De lelie van 's-Gravenhage

Chapter 18

Chapter 183,860 wordsPublic domain

"Hoor lieve," antwoordde Klaartje: "ik zal u dat later wel eens vertellen; nu zoudt gij alles nog niet begrijpen; alleen dit kan ik u zeggen, dat dit kindje het braafste was dat er ooit geweest is of komen zal; het heeft nooit in zijn leven kwaad gedaan, en de man, die dat mooie kindje daarop heeft geschilderd, heeft uw mama eens het leven gered."

"Dat moet een goede man zijn geweest," zeide Clarisje: "Ik zal dus veel van hem houden, en Klaartje houdt zeker ook veel van hem, nietwaar lieve Klaartje?"

Het bevallige kindermeisje kon een opwellenden traan niet onderdrukken. De onschuldige vraag van het lieve kind had een diepe wond in haar binnenste opengereten: "Ja, voorzeker!" zeide zij eindelijk: "doch kom mijn aardig snapstertje, het wordt tijd dat gij naar uw bedje gaat; wij zullen papa en mama goeden nacht gaan zeggen, en dan zal ik straks eens zien of gij uw avondgebedje goed onthouden hebt."

Adelgonde Van Bergen was sedert vier jaren de echtgenoot van Alonzo Spinola. De teederminnende echtelieden vonden in elkanders bezit een hemel op aarde, en nauwelijks een jaar na hun huwelijk verblijdde Adelgonde haar aangebeden Alonzo met eene dochter, welk kostbaar pand hunner liefde den onverbrekelijken knoop van huwelijkstrouw nog vaster had toegehaald.

Als man van eer, als rechtgeaard Hollander, doch als Christen bovenal, had de graaf Van Bergen zijn gegeven woord niet gebroken. "Is Spanje met Nederland in vrede," had hij gezegd: "en hebt gij de leer van Rome verlaten, zoo keer in mijne woning terug: vóór dien tijd mag mijne dochter uw gade niet worden; dán echter zal ik den redder van mijne kinderen als zoon ontvangen, dán kunt gij mijn kleinood naar het altaar geleiden.--Ga! God zij met u!"

En de graaf had woord gehouden. In zijn warmen ijver voor het hervormde geloof, telde hij den vloek niet dien de markgraaf Spinola over zijn zoon had uitgesproken. "Wie vader of moeder lief heeft boven Mij, is Mijns niet waardig." Dit had de Zaligmaker gezegd. Alonzo had wél gehandeld, hij had den Heer gekozen boven de menschen. En wat het vermogen van Alonzo betrof, al was hij onterfd, al zouden de goederen van den markgraaf nimmer de zijne worden, de schat in den hemel verworven, was van hooger waarde dan alle schatten der aarde, die de dieven doorgraven en de mot en de roest verteren.

Een jaar dus na de heuglijke afkondiging van het Twaalfjarig Bestand, hadden de jonge lieden elkander, voor het oog des Heeren, liefde en trouw gezworen.

Prins Maurits was bij de trouwplechtigheid tegenwoordig geweest, en het huwelijksfeest, 't welk juist tot het jaarfeest des graven was uitgesteld, werd met ongemeenen luister op den Oldenburgh gevierd.

Twee jaren alzoo bewoonden de jonge echtelingen, op begeerte van den graaf, het vaderlijk kasteel, doch, toen Adelgonde eindelijk, na den dood van haar oom Reinier, volgens diens testament de eenige erfgenaam der goederen van Beaufort bleek te zijn, toen wilde Van Bergen niet langer baatzuchtig zijne kinderen nabij zich houden, maar drong hen zelf: den weg te volgen dien de Heer hun had aangewezen. Diep ontroerd zag hij zijne dierbaren vertrekken. De zwakke Adel alleen bleef hem nu over; en, van het geluk zijner lieve Gonne overtuigd, was het thans zijn eenig streven, en bleef het zijn grootste genoegen, zijn ongelukkigen zoon te leiden, en diens geest te beschaven, opdat hij nog eenmaal goede vruchten van die verwaarloosde plant zou mogen oogsten.

"Mijn Gonne is altijd even toegevend," zeide Alonzo eens tot zijn bevallige gade, die, voor een der ramen aan den Maaskant gezeten, zich in het treffende schouwspel der ondergaande zon verlustigde. "Ik wilde wel," vervolgde hij, terwijl hij den bruinen jachthond met zijn voet over den vloer heen en weer rolde: "ik wilde wel, Gonne, dat gij mij toch eens iets kondt weigeren. Ik kan u niets vragen of gij zegt, ja! Gij zijt al te goed, mijn lieve vrouw, en ik verwijt mij dikwerf zulk een liefde niet te verdienen."

"Beste Alonzo," zeide Adelgonde: "waarom zoudt gij die liefde niet verdienen? Gij zijt immers alles voor mij. Voorkomt gij niet altijd al mijne wenschen? O, het is mij een plicht, een wellust, u gelukkig te maken; want Alonzo, gij hebt veel voor mij opgeofferd; en zonder u was er voor mij toch geen geluk op aarde."

"Gij zijt een engel!" hernam Alonzo opstaande, en zijn stoel naast dien van Adelgonde plaatsende, zette hij zich aan hare zijde, en zag een tolk van innig geluk langs hare wangen vloeien.

"Die scherpe stralen der zon hebben uwe oogen vochtig gemaakt," hernam hij: "Kom lieve vrouw, zie mij eens aan, en geef mij een zoen. Zie zoo!--gij moogt uw lieve oogen niet bederven."

"'t Is waar," zeide Adelgonde, hare kijkers afdrogende: "Het licht is al te sterk. Wel honderd roode en groene sterretjes zweven mij voor de oogen. Morgen gaan wij dus te zamen naar de valkenjacht, nietwaar beste vriend?"

Op dit oogenblik trad Klaartje met Clarisje de zaal binnen. Het aardig wichtje huppelde vroolijk naar hare ouders, klauterde op Adelgondes schoot, en, beurtelings hare moeder en Alonzo kussende, riep het, terwijl zij met de kleine armpjes de twee echtelieden vereenigde: "Nacht maatje! nacht paatje! Clarisje is heel zoet geweest; Clarisje zal ook zoo braaf worden als het bloote kindje, dat die goede man geschilderd heeft. Nacht maatje, nacht paatje!" en het aardige meisje kuste en pakte hare ouders weder dat het een lust was om aan te zien.

"O Adelgonde, hoeveel hebt gij mij met dit kind geschonken!" zeide Alonzo, nadat Klaartje met de lieveling vertrokken was: "maar," vervolgde hij vleiend: "gij zult mij ook een zoon schenken, is het niet zoo?" en den arm om het midden zijner gade slaande, zag hij een zacht rood hare kaken verven, en las hij in hare oogen de woorden: Gij weet het Alonzo, de zegen op aarde ligt in des Heeren hand."

Nog zat het gelukkige echtpaar zoet koutend bijeen, nog was het avondrood niet geheel van den hemel geweken, toen eensklaps een buitengewone verschijning de stilte verbrak, en de echtelingen ontsteld doch verrast deed opspringen.

"Lieve vader!" riep Adelgonde, naar Van Bergen toesnellende, die, in reisgewaad, onaangediend en zachtkens de zaal was binnengetreden: "Lieve beste vader!" riep zij nogmaals, terwijl zij aan des graven hals bleef hangen: "hoe onuitsprekelijk verblijdt mij uw komst!"

Van Bergen omhelsde zijn kind met innige warmte: drukte zijn schoonzoon recht vaderlijk de hand; ontdeed zich, na de eerste verrukking des wederziens, van zijn mantel; zette zich in een hem door Alonzo toegeschoven leuningstoel, en sprak toen, terwijl zijne kinderen naast zijnen zetel plaats namen: "Het is mij goed weer bij u te zijn. God zij gedankt, die mij aan het gevaar dat mij dreigde, deed ontkomen. Hij heeft mij gered, en...."

