Chapter 20
Ja, hij gevoelde dat zeer goed, en--hij zou maar eens een sigaartje opsteken. Weet u, maar ze zongen zoo gaarne, en straks dan zouden ze dit--dit lied eens aanheffen: "Het betere vaderland" dat was zoo schoon, en de wijs: bijzonder!
En de vriendelijke man al vond hij het lied ook schoon, hij wilde het toch den vreemde wel toegeven: ja--dat het vaderland voor de ziel toch eigenlijk in de eerste plaats, reeds de aarde moest zijn, en, dat het hijgen en zuchten naar een beter vaderland inderdaad ondankbaarheid aan den Schepper mocht heeten, aan Hem, die den hemel wel zeker reeds op aarde vestte voor hen die maar goed verstaan, dat de hemel der ziele is: DE VREDE VAN EEN REIN GEMOED.
Ja, al vond hij het lied toch schoon, hij wilde wel toestemmen ook, dat het uitzicht der ruste in het Jeruzalem daarboven "de stad voor Gods bruid met de straten van goud" toch eigenlijk geen ruste zou zijn in den zin van aardsche ruste.
Neen, ziet u, na dat viermalen: rust, rust! rust, rust! volgde de bepaling: Hemelsche rust!
Maar--zoo meende ik weder--of het dan toch niet beter zou zijn, den zin der menschen voor hier en voor eeuwig op te wekken, in stee van tot die hemelsche rust--tot een hemelsche WERKZAAMHEID?
Ja--ja, dat kon wel waar wezen, maar toch het was een mooi gedicht dat "betere vaderland" en de wijs! en de meisjes moesten straks maar eens aanheffen, doch--niet te hoog.
En het gezang klonk--ofschoon wat eentonig, toch lief, en toen het geëindigd was, toen knikte ik den zangers toe; en de meisjes namen de bijvalsbetuiging gaarne met een zedig glimlachje aan, en de man die haar leermeester was, hij zeide half lachend en hoofdschuddend meteen, dat het toch wel wat hoog was geweest: het blondje stonden er de tranen van in de oogen.
Of hij bedoelde dat het lied voor mij, den schijnbaar ongeloovige, te HOOG was, ik geloof het niet; dat velen het meenen zullen dat weet ik zeker; wij willen er niet over twisten, in den spoorwagen was er ook geen twist, 't was er harmonie tot den einde toe.
De feesttrein doorsneed de laatste steil afgestoken spoorwegheuvels, reeds vroeger door de meesten der Hollandsche feestelingen, met de verrukking der nieuwheid, als hooge bergen begroet. Nog een psalmlied werd gezongen, en het snijdend gefluit van den salamander weerklonk door Wolfhezens dreven.
Het is een steeds dalende straatweg, die van het kleine station door de breede, ten deele ontgonnen en golvende heivlakten heen, naar Wolfhezens paradijs voert. Straks zult gij het betreden. Maar nu.... Zie mij die schare eens aan!
Hier op dit heuveltje geklommen, ziet ge dien golvenden straatweg met duizenden menschen overdekt, gelijk aan een bontkleurig lint dat voortfladdert naar ginder.... verre.... tot aan het groene woud.
Welk een ontzettende menschenmassa op dezen anders zoo stillen weg der groote heerlijkheid. En nog altijd voert de stoom er nieuwe feestelingen aan, die--evenals wij nog kort geleden--er vrienden ontmoeten, waarmee ze zich voortspoeden naar het doel van hun verren morgentocht.
En ook ik, mijn dierbaar plekje, ook ik betrad u dan weder, maar nu in 't midden dier bonte menigte en mijn oog....
Maar stil; wat zoudt gij wel gezegd hebben mijn Pieter, indien gij al aanstonds op den oever van het beekje nabij de schoone eiken groep, die voor de hoeve staat, die lange blauwgeverfde broodkraam ontwaard hadt. Ik weet het, gij zoudt verdrietig zijn geworden en den blik hebben afgewend, om liever rechts te turen naar de bruine hei met de schaapskooi op den top, en 't geboomte van verre, waardoor de beek zich voortspoedt al verder en verder naar het stille dorp, om er het molenrad te doen klepperen. Of wel, gij zoudt den blik voor u uit gericht en u vermeid hebben in het frissche groen van het akkermaalshout, waarin de straatweg zich al slingrend verschuilt. Nietwaar, die houten kraam, gij hadt haar gewis ontwijding van dit schoonste oord genoemd, maar toch, toch zoudt ge de menigte zijn gevolgd, en het ongelukkige voorwerp zijn voorbijgegaan, dat den mensch zoo krachtig aan zijn menschelijkheid herinnert, om mij toe te geven in 't eind, dat er toch bezwaarlijk een betere plek voor ware te vinden geweest, en dat, waar vele menschen bij elkaar zijn gekomen, zelfs in de schoone natuur, al licht een wanklank geboren wordt.
