De lelie van 's-Gravenhage

Chapter 19

Chapter 193,870 wordsPublic domain

En al verder treedt gij door die rijk versierde zalen, en de Kunst maakt u opmerkzaam, hoe schoon het daar buiten in Gods heerlijke schepping is: Bloeiende velden, lachende heuvels, trotsche bergen, woelende zeeën, tintelende luchten! En--als gij dan den maker prijst van het beeld, dat u weer deed genieten wat ge eens aan den boezem der natuur hebt gesmaakt, dan, dan prijst uw ziel toch bóven dat alles den Schepper van hemel en aarde, den Vader der Liefde!

Maar Broeders der Kunst, gij wist het wel dat wij één waren: één door de zucht naar het eeuwige schoon; doch zegt, voelt gij 't ook hoe gij daar leeraart en predikt met klinkende stemmen;--hoe gij daar vrijheid eischt voor de kinderen Gods, en er afgrijzen wekt voor den slaven- den broedermoord;--hoe ge daar huiveren doet voor godsdiensthaat en voor godsdienstkrijg;--hoe ge daar luide verkondigt: zoekt ze de armen, de weduwen en weezen, en steunt ze met uwe gaven, zij missen zooveel;--hoe ge daar leeraart en predikt: 't is er zoo goed aan den huiselijken haard, 't is er zoo schoon in Gods prachtige schepping....?

O Broeders der Kunst, Apostelen Gods! wat zijt gij groot! Wat moogt ge nederig fier zijn op uwe roeping. Maar wee! wee over ons, zoo wij die roeping vergeten, het schoone miskennen, het reine onteeren!

Verstom naargeestige toon! Op Antwerpens reuzenfeest mag die snare niet trillen. De zonen der gedachte, ze waren er één! en daarom is er geen wanklank vernomen, en dáárom was het schitterend eeremaal in waarheid een broedermaal, en dáárom heeft Demarteau's lied in den Feërieken lusthof ook allen het harte getroffen.

O Fisscher en Tillez! doet uwe zilverstemmen nogmaals ruischen als in dien heerlijken nacht. Honderden vangen met naamlooze stilte de woorden op dier schoone melodie. Geen blaadje beweegt er; een zee van kunstlicht doet u aanschouwen hoe alles er luistert; en de maan, de volle maan daarboven de statige populieren, zij luistert mee in heur diep diepe blauw.

SOLO.

Salut, o phalange sacrée, Dont l'aspect nous fait tressailler; Gloire aux soldats de la pensée. Aux pionniers de l'avenir.

RÉCITATIF.

Fréres en vous comptant, une ivresse profonde S'empare de mon coeur, oui, nous pourrons un jour, Peintres, poétes, penseurs, régénérer le monde Par la foi, le travail, le génie et l'amour.

STROPHES.

Oui, je voudrais, dans un élan sublime, Vous presser tous sur mon coeur palpitant: Enfants de Dieu qu'un meme zéle anime, Courrez au but, la palme vous attends. . . . . . . . . . . . . . . . . . . . .

Si le trépas, Fréres venus de France, A parmi vous fait des vides nombreux; Serrez vos rangs, espoir et confiance! Suivez les pas de vos morts glorieux. . . . . . . . . . . . . . . . . . . . .

Fréres du Nord, Russes, Germains, Bataves, Fils d'Albion, vous qu'entourent les mers, Unissez vous, pour les arts plus d'entraves, Par vos travaux étonnez l'univers! Et vous enfants de la rive bénie, Oú tout rayonne; et la terre et le ciel, Puissent vos maux fimir, l'Italie Produire encor un nouveau Raphaël. [7]

Et toi, sois fier, o mon pays que j'aime! Qui donc encor t'ose appeler petit? N'es-tu pas grand par eet éclat suprême, Qui de tes fils jusqu'à toi rejaillit? Ce jour t'acquiert une gloire nouvelle, Pays des arts et de la liberté, Tu vas fonder la paix universelle, Sur le talent et la fraternité. . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . .

En als het koor dan juichend den aanhef der schoone Cantate herhaalt:

Retentissez, chants de victoire, Éveille-toi, noble cité, Fêtons les élus de la gloire, Les fils de l'immortalité....

dan--dan heerscht er een diepe stilte; maar als het geëindigd is, dan barst er een oorverdoovend Bravo los, en straks,--straks ook dondert het kunstvuur een alles beheerschend BRAVO in de lucht, en wendt gij den blik dan naar boven, dan ziet gij de booze geesten, hoe ze vuurspuwend met gloeiende sikkels elkaar vernielen. Kanongebulder en vreeselijk musketvuur schokken den bodem waarop gij den voet drukt. Een huivering doortrilt uwe ziel. Maar, victorie! victorie! weer heeft de Kunst hier getooverd!

Vrede, vrede op aarde! is de bee, die er opwelt in aller boezem, en ziet: Een reine vuurstraal ZUCHT krachtig naar boven, en schoone duizendkleurige bloemen vlokken naar omlaag en een stemme spreekt zachtkens vanbinnen:

Bloemen en gaven zij dalen van Boven: Zoekt met Uw gaven den Gever te loven!

En het Te Deum heeft weerklonken in de kruisgewelven van Antwerpens kathedrale.

Broeders Protestanten! ook hier zijn vreemde vormen, maar dat Te Deum ia ook voor ons het Godgewijde lied bij uitnemendheid. Ei, stemt dan in stilte:

Wij loven U, o God, wij prijzen Uwen naam, U, eeuwig Vader, U verheft al 't schepsel saam. Zingt Serafs, Eng'len zingt; heft Machten aan en Tronen; Onafgebroken rijze uw lied op hooge tonen, Gij, driewerf heilig zijt Ge, o God der legerscharen, Dat aarde en hemel steeds Uw grootheid openbaren. [8]

En als de volkeren der gansche aarde dat lied verstaan en doorgronden, dan, dan is er geen burgeroorlog en geen bloediger godsdienstkrijg meer te duchten, dan is het:

La paix universelle Par la foi, le travail, le génie et l'amour.

Voorwaarts dan zonen der Kunst. Voorwaarts!

En alweder, Antwerpens stedemaagd, hebt gij ons binnen de zalen van uw Kunst-Congres den reus doen aanschouwen, den reus der gedachte, den reus die meer dan duizend mannen, zoo verschillend van geboorte als van genie en ontwikkeling, zoo verscheiden van kunstuiting als van godsdienstvormen, in velerlei tale deed samenspreken; deed samenspreken zonder verstoring van den broederzin; deed samenspreken met warmte tot één eenig doel: de verheffing, de waardeering, de opbouwing van de Kunst. De kunst, die schoone dochter der zucht naar waarheid, der begeerte naar eeuwige wijsheid. Kunst! dochter der WIJSBEGEERTE! Wijsbegeerte, telg der Godheid op aarde!

En de reuzengeest, die het denkbeeld van zulk een grootsche wrijving der gedachten in 't leven riep, heeft getriomfeerd in spijt van veler profetie. De rechten der Kunst, haar doel en hare bestemming zijn levendiger geworden in den boezem dier vergadering. Vonken vuurs zijn er geslagen, en koude harten--ze hebben gegloeid! Stad van den reus, dank, dank voor uwe zegepraal.

En als gij ons dan verder uwe Kunsttrezoren hebt getoond en altijd en altijd genieten deedt, welaan, voer hem dan rond door uwe straten het beeld van den kolos, die, ofschoon door de beschaving verslagen, toch immer de grondlegger der grootsche Scheldestad blijft. Ook wij, wij willen het beeld uwer grootheid aanschouwen--den omgang der reuzen en wagens.