"Een gevaar!?" riepen Alonzo en Adelgonde schier te gelijk: "Wat is u overkomen?"

"Ik zal het u verhalen," hernam Van Bergen: "doch vooraf verzoek ik u een paar mannen naar het rivierpad te zenden, ten einde Rudolf, dien ik bij mijn aanvaller heb achtergelaten, behulpzaam te zijn."

Alonzo had weldra zijn bevelen gegeven, en nu verhaalde Van Bergen hoe hij gelukkig zijn tocht tot aan den steilen slotweg had volbracht, toen eensklaps een verwilderd haveloos man zijn paard bij den toom had gegrepen, en hem een pistool op de borst drukkende, tot de overgave van zijn geldbeurs had aangemaand; hoe Rudolf, waarschijnlijk door den roover niet opgemerkt, dadelijk was ter hulpe gesneld; hoe deze de pistool uit de hand van den schurk had geslagen, en hem tevens een diepe wond had toegebracht, zoodat de ellendeling voor dood was neergevallen.

Dankbaar sloegen ook Adelgonde en Alonzo den blik naar boven, en verheugden zich met ongeveinsde blijdschap, dat ze hun veelgeliefden vader ongedeerd aan hunne zijde mochten zien.

Intusschen was de straatroover, door Rudolf en Alonzo's knechten het kasteel Beaufort binnengedragen.

De wonde, hem door Rudolf in de borst toegebracht, was breed en diep; een schrikkelijk bloedverlies had hem geheel uitgeput, en de knechten, niet wetende hoe zij hem eenige verzachting zouden toebrengen, begaven zich naar hun meester om diens hulp voor den lijder in te roepen.

Terstond was Van Bergen gereed om Alonzo met zijn meerdere kennis bij te staan, en beiden gingen derhalve naar het benedenvertrek, waar de ongelukkige terneer lag.

Zoodra Van Bergen echter met een natgemaakte doek de wonde eenigszins wilde reinigen, en hij den lijder, bij het schijnsel der aangestoken lamp, in het verwilderde aangezicht zag, ontglipte een kreet van verbazing aan zijne lippen, want hij herkende in die vóór den tijd verouderde en verdierlijkte trekken, het gelaat van hem, die zich vroeger Walter Van Rodenberg noemde.

"God, Walter! zijt gij het?" riep de graaf, terwijl hij verbleekte, en bevend den nederliggende beschouwde: "Walter, Walter! waartoe zijt gij gekomen!"

Walter Van Rodenberg opende zijne oogen en keek verwilderd om zich heen.

"Ha!--eindelijk vernietigd!" riep hij met schorre stem: "Het is reeds lang genoeg.--Waar is de dood?--Kom spoedig!"--en met een ontzettende krachtsinspanning balde hij zijn vuist, en sloeg zich met zulk een hevigheid op de diep gapende wond, dat het bloed den aanwezigen in het aangezicht spatte, en hij zelf, weinige seconden later, stuiptrekkend den geest gaf.

Het duurde verscheidene dagen eer de bewoners van Beaufort den somberen indruk van dat treurige schouwspel konden verbannen; vooral Van Bergen had dit schrikverwekkend tooneel diep getroffen. Nogmaals was "het opgeheven zwaard der boosheid langs het schild van Gods voorzienigheid afgegleden," en, twee dagen na deze akelige gebeurtenis bracht Van Bergen het lijk van den ongelukkigen zoon zijner stiefmoeder naar zijn laatste rustplaats.

Eene week na des graven onverwachte komst op Beaufort, daagde er voor de jongen echtelieden een morgen van grenzenlooze vreugd. Uit Den Haag was in allerijl een koerier komen aanrennen, die den portier een pakket met het wapen der Oranjes verzegeld, had overhandigd.

Het adres luidde aan Alonzo, en de jonge Spinola, niet vermoedende wat de vorst hem kon te melden hebben, doorlas met ongeduld het geschrift van zijn doorluchtigen beschermer.

Het was hem niet mogelijk den brief tot het einde te doorlezen, veel minder nog ook het daarbij gaande blad, in de Spaansche taal geschreven, nauwkeurig te doorloopen. De letters dansten hem voor de oogen. "Dáár, dáár," riep hij in vervoering uit: "lees.... zie.... ik kan niet meer. Dierbare Adelgonde! mijn vader.... o God! hij heeft zich mijner ontfermd!"

Alonzo had wél gezien: de vadervloek was opgeheven; prins Maurits was de voorspraak van den echtgenoot der schoone Hagenlelie geweest, en de markgraaf Ambrosio, tot hiertoe hardnekkig en ongeneigd zijn zoon weder aan te nemen, had de bede van den fieren veldheer niet kunnen weerstaan, maar, hopende op de belofte van Maurits, wilde hij zijn ketterschen zoon genade schenken, zoo het Katholieke geloof daardoor meer oogluikend in de Nederlanden werd toegestaan.

Gevoegelijk zouden wij hier de pen kunnen neerleggen, doch gelooven nog eenige inlichtingen aangaande sommige personen verschuldigd te zijn, welke wij dan ook onmiddellijk laten volgen.

Het vroolijke kamermeisje van de schoone Hagenlelie was, twee maanden na het huwelijk harer meesteres, met Maarten in den echt getreden. Adelgonde had haar een aanzienlijke huwelijksgift geschonken, en Maarten, in een eigen smederij getreden, deed den hamer lustig op het aambeeld klinken, en bleef steeds een ijverig burger der hofstad, gelijk zijn goede huisplaag,--zooals hij Anne meermalen schertsend noemde--steeds een liefhebbende vrouw en, tot aan haar einde, eene trouwe moeder voor hare kinderen bleef.

Van den barbier Sebastianus Bril weten wij niet anders te verhalen, dan dat door hem de treurige geschiedenis van den jeugdigen kunstschilder, Jakob De Geest, aan den graaf Van Bergen werd bekend gemaakt. Adelgonde, die haren redder, behalve in dat vluchtige oogenblik op den weg, nimmer had wedergezien, wijdde een traan aan zijne nagedachtenis, en noodigde het treurende Klaartje uit om Annes plaats bij haar te komen innemen.

Klaartje gevoelde zich in deze betrekking recht op haar gemak. De akelige taak van schenkster in de kroeg haars vaders, had haar reeds sedert lang tegengestaan. Nu was het haar streven en lust, hare goede gebiedster in alles te voldoen; en dikwerf nog dacht zij met weemoed aan den ongelukkigen Jakob, voor wien Alonzo een klein gedenkteeken had doen oprichten, ter plaatse waar hij Adelgonde aan den Maaskant van een wissen dood had gered.

Het schilderstuk, 't welk wij reeds in de kinderkamer hebben gezien, was daar met voordacht en tot groot genoegen van Klaartje opgehangen, en toen Clarisje eenige jaren ouder was geworden, leerde zij van hare verzorgster het ons bekende droomlied van den kunstenaar, dat het meisje den ongelukkigen jongeling zoo dikwerf had hooren zingen.

Van Bergen leefde nog vijftien jaren na het huwelijk zijner Gonne. Het sterven was hem gewin, want reikhalzend zag hij in de laatste oogenblikken zijns levens de ure naderen, waarin hij met zijn Heer zou vereenigd worden, dien hij op aarde zoo vurig had gezocht.

Vrouw Barbara is van de wonde, haar door Van Rodenbergs pistoolschot toegebracht, hersteld. Van Bergen heeft haar volkomen vergiffenis geschonken, en, zoo wij wél onderricht zijn, is zij in een klooster als berouwhebbend Katholiek gestorven.

Wat Adel betreft, deze is op zijn veertigste jaar, met eene kleindochter van den baron Van Doorn tot den Zandheuvel in den echt getreden. Zijne vrouw heeft hem echter geen kinderen geschonken; en hoewel steeds achterlijk in zijne geestvermogens, werd hij tot zijn einde door zijne onderhoorigen bemind, en werd hem, om zijne schier vrouwelijke zachtaardigheid, den eeretitel van den goeden graaf gegeven.

Burgman bleef tot aan zijn dood pluimgraaf op den Oldenburgh, en door hem is de belangrijke kunst uitgevonden, om in zeven dagen tijds, de schraalste haantjes of kippen tot de vetste tafelsieraden op te kweeken; wij gelooven evenwel dat deze edele kunst met den goeden Burgman is verloren gegaan.

Het doet ons leed, eindelijk nog te moeten mededeelen, dat Adelgonde niet al de wenschen van haren echtvriend heeft vervuld; zij heeft hem geen zoon ter wereld gebracht, maar ter vergoeding daarvan hem nog eene dochter geschonken, die, evenals Clarisse, het sieraad harer ouders werd, en evenals die oudere zuster, eene partij harer waardig gevonden heeft.

GELEGENHEIDSSTUKKEN.

DE REUS VAN ANTWERPEN.

Daar was eens een reus en zijn naam was Druon-Antigoon en zijn gade was een reuzin.

En op den schoonen oever van den breeden Schelde-stroom bouwde zich Druon-Antigoon een sterken burg, en de zalen waren vervaarlijk groot en hoog.

En als Druon-Antigoon voor het breede burgvenster gezeten was, dan had hij het uitzicht over den voorbijsnellenden vloed, en als de zon op het watervlak speelde, dan zag hij de zilverschubbige bewoners er boven uitspringen, en glanzen in 't zonnelicht; maar ook, als de wind het lies aan den oever deed ruischen, dan zag hij de schippers met volle zeilen voorbij den burg varen, ha! alsof er geen reus aan de Schelde was!

En op een vroegen morgen toen Druon-Antigoon weer voor zijn venster zat, en hij een schipper, laveerende, naar het basalt van den burg den steven zag wenden, toen klonk er uit koperen longen een donderend halt door de lucht, en stak de reus zijn arm uit het venster, en greep er met ijzeren hand den mast van het vaartuig, dat alles er kraakte en schokte.

En de visschen met hun zilveren schubben hadden Antigoon gezegd, dat de Schelde hem meer moest geven dan het vleesch van hun graat.

En Antigoon bulderde weder: Menschenworm! zijt groot zooals ik, of anders--anders zult ge tol en schatting betalen, tol en schatting aan Druon-Antigoon, den eeuwigen reus in zijn burg!

Maar de arme schippers konden niet groot zijn zooals die geweldige burgheer, en ze betaalden hun tol en hun schatting, want--deden zij 't niet, dan rukte de wreede hen weg van het roer, en hieuw met zijn vreeselijk slagzwaard hun handen van 't lijf, en wierp ze, och arme! ten aas voor de visschen in 't diep van den stroom.

En gansch het land schreeuwde wraak. Maar Druon-Antigoon bleef rustig zijn tol en schatting heffen--of wel, hij greep de schepen bij hun masten, en hief ze boven den vloed, en deed ze met de kiel een halven cirkel door het luchtruim beschrijven, en--het kappen van der weerspannigen handen, en het Handwerpen in de Schelde bleef zijn geliefkoosd vermaak.

Maar Brabo nadert.

Brabo de held, met zijn beitel en lier. En in zijn borst woont de zucht om de bekoorlijke oevers der Schelde van den geweldige te verlossen, om Druon-Antigoon, den reus, te verslaan.

En onder het venster van den hechten burg, roept Brabo dat Druon-Antigoon met zijn gade zal uitkomen, want heel het land wenscht de beeltenis van den burgheer en zijn gemalinne te zien, en Brabo zal ze houwen in eeuwentartend graniet.

