toen naar de kleine Lotte, en kreeg de tranen in de oogen, en zei in het Duitsch: "Och, mijn kind!"--Weet U, toen dacht hij aan zijn eigen kindje, omdat hij ook zou doodgaan. De soldaat moest Lotte toen eens heel dicht bij hem houden. En toen zei hij nog eens: "Och mijn lieve kindje!" En het kindje lachte; zeker omdat hij zooveel mooi rood en gouden knoopen aanhad, en zei: dada, net als kleine kinderen bij ons in het Hollandsch, en toen kuste die officier het kindje op de mooie roode lipjes, o zulke snoeperige lipjes--net rozévleugeltjes--en zei toen: "Hier blijven, hier!" en viel toen in slaap. U begrijpt wel, dat zei de officier.

En zoo gebeurde het ook; de kinderen mochten in het huis blijven, precies zoolang als de officier er bleef. En een heel arme buurvrouw moest hen daar verzorgen en oppassen, want de kinderen hadden niets geen familie, en een weeshuis was er niet, en de rijke menschen, die er toch maar weinig in het stadje waren, hadden zooveel te geven en op te brengen dat ze aan geen weezen konden denken. Nu dat behoefde ook niet; want weet U wie die officier was? Dat was een neef van den Prins Von W., een heel voorname rijke Duitsche officier. En wat heeft die gedaan? Die heeft gezorgd dat de drie kinderen van den timmerman op een van zijn eigen landgoederen in den kost kwamen, en hij zal ze laten leeren net als in ons weeshuis.

En, nu is het uit; maar nu zei de Mijnheer, die ons dit vertelde dat wij eens moesten nadenken hoe slecht het is dat menschen elkaar zoo doodmaken, en hoe dom het is om te zeggen dat al de menschen, die op bevel tegen andere menschen vechten, verdoemd zijn; want de officier, die door de vrouw in haar akelige droefheid bijna dood werd gestoken, en dus zeker in haar oogen een van de eersten moest zijn die verdoemd zouden wezen, diezelfde officier, hoewel hij riep dat men haar zou doodslaan, hij meende het zoo niet, want hij werd toch om zoo te zeggen het weeshuis voor die kinderen.

Als het nu wezenlijk waar is dat Onze lieve Heer menschen verdoemt--maar dat zal Hij wel niet, want Hij is toch zoo goed nietwaar?--dan denk ik dat hij het tenminste nooit al die arme menschen zal doen, die zonder dat ze boos op elkaar zijn, toch malkaar moeten doodslaan, maar veel eerder die keizers en koningen omdat zij het beginnen. Hé! zoudt U wel zoo'n keizer of koning durven zijn? Zij zullen zeker 's avonds in het donker wel bang wezen. Wij zijn het heusch nooit meer.

En wat we hier aan het eind nu nog zeggen wilden, het is dit:

Lieve Mijnheeren en Mevrouwen, als het soms eens moest uitkomen dat dit niet alles precies zoo gebeurd is--want de menschen vertellen tegenwoordig zooveel--dan is het toch zeker waar dat er door al dat slechte moorden en vechten, veel, heel veel ongelukkige weesjes onder de Duitsche en Fransche menschen zijn gekomen, al hebben dan velen ook hun moeder nog behouden. Nu dan, wij hopen dat U, die altijd zoo goed voor ons zijt, ook aan hen zult willen geven als er soms wat gevraagd wordt. En als U dat doen wilt, dan wil de Mijnheer, die ons dit stukje vertelde, het ook wel ten voordeele van die arme kinderen in het licht geven, met zijn naam er bij. En weet U, dan zouden wij ieder zoo graag een week zakgeld geven; dat was dan van ons allemaal iets in dit nieuwe jaar voor de weezen van 1870.

En nu, lieve Mijnheeren en Dames, bedanken wij U nog eens hartelijk, en hopen dat Uw kinderen U allemaal heel lang zullen behouden.

O ja, de Mijnheer vertelde nog, dat de neef van den Prins Von W. weer beter wordt; en dat Alphonsje wel eens op zijn knie zit als hij een enkelen keer bij hem komt, en dat hij hem dan maar zoo, alsof het geen neef van een prins was, bij den langen knevel trekt.

