Chapter 21
Het was een feestdag waarvan een eenvoudig doch rechtschapen man getuigde, dat het de schoonste zijns levens geweest was, een dag, die hem onvergetelijk zou blijven tot aan zijn jongste ure.
Nu ik, mijn Pieter, als ik geen oordeel waag uit te spreken over het al dan niet wenschelijke eener herhaling van zulke feesten in ons dierbaar Nederland--dewijl gij mij toestemt dat men den boom toch eerst aan zijn vruchten leert kennen--terwijl ik u voor het laatst in gedachten de hand druk, en u langzaam zie verdwijnen in de diepste verte van het straks weer eenzaam en schemerig woud--dan--dan tuur ik ook nóg eens naar het rookzuiltje dat opstijgt uit de schouw als het van lieverlede schuil gaat in den zachten avondsluier.
En dan--dan komen ook die dagen mij weder voor den geest, de dagen aan uwe zij in Wolfhezen gesleten, en de wensch wordt vurig in mijne borst: dat Wolfhezen, door zijn edele eigenaars, zoo ongerept als tot heden, voor het nageslacht moge bewaard worden, zij het niet slechts ter wille van den verrukten natuurbeschouwer of den zoon der kunst, maar zelfs--als het zoo wezen moet--om er ook weder vele menschen bijeen te vergaren, menschen steeds edeler en reiner; niet oordeelende en verdoemende, maar één, één in de heiligste Liefde.
GEDACHTE OP DEN LAATSTEN AVOND VAN EEN DROEVIG JAAR.
De Bestuurder van den Spoortrein, waarmede wij allen reizen, schijnt jaarlijks al meer en meer snelheid en vooruitgang te beoogen.
Wat halen de Engelsche en Duitsche Spoorweg-Maatschappijen bij de onverpoosde snelheid, waarmee de Tijd ons met zich voert.
't Was een droeve landstreek, die wij voorbijgingen sedert het vorige Station; ja, 't was wel het droevigste en somberste gedeelte der geheele reize.
De lucht was zwart; 't verschiet lag in een donkeren nevel; het liefelijk gekweel der vogelen deed zich niet hooren, hunne reine zangen waren door den stormwind weggeloeid.
Maar bovenal zagen wij droevig voor ons neer, toen een lieve reisgenoot ons had verlaten; toen hij de plaats zijner bestemming had bereikt, en wij voorwaarts moesten--voorwaarts zonder ophouden.
Ja, het valt hard den beminden reisgezel te moeten achterlaten. Nog zit men gezellig bijeen; nog verlustigt men zich in zijn opbeurende gesprekken; nog beschouwt men dat vriendelijk gelaat, en drukt hem met teederheid de hand;--hij verlaat ons, en voordat wij nog recht kunnen beseffen, dat hij niet meer bij ons is, staat hij reeds zoo heel heel ver van ons verwijderd. Wij zien nog eens om; en ja--wij ontdekken hem, maar het is slechts flauw--dat telkens omzien valt ook moeielijk--nog eens--doch nu worden zijne trekken al onduidelijker; zijne stem kunnen wij niet meer hooren--de groote krachtige sleepmachine vliegt steeds voorwaarts, en--wij zien.... niets dan den zwarten nevel, die hem aan onze oogen onttrekt.
En nu: de bengel van een volgend station klinkt ons weder in de ooren. Wij zullen met een ander nommer doorstoomen--alweder sneller. Schijnbaar gaat het een oogenblik langzamer, doch neen, wij houden niet stil: Voorwaarts gaat het, voorwaarts zonder ophouden!
Heeft men het kwade gehad, dan volgt meestal het goede.
Na zware schokken en groote vermoeienis volgt eene zoete rust.
Wanneer de donkere wolken zijn weggedreven, dan zal het zacht azuur ons weer vriendelijk in de oogen stralen, en zullen wij met een helder zonnetje vroolijk mogen doorstoomen.