En Antigoon en zijne gade verlaten den burg, en Brabo houwt hun beeltenis met vaste hand. Maar als de kunstenaar arbeidt, dan vallen de oogleen des geweldigen toe,--en de schippers varen ongehinderd voorbij.

En Brabo werkt voort, en zingt bijwijlen zijne liederen; maar als de sterke in 't einde ontwaakt, dan deinst hij terug bij het aanschouwen van een tweede als hij--het beeld nóg grooter dan de Schelde-reus zelf--gewrocht door het genie. En bij het vernemen van de nooit gehoorde zilveren tonen van Brabo's stemme en lier, rukt hij zich, bevend, het slagzwaard van de zijde, en dreigt er den dwerg te verslaan, den dwerg, die zijn zinnen beheerscht.

Maar ziet, Brabo's stalen beitel snort door de lucht, en treft er den kop des geweldigen; en Druon-Antigoon stort met een rauwen kreet ter aarde, en in zijn val verplet hij de vrouw, die hem zonen zou baren; en die beiden--zijn de laatsten van hun geslacht.

Leve de Verwinnaar!

En toen de reus, met háár, die hem zonen zou baren, verslagen was, toen stroomde het volk van heinde en verre bijeen, en juichte met blijde klanken den verwinnaar toe, en bouwde met Brabo, den held, een schoone stad op den oever der Schelde--waarvan de reuzenburg de hoeksteen bleef--en schonk haar ter eeuwiger herinnering, den naam van:

Antwerpen.

En het volk vertelde de geschiedenis van Druon-Antigoon aan zijne kinderen en kleinkinderen, en allen verheugden zich dat kloeke Brabo den woestaard verwon, en aanschouwden zijn werk, en zongen zijne liederen, en juichten: De geweldige is verslagen!

Maar toch--toch meent de naneef dat Druon-Antigoon nog somtijds rondwaart door Antwerpens straten; dat hij--ofschoon de held der beschaving hem versloeg--nog somtijds met zijn reuzenschim komt spoken in den boezem van Antwerpens grooten en kleinen; dat Druon-Antigoon nog immer meewerkt tot den roem van Brabo's nakroost.

Zeg, Genius van Antwerpens bouwkunst! zaagt gij den reus niet in uwe wallen, die er den prachtigen toren uwer hoofdkerk deed verrijzen, en er de achtkante tafel--Antigoons steenen disch--ter zwaarte van tweemaal zesduizend kilo's, nog hooger dan viermaal honderd voeten optillen dorst....?

Spreek, Genius van Antwerpens schilderschole! mocht niet de reus in uw veste als vorst den kunstschepter zwaaien, de reus, wiens name groot klinkt in vijf werelden, en wiens standbeeld gij deedt verrijzen op 't midden der "groene plaetse"?

En gij, Antwerpens stedemaagd! buigt gij het hoofd niet voor den kolos, die de poorten uwer grootsche stad wijd, wijde ontsloot, en gansch het kunstlievend Europa als gast dorst nooden in uwe wallen? De meer dan tienmaal honderd strijders der gedachte [3] van Noord en van Zuid, het luide welkom, welkom! deed hooren. Die het luidere welkom griffelen deed in 't eeremetaal, als een blijvend welkom aan allen, die broeders willen zijn in de Kunst, broeders door het onbezoedeld genie, hoogepriesters van den eeuwigen Bouwmeester--door verspreiding van licht en beschaving, in beeld en in schrift?

Maar neen, zij buigt het hoofd niet, Antwerpens stedemaagd. Ziet, zij lacht vroolijk.