En ziet, de walvisch--de reus der zeeën--opent den trein. Uit zijne neusgaten blaast hij het water der Schelde ginds en her over het jubelende volk, en hij schijnt er te roepen:

Van den oceaan ben ik tot u gekomen. Heerscht over de wateren. Zeeën en Schelde zijn één!

Ziet, en achter hem volgen ze reeds; de boden en dienaars van Neptunus, de ranke dolfijnen.

En kleine booten klieven alree de golven; en, als de roeiers met kloeke handen de riemen bewegen, dan zien ze:

Het schip al volgen, het groote schip in volle zeilen; het schip met het wakkere scheepsvolk aan boord, dat overzeesche schatten brengt aan de oevers der Schelde.

Ziet gij 't wel, op dien wagen met vele rijk getooide paarden bespannen, volgt nu het beeld van Druon-Antigoons gade. Ja, ook de VROUWE mag GROOT zijn, maar dat heur ziele toch rein zij, ziet: rein als het witte kleed dat die gestalte omhult; heur tale zij als het zilver waarmede dat kleed is bestikt, en de roode sjerp, die van den schouder tot op de heupe zwiert, moet haar het beeld zijn der heiligste Liefde.

Daar komt hij.... daar komt hij met zijn zwaard en zijn schild, de forschgespierde, de burgheer der Schelde. Ja, 't is zijn afbeeldsel wel. Fier doet men hem rondzien, en hij blikt er van zijn triumfkar door de hoogste vensters naar binnen, en grimt er in 't ronde omdat hij nog kleinheid bespeurt, kleinheid, die vlucht voor zijn aanblik: kleinheid, die snel voor hem heengaat. "Weest groot zooals ik!" klonk eertijds zijn stem. Maar thans, hoe zijn beeld er ook rondwaart, hij kan er niet achter zich zien en aanschouwen wat hem volgt op den voet. En ziet, wat hem volgt heeft zijn geroep gehoord, doch--werd grooter dan hij.

Brabo's triumf:

Prachtwagen met de zinnebeelden van Antwerpens bloei door beschaving, door zeevaart en handel. Welkom wakkere stedemaagd! Van uw hoogen zetel ziet gij met welgevallen neder op de vele natiën die gij met u voert. Druon-Antigoon is voorbijgegaan, en des geweldigen arm kan den buit niet meer bereiken, en de triton achter uw zetel blaast te luider een driewerf: Houzee!

Houzee!

En welvaart heerscht er; en Antwerpen is groot onder de steden; en de wagen die volgt toont zijn roem en zijn reuzengeest aan de nakomelingschap, en wijst op de schatten van 't genie, die zijne wallen omsluit. Wat al mannen van kracht en van geest nemen er hunne plaatsen op in. Schoon en verheven als het prachtige voertuig zelf, klinken de namen van hen, wier nagedachtenis het in bonte mengeling met zich voert.

En--wilt ge nóg zien wat Kunst en wat Arbeid in deze oorden gewrocht heeft?

Ziet, daar nadert Flora's zegewagen. Zij nadert, de vriendelijke maagd in haar witte kleeding. Gezeten in haar lommerrijk priëel, omgeven van bloeiende planten uit Noorder- en Zuiderluchten, drukt haar voet het mollige grastapeet dat met bloemen bezaaid is. Akker- en tuinbouw juichen mede ter eere der Kunst, der Kunst die hen voorgaat.

Ontwikkeling, welvaart, vrede! Kinderen der hooge wijsbegeerte en der immer voorwaarts strevende Kunst! Fiere maagden! op den laatsten wagen hebt gij met nog meer zusters uwe plaatsen genomen.

En--als de stoet voorbij is, dan staart nog het oog op dat achterste blazoen van dien laatsten der wagens, en hoort gij in 't klokkengelui van den toren alweder den nagalm van 't lied, het lied dat ook dié omdracht u zong:

Voorwaarts zonen der Kunst! voorwaarts kinderen der beschaving! Door U, door U zij er vrede op aarde!