Tevredenheid moet bovenal onze onafscheidelijke reisgenoote zijn; de groote sleepmachine toch schenkt ons geen oogenblik tot verademing.
Of gij de reize moede wordt of niet, daar stoort zij zich niet aan. Voordat gij aan de plaats uwer bestemming zijt, kunt gij niet rusten; al hebt ge 't nog zoo hard op die houten banken der derde klasse,--al vermoeit gij u nog zoo in die stootende wagons der middelklasse,--al glijdt gij nog zoo dikwijls van die roodlederen zittingen,--ja! al geeuwt gij ook en al verveelt gij u ook in die mollige kussens der eerste klasse--'t baat u niet of gij klaagt,--gij moet mede.
Doch, mort niet, gij, die met weinige stuivers uwe reize moet vervolgen.
Wordt niet moedeloos, brave reizigers van den middelrang.
En gij--gij vooral--geeuwt niet, die daar makkelijk in het dons wordt gewiegd. Ziet--gij hebt niets dat u hindert; ziet, ú juist valt het zooveel lichter uw geest te verheffen. Waarom verveelt gij u? Hebben de reisgenooten op de harde banken en roede zittingen niet denzelfden droeven tocht te maken, dien gij te volgen hebt?
Maar nog ééne bedenking: Wij zijn vreemdelingen in deze streken; wij weten niet hoe lang de sterke machine ons nog zal medevoeren; wij kennen de plaats niet, waar wij moeten afstappen, en kunnen evenmin den juisten tijd bepalen, waarin wij met een ander voertuig naar ons eeuwig verblijf zullen worden overgebracht.
Daarom is de Waakzaamheid nuttig en noodzakelijk.
Laat ons niet insluimeren op de donzige kussens; indien wij sliepen zouden wij het doel onzer reis, onze ware bestemming lichtelijk missen. Hoe nuttig zijn de schokken,--hoe goed is het, dat nu en dan zelfs een lieve tochtgenoot ons verlaat!
Ziet, dáárdoor blijven wij wakker; dáárdoor worden wij tot waakzaamheid gewekt.
Moet men niet met verlangen het onbekende Land te gemoet gaan? Wilt gij liever slapen dan het schoone aanschouwen?
Zijt dan te vreden, en waakt!
Verlaat den wagen niet voordat gij geroepen wordt.
Vrij vermoeie u de reize.--Na uwe aankomst vindt gij rust--rust en vrede!
KENTEEKENEN VAN FATSOEN,
getrokken uit de brieven van een commis-voyageur aan zijn vriend Janus.
Waardste Janus!
Al tamelijk wel, kom ik tegenwoordig op de hoogte om mij als een zeer voornaam en hoogst fatsoenlijk persoon voor te doen.
Ja jongenlief, 't is een groot voorrecht, indien men kan opmerken, en het talent bezit om in praktijk te brengen, hetgeen men in de hooge wereld gebeuren ziet.
Janus, wij hebben 't altijd zoo best met elkander kunnen vinden, en daar je nu den patroon hebt verlaten om als reiziger van het huis Jeeger & Comp. de wereld in te treden, zoo wil ik je, gedachtig aan onze vriendschap, de juiste middelen aan de hand doen om, evenals ik, wanneer de bezigheden, vooral op den Zondag, het veroorloven, u en vrai gentilhomme te kunnen vertoonen.
Wij hebben veel vóór, Janus, dat wij drie jaren in het gezelschap van Leneuf, den maître tailleur van onzen patroon verkeerden. Al aardig hebben wij door dien omgang den Franschen slag beet gekregen, want je weet wel, hoe Leneuf, nog kort voor je vertrek, toen we met de winkeldames en heeren de potpartij hadden, verklaarde, dat er aan 't hof niet beter Fransch kon gesproken worden dan in onzen kring.
Fransch, Janus, dat is toch altijd een hoofdvereischte. 't Is verschriklijk onfatsoenlijk ons gemeen en plat Neerlandsch te spreken. Engelsch! Ja, ze zeggen wel dat de Engelsche taal thans meer in de mode is, maar ik bemerkte er weinig van, en, 't laat zich hooren dat zij niet algemeen wordt, want de hooge fatsoenlijke stand is behoudend, en nieuws aan te leeren of in praktijk te brengen, kost al te veel inspanning.
Vooreerst dan, Janus, spreek Fransch, spreek altijd Fransch, denk zelfs, wanneer je over straat gaat, hardop in 't Fransch; maar, dit zeg ik je, nooit over mantilles of guipures, maar altijd over graven en freules of wat met die hooglieden in verband staat.
Wat je toilet betreft, de tailleur van Jeeger zal, evenals Leneuf, wel het juiste snit aan je rok en pantalon geven, maar vooral, jongenlief, verlakte laarsjes, en op je kaken hamvormige bakkebaarden.
Zorg steeds, Janus, althans in de plaatsen waar je gezien wilt wezen, dat je nooit je stalendoos in persoon draagt; neem altijd een jongen, en laat hem minstens twintig passen achter je aankomen, want zaken hebben, is erg onfatsoenlijk. Verder, mijn vriend, is de wijze, waarop je loopt, gansch niet onverschillig; 't hoofd op zij, den neus in de lucht, maar vooral, al braden de musschen op de daken, een tween onder den arm. Groeten op straat is in 't geheel niet voegzaam, den hoed afnemen staat bijster commun. Zie je personen, die je wel dient te groeten, knijp dan je oogen half dicht, glimlach, buig je hoofd even naar je rechterschouder, en wend het dan spoedig naar een andere zij, desnoods naar eene modiste, die voor haar raam zit, want, op mijn woord van eer, modistes en winkeldames, daar kun je zelfs op straat zoo vriendelijk tegen zijn als je maar wilt.
Wanneer je somtijds eens een coup hebt gemaakt, waar de patroon niets mee te maken heeft--je verstaat me--verknoei dan toch nooit je geld aan den zoogenaamden "kalen bluf". 't Is kale bluf waar je niets verder meekomt, indien je in een afgesleten huurrijtuig gaat toeren. Spaar je geld en loop liever; loop liever tienmalen met je tween over den arm en je lorgnet in 't oog--want goed te kunnen zien, is ook bijzonder onfatsoenlijk--rondom de buiten-sociëteit, alsof je er je rijpaard wacht, dan dat je een glas advocatenborrel of zelfs malaga drinkt, in een tent of kroeg, waar iedereen binnenrukt, die geen lid van No. één kan worden.
Spaar je geld, Janus, en dineer liever eenmaal in een der eerste hotels goed, dan dat je tweemaal eet, zonder aan je fatsoen te werken.
Kom je de groote zaal binnen, waar table d'hôte gehouden wordt, zie dan volstrekt niet naar 't geen op tafel staat, maar, valt je een persoon in 't oog, die gedecoreerd is--'t metalen kruis niet meegerekend--knijp dan, weer glimlachend, hoofdbuigend je oogen dicht, en hoewel de gedecoreerde je niet kent, hij zal zijn geheugen ontrouw noemen, je wederkeerig groeten, en terwijl je, na de wijnkaart te hebben ingezien, een flesch wijn bestelt--maar vooral een fijn merk--zal hij aan zijn buurman zeggen dat hij je kent maar niet thuis kan brengen, en je voor den zoon van een zijner voorname kennissen houden.
Als je de soep eet, vooral slobberen of liever slurpen, jongenlief, en in 't minst geen moeite doen om den garçon in 't aangeven van borden of lepels en vorken behulpzaam te zijn. Aan tafel iets lekker noemen is allerijselijkst gemeen; nooit vragen wat het is dat men je voorzet. Je moet eten alsof je niet weet dat er zuurkool in de wereld is, en wanneer je spijzen worden voorgezet, waarin je zwarte stukken vindt, dan moet je die toch vooral niet ter zij leggen, in de meening dat het iets onzindelijks is; beste Janus, al vindt gij 't niet, 't is een erkende lekkernij, want die zwarte stukken noemt men truffels en kosten razend veel geld. Ben je bij toeval naast een persoon geplaatst, die je wat bourgeois toeschijnt, geef hem op zijn vragen vooral geen antwoord; doe alsof je niet bemerkt dat hij je aansprak, maar geef te gelijkertijd een minzaam knikje aan eene wat ver van je afgeplaatste jonge dame, die je bij toeval de freule Van L. hebt hooren noemen. Let op, de dame zal blozen; eensklaps zal zij een gesprek met haar papa of mama aanknoopen, je rechter buurman, een vreemdeling van hoogen adel, die straks door zijn anderen buurman betreffende de schoone, werd ingelicht, zal je vragen of je haar kent, en terwijl je vreeselijk met je broodje gaat kruimelen, geef je ten antwoord--en 't is geen leugen--eenmaal met de freule Van L. gedineerd te hebben. 't Is mij gebeurd, Janus, dat zulk een coup mij een tour en calèche bezorgde. Met een baron en calèche, hoe vaar je!.... Je zoudt me niet gekend hebben Janus, en of ik Janus zou gekend hebben indien hij ons toevallig op den weg ware tegengekomen, daar zal ik het antwoord liefst op schuldig blijven, want om fatsoenlijk te handelen, moet men in sommige gevallen wel kort van geheugen zijn. Eén ding echter, wanneer je ooit in zoo'n rijtuig mocht komen, dan raad ik je aan vooral niet te zitten; neen, liggen moet je, al is het laken ook nog zoo wit en zoo zuiver, gerust het hoofd er tegen aan, liggen is een hoofdvereischte; alleen fatsoenlijke lieden begrijpen hun positie in zoo'n rijtuig; 't is hun niets vreemds, en alleen door een nonchalante houding kan men toonen dat zulk rijden een alledaagsche zaak is.
Denk nooit, Janus, dat je voor een fatsoenlijk man zult gehouden worden wanneer je eenige avonden achtereen in het parterre van de opera verschijnt. 't Woord parterre alleen klinkt den man van rang en fatsoen in de ooren alsof wij van den Engelenbak spraken. Neen vriend, nooit daar beneden, liever eens in 't balcon, of wel in de stalles, dan avonden achtereen in dat verwenschte parterre.
Eene bijzondere studie wordt er toe vereischt om daar op een waardige wijze te verschijnen en b. v. voor een neef of vriend van den Franschen ambassadeur te worden aangezien.
Janus geef acht! Gesteld de Favorite wordt opgevoerd. Ten zeven uren neemt de voorstelling een aanvang. Om halfacht ga je er heen;--vergeet vooral niet een tooneelkijker te huren, let wel, omdat je den uwen vergeten hebt. Welnu, de deur der balconloge wordt je geopend, en, juist op het oogenblik dat Fernand uit het klooster is vertrokken, het sombere kloosterportaal in een lachende tuin wordt herschapen, en eene bevallige chanteuse van "Rayons dorés" begint te zingen, kom je binnen; buigt je hoofd eenmaal naar de rechter- en eenmaal naar de linkerzijde, waarna je je hoed op den grond en je lichaam in een fauteuil werpt; terstond daarop den kijker voor je oogen plaatst, om niet naar het tooneel, maar--zoo brutaal mogelijk--de zaal met toeschouwers rond te zien--vooral niet naar de bovenste galerij--lang, zóólang totdat de eerste acte geheel is afgespeeld.