Zeg, fiere maagd, lacht ge dáárom zoo blij, dat de reus der gedachte uw roem heeft gehandhaafd en al die zonen van 't genie te zaam aan uwen disch deed nederzitten; dat Rus en Italiaan elkaar als broeders van éénen stam met warmte aan 't harte drukten; dat de zonen van 't machtige Albion, het kloeke Germanje, en het stoute Frankrijk hun aller moeder een heildronk wijdden; dat Zuid- en Noord-Nederlanders één tale roemden in uw grootsche zaal, en samen juichten ter eere van Antwerpens reus der negentiende eeuw: de zucht naar éénheid voor alle strijders der gedachte, de zucht tot inniger verbroedering voor alle zonen der Kunst....?

En vlaggen van allerlei kleur wuifden het Heil U! langs Antwerpens straten; en wapenschilden van velerlei natie riepen u van de gevels der huizen de namen toe van hen, die men er gastvrij ontving; en....

Maar stil, daar nadert een breede stoet. Blootshoofds treden zij langzaam voort, de mannen in hun gewijde kleeren en met hun prachtige banieren. Bloem en loof wordt met kwistige hand gestrooid langs den weg dien de stoet heeft te volgen. Zie, dat is het beeld der Lieve Vrouwe, dat men in plechtigen optocht en statig rondvoert.

Denker! zult gij het hoofd niet ontblooten; kinderen van denzelfden God! zult ge minachten den hier gehuldigden vorm?

Gij, die van den Christus verstaan hebt rechtstreeks tot uw God, als tot uw liefdevollen vader te spreken, zult ge hen veroordeelen, die hier nog kiezen de Lieve Vrouwe tot verteedering van den altijd opnieuw miskenden en heiligen God.

Ontbloot vrij uw hoofd. Veracht niet den vorm. Denker! daar zijn vele vormen, doch weet het, daar is slechts ééne waarheid, en die eeuwige waarheid is:

Zalig zijn ze die God liefhebben bovenal, en den naaste als zich zelven!

Liefde voor God en de menschen!

Dát, dát alleen is het hechte fondament voor den heiligen tempel der Kunst.

En in dien tempel--Broeders, wij zijn er één! Wij zijn er één, dewijl wij het kunstschoon genieten bij velerlei vorm, ja zelfs bij gebrekkige vormen in beeld of in schrift.

En ziet--nu gij de zalen betreedt, waar de voortbrengsels van 't genie de wanden versieren, ja, nu huivert gij bij 't aanschouwen van dien slavenroof aan Afrika's kuste. Uw harte bloedt bij het angstig bespieden van dat afgrijslijk schoon tafreel, waar de blanke duivel ten troon zit en die arme zwarten tot dieren verlaagt. [4]

Zegt, Broeders der Kunst, vraagt gij ook, hoe zij haar God zocht te dienen, nu gij die Syrische vrouwe ten prooi van den woesteling ziet, die haar met onzalige vingers den teederen boezem nijpt, en straks haar ten vure zal doemen? [5] Neen, neen! gij hoort haar angstkreet, haar smeeken, haar kermen. En het bloed stroomt u sneller door de aders; gij wilt haar verlossen, haar scheuren uit de klauwen des verderfs. Broeders! wij zijn één in geloof; dát, dát is de triomf der Kunst--zij wekt ons tot liefde.

Arme moeder op uw zoldervertrekje, met uw kruisken in de hand; met uwe arme kinders geknield bij de lijkwa van uw echtvriend, van uw eenigen kostwinner! Arme vrouwe, zie daar staan ze nu, de gereedschappen van uw altijd zoo werkzamen echtvriend; zie, nog kleeft de kalk aan de truffel, die hij zoo kloek kon hanteeren, en dien voegspijker en dat paslood, arme, arme weduw, hij zal ze nimmer, nimmermeer besturen. [6]

Arme vrouwe, wij weten 't wel, gij zijt met uw smart slechts getooverd op het doek, doch--aller oog is vochtig geworden bij het aanschouwen van uw diep treffend leed, en die traan, ontlokt door de Kunst, heeft gefluisterd van broederliefde, en,--broederliefde en christenzin, zijn die beide niet één.