Chapter 17
Zoo liefelijk als het veelal is eene vrouw in vreugde of droefheid te zien weenen, zoo akelig is het steeds wanneer een man zijne aandoeningen op deze wijze moet lucht geven: Van Bergen was schier niet tot bedaren te brengen, en Alonzo die over deze uitkomst minder verrast dan de graaf, met afgrijzen het schrikkelijk aantal misdaden had hooren opsommen, beschouwde met fonkelende oogen de ontaarde vrouw die, met saamgevouwen handen, nogmaals voor den graaf op de knieën was neergevallen.
"Monster! ga van hier!" sprak Alonzo op gebiedenden toon: "Wat baat u en uw medeplichtige de vergeving der menschen, daar alreeds het helsche vuur voor ulieden brandt. Wat baat u de genade der wereld, zoo het tal van uw zonden zelfs door de verdiensten der Heiligen niet kan worden uitgewischt."
Vrouw Barbara wierp een blik van minachting op den vertoornden spreker. Biddende bleef zij de armen naar den graaf uitstrekken, en zelve ontsteld door de uitwerking, die haar verhaal had teweeggebracht, riep zij op smeekenden toon:
"Neen, ik zal, ik kan niet van hier gaan aleer de edele graaf ons genade heeft toegezegd.--O! de Heiligen weten het, hoe dikwerf mijn geweten mij tot spreken aanspoorde; hoe dikwerf ik wenschte van die ijselijke eeden ontslagen te zijn, doch dan zweefde de dreigende vloek van Rosio mij weder met vurige letters voor den geest; dan zag ik mij weer aan den haat en de vervolging van uw stiefmoeder prijsgegeven. Ja, zij was het die de ellende en den rouw over uw huis heeft gebracht. Zij, door haar echtgenoot verstooten, wenschte haar bastaardkind in die rechten te zien treden, waarop zij zelve in de eerste plaats meende aanspraak te hebben. Daarom moest uw zoon gedood, of voor de wereld verdonkerd worden; daarom moest uw gade zoo vroegtijdig sterven, en gij uw eigen dochter grootbrengen, in den waan dat zij een kind van lage afkomst was. Ja, zij had besloten dat niemand anders dan haar verachtelijke zoon uw dochter tot echtgenoot zou erlangen; bij eene weigering van uw zijde, was hij gewapend; hem was de leugen van Adelgondes geboorte voor waarheid verhaald; hij zou u bedreigen met de wereld daarvan te onderrichten. Uw antwoord was dan niet langer twijfelachtig, en als Adelgondes gemaal, zou hij na uw dood,--die dan spoedig volgen moest, in uwe rechten treden, zoodat de zoon uwer stiefmoeder een geslacht zou vervangen, dat kort te voren nog zoo fier den nek tegen haar had gekromd."
Nauwelijks had vrouw Barbara deze woorden geëindigd, of een vreeselijke knal drong den aanwezigen in de ooren. Zij zelve stortte, met een rauwen gil, bewusteloos op den grond, en terwijl de dienstboden, door den slag ontsteld, ijlings naar de zaal stormden, opende Alonzo het torenkamertje, waaruit een pistoolschot was gelost, doch ontwaarde niets dan een tamelijk lang koord, 't welk uit het venster hing. Voorzeker moest het de ontkoming van Van Rodenberg hebben bevorderd, die eerst over de slotgracht was gezwommen en zich daarna in allerijl uit de voeten had gemaakt.
TWINTIGSTE HOOFDSTUK.
In een tijdsverloop van ongeveer negen maanden, hadden de staatkundige aangelegenheden gedurig een geheel ander aanzien verkregen. Telkens was de wapenschorsing tusschen Spanje en Nederland verlengd, en telkens weder was zij ten einde geloopen zonder eenige vrucht te hebben opgeleverd. Was het te verwonderen dat de stier en de leeuw, na een zoo langen worstelstrijd, niet tot vrede konden komen? Was het te verwonderen dat Spanje en Nederland, verschillende in geloof, verschillende in krachten, elkander niet terstond de hand tot vrede reikten? Neen, zelfs had men zich voorgesteld dat, ingevolge eene verklaring der Staten, gedagteekend van den vijf en twintigsten Augustus 1608, de krijg feller dan te voren zou hervat worden. Openlijk hadden zij betuigd, dat zij, door menige ondervinding het karakter hunner vijanden hadden leeren kennen, en derhalve met recht hadden geaarzeld in eene vredesonderhandeling met hen te treden. Daartoe echter door de Spaanschen aangezocht, hadden de Staten duidelijk hunne meening doen verstaan, terwijl de vijand daarentegen, door vele lagen en fijne listen, de reeds zoo dikwerf toegestane rechten en de boven alles dierbare vrijheid, punt voor punt had trachten te besnoeien en terug te trekken, zoodat de Staten besloten van nu af aan de vredes-onderhandelingen stellig voor afgebroken te verklaren.
Twee dagen echter nadat dit besluit was genomen, sloegen de Engelsche en Fransche gezanten aan de beide partijen een veeljarig bestand voor.
De Fransche afgevaardigde Jeannin ijverde, op last van zijn vorst, zeer voor deze zaak.
Behalve uit diepere staatkundige inzichten, verlangde Hendrik IV voor Nederland--wanneer een vrede mocht worden van de hand gewezen--liever een veeljarig bestand dan den oorlog, dewijl hij in het laatste geval, ingevolge een in Januari met de Nederlanden gesloten verbond, hun eene ondersteuning van tien duizend voetknechten zou moeten verleenen. Zoodra de voorslag van een bestand was bekend geworden, bracht dit geen geringe beweging in de Nederlandsche gemoederen. Tegen een vrede waren reeds verscheