Chapter 2
Inderdaad, de jonge ruiter, die tot het gevolg des gezantschaps behoorde, hield zijne oogen op een schoone jonkvrouw gevestigd, die aan de overzijde der straat op een balkon den voorbijtrekkenden stoet mede in oogenschouw nam: hare oogen moesten die des ruiters hebben ontmoet, want een licht blosje verfde haar lelieblank gelaat; en snel hare blikken naar een meer bejaarden ridder wendende, wuifde zij dezen met haar zakdoek vriendelijk toe.
Was het een zacht windje of misschien slechts een bloot toeval, 't welk den fijnen linnen zakdoek niet Brusselsche kanten omzet, aan haar kleine vingeren deed ontglippen? Wij weten het niet; doch langzaam dwarrelende, kwam de witte doek naar beneden, die door den jongen ruiter in het voorbijtrekken zeer behendig werd opgevangen. Nogmaals zag hij naar het balkon; een hoog rood overdekte de wangen der jonkvrouw; spoedig echter wendde zij zich om, en verdween door de openstaande balkondeur.
Dit alles, hetwelk in een vluchtig oogenblik had plaats gegrepen, was noch aan Maarten noch aan zijn liefje ontgaan, en verder zagen beiden duidelijk, hoe de jonge ruiter eerst den doek nauwkeurig beschouwde, dien vervolgens in elkander wikkelde, en eindelijk zorgvuldig in zijn wambuis verborg. De jonge lieden staarden den ruiter na; zagen nog eenmaal naar het balkon, en Anne, die in de schoone dame hare meesteres herkend had, verloor zich, toen de trein geheel was voorbijgetrokken, arm in arm met haar Maarten in de dringende volksmenigte die, naarmate de stoet al meer en meer de plaats zijner bestemming naderde, ook steeds grooter en grooter werd.
"Daar kan een slok op staan, Gerrit!" sprak de dunne baardschraper, die met den waard uit de Wijnstok diens heiligdom was binnengetreden: "Kom, Klaartje! kom kind, geef me gauw een spatje; je vader onthaalt, en ik ben zoo koud als een steen geworden."
Nadat Klaartje het gevraagde spatje, hetwelk in een roemer brandewijn bestond, had overhandigd, traden er nog verscheidene lieden binnen, die allen--evenals dit ten huldigen dage bij feestelijke intochten of plechtigheden nog de gewoonte is,--voornemens waren de uitgestane vermoeienissen met een dronk weg te spoelen.
De waard wierp nieuwe takkenbossen op het vuur, Klaartje bediende de gasten, en weldra ontstond er een vrij algemeen gesprek, dat door het genot van het geestrijk vocht, hoe langer hoe levendiger werd.--Natuurlijk voerden die drinkende en rookende mannen oorlog en sloten vrede, deden voorspellingen en regeerden met gloeiende aangezichten het land hunner inwoning, met eene wijsheid, die den wijzen koning Salomo zou beschaamd hebben.
Sebastianus Bril die insgelijks, doch na den eersten roemer, voor eigen rekening, lustig had doorgedronken, was geen der minste redenaars. Zijn overredende en meesterachtige toon van spreken vond doorgaans een gereeden ingang bij zijn nog minder beschaafde toehoorders, die trouwens thans door het overmatig gebruik van sterken drank reeds voor het grootste gedeelte zaten te knikkebollen.
"Ja, mannen! het was in 1604, nu vier jaar geleden, in Ostende andere kool. Bij dat beleg, dat u allen heugt, heb ik mij niet weinig roem verworven. Reeds van mijn vroegste jeugd af aan, zag mijne moeder iets groots in haar eenigen zoon. Sebastianus! Sebastianus! zeide zij meermalen, als ik 's vaders klanten behendig stond in te zeepen: Sebastianus! Sebastianus! gij zijt tot iets verhevens geboren; gij zult uw Vaderland groote diensten bewijzen en in roem en eere sterven. Ja, waarachtig! zij heeft tot dusverre waarheid gesproken" vervolgde Bril, terwijl hij zijn roemer tot op den bodem ledigde, die dadelijk daarop weder door den gedienstigen Gerrit werd volgeschonken: "zij heeft een voorspellenden geest gehad: luister aandachtig, mijne heeren! en ik zal u verhalen hoe ik vrijheid en leven voor Land en Vorst heb in de waagschaal gesteld."
De aangesprokene heeren hadden meest allen oogen en ooren gesloten; doch Gerrit, die zijn klanten altijd met genoegen een luisterend oor leende, al had hij hunne verhalen ook reeds twintig malen met het uiterst geduld aangehoord, plaatste zich naast den spreker, die dadelijk aldus vervolgde:
"Omtrent vier jaren lang hadden die Spaansche honden ons reeds geteisterd; met hunne ballen duizenden levenslampen uitgeblazen, en ons niet zelden kommer en gebrek doen lijden, toen aan Spinola de verdere belegering der vesting werd toevertrouwd. Van gemeen soldaat was ik zeer spoedig tot den rang van adsistent-heelmeester overgegaan; mijne behendigheid in het behandelen van snijdende instrumenten toch was overal bekend geworden, en mijne voorzichtigheid werd insgelijks hoog geroemd. Eenmaal slechts in mijn geheele leven heb ik een forschen knevelbaard, die besnoeid moest worden, zijn linker neusvleugel weggemaaid!--Van Der Noot, die het bevelhebberschap der stad later aan Herbaing overdroeg, had van mijn beleid hooren spreken, en juist een geschikt persoon noodig hebbende om de bewegingen der Spanjaarden te bespieden, had hij weldra zijne oogen op mij gevestigd en verkoos mij tot de belangrijke betrekking van spion.--In eene monnikspij gewikkeld, verliet ik op een donkeren avond de vesting, en kwam eindelijk, na op verscheidene plaatsen tot over de knieën door het water gewaad te hebben, in de legerplaats der vijanden.--Eenige Spaansche woorden kennende, kwam ik gelukkig door de voorposten; de roepende schildwachten lieten den armen bedelmonnik gereedelijk door, en maakten het teeken des kruises; doch, weinige schreden verder gekomen, stuitte ik op eene patrouille, die de ronde deed. Ik werd aangegrepen en naar het wachtwoord gevraagd. Niet wetende wat te antwoorden, zeide ik zeer gevat: Memento mori! De heeren, die er anders allen akelig barsch uitzagen, begonnen te schateren van lachen. Memento mori! riep ik nogmaals, zoo hard als mijne stem dit toeliet; doch de heeren schenen zich weinig aan deze aanmaning te storen, want zij lachten voort; plaatsten mij tusschen twee hunner soldaten, en brachten mij in eene tent, welke op het prachtigst met tapijten was behangen en door sierlijke lampen verlicht werd. Aan het einde eener tamelijk lange tafel, die met boeken en kaarten was overladen, zat de veldheer zelf. Ja, mijne heeren! het waren Ambrosio Spinola en Sebastianus Bril, die zich op dat oogenblik in eene en dezelfde tent, juist tegenover elkander bevonden."
Hier wierp Bril triomfante blikken om zich henen, en Gerrit, die zeer bezorgd werd dat de keel des sprekers te droog zou worden, spoorde hem, met een verbaasd gelaat als hadde hij het gesprokene voor het eerst gehoord, tot het nemen eener teuge aan. Bril voldeed aan deze allervriendelijkste uitnoodiging, en zijn kromme beentjes over elkander slaande, ging hij voort: "Met scherpe blikken werd ik ondervraagd, en 't was geenszins uit vrees voor de pijnbank, maar alleen uit loutere liefde voor de waarheid en een aangeboren afkeer van al wat logen was, dat ik haarklein alles vertelde wat mijne ondervragers weten wilden.--Men prees mijn moed tot het aanvaarden van zulk een gevaarlijken tocht; doch, toen ik meende aller wenschen en weetlust bevredigd te hebben en henen wilde gaan, hield men mij staande, en deden die ondankbaren mij ijzeren boeien aan de handen, en voerden mij naar een houten loods, die tot bewaarplaats der krijgsgevangenen was ingericht. Wel is waar ontdekte ik daar veel brave kennissen, doch het leven was er allertreurigst. Water en brood was mijn voedsel, en voorzeker ware ik geheel en al uitgeteerd, zoo de Spanjaarden, die middelerwijl Ostende genomen hadden, mij niet met mijne lotgenooten, tegen de door ons gemaakte krijgsgevangenen hadden uitgewisseld.--Nogmaals zag ik echter den dood voor het Vaderland te gemoet; mijne waarheidsliefde was mij zeer kwalijk genomen; ik werd veroordeeld om gefusileerd te worden; doch de hemel zij gedankt, ik had een machtige voorspraak: het was de edele en machtige graaf Van Bergen, wien ik reeds vroeger in deze stad met mijne wapenen om de kin had gespeeld, die bij den Prins mijne gratie verwierf. Spoedig werd ik nu, na al het uitgestane leed, op vrije voeten gesteld, door dien edelsten der edelen, dien ik bedienen zal tot zijn einde, en voor wien ik door duizend vuren zou vliegen.--Lang leve Van Bergen! Ja lang, lang leve die waardige graaf!" besloot in verrukking de kleine barbier, terwijl hij den beker driemalen boven zijn hoofd rondzwaaide: "tot roem van zijn geslacht en tot heil van het Vaderland! Lang zal hij leven!" en bij den laatsten schellen uitroep ledigde hij den roemer, doch verloor tevens zijn evenwicht, en tuimelde vrij onzacht van zijn zetel op den steenen vloer.
De waard richtte den ontstelden Bril op, en schonk hem nogmaals den beker vol. Velen der overige gasten, door het leven ontwaakt, wreven zich de oogen, en eischten eerst drank en vervolgens dobbelsteenen.
Weldra nam nu het verderfelijke hazardspel een aanvang, dat tot laat in den nacht voortduurde, en met een bloedige kloppartij eindigde.
De gasten keerden met ledige buidels en verhitte hoofden huiswaarts. Gerrit Aal liet den inhoud der welgevulde geldlade glimlachend in een grooten zak overgaan, en begaf zich eindelijk, vroolijk de handen wrijvende, naar zijne legerstede.
DERDE HOOFDSTUK.
De zalen van 's Prinsen paleis op het Binnenhof waren prachtig verlicht. Vele pages en ontelbare bedienden liepen in snelle vaart op en neder, om alles te regelen of ten uitvoer te brengen.
Spaansche en Nederlandsche vlaggen waren smaakvol als tropeeën boven de openstaande vleugeldeuren bevestigd. Aan het einde der groote zaal bevond zich een voor die tijden uitmuntend orkest, hetwelk, eenigszins in de hoogte geplaatst, achter bloeiende heesters en rijk beladen oranjeboomen verscholen was. De zalen waren meest alle met goudlederen behangsels bekleed, en sierlijke rustbanken, met fluweelen zittingen, waren langs de wanden geschikt. Zilveren drinkbekers en schenkkannen prijkten op groote bladen van hetzelfde metaal, en bokalen van fijn Venetiaansch glas, waarin de wapens der Prinsen van Oranje allerkeurigst gesneden waren, stonden in grooten getale en van onderscheidene grootte, op een marmeren aanrecht, waarachter in steenen kruiken of groene flesschen de edelste wijnen voor de komenden gereed stonden.
Het was Prins Maurits, die den Spaanschen gezanten, weinige dagen na hunne aankomst in 's-Hage, een luisterrijk bal wenschte te geven. Te dien einde had hij de bloem der natie, voor zooverre zij daar kon tegenwoordig wezen, ten zijnent genoodigd, en niets gespaard om alles zoo prachtig mogelijk te maken.
Het uur voor de ontvangst naderde. De bedienden en hoflakeien begaven zich naar hunne posten. Twee rijen van hellebaardiers stonden, met lange hellebaarden, in het met marmeren steenen geplaveide voorportaal. De koetsen rolden. De genoodigden kwamen, en weldra waren de zalen van het Prinselijk paleis opgevuld met edelen, vrouwen, jongelingen en maagden, die allen in pracht van kleedertooi schenen te wedijveren. Zware damasten, zijden en satijnen kleedingstukken boeiden de oogen der edele vrouwen, niets ontging dienaangaande zelfs eenigermate hare aandacht. Bekoorlijke jonkvrouwen trokken als krachtige magneten, de blikken der jonkers, ja zelfs der meer bejaarden tot zich. Doch ook door háár bleef geen jong edelman onopgemerkt, en elk dezer jonkvrouwen koos zich reeds met vurig verlangen, den schoonsten en bevalligsten knaap, om door hem ten dans te worden geleid. De gesprekken werden aanvankelijk zeer zacht gevoerd, en allen wachtten op de komst der hooge personages, die de Spaansche gezanten zouden binnenvoeren.