Voor u wien Wolfhezens schoonste gedeelte nog onbekend is, wil ik er met de pen een flauwen omtrek van schetsen:
Op een groot kwartier afstands van de plek, waar wij langs den golvenden straatweg zijn aangekomen, ontspringt in een kleine vallei der heide, op den zoom van een sparrenbosch, het straks genoemde beekje.
Door dat sparrenbosch heen--welke plek gij niet zult vergeten--kronkelt het met twee armen, die zich echter al spoedig vereenen, in de diepte voort, van het Oosten naar het Westen; en, als wij blijven op zijn linkeroever--dewijl die oever ten Noorden het schoonste deel der streek en ook het feestterrein bepaalt--dan treden wij op den heuvelrug langs zijn boord het mastbosch door, en grijpen wel eens naar de groene struiken wanneer de voet, bij een golving van den grond dreigt uit te glijden op de mossige hei, zoo mild met dennenaalden bezaaid.
Reeds hier is het schoon; doch verder.
Steeds volgende het immer kronkelende stroompje ter rechterzijde, is het niet langer een mastbosch dat uw pad beschauwt. Zie, de blanke abeelen ze stoeien dooreen met beuk en met eik, hier opschietende uit het dichtst geblaart, daar met den ruig bemosten voet in den groenen oeverzoom.
En dan, terwijl het beekje bij elken kronkel als wegschuilt in slingerend braam- en struikgewas, terwijl het omlaag de breedgewiekte varen kust en dartelt door de biezen heen, dan wordt het woud--ofschoon niet dichter, steeds schooner van vorm en van tooi, en stralen de beekheuvels steeds rijker in kleurenpracht.
Zie--het fijne, grauw-blanke zand, het breekt en het schertst er al meer en meer door het fulpen tapeet, smalle paadjes zich banende langs den oever, 't zij hooger of lager, naar boven of onder, vriendelijk lachende tegen het malsche groen der lage plantjes waarin de bosch-bes schuilt; jubelende tegen den zwartbruinen zoom waarboven het paars-rosse heibloempje troont, schaterende waar zijn glinsterende kiezels als stoeien met het goudgele mos; stil zich schamende in 't eind waar de hel-witte berk zoo slank zich verheft en met de zilveren blaadjes victorie kleppert, hoog--hoog in de blauwe lucht.
En--als gij nog altijd voorttreedt met het beekje ter rechterzijde door die prachtige schoone natuur, en nu eens een berk of een beukenstam ontwaart, die door den storm, 't zij met de kruin in den vliet, 't zij van gindschen heuvelvoet tegen de helling naar dezen kant werd neergeworpen, dan treft u mede al spoedig--niet ver van een kleine ruimte in het bosch--de zware, nu schier vermolmde abeel, die er reeds vele jaren nederligt.
Pieter, wij hebben hem gekend toen hij zich stout verhief op zijn prachtigen stam en de reuzenarmen beschermend uitbreidde in 't rond, en de schoonste en krachtigste zoon scheen van 't gansche woud. Gij weet het nog, daar was een verborgen kanker in zijn binnenste, en--toen de storm eens loeide door het bosch, toen smakte hij den schoonen forschen boom ter aarde, en wij kwamen er, en stonden bij den gevallen stam, en zagen elkander droevig aan, maar toch, nietwaar--het was een schoone studie.
Ja zeker, zulk een gevallen grootheid is een schoone studie.
Met een weemoedigen blik naar den vermolmden boom gaan wij verder, mijn lezer, bij een sterkere kromming der beek de straks genoemde ruimte door--waaraan ik vluchtig herinneren zal--en naderen ongemerkt Wolfhezens bekoorlijkst gedeelte.