't Gaat, Janus, met het mooi vinden als met het lekker vinden. Toon volstrekt door geen handgeklap, in 't geheel niet door bravogeroep, dat de muziek of zang je gehoorzenuwen streelt. 't Gebeurt somwijlen dat de Favorite werkelijk een Favorite is, dan, ja, dan maakt het een onderscheid, je kunt je dan spoedig overtuigen of het handgeklap fatsoenlijk wordt. Wanneer het parterre in een uitbundig gejuich losbarst over het "O! mon Fernand" etc. der Favorite, glimlach dan meelijdend, en debiteer aan een heer, die met een rood lint in zijn knoopsgat naast je zit, dat je te Milaan heel wat anders hebt gehoord; en, wanneer Fernand zijn: "Cette épée avilie, je la brise à vos pieds", uitgalmt, zeg hem weder dat het "tu mens"! van Duprez in de Jérusalem,--die je te Parijs hebt gehoord, heel wat sterker was. 't Geen je bijzonder te observeeren hebt zijn de balletten. Met alle gerustheid kun je dan met je kijker de bevallige en kiesche luchtsprongen volgen, die om het kunstige alleen je bewondering wekken; maar vooral, Janus, neem geen ijs in de entre-actes; men zou alras op het denkbeeld komen dat je geen ijs aan 't dessert had gebruikt.
Janus, wil je je hoogst fatsoenlijk houden, verlaat dan je loge nog vóórdat de belangrijke scéne tusschen Leonore en Fernand in het vierde bedrijf plaats grijpt, of wel vertrek juist op het oogenblik dat het: "Fernand imite la clémence", uit den mond van Leonore het plebs in vervoering brengt; en, ik ben verzekerd dat, zoo je na eenige dagen, of weken, of maanden weder in de balcon-loge komt, men je zal groeten als ware je een Don, of Lord, of Comte in eigen persoon. Jongenlief, ik heb hooge verwachtingen van de toekomst; wie weet hoe je vriend Gerrit--onuitstaanbaar onfatsoenlijke naam--je vriend Gérard, nog eens carriére zal maken. De goede manieren verschaffen in de hooge kringen den besten toegang; geld is een bijzaak, want jij, die jaren boekhouder bij den patroon bent geweest, jij weet het best, hoe onfatsoenlijk het--terstond betalen is.
Vaarwel, Janus, misschien later meer. Volg den raad van je vriend, die zich noemt:
Gérard.
P. S. Het is zeer fatsoenlijk tot de Waalsche religie te behooren; de Hollandsche kerken zijn in de beschaafde wereld geheel uit de mode.
IETS UIT HET JAAR 1870.
Medegedeeld aan de Leidsche Burgerij, bij den aanvang van het jaar 1871, door de Evangelisch Luthersche Weezen.
Wij willen U heden op den eersten dag van het nieuwe jaar niet zooals gewoonlijk een versje aanbieden. 't Was wel heel vriendelijk van de Heeren, die het vroeger voor ons maakten, en wij hopen ook wel dat zij het later nog eens weer zullen doen, maar nu moeten wij U zelf iets vertellen. Wij hebben het van een Mijnheer gehoord, die het voor ons zal opschrijven.--U moet dan weten, lieve Mijnheeren en Dames, dat er dit jaar een oorlog is geweest tusschen de Pruisen en Franschen. Nu, dat zult U eigenlijk wel weten, want de Vader las er alle dagen van in de courant. Nu moeten de Franschen een keizer hebben, en de Pruisen een koning--een koning is minder--maar de keizer, die tegen den koning gezeid had, dat hij maar moest uitkomen als hij durfde, heeft er leelijk van langs gekregen. Een vreeselijke boel menschen zijn er door dien oorlog gewond en gedood en gevangen genomen, en de keizer zelf is ook gevangen, maar die keizer zit niet achter tralies; dat dachten we eerst.