Eensklaps werden door twee pages de tot dusverre geslotene vleugeldeuren eener aangrenzende zaal geopend.--Prins Maurits, in prachtig feestgewaad, trad met zijn jongeren broeder Frederik Hendrik de groote zaal binnen, vergezeld door de Spaansche gezanten met hun gevolg benevens den Raad van State, welke eersten hij op de hoffelijkste wijze aan de aanwezigen voorstelde. De edelen en vrouwen hadden zich, bij het binnenkomen der Vorsten, allen naar die zijde gekeerd, de mannen bogen hunne hoofden en de vrouwen neigden met de meeste bevalligheid. Na vele dergelijke ceremoniën, werd door den Prins zelf het teeken tot het aanvangnemen van den dans gegeven. Een liefelijke muziek ruischte door de schoone heesters den aanwezigen in de ooren. Edelen en vrouwen, jongelingen en jonkvrouwen, mengden zich nu spoedig dooreen, ieder der mannen koos zich zijne dame, en zij die door ouderdom of andere oorzaken zich den dans ontzegd zagen, plaatsten zich op de rustbanken en namen nauwkeurig de voorbijtrekkende paren in oogenschouw.
Het was een verrukkelijk tooneel die bloeiende paren te zien, en die tevredene aangezichten, waarop gepaste vroolijkheid te lezen stond. Wel werden niet al die jonkvrouwen door het voorwerp harer heimelijke keuze ten dans gevoerd, doch allen schenen voldaan, aller kout was hartelijk en gul, en niets stoorde haar vreugde.--De paren werden en colonne gerangschikt: de menuet nam een aanvang.
Prins Maurits zelf opende het bal. De schoonste der schoonen was door hem tot dat einde uitverkoren: het was de lelieblanke Adelgonde Van Bergen, algemeen onder den naam van de Hagenlelie bekend, die in de sierlijkste lichaamswendingen, aan 's Prinsen zijde haar gevestigden roem als de bevalligste der Hollandsche jonkvrouwen, op de schitterendste wijze handhaafde.
Aller oogen waren thans op haar gevestigd. Adelgonde was schoon, te schoon zelfs om haar naar waarde te schetsen, en toch wagen wij het van dat liefelijke gelaat te spreken, en te vermelden wat ieder zoozeer aan haar boeide.
Wie had ooit zulke hemelsche oogen gezien? Men vergeve ons deze uitdrukking, want hemelsch konden zij genoemd worden, de oogen, welke de spiegels der reinste ziel waren. Schier bovenaardsche zachtheid straalde uit die helderblauwe kijkers, welke niettemin vroolijk rondstaarden en voor alle bekenden een vriendelijken blik veil hadden. Haar neusje was datgene wat de Franschen ten huidigen dage petit mutin zouden noemen, en wanneer de twee rozeroode lipjes, die als voor de liefde geschapen schenen, zich tot een liefelijk lachje plooiden, vertoonde zich op de wangen der Hagenlelie een donzig kuiltje, hetwelk haar door vrouw Venus zelve zou zijn benijd geworden. Twee rijen tanden, helder als kristal en witter dan de sneeuw der Zwitsersche bergen, parelden in haar kleinen mond, en hare haren die, gedeeltelijk zichtbaar, in sierlijke lokken langs hare slapen nederhingen, waren van die satijnachtig blonde kleur, op welke de Hollandsche maagden zich met recht mogen verheffen. Hals en boezem die, volgens haar gelaat te oordeelen, het albast in schoonheid verre moesten overtreffen, waren, door de dracht dier tijden, aan het oog onttrokken. De breede fijn geplooide kraag omgaf den eerste, terwijl haar ranke leest in een wit satijn keursje gesloten was, 't welk hare houding op het voordeeligst deed uitkomen. Haar kleed, van dezelfde stoffage, en dat in breede plooien nederhing, was geheel met een boordsel van wit donzig bont omzet, en liet, in het midden een weinig opgenomen, het wit zijden onderkleed aanschouwen, hetwelk echter niet te lang was om nog een paar der fijnste voetjes te laten zien, die ooit te voren een sterveling gedragen hadden, en welke insgelijks weder in wit satijnen schoentjes staken, wier rosetten vervangen werden door een paar flonkerende diamanten van het zuiverste water.
Nog rest ons te zeggen dat haar poezele armen in de eng geslotene mouwen van het onderkleed werden verborgen, en dat er drie rijen van de edelste paarlen door haar hoofdtooisel geslingerd waren.
Nooit droeg zij een andere dan een geheel witte kleeding: doch, blanker dan deze was haar liefelijk gelaat; terwijl weder de blankste, de reinste ziel in dat bevallige lichaam huisvestte.
Ziedaar de Hagenlelie geschetst; ziedaar de twintigjarige Adelgonde, zooals wij haar met onze zwakke pen waagden te beschrijven. Geen ijdel beminnaar van bonte verven gispe hare liefde voor die kleur der onschuld. O wij smeeken hem, aanschouw haar nogmaals in dat glanzige gewaad, in die bevallige lichaamswendingen aan 's Prinsen zijde, en gij zult verrukt zijn over ons ideaal van vrouwelijke schoonheid.
Was het te verwonderen dat ieder haar beschouwde? dat alle jongelingen zich deze bloem tot gade wenschten, en de jonge Alonzo Spinola, oudste zoon des markgraven, zijn eigen dame schier vergetende, met gloeiende wangen dien hemelschen kelk, op kouden bodem gekweekt, geen oogenblik uit het oog verloor?
De Prins had zijne dame naar eene rustbank gevoerd; twee of drie paren te gelijk voerden nu beurtelings de menuet uit, en wedijverden om Adelgonde Van Bergen in bevalligheid te evenaren.
Was het Alonzo geweest, die met zielsverrukking de schoone Adelgonde had gadegeslagen, thans, nu de edele Spanjaard, aan de zijde van een andere Hollandsche schoone, zijne gaven ten toon spreidde, bleven ook hare blikken aan zijn minste bewegingen hangen, en met recht verdiende de fiere jongeling deze onderscheiding.
Sierlijke bruine haarlokken omgolfden zijn schoon mannelijk gelaat; donkerbruin waren zijne oogen; zijn neus was, evenals die zijns vaders, eenigszins gewelfd; twee zwarte knevels zetelden boven den kleinen mond, en een puntige baard van dezelfde kleur omgaf zijne kin. Zijne kleeding was allerkeurigst, en behalve den breeden halskraag, welke in die dagen, helaas! voor sieraad gehouden werd, omsloot een prachtig wambuis, van lichtrood satijn met zilver doorstikt, zijn breede borst en bovenlijf tot op het midden. De mouwen waren boven de ellebogen opgedoft, en gevoerd met witte zijde, 't welk door langwerpige openingen zichtbaar was. De wijde broek, die tot even boven de knieën reikte, was van dezelfde stoffage; zijn welgevormde beenen staken in fijne witte hozen, en zijn schoeisel bestond in kleine lederen laarsjes, die van binnen met rozerood fluweel waren gevoerd. Blinkende knoopjes versierden zijn wambuis. Een breede gordel, met robijnen en andere edele steenen bezaaid, omgaf zijne lenden, en bevatte nog bovendien een kostbaren staatsiedegen met prachtig gevest.
De menuet liep ten einde, en geurige mokka benevens kostelijke thee werden den gasten in het fijnste porselein aangeboden. Prins Maurits had zich met den markgraaf Spinola in een druk gesprek gewikkeld. Aan het tegenovergestelde einde der zaal stonden verscheidene edelen bijeen en voerden een geheimzinnig gesprek.
"Het kost mij niet weinig," sprak een kloek edelman die den herfst zijns levens reeds zeer nabij scheen; "het kost mij waarachtig niet weinig moeite, die Spaansche bloedhonden van zoo nabij te zien en hen niet met het blanke zwaard tegemoet te snellen."
"In het bosch moet men met de wolven huilen," zeide een jonkman, op wiens valsch gelaat men duidelijk de geschiktheid tot het ten uitvoer brengen van dit door hem aangevoerde argument kon lezen.
"Wat moet je het geven!" vervolgde de eerste spreker, zonder op des jonkmans woorden acht te slaan: "Zij hebben de schapenvacht gehuisvest, zonder te bedenken dat er een levende wolf in steekt. Wie anders dan de Advocaat kan de Staten en Prins Maurits tot dit gevaarlijk spel hebben overgehaald?" Hij wierp een somberen blik op de veldheeren, die zich nog steeds druk met elkander onderhielden, en verliet, met een gelaat waar angstige bezorgdheid op te lezen stond, de edelen tot wie hij gesproken had.