En die nagalm, het is een zuivere toon; zuiver, al was het de voorstelling niet van het ongewone, grootsche, maar te vluchtige schouwspel, dat den Noord-Nederlander verrassen en verbazen moest.

Onzuiver zij de omtrek, waarmee hij den indruk dier prachtige vertooning zocht te schetsen--de naklank, de naklank er van is zuiver.

Zuiver als Artots stem, toen zij daar in die weidsche zale de woorden van het verheffende psalmlied zong:

"I cieli immensi narrando del grande Iddio la gloria."

Zuiver als de driehonderd stemmen, door Callaerts kunstschepter beheerscht, die er te zamen herhaalden:

I cieli immensi narrando del grande Iddio la gloria.

Zuiver is die nagalm, zuiver en rein als Joachims snarengetoover, dat een onafzienbare schare verrukte, ja meer--ook Hollands grootste toonzetters in vervoering bracht.

Zuiver, als het kunstgenot dat Antwerpens reuzengeest op dien onvergetelijk en avond aan allen te smaken gaf.

En--zuiver maar krachtig blijve het voortruischen, dat thema van Antwerpens Kunstfeest:

Vrede! vrede op aarde!

En--toen de dag nu aanlichtte, waarop het welkom met een roerend: Vaarwel! werd verwisseld; toen het scheiden van zoovele broeders het harte week maakte, en de Noord-Nederlander nog eens omzag naar de veste, waar de reus der Kunsten ten troon zit, toen welde hem een traan in het oog; maar ook--toen was het hem een heerlijk symbool, dat zich daarginds, in 't lauwe gras der sterke wallen, een kloeke zoon van Mars ter ruste ging nedervlijen, [9] en--zijn afscheid was: Vrede!

En toen hij daar voortgleed op de wiek van den stoom naar den eeuwig dierbaren geboortegrond, toen, toen bezag hij ook nogmaals den schoonen gedenkpenning aan die onvergetelijke dagen; en--Antwerpens wapen boeide zijn geest.

Boven den hechten burg ziet hij die handen naar boven.

Neen, dat zijn hem niet meer de handen der arme schippers uit de tijden der sage; dat zijn hem de handen van den Antwerpschen reus dezer eeuw; de handen der vele broeders uit Antwerpens onvergetelijken Kunstkring; [10] van den dierbaren vriend en de zijnen, in wier woning en harten hij plaatse bekwam. Dat zijn hem de handen van Antwerpens eersten en hoogwaardigen Magistraat, van den edelen Burgervader, den voorzitter van het reusachtige Kunst-Congres. Ziet, en ze wuiven nogmaals: Vaarwel, vaarwel! gij strijders der gedachte. Zij wenken: Komt weder als het u wel was in onzen tempel der Kunst! En hij, de broeder van 't Noord, de broeder der zelfde tale bovendien, hij drukt ze nog eens met verrukking die handen--ja, ook de hoog edelsten dáár ze schamen 't zich niet.--Vaarwel! roept hij mede. Dank, dank! stamelt zijn stem; God zegene u allen! God zegene u, heerlijk lustoord der Kunst! en--zij er een grens tusschen 't Zuid en het Noord; in het rijk der Kunst bestaan geene grenzen: Broeders voorwaarts! Eenheid, Vooruitgang, blijve de leuze; en thans voor het laatst: Uw kunst werke mee tot den vrede op aarde!

TE WOLFHEZEN.

Herinnering aan mijn ontslapen vriend, den Kunstschilder P. L. L. Oerder gewijd.

Gij zijt niet meer, mijn goede vriend Pieter. De levensvijand tastte u aan, en ofschoon men u ook overwinnaar waande in den heeten kamp, de wonde u toegebracht zij was te geweldig en in de armen van onzen braven leermeester, uw trouwsten vriend en geestverwant, gaaft gij den jongsten snik.