Nu, dit alles zult U wel weten, maar wij gelooven niet dat U weet wat er te S. in een dorp niet ver van B. is voorgevallen. Daar was een vader en moeder, een echte vader en moeder--niet zooals van ons--en die hadden drie kinderen, een van vijf, een van bijna vier, en een van bijna één jaar. Die vader was een timmerman en een Franschman ook.
Op een goejen dag--of eigenlijk een heel leelijken dag--toen kwam er een bevel dat hij mee moest vechten, want hij was zooveel als bij ons een schutter, of in 't vervolg een scherpschutter. De vrouw vond het wel verdrietig om het werk, maar zij zag er toch niet veel kwaad in, omdat de Pruisen, zooals ze allemaal zeiden, haast altijd verloren. Maar dat was niet waar, want in Frankrijk kunnen de groote menschen erg jokken. Nu, de vrouw was ten minste niet bang, en heel blij dat haar man in het stadje kon blijven, al moest hij dan ook gaan exerceeren. Het oudste jongetje--och hoe was nu zijn naam ook weer--een mooi jongetje met zwart krulhaar, dat niks anders als Fransch kon, vond zijn papa--want timmermansjongetjes zeggen daar ook papa--hij vond zijn papa veel mooier als soldaat; en als die papa van het exerceeren thuis kwam, dan mocht hij wel eens met de sabel spelen, maar die niet uit de schee trekken, want dan zou ie zich snijen. Aan 't geweer mocht hij in 't geheel niet komen, want dat was een gevaarlijk geweer, waar die papa zelf heel voorzichtig mee omging. Zoo'n nieuwerwetsch.
Nu gebeurde het wel eens dat de timmerman in een paar dagen niet thuis kwam, want men moest alles goed in orde hebben als de vijanden--dat waren de Pruisen--zouden komen; en dat vond de vrouw heel naar, en dan huilde zij wel eens, en dan begon de kleine Henri--zoo heette het tweede jongetje--ook te huilen, en het jongste kindje van den weeromstuit; maar dat vond het oudste jongetje niet plezierig en begon dan met een hamer zoo hard op de tafel te slaan, dat de mama hem verbieden moest en zoodoende niet meer schreien kon.
Op een anderen dag was de timmerman heel vroeg de deur uitgegaan, en had zijn vrouw eerst wel driemaal gekust, en gezeid dat het een heete dag zou worden; en toen had hij het kleine meisje, dat Lotte heette, gezoend en Henrietje ook, en later Alphonsje--o ja, zoo heette dat oudste jongetje.--En toen, met een paar tranen in de oogen, had hij nog gezegd: dat zij altijd maar gehoorzaam moesten zijn, en dat de Pruisen allemaal verdoemd waren. Dat wist die timmerman toch niet--van dat verdoemd zijn--want dat zou toch niet mooi van onzen lieven Heer wezen; maar dat zei hij alleen omdat de Pruisen den vorigen dag ergens in de buurt een paar dorpen en een stadje hadden ingenomen, en dat vonden de Franschen naar.
Nu gebeurde eigenlijk wat het ergste is. Maar de vrouw en de kinderen wisten het niet, en kleine Alphonsje speelde zelfs met zijn broertje soldaatje met een paar latten in de werkplaats. Het kleine zusje kon nog niet meedoen. Natuurlijk, nog geen jaar oud. Die stond in een loopwagen.
Buiten het stadje was, eerst nogal veraf, een vreeselijk gevecht. Daar werden wel tienmaal zooveel menschen in een uur doodgemaakt als wij hier samen kinderen in het weeshuis zijn--dat zei de Mijnheer--dus wat een boel!
Zoo omstreeks vijf uren 's middags waren al de menschen in het stadje vreeselijk bang, en hadden allen de deuren en ramen gesloten, want de kogels en verschrikkelijk groote bommen vielen op de huizen en overal.