Henrietje daar weet ik niks van, maar Lotte drinkt Duitsche koemelk.

UIT "DE SPECTATOR."

GEEN RECENSIE.

De heer W. C. Wansleven Jr. heeft dezer dagen een verzameling zijner verspreide lettervruchten onder den titel Kleine verhalen het licht doen zien.

De geachte auteur heeft de bijzondere goedheid, om de genoemde verhalen door een kort woord tot mij gericht, te doen voorafgaan.

De heer Wansleven vangt aldus zijn schrijven aan:

"Als ik er met de uitgave van deze mijne Kleine verhalen niet te best afkom, zal ik het verdriet daarover grootendeels aan u te wijten hebben. Gij toch hebt met zeldzame volharding op die uitgave aangedrongen. Ik weet wel waarom gij het deedt...." en de schrijver zegt dat hij er alleen het bewijs mijner belangstelling in ziet. "Maar," zoo vervolgt hij iets later, "gij hebt waarschijnlijk niet bedacht dat er sedert het opstellen van het jongste dezer novellen al verscheidene jaren zijn verloopen en de smaak van ons lezend publiek in die jaren aanmerkelijk is gewijzigd, zoodat ook gij voorzeker, als gij ze nu voor de eerste maal laast, er u niet zoo mee ingenomen zoudt betoonen als ge als knaap en jongeling deedt."

Dit schrijven, het pleit m. i. slechts voor de buitengewone nederigheid van den geachten auteur.

Ofschoon volgaarne toestemmende dat de smaak van ons lezend publiek in de laatste jaren is gewijzigd--ik meen ten goede gewijzigd--zoo begrijp ik echter niet hoe die smaak in een tijdsverloop van nauwelijks vier jaren--de tijd die er sedert de eerste verschijning der genoemde "jongste novelle" verliep--zoozeer zou kunnen gewijzigd zijn, dat men nú zal verwerpen wat toen met graagte gelezen, en o. a. door een geestig en zeer begaafd beoordeelaar, in een goed bekend maandwerk, ten zeerste geroemd werd.

"Ons Spieker," zoo schreef T., in het Maart No. van De Tijdspiegel, jaargang 1859. "Ons Spieker van W. C. Wansleven, wien wij alleen verwijten dat hij zoo zelden als schrijver optreedt, tintelt van waarheid; de eigenaars van dat Geldersche buitentje zijn uitnemend geschetst, al verschillen ze onderling niet weinig, terwijl het geheel overvloeit van lessen voor wie ze er uit halen wil."

Mij dunkt dat mijn stelling geen nadere verdediging behoeft. Ofschoon ook het uitgebrachte oordeel over Ons Spieker niet gelden kan voor het overige zevental novellen, zoozeer van elkander verschillende; waar deze ons voert naar het paleis van Galilea'a viervorst, Herodes Antipas; of gene naar Bethulië als een Judith er zegevierende binnentreedt met het hoofd van Israëls vijand; of een ander weder naar Smyrna, waar in de tweede eeuw onzer jaartelling de grijze Polycarpus als Christen blijmoedig den marteldood sterft; of ook waar die overige verhalen ons terugvoeren naar het midden dezer eeuw, en ons op aandoenlijke wijze de slachtoffers toonen van kwalijk begrepen eergevoel, van een zoogenaamd "goed huwelijk", van geloofsdwang en lagen hartstocht in 't eind; ja, ofschoon het niet te verwachten is dat de kritiek--waar zoo velerlei smaak en richting haar bestuurt--over al deze verhalen een oordeel zal vellen, zooals er over het genoemde juweeltje werd uitgebracht,--ik geloof in waarheid dat de geachte schrijver, waar hij met een verwijt als het bovenstaande vereerd werd,--zijn onderstelling met de meeste gerustheid had kunnen terughouden, evenals naar sommiger meening wellicht den geheelen brief, die het boekske tot inleiding strekt.