Oerder, mijn ontslapen vriend, al is het mij ook als stondt gij daar nog, met uw gul en blozend, trouwhartig gelaat, toch--toch kan ik niet meer tot u spreken zooals voorheen, maar--wanneer ik in vluchtige trekken aan anderen verhalen ga, wat mij vroeger en onlangs het schoone Wolfhezen te zien, te hooren en te gevoelen gaf, dan zal het mij zeker nog dikwijls zijn als sprak ik tot u; en als ik dan tevens, doch ongemerkt, een loover kan neerleggen op uw eenzaam graf, dan heb ik voldaan aan de behoefte van mijn hart, want ook gij mijn vriend--hoezeer wij in geloofsovertuiging van elkander verschilden--ook gij hebt mijn oog helpen richten op de schoonheden van Gods prachtige schepping, en mij, in u zelven den reinen mensch doen waardeeren, ongeacht den vorm--den immer gebrekkigen vorm zijner Godsvereering op aarde.

Daar klonk in de jongste dagen een stem door het land, een stem wier weerklank was: Op, Christenen! dost u in feestgewaad; spoedt u naar Gelderlands lustoord; gij zult er een feest vieren, een nieuw, een heerlijk feest: den heiden ten zegen, uw ziele ten heil, den drieëenigen God ter eere!

En de roepstem werd vernomen, en de geest der roependen werd verstaan, en duizenden uit vele oorden des lands, zij maakten zich op, en spoedden zich voort naar het schoone woud.

Duizenden! en onder die duizenden zoovelen in het vast geloof, dat de adelbrief der rechtzinnigheid aan hen was verleend, de adelbrief door God zelven geteekend met de pen der genade, en die gedoopt in het dierbaar bloed van Zijn heiligen Zoon.

Doch onder die duizenden was er één, één dat weet ik zeker--die zulk een geestelijken adelbrief nog niet had ontvangen, en door iets anders naar dat schoone oord werd getrokken dan die duizenden ginds.

Wolfhezen was hem lief. Hoe dikwijls zat hij er neder om boom en blad en 't klare beekje langs de blanke heuvels in groenen zoom, nauwlettend te bespieden, en ook te schetsen in verven ofschoon met zwakke hand.

En niets, niets stoorde dan de plechtige stilte die er heerschte, want zelfs het bijna onhoorbaar gemurmel der beek, het lieflijk gekweel der vogels in 't ronde, het klagend gekor der woudduif van verre, 't geritsel door 't loof van den vallenden eikel, en 't vluchtig gekrak van het doode takje als het eekhoorntje rondsprong in 't eikenhout; zij zelfs, de zoetste stemmen der natuur, ze smolten inéén met die plechtige stilte, tot het lieflijkst akkoord.

En, als een ander geluid den jeugdigen schilder een enkele reize deed opzien van zijn arbeid, dan was het, wanneer het schokken der kleine met plaggen beladene kar hem wekte, terwijl zij daarginder, door den statig-stappenden rood-bonten os, over het aardige beekbrugje werd voortgetrokken, of ook, wanneer het zachte gekling-klang der klokjes hem trof, als Harm "de scheper" aan gene zijde der beek zijn kudde voorbijdreef, en de schapen--in deze landstreek zoo goed met schilders als schepers bekend--niet aarzelden om ter lessching van hun dorst den beekheuvel af te dalen, terwijl de blanke kiezels hun fijne pootjes reeds vooruit rolden en plassende in den helderen vliet, er parels deden opspatten van vloeiend kristal.

Ja, Wolfhezen was hem lief, want de natuur is er heerlijk en schoon!--Schoon, verheffend schoon, bovenal in den morgen, in den vroegen morgen:

Als bij 't lieflijk voog'len kweelen 't Luchtig morgenkoeltje suist, En bij 't pooplen van de abeelen, 't Vaarkruid boven 't beekje ruischt.