"De edele Van Bergen heeft gelijk: wij spelen een gewaagd spel," zeide de baron Van Doorn tot den Zandheuvel, zoodra Van Bergen hen verlaten had: "zij willen tijd winnen en slaan daartoe een schijnbare vredesonderhandeling voor, die nooit tot stand zal komen. Wij vieren feesten, leggen gastmalen aan, terwijl de vijand zich versterkt, om ons spoedig uit dien dommeligen slaap wreedaardig te doen ontwaken."
"Zoudt gij dan waarlijk van meening zijn dat Spanjes Koning niet werkelijk den vrede wenscht?" sprak de jonker Van Wolkensteijn, den laatsten spreker vragend aanziende.
"'t Kan zijn," hervatte deze, de schouders ophalende: "doch nimmer zal ik gelooven, dat Spanje vrede zou sluiten met een gewest, 't welk hem de vaart op de Oost-Indiën zoo duchtig betwist."
Gedurende dit gesprek, hetwelk in dier voege nog eenigen tijd werd voortgezet, viel er in een belendende zaal, een ander tooneel voor, hetwelk aan onze Lezeressen wellicht meer belang zal inboezemen.
Alonzo Spinola, die de schoone Adelgonde, nadat de dans geëindigd was, geen oogenblik uit het oog had verloren, naderde met een hoogen blos doch ongedwongen houding, de beminnelijke jonkvrouw, en sprak haar, in vrij goed Nederlandsch, met een sierlijke buiging, in dezer voege aan: "Schoone jonkvrouw! voor weinige dagen deed het geluk mij een wezen ontmoeten, hetwelk men, eenmaal gezien hebbende, nimmer kan vergeten. Neen, ik bedroog mij niet toen ik, voor weinige oogenblikken, in het gelaat der bekoorlijke danseres aan 's Vorsten Maurits zijde, dezelfde hemelsche oogen zag schitteren die reeds eenmaal, door een driewerf gezegend toeval, op mij gericht waren.--Zeker zou ik u niet onaangemeld hebben genaderd," vervolgde hij met een bevallig glimlachen: "doch dat zelfde gezegende toeval scheen mij daartoe het recht te geven.--Deze fijne doek toch," ging hij voort, terwijl hij den ons reeds bekenden zakdoek uit zijn wambuis te voorschijn trok: "behoort aan niemand anders dan aan de bevallige jonkvrouw Van Bergen."
Adelgonde, die bij het naderen van den Spanjaard, insgelijks met een sterken blos zijne komst had te gemoet gezien, had zich echter weldra hersteld en, even opgestaan zijnde, met een lichte neiging des jonkmans eerste woorden beantwoord.
"O!" sprak zij eindelijk, nadat zij den doek uit zijne hand had aangenomen, met eene stem die Alonzo onbeschrijfelijk zoet en welluidend in de ooren klonk: "O waarlijk, edele heer, gij zijt al te verplichtend; een kleine onoplettendheid deed den doek aan mijne vingeren ontglippen toen ik mijn vader, die zich in uw midden bevond, van het balkon toewuifde.--Ik dank u zeer voor uwe behendigheid," vervolgde zij, niet zonder eenige verwarring, ziende dat de jongeling haar zonder te antwoorden, met een vreemdsoortige uitdrukking, waarin bijna aanbidding te lezen was, bleef aanstaren: "en ik reken mij insgelijks gelukkig," voer zij, geheel in verwarring gerakende, voort: "door dit toeval.... u... mij.... in de gelegenheid te zien gesteld, eene kennismaking aan te knoopen, die...."
"Die slechts door den dood zal worden afgebroken!" sprak de jongeling in vervoering; doch zich eensklaps bezinnende en heimelijk een rondheid verwenschende, die hem schier altijd de gedachten op de tong legde, ging hij langzamer en met verschuldigden eerbied voort: "Verschooning edele jonkvrouw, verschooning voor het uiten van een wensch, welke, zoo onstuimig ontboezemd, uw kiesch gevoel wellicht kwetst, en mij voor altoos zou verstoken laten van een vriendschap, die zoo vurig door mij wordt begeerd."