En toch, al had ik zelf den heer Wansleven het schrijven van dien brief moeten ontraden, nu hij geschreven is, nu verheug ik mij er in, want slechts door hem kon ik er toe komen om dit woord te spreken, en openlijk den innigen wensch te uiten, dat de waardige auteur--aan wiens talent en dichterlijk gevoel de jongere vriend zooveel te danken heeft, die in zijn vriendelijke woning of aan zijn zij in Lochems schoone dreven zooveel onvergetelijke indrukken ontvangen mocht--dat hij zal terugkomen van zijn besluit "om de pen te laten rusten", maar de Nederlandsche litteratuur nog dikwijls zal verrijken met de vruchten van zijn geest en zijn hart, het allerliefst geplukt in den rijken gaard zijner dagelijksche omgeving.

's-Gravenhage, 9 Sept. 1863.

MIJNHEER DE SPECTATOR!

"Mijnheer de Spectator!" Om dien aanhef heb ik eens iemand vreeselijk hooren lachen. Die lacher vond het dwaas, en bovendien vond hij niets heerlijks aan de Spectator. ZEd. was boekverkooper en had er geene enkele bestelling op. Maar--ofschoon de man gerust mocht lachen, aangezien de Spectator zoomin als de redactie een mijnheer is--immers indien ik mij niet bedrieg bestaat de laatste uit twee of drie mijnheeren--zoo schreef ik toch in navolging van anderen: Mijnheer de Spectator, en 't blijft er staan. Wat doen we niet veel in navolging van anderen, soms dwaas, bespottelijk dwaas.... Vormen mijnheer, je kunt alle vormen niet zoo inééns op zij zetten.

Doch ter zake. Ik wend mij tot u mijnheer de Spectator, dewijl mij in den laatsten tijd vele vragen zijn gedaan, die ik graag beantwoorden wil. In de eerste plaats--metterdaad--de dikwijls herhaalde: Schrijf je niet meer in de Spectator?--Liefst geen vertellingen mijnheer, ziet ge, omdat ik niet houd van afbreken--al is het stuk dan ook zoo voortreffelijk niet. De meerderheid raakt de klus kwijt, en het stuk, waarvan men trachtte een goed geheel te maken, ligt verbrokkeld. Er moet altijd weer verzameld worden, dat is niet anders.

Mijn vriend B kon wel gelijk hebben, indien hij nu al voor de tweede maal een zinspeling in mijne woorden heeft gevonden. Geen wonder, ik wil vragen beantwoorden; die antwoorden liggen gereed, en, iets anders ligt mij op het hart. Dat moet er af!

Desiderius, ik heb uw stuk "Een afscheid aan de kerk", naar aanleiding van Dr. Piersons jongste geschrift, in het eerste nommer voor 1866 van de Ned. Spectator, gelezen.

Ik moet daareven over spreken, want het heeft een diep leedgevoel bij mij verwekt. Hoe is het mogelijk, dacht ik na de lezing, dat beminnelijke, brave, rechtschapene en veelal zoo helderziende menschen, een oogenblik in den waan komen dat Revilles: "Jan Rap,"--door verstandigen althans--op hen wordt toegepast. De De Génestets Jan Rap ziet op degenen, die zich verheugen in den ondergang van al wat rein is en edel:

"Als hij 's avonds laat thuis komt psalmzingt hij: Vrijheid! Blijheid!

"Zijn geweten is van ruim fatsoen en tamelijk versleten."

In één woord. 't Is de dierlijk lichtzinnige mensch. Neen--waar streven naar volmaking is, in den edelsten zin, daar is geen Jan Rap, daar is godsdienst.

En nu over de kerk. (Ik versta onder kerk een vereeniging van menschen, die dezelfde of nagenoeg dezelfde Godsvereering of Godsdienstige uiting hebben.)

Onder die vele kerken is er noodwendig ééne, die de zuiverste vormen heeft of er naar streeft. Ik geloof dat de nieuwe of zoogenoemde Moderne richting in het oog der edele vrije denkers--van Jan Rap spreken we niet--dan toch nog de beste richting of kerk is. Voorzichtig dan, vel den boom niet omdat zijn vruchten nog groen en onrijp zijn.--Maar gij, Desiderius, gij wilt hem niet vellen, gij wilt hem dulden. En als ge dan aan anderen die vruchten gunt, vergeet gij het lommer....? Doch waartoe die beelden. Ik bid u, blijf niet stilstaan bij de tientallen die gij kent; bij menschen onder hen, als gij, bevoorrecht boven velen met gaven van geest en van hart; neen, zie in breeder kring, denk aan de duizenden van nabij en verre, in steden en dorpen, die slaven den ganschen dag--en ze zullen er tot den einde toe zijn--om zich schatten te verzamelen en tot eer of grootheid te geraken. Zie rond, telkens verder, en juich het dan toe dat er in al die steden en dorpen nog mannen worden gevonden--wij hopen hoe langer hoe meer, eenvoudige mannen, beseffende dat ze mensch zijn en niets meer,--mannen, die er in de grootste gebouwen--welke met hun hooge torens zich als boven het alledaagsche verheffen--den medemensch herinneren dat er nog iets meer en iets hoogers is, dan geld en goed, en eer en aanzien: weldoen in stilte; den naaste te geven wat hem toekomt; aan den beleediger de hand ter verzoening te reiken.--Juich het toe dat er nog gewezen wordt op de schoonste bladzijden der wereldgeschiedenis, of op voorbeelden vol leven en gloed.

O, ik heb zooveel te zeggen, maar de woorden op 't papier zijn te zwak. Daar is een kerk noodig, daar zal een kerk noodig blijven zoolang de mensch geen dier wordt. De mensch wil Godsvereering, hij wil, hij moet aanbidden. Gij Desiderius doet het ook. Ja innig; al bewondert ge maar het genie in den mensch, die sprank van het Ongeziene. En als ge dat doet, dan huldigt ge God. Als ge verrukt staat waar de dalende zon speelt over de rosse hei, daar aanbidt ge. En als ge sprakeloos van verrukking daar hoordet aan uw zij: Hoed af voor den grooten Schepper van hemel en aarde! gij zoudt....

Maar hoe, twijfelde ik daaraan een oogenblik? Neen, waarlijk waarlijk neen. Maar anderen twijfelen daaraan, niet waar....? doch daarvan later.

En de aanbidding van het genie, het verheven reine genie van Jezus was juist uw grootste grief tegen de kerk tot heden. Maar nu, nu wil de nieuwe richting geen genie-aanbidding meer. Zij wil--indien ik haar wel begrijp--hulde brengen en recht laten weervaren aan het groote genie van vóór achttien eeuwen, aan den onovertroffen dichterlijken tolk der verhevenste uitingen van het menschelijk hart. Zij wil zijn lessen volgen, die nooit in schooner en sprekender vorm werden gegeven. Zij wil prediken: "Och menschen onder dezelfde zon, hebt toch geen twist en tweedracht onder elkander, en neemt geen wraak als men u misdeed." Immers zoo krachtig, maar tevens zoo dichterlijk klonk het: "Vergeven zult ge tot zeventigmaal zevenmalen; die u sloeg op de linkerwang, keer hem ook de rechter toe." Is dat niet geniaal? Ja, 't is nu een oud en bekend refrein, maar 't is prachtig geniaal. Daar kunt ge niet tusschen komen, met geen speld. Al onze maren zijn van nul en geen waarde.

Ja, zich te veredelen, te verheffen naar den rein godsdienstigen zin van Jezus,--ik meen dat deze zin de veelal zoo mystiek verklaarde heilige geest is--dat is, naar ik vertrouw, ook de leus der nieuwe richting in de kerk, die moet blijven arbeiden totdat alle menschen--ook de zeer zeer slecht ontwikkelden, vrij zullen kunnen denken en geen herinnering meer behoeven aan hun duurste plichten, of, wilt ge, aan de eischen der ware humaniteit, die wel niets anders zal bedoelen dan den naaste liefhebben en den Schepper bovenal.