Als er blauwe nevels dwalen, Ginds waar 't woud zijn toppen beurt, En de zon met de eerste stralen 't Zilvren web der heide kleurt.

Als de boekweit geurt vol zoetheid, En het bijtje u gonst in 't oor: De aard is vol van 's Heeren goedheid Looft zijn naam alle eeuwen door!

En in zulk een morgen, was het dan vreemd dat er een traan welde in het oog van den jongeling, en dat er een woord, uit den diepsten grond des harten geweld, aan zijn lippen ontvlood, een enkel woord....

Pieter, gij hebt dat woord niet vernomen. Dat behoefde ook niet. Maar--wanneer wij wel eens voor een wijlen poozende van den arbeid, het penseel lieten rusten en ik u onwillens verrassen moest, terwijl gij achter een heuvel verscholen neerlaagt op de bruine hei, en er in uw bijbeltje laast, met een zoo ongehuichelde vroomheid op uw goed gelaat, zeg, hebt gij dan ook misschien gebeden voor het zieleheil van uw jongen vriend, den armen verdoolde! die--daarbuiten--niet las in een bijbeltje en niet gelooven wilde wat gij voor eeuwige waarheid hieldt? Ja, ik weet het, gij hebt gebeden, maar ook, en dát, dát was uw waarachtigst gebed: gij hebt gewerkt. Nooit! neen nooit zelfs bij vroolijke scherts, heeft een onrein woord uit uw mond den zuiveren dampkring bezoedeld; altijd hulpvaardig, altijd voorkomend stondt gij den jongeren leerling ter zij, en immer goedaardig en stil, ook dán wanneer gij worsteldet met de kunst die u lief was--de menschen weten niet wat daarmee te worstelen valt--misschien zelfs worsteldet met uw lichaam er bij, heeft hij geen wrevel in u bespeurd, slechts eenmaal uw toorn.... Maar inderdaad, dat was een al te groote, een overdreven ijver, mijn goede Pieter, immers de naam van uw God werd daar niet gelasterd, en toch, ook zelfs voor dien toorn.... ik zou er u gaarne de hand nog voor drukken.

En onder de duizenden, die zich opmaakten om het Zendingsfeest te vieren, was er dan één, die niet opging zooals de groote schare, gewekt door geestverwantschap, en in gloed voor het doel--al zou hij wel gaarne het rijk der liefde prediken "beginnende van Jeruzalem" en al vindt hij het denkbeeld verheffend schoon, den Schepper een loflied te zingen in zijn prachtigsten tempel: de reine natuur. Neen, hij maakte zich op en voor 't grootste deel, om zijn dierbaar Wolfhezen in den vreemden tooi te zien, die aan vervlogene eeuwen herinneren moest, om zich met eigen oogen te overtuigen of dat feest--naar sommiger meening--de plek niet ontwijden zou, die hem immer toelachte als een reine maagd vol onverwelkbare schoonheid.

En de nacht wekte hem van zijn leger, en de vroege morgen groette hem, als hij aan den oever van den breeden Maasstroom door het kleine raampje van den spoorwagen heen, de golfjes zich alle in grauwen nevel zag voortspoeden, beden in den nevel; morgen in het glanzende licht der zon: bij stilte of storm, 't zij grooter of kleiner, 't zij helder of troebel,--zij alle van denzelfden oorsprong--vlietende naar dien oorsprong terug, naar den eindeloozen Oceaan....

En het werd een schoone--al werd het geen heldere dag.

De feesttrein snelde voort, en zijn breede blanke pluim van stoom golfde met hem mee, en wuifde den nieuwsgierigen langs zijn pad een vroolijk "vaarwel" toe.

En ik--in mijn hoekske gezeten, terwijl ik mijn oog liet weiden over de bonte rijen van mannen en vrouwen, van jongen en ouden, daar hoorde ik weer in 't gestoot van den wagen die droevige profetie: "Wat zult gij een huichlende vroomheid zien!"

Maar neen--in waarheid hier in den feesttrein zag ik ze niet. Die burgerman met zijn witte das lachte mij vriendelijk groetende toe, en op mijn "Donker luchtje mijnheer," meende hij: "Dat het nog op kon klaren," och, doodeenvoudig: dat het nog op kon klaren. En "de lange gezichten", ik zag ze niet: en de "smachtende blikken ten Hoogen", neen waarlijk ik bespeurde ze nergens; de vroolijkste verwachting las ik op de meeste aangezichten; ze praatten en lachten, doch stemmig bedaard; ja inderdaad het waren menschen! gewone doch fatsoenlijke menschen.

En eensklaps--daar was voorzeker een wenk gegeven--kwam een ernstiger plooi op veler gelaat; de mannen ontblootten het hoofd, de vrouwen zagen stil voor zich heen, en de snorrende dreunende spoorwagen weerklonk van het zuiver aangeheven psalmlied:

Looft den Heer want Hij is goed, Looft Hem met een blij gemoed. Want Zijn gunst alom verspreid, Zal bestaan in eeuwigheid.

Dat was vreemd nietwaar in den wagen?

Pieter, wat zoudt GIJ genoten en helder hebben meegezongen; en gij mijn vriend de profeet, die in uw gelooven zoo hemelsbreed verschilt met de volgelingen der Dordtsche vaderen, ja, ik weet het, waart ge daar tegenwoordig geweest, ook gij zoudt het hoofd ontbloot en wellicht hebben meegestemd in dat lied ter eere van den Eeuwige, van Hem, die wel bij vele namen door Zijne schepselen wordt genoemd, doch voor de uiting van wiens naam alle aardsche taal te arm is, en alle aardsche wijsheid te gering om dien naar eisch te bepalen. Gij stemt het mij toe, slechts sectenhaat of blinde partijzucht zal wrevel gevoelen bij de uiting van eens anders waarachtig godsdienstig gevoel, terwijl alleen een bittere ervaring er toe leiden kan om al aanstonds haar oprechtheid te verdenken, en de lichtzinnige slechts spotten zal waar door stervelingen, den Formeerder van millioenen werelden, den Voeder van legioenen billioenen schepselen, hoe onvolkomen dan ook, het: Looft, looft Hem! wordt toegebracht.

En de trein snelde voort, en een vroolijke maar opgeruimde stemming bleef ongestoord in dien wagen heerschen.

Behalve den reeds genoemden burgerman, bestond het klubje, het meest in mijn nabijheid gezeten, uit een paar oude juffrouwen, een zoon uit den ambachtsstand, en een viertal meisjes met stemmige, niet onaardige--ja twee er van zelfs met geestige gezichtjes. En waarlijk, dat klubje het onderscheidde zich door een onderlinge hartelijke gulheid, waarvan ook de vreemden de tastbare bewijzen ontvangen mochten. Ik weet niet wat schatten van proviand ons vriendelijk dringend met een: toe maar! werden aangeboden, en--of ook een wenk voldoende was om daarvoor dank te betuigen, een kleine versnapering mocht niet versmaad maar haastig worden aangenomen.

En na het genot, en wat kout over 't weer en de heerlijke landstreek, waarheen men ons voerde, vervulde opnieuw een psalmlied den trillenden wagen. En al zag ik ook nu, en straks, en tot den einde bij ieder lied dat weerklonk, de groote blauwe oogen van het blondste der meisjes voortdurend van reine geestdrift schitteren, toch las ik op sommige aangezichten bij het derde of vierde lied een zekere vermoeienis een....

Maar gij begrijpt wat ik zeggen wil; de man verstond mij ook toen ik hem opmerkte, dat men dien dag nog zooveel zou moeten zingen en of de stemming, die zij op Wolfhezen wenschten, niet reeds te veel verzwakt zoude zijn indien....?