Nietwaar, bij iedere nieuwe bocht van het beekje vertoont zich als 't ware een schooner tafreel. De zandheuvels aan beide zijden zijn nog rijker in afwisseling van lijnen en tinten; nu eens steil dan weder zacht-glooiend afdalende naar de beek; ginds--aan de overzij, ten deele gevangen in de schaduw van den prachtigen beukeboom, wiens zware wortels nu eens naar boven worstelen om even het zonlicht te zien en dan weer schuil te gaan in het grauw-blanke zand; hier--de heuvel waarop gij treedt--dartel in het volle licht der stralende zon, de heuvel met zijn sprietjes en takjes en bloempjes die vaak zich al glanzende buigen.... over donkere diepten.
En dan, als gij den blik een honderd schreden ver, ter linkerzijde naar den hoogeren heuvel wendt--den heuvel dien wij een berg willen noemen--dan weiden uw oogen door een frissche vallei met een zachte golving naar dien bergrug omhoog, en--gij weet niet wáár gij u 't allereerst een wijle tot rusten zoudt nedervlijen.... Daarginds, op de helling van den ros-groenen berg, in 't lommer van eik en van beuk, van berk en den, als de zon er toch spartelt door takken en blaren en gouden glansen strooit in het groene boschbessendal.... Of hier, met het oog langs het aardige beekbrugje heen naar de hoeve in groenen krans gesloten, de hoeve die uit haar witte schouw een teeder rookzuiltje langs het donkere eikenloof doet opkronkelen, ten hoogen hemel.
En--schier turens moe naar dat rookzuiltje uit de schouw, zie ik ter linkerzij onder het zwaar geboomte aan het eind van den bergrug, een zonderling tafreel.
Met helm en werpspies gewapend, het zwaard in den gordel en den pijlkoker over den schouder; armen en beenen naakt en de voeten ongeschoeid, staan daar forsch gespierde mannen om een steenen altaar in wijden kring geschaard.
Zie, meer nabij het altaar daar staan met kaal geschoren kruin in witten tabbaard de priesters van Wodan, de handen ten Hoogen geheven, straks neervallende op de knieën, kreten slakende door de echo's weerkaatst.
En het droevig gekrijt van den zuigeling wordt overstemd door die kreten der priesters en door de Wodan-gewijde liederen hunner heilige barden.
En dichte rookwolken stijgen op van het altaar, en dwarrelen voort langs stam en langs takken, en zeulen in het dicht geblaart, en kleuren het morsig grauw. En hoor, een snijdende gil glijdt van den bergtop naar beneden; een jonge vrouw met opgescheurde kleeding, de lange blonde haren wild golvend langs naakte schouders en vollen boezem; een houten kruis in de dreigend gehevene hand, zij staat er en deinst op de helling terug. "Mijn kind! mijn kind!" krijt ze op zielverscheurenden toon: "Op Franken, wraak! Jezus Christus wraak! Wodan zij vervloekt! Zijn priesters vervloekt! Wraak, wraak voor mijn kind!" En zie, dan rijt ze met scherpe nagels heur boezem in bloed en ijlt den bergrug af op priesters en altaar toe en.... Ik zie haar niet meer.
Een ander tafreel, en meer van nabij, treft mijnen blik.
Een ontelbare schare van mannen en vrouwen, ten deele achter het struikgewas verscholen, ze staan of liggen er in bonte maar vast opeengedrongen groepen, het oog schier allen naar een en hetzelfde punt gericht.
Hun kleeding herinnert aan Neerlands roemrijkst verleden; de mannen in dichtgesloten wambuis, in wijde broek en strak om het been geslotene hozen; de vrouwen in haar stemmig gewaad.
Sommigen der eersten in rijkeren tooi, den korten mantel van fluweel op den schouder, doch evenals al die mannen de hoofden ontbloot, de eerstgenoemden hun laag ronden hoed in de hand, de laatsten de fulpen baret met golvende pluimen.
En daar, nabij den forschen eikeboom, daar staat op een lage vierkante kar een man in zwarte kleeding. Zijn stem bereikt ook den uitersten zoom dier schare waar de jonge moeder nederzit, en--luisterende steeds, haar zuigeling laaft; tot daar, waar de krachtige man den grijze ondersteunt en aan de andere zijde het jongske weerhoudt dat, tastende naar bramen, zich reeds de vingertjes kwetst aan de nijdige prikkels.
Een zoete vrucht in scherpe dorens!!
Ja, zie maar, die lieden met zinkroer en zijdgeweer, of ook met bus en hellebaard gewapend--op verren afstand ginds en her verspreid, zij houden de wacht, want hoor, die man daar in 't zwart, hij spreekt er op diep doordringenden toon--van de ure die gekomen is waarin tribulatiën en perikelen dreigen den uitverkorenen Gods, en de Antichrist strijd voert tegen de gezalfden des Heeren. Hoor, hij roept steeds met luider stemme:
Mannen broeders! wandelt als kinderen des lichts, vervloekende Satan en zijn ongerechtigheid; wandelt in de liefde onzes Heeren Jesu Christi, maar óók, maar óók omgordende uwe lendenen en heffende het zwaard tegen hen, die afhoereeren van den eenigen God, en valsche goden offeren voor Zijn heilig aangezicht. Mannen broeders! vreest den strijd niet, noch vervolging, noch naaktheid, noch honger, noch dorst, want neen, gij zult niet hongeren noch dorsten in eeuwigheid. En gij vrouwen en jonge dochters! murmureert niet tegen den Heer; wat zoudt gij klagen en weenen, al zaagt gij uw vaders en broeders, uw echtgenooten of ook uw beminden ten mutsaard gesleept. Op! op dan! zijt moedig en fier; ducht de woede der Isebels niet. Hoort, hoort! Israëls bazuine weerschalt langs Jericho's muren, en Babylon zal vallen voor het woord van den Heer uwen God. Geliefden! broeders en zusters! zingt den Heere in ootmoedigheid uwe psalmen, totdat de ure komt, de ure der persecutie, maar dán ook: strijdt, strijdt....
Doch zie, daar wenden zich aller oogen naar den uitgang van 't woud: musketvuur en wapengekletter weerklinkt er.......... Strijd......!
Ha! 't is voorbij. Dat waren droevige tafreelen. Neen, gedroomd heb ik niet, want het kronkelende rookzuiltje uit de schouw van Wolfhezens hoeve hield ik steeds in het oog. Maar toch is het mij alsof ik.... droom, voortdurend droom. Is dit dan inderdaad het vreedzame plekje, zoo schaars door een menschenvoet betreden, het oord waar de hoorbare stilte u slechts wijst op de oneindige schoonheid dezer prachtige natuur.
Ja, mijn dierbaar Wolfhezen, gij zijt het wel. Uw heerlijk bosch, uw bergrug en beekheuvel, ik zie ze, maar nu--en in volle werkelijkheid--met ontelbare menschengroepen gestoffeerd: met duizenden menschen die daar dwalen, ginds en her, mannen en vrouwen, ouden en jongen, aanzienlijken en geringen, zich nu eens neerzetten op de ruwhouten banken voor den feestdag hier opgeslagen, of voor het meerendeel zich scharende alreeds in breeden kring, hier nabij de beek van waar gij het rookzuiltje ziet opgaan van Wolfhezens hoeve.
En--evenals ginder onder het dichte geboomte aan het eind van den bergrug--de bergrug die ten Zuiden het feestterrein bepaalt--evenals dáár en in de opene ruimte, waaraan ik u herinneren zou, evenals verder nog nabij den oorsprong van het beekje in het straks genoemde sparrenbosch, evenals dáár staat ook hier op den beekheuvel, met den rug naar den vliet, en tusschen het groen van drie sierlijke beuken, een spreekgestoelte. Van jong gekliefde sparren ineengeslagen, verheft het zich zonder sieraad, en de menigte, die er zich steeds dichter omheen verzamelt, noodt de scharen, die nog ronddwalen of immer nog toestroomen, om er te komen en mee te luisteren naar den man, die aanstonds het woord zal voeren.
En zie, daar beklimt hij het gestoelte. Duizenden blikken zijn op den volksman gericht. Gij kent hem, den ijverigen dienaar zijns Heeren, den stichter van het toevluchtsoord voor gevallen vrouwen, het Steenbeek, dat den spotlach reeds dan zou doen verstommen, wanneer het ook maar één, één enkele ongelukkige uit den zondenpoel had opgericht. Daar staat hij zonder uiterlijk vertoon, terwijl hij den ernstigen blik slechts vluchtig over die duizenden weiden laat. Wat er omgaat in zijne ziel, nu hij het eerst tot die schare zal spreken!!--Daar verheft hij zijn stem.
Wolfhezen herneemt zijn plechtige stilte.
De bonte schare luistert.
Het welkom! wordt haar toegebracht. Een mannenkoor door bazuinenklank gesteund, neemt dat welkom over, in een opwekking om eer en lof te geven aan den Schepper, de Levensbron. En de man op het gestoelte neemt nogmaals het woord, en noodigt de gansche schare uit tot het aanheffen van een blijden psalm, den "Rotssteen van ons heil", den "Koning aller koningen" ter eere. En van het gestoelte wuift een kleine vredevlag, ten teeken dat het orkest zijn koperen stem zal paren aan dien zang.