Maar, hoe dikwijls zal vóór dien tijd de boom zijn blad nog verjongen?--Voorzeker, een kerk zal er noodig zijn, noodig, zoolang de mensch behoefte heeft om een Eere! Eere! te brengen aan dien Oneindige en Onbegrijpelijke, die de zonnen doet wentelen door het heelal en een gansche wereld onderhoudt in een enkelen waterdroppel. Noodig, zoolang de mensch gevoelt dat hij volmaakt zou kunnen zijn, maar het niet wordt op deze wereld; zoolang hij beseft dat er oneindig veel is wat hem in dit leven nimmer zal geopenbaard worden, hoezeer hij er naar haakt, hoe dikwijls hij ook naar de ontsluiering van vele raadselen smacht. Een kerk zal er moeten zijn om te troosten met de gronden der hoop, dat het leven niet eindigt met dit aardsche bestaan, waar het wijst op levens vol onschuldig lijden en onverdienden hoon; op het sterven van zuigelingen, van mannen en vrouwen in de kracht van het leven, zoo uitstekend en nog zoo nuttig in hun kring; van ellendigen, kinderen van ontaarden, die rondtastten hun gansche leven in de onreinheid en stierven met een godslastering op de lippen.

Op dat alles heeft de kerk die duizenden te wijzen. Ja stichten, troosten, vermanen en veredelen moet zij zonder ophouden; maar ook aansporen tot nutte werkzaamheid in het heden, om in 't eind te komen tot den blijden toon: Moed gehouden als u deze aarde ontvalt, want luister, luister naar den genialen dichter:

"Vele woningen zijn er in des Vaders huis!"

Maar immers ik wist het, Desiderius heeft hier niets tegen. De kerk besta, mits zij den ouden slenterweg verlate. Geen nieuwe wijn in oude zakken, geen....

Maar toch wel een versterkende spijs in de aarden pan, als men tot nog toe geen porselein bemachtigen kon. Toch liever met de grove schaaf geschaafd dan met de zachte vlakke hand over het ruwe hout gegleden.

Hoe dan, geen doop! Geen avondmaal! Geen kerkelijke inzegening van het huwelijk meer! En waarom niet, mits geen geheimzinnige mystieke kracht daarin gelegd of gezocht wordt:

Het kindje wordt opgenomen in de groote vereeniging van menschen, die op dezelfde wijze naar God en volmaking streven. Met helder water wordt het gezichtje besproeid. Water, het beeld der reinheid. En dan--zou het niet goed zijn dat die ouders--velen althans--omringd van vrienden en getuigen, nog eens worden herinnerd aan de plichten die hun, met het geschenk dat ze ontvingen, zijn op de schouders gelegd, en aan God beloven: Vader! wij zullen ons kindje opvoeden naar UW reinen wil.

Geen avondmaal! Waarom niet? Is het, in kleine plaatsen vooral, niet een aandoenlijk en plechtig middel om menschen met menschen te vereenen, hun te herinneren dat ze gelijk zijn voor den Oneindige; dat ze liefde moeten hebben voor elkander, en dat verzoening--zoo die noodig is--hun een ongekende zaligheid schenken zal--Maar in die groote kerken? Ja, ja! daar moet verandering komen.... of.... de menschen moeten veranderen, ik weet het niet.

En 't kerkelijk trouwen!--O, begin maar vrij uw huwelijk in het huis, dat aan den Schepper aller dingen is gewijd! begin maar vrij met een lofzang aan Hem uit het hart.... Noemt gij het dwaas? Mij komt dat uur niet in de herinnering of nog wellen er tranen in mijn oogen. Dwaas? noem dan heelemaal een huwelijk dwaas, of uw moeder een zoen geven dwaas, en zooveel, zoo ontzettend veel dwaas, bespottelijk dwaas!

Maar Desiderius, dit zeide ik niet tot u. Ik dacht niet eens meer aan u, want tot u moet ik geheel anders spreken. Gij zoudt recht hebben indien gij u gekrenkt vondt, beleedigd door een liefdeloos en onrechtvaardig oordeel van zoo velen uit den schoot der kerk--der oude vooral--dewijl zij u niet kennen, niet begrijpen en u veroordeelen omdat gij hunne vormen niet als voortreffelijk huldigen kunt, omdat hun geloof voor u geen waarheid is, en gij vrij wilt zijn en vrij wilt denken en God dienen in 't gemoed op uwe wijze, zelfs al moest het schijnen dat ge leeft zonder een God.