De vrouw van den timmerman zat met de kinderen onder de woonkamer in een kleinen kelder, en zag niet eens dat het oudste jongetje met zijn vingertje uit een aarden potje boter zat te snoepen, en zijn broertje soms likken liet. Nu kwam het allerergste:
Een vreeselijk leven en gedreun en ijselijk schieten hoorde men in de straat. De Pruisen hadden de Franschen achteruit in het stadje gejaagd, en schoten er net zooveel dood als ze maar raken konden. Dat was akelig, want ze kenden hen niet eens, en hadden eigenlijk nooit geen ruzie samen gehad. Nu dat kon niet, want de een spreekt Fransch en de andere Duitsch.--Alphonsje werd toen bang, want hij dacht dat het heel erg donderde, maar dat dee het niet, en hij riep dat hij weer uit den kelder naar boven wou, en dat wou Henrietje ook; maar de moeder hoorde er niet naar, en bad met de oogen open, wel zesmaal achter elkaar het Onze Vader.--De Mijnheer zei dat ze niet Luthersch maar Roomsch was, maar dat de Roomschen net zoowel het Onze Vader bidden.
Toen ze nog bezig was, hoorde zij opeens een vreeselijk geweld, vlak voor de deur. Hoe het alles gegaan was, dat weten we niet meer, maar een klein beetje later klonk er vlak boven haar hoofd in de woonkamer, een slag alsof er iemand op den grond viel, en een geluid, alsof er kermende haar naam werd geroepen.
Zonder aan de kinderen te denken, vloog de vrouw toen de trap op met het kleintje in den arm--dat had ze altijd in den arm gehad. Alphonsje en Henri kropen haar na. U kunt wel begrijpen hoe zij schrok. Toen zij in de kamer boven de kelder kwam, lee daar de timmerman--die soldaat was geweest--vol bloed en heel akelig bleek op den grond. Van iets dat boven op een geweer zit, had hij dicht bij zijn eigen huis een vreeselijken steek door de borst gekregen. Met heel veel moeite was hij nog tot bij de voordeur gekomen, maar die was gesloten. Gelukkig was de deur van de werkplaats opengebleven--die had de vrouw vergeten--en zóó kwam hij nog binnen.
Toen de vrouw zoo haar lieven man zag, gilde zij van schrik, en wou hem nog ophelpen en water laten drinken; maar water zag zij niet, en drinken kon hij ook niet meer, want hij riep in het Fransch: "Vaarwel" en was dood. Toen gilde de vrouw nog erger en greep een mes, dat op de tafel lag, en hoorde niet dat al de kinderen schreiden, maar lee kleine Lotte haastig in een houten wiegje, en vloog toen naar de deur, en zoo de straat op.
De vrouw riep nu ook: dat al de Pruisen verdoemd waren; en, zonder dat ze haast wist wat ze deed, stak ze een voornaam soldaat, die met een heele boel soldatenvolk juist voorbij kwam, het mes in eens achter in den rug. Toen werd het nog akeliger, want de voorname soldaat, die een officier was, riep in het Pruisisch: dat ze het wijf moesten doodslaan, en het huis in brand steken! Toen hij dat gezegd had, viel de officier in eens achterover, want het was erg raak geweest; en de soldaten--dat waren Pruisen--werden toen vreeselijk boos omdat die vrouw dat gedaan had; en, nog gauwer als men het vertellen kan, had een der soldaten de arme vrouw met een kolf van zijn geweer zoo op het hoofd geslagen, dat het allerakeligst was en zij in eens heelemaal dood bleef.
Het was toch eigenlijk iets vreemds dat de vrouw, die pas nog dacht: ik zal die mannen doodmaken omdat ze mijn lieven man doodmaakten, nu zelve al dood was.
De Mijnheer zei dat het dien dag juist erg regende, en dat het water dat door de goot liep net zoo rood zag als bij den slachter als er geslacht is. Hoe vies! en het is toch al zoo naar van een beest!