O, wie er dan ook nog meenen mocht, dat het lied in den spoorwagen aangeheven er misplaatst zij geweest, neen niemand, niemand zal van Wolfhezen in zijn woning zijn wedergekeerd, die spotten durft met dát heilige oogenblik, toen daar door die duizenden den Schepper een loflied werd toegebracht--in Zijn schoonsten, Zijn eigenmaakten tempel.
En onder welke omstandigheden?
Hoor, de redenaar schetst het: De beeke volgende naar heur einde, wijst zij u gedenktekenen der oudheid aan: ginds een heuvel waar in vroegere eeuwen het heidendom de asch zijner dooden begroef; of verder nog den boom, die spreekt van de Christen-kapel--de eerste misschien in deze oorden gesticht. De spreker herinnert aan de Saksen en Franken; hoe woeste horden der eersten, ginds naar de Betuwe afdaalden en er Christen-offers roofden voor hun bloedige altaren; hij wijst op den lateren tijd toen gewetensdwang den fanatieken kop verhief in deze landen, en de arme vervolgden bijeenscholen om in wouden of in velden te hooren naar een prediking waaraan hun ziele behoefte had; hij schetste... Maar genoeg, nu, nú was het een andere tijd; menschen-offers den heidenschen goden, of kerkelijke meeningen gewijd, zij vielen niet meer. Gewetensvrijheid was de zege dezer eeuw; maar toch--toch lagen in ver verwijderde oorden nog millioenen menschen geketend in de banden van het "barbarisme". En dit, dit plechtige feest, het zou gevierd worden als het feest van den strijd des Christendoms tégen dat "barbarisme". Een heerlijk, een heilig feest! Terwijl men de schare naar dezen tempel had opgeroepen, dewijl er geen kerkgebouw groot genoeg was om de telken jare grooter wordende menigte te kunnen bevatten, voorzeker, nu zou ook deze reine tempel er toe bijdragen om de stemming der heilige feestvreugde te verhoogen; en biddend, en dankzeggend, en lofzingend en offerend op het altaar der barmhartigheid, zou men in liefde daar bijeen zijn, in den naam des Vaders, des Zoons en des Heiligen Geestes.
Wil het mij niet ten kwade duiden, indien ik des sprekers rede in zoo breede trekken hoogst onvolkomen teruggaf. Hij die niet onvatbaar mag heeten voor het schoon van een frisch en bekoorlijk tafreel, hij kon er niet hooren alleen, hij moest er ook zien.
't Was een treffende aanblik die ontelbare menigte aan weerszijden en vóór het spreekgestoelte op den beekheuvel te aanschouwen, afdalende in een wijden--wijden kring naar den bergrug heen.
Ja, ik zie ze nog voor mij, die schoone groepen aan de helling van den heuvel. De blonde Geldersche deerne in haar eenvoudig paars jakje, den blik onafgebroken naar den spreker gewend; zij, naast den grijzen burger uit de stad, met zijn zilverwitten steeds ongedekten schedel, en aan zijn arm den zwakken blinden jongen, met het petje in de hand en de matte oogen naar boven gericht.
Ik zie haar nog te midden van meerendeels neergezeten mannen en vrouwen, de schoone, blanke Noord-Hollandsche boerin, onwillens op een kleine verhevenheid geraakt, uitstekend boven velen en zichtbaar voor ieders oog. Ik zie haar nog terwijl zij zich wendt en keert, met iets schichtigs in den blik, zich bedroevende misschien, dat ze nú in dezen stond met niets kon vervuld zijn dan--met zich zelve. Men zal u niet hard vallen schoone vrouw, nietwaar, gij stondt daar zoo hoog en hoe hooger men staat....!
En straks, zal ik de scharen betrachten terwijl zij zich spoeden naar de ververschings-plaats, waar aan menigeen den wensch ontsnapte: dat hij er hartiger bete mocht vinden dan brood en brood maar alleen? Zal ik de menigte nauwlettender bespieden waar ze ginds en her in schilderachtige groepen zijn neergezeten, de velen, die evenals mijn reisgenooten in den spoorwagen, of de betrekkingen en vrienden die ik te Wolfhezen vond, zich van een ruime proviand hadden voorzien voor den vermoeienden dag? Zal ik later de redenaars hooren op de vier gestoelten in het bosch, en u verhalen wat ze daar leerden en predikten in dien heerlijken tempel?