Maar hoe--waarom kant ge u tegen de kerk, terwijl gij slechts gewetensdwang en liefdeloozen eigenwaan te bestrijden hebt. O sla de bijl niet aan den stam waar de boom zich verjongt met frissche blaren, ofschoon ze nog teer zijn van vorm en van kleur. Nog eens, zoolang er menschen leven zal er Godsvereering zijn, en de Godsvereering wil zich meestal uiten op breede schaal en heeft een vorm noodig, altijd een vorm.

Schrik ze niet af de jongelingen, die zich wijden willen aan de ontwikkeling der menschheid; die verlichten en voorgaan willen in het goede en zich stellen tegen dogma en gewetensdwang. Spreek hun moed in met mij, 't is zulk een schoone roeping, raad en troost te geven aan zwakken en armen; op te bouwen in het goede, den mensch te houden in den heiligen zin, in den geest die uit God is: reinheid! liefde!

En hoe, hoe zullen en kunnen ze daartoe komen, in al die steden en dorpen, dan binnen de grenzen--ik had haast gezegd dan binnen de muren eener kerk, die feilen zal in begrippen en vormen tot den einde toe, evenals wij feilen Desiderius, evenals gij en ik.

Dit moest mij van 't hart, mijnheer de Spectator! De vragen beantwoord ik nader; misschien is dit meteen wel het antwoord geweest op de vraag: Zijt ge het altijd eens met den Spectator? [11]

Jan. 1866.

(Wordt vervolgd).

II.

Mijnheer de Spectator!

Gij herinnert u het doel van mijn schrijven, namelijk om op eenige vragen, die mij in den laatsten tijd gedaan werden, het antwoord te geven.

Ik spreek maar terloops van sommige aanzoeken, om pas verschenen boeken te beoordeelen, o. a. een werk van Ds. Adama Van Scheltema, getiteld: Wat ik goeds zag in den vreemde, 't geen ik reeds goed zou kunnen noemen, omdat het goede op te merken in mijn oog heel goed is,--ook het goede niet in den vreemde.--Maar immers ik ben geen recensent en al heeft een geestig vriend eens beweerd dat men zulke dingen niet zeggen moet, ik zeg het toch nog maar even heel zachtjes aan u, mijnheer de S. in de hoop dat men mij daardoor niet meer met de toezending van werken ter beoordeeling vereeren zal.

Maar de fabriekskinderen! Komt daar nu niets van? Is dat al doodgebloed? Is die commissie van onderzoek....?

Stil, dat zijn vragen die zeer doen. Nietwaar, 't gaat langzaam, alles zeer langzaam in ons lieve vaderland! Misschien heeft het zijn goede zijde, maar--'t is treurig, heel treurig, dat die arme, bleeke, naar ziel en lichaam verwaarloosde kinderen intusschen nog maar altijd op vele plaatsen 15 en meer uren daags moeten werken, dat ze nog maar altijd niets NIETS kunnen leeren, en dat men in Nederland menschen doemt tot machines, tot wezens dikwijls beneden het redelooze dier.--Wij moeten geduld hebben. Ik vernam dat onze minister van Binn. Zaken al gedurig naar den uitslag van het onderzoek der commissie heeft gevraagd. Maar, de commissie zal waarschijnlijk niet altijd haar tijd beschikbaar hebben voor de taak, die zij gaarne uit plichtgevoel of menschlievendheid aanvaardde, en vermoedelijk heeft zij te kampen met velerlei natuurlijke bezwaren. Doch--geduld! de tijd komt waarin zij erkennen zal dat er verandering noodig is; erkennen, dat die arme kleinen nimmer kloeke mannen en vrouwen, nimmer knappe werklieden kunnen worden; misschien zelfs zal zij zich losrukken van de hoogst twijfelachtige cijfers in dezen, om, getroffen door zooveel ellende naar ziel en lichaam, van onze regeering te vragen een wet ter regeling van den arbeid der fabriekskinderen.

Maar die regeering, mag zij de Nederlandsche industrie aan banden leggen....?