O, ik bid u, verg mij althans dit laatste niet. Ik geloof wel dat daar nog veel waars en veel goeds is gesproken door die vele redenaars; ja, ik zelf heb er menig woord vernomen, dat velen ter stichting en leering heeft kunnen zijn, maar toch--met een smartelijk gevoel heb ik u verlaten, schoon sparrenbosch, toen in weinig gekuischte taal daar een gebed ten Hoogen werd opgezonden, vermengd met: "een reuke des doods ten doode"! Schoon sparrenbosch! waar in uw midden, Gods reine adem slechts trilt en verkwikt.
Mijn dierbaar Wolfhezen, een bitter pijnlijken indruk moest ik ontvangen, toen op uw schoonste gedeelte, onder het malsche groen uwer beuken en eiken, al galmend dat woord werd herhaald: Verdoemenis! verdoemenis!!
Wilt ge nog even den blik slaan in 't ronde en menschen zien--al zijn het er weinigen--in Wolfhezens woud?
Zie, een aanvallig meisje van twintig jaren omtrent, ginds bukt zij neder in 't groen en wordt niet moede kleine boschbessen te plukken, "die hier maar zóó in 't wilde groeien". Weet ge, zij zal ze meenemen voor haar lieve kleine broertje, die zoo verdrietig was dat zuster van huis ging. En de bessen, wacht, zij zal ze bergen in de kleine flesch, waaruit ze met vader en moeder straks aalbessennat heeft gedronken.
En zie, nu parelt er een traan in haar oog. Arm kind, men heeft u gevoelig gekrenkt. Een vrome kennis heeft u verdacht dat ge daar, in de stilte, verboden drank....!
Die vrome man! Zeg, hoe kwam hij op zulk een gedachte! Liefde denkt immers geen kwaad en hij.... ginds zit hij nu neder, en zingt met zijn vrienden een statigen psalm.
Hebt ge dien man wel gezien, dien leelijken man, met zijn neus als een aardappel, een bruine groote neus met wratten er op? Hij had een lange jas aan, een heel lange jas, waaruit een lang papier naar boven stak; een witte das droeg hij om den gelen hals en een vaalbruine paraplu onder den arm.
Dáár hebt gij hem weder. Nu staat hij onder zijn vaalbruine dak, den steel er van tusschen den arm geklemd; in de beide knoesterige handen houdt hij het lange beduimelde papier, en terwijl de eerste regenvlaag de punten van zijn dak tot gootjes maakt, waarvan een knaapje met wijden mond een stroompje opvangt; terwijl hij telkens den blik in 't ronde werpt om te zien of zich geen nieuwe hoorders komen voegen bij de weinige vrouwen die hem--'t zij met bevreemding of ook met diepe verrukking beschouwen--smakt hij op zalvenden toon het begrafenislied, dat hij dichtte, waarschijnlijk bij den dood van zijn zalige vrouw, op haar, die hij "bekeerd had fijn--om eeuwig leevent te zijn--Gestaan had te midden van een verdoemt geslagt--Door hem en Christie bloed tot de verreizenis gebragd."
't Was zeker niet beter dat vers, als het niet slechter was.
En verder, ik zie daar het oude vrouwtje, zoo moeielijk oprijzende van de houten bank, waarop voor haar eenig kleedingstuk is neergelegd, opstaan om den jongen man dien zij dominee noemt, haar zitplaats aan te bieden. En de jonge man, ik zie hem.... zich nederzetten; maar ook, een aardig meisje zie ik wat verder heel haastig opstaan om het vrouwtje háár plaatsje te gunnen. Was dat mijn blondje uit den spoorwagen niet? Ja wel zij was het, ik kreeg nog een vriendelijk knikje.
Doch--waar moest ik eindigen, indien ik de menschen wilde schetsen, de menschen der richting te Wolfhezen het meest vertegenwoordigd, de menschen zoo als zij daar waren: goeden en kwaden, nederigen en hoogmoedigen, vromen en huichelaars, elk met zijn rechter in eigen boezem!
Mijn dierbaar Wolfhezen! Ik ga u verlaten. Het feest in uw groene zalen gevierd, ofschoon het ook wanklanken deed hooren, die de spot wel mag treffen, maar liever de ernst toch bestraffen moet, het heeft zich gekenmerkt door een orde, die de vier dienaren van 't gerecht, die ik er zag, aan 't geeuwen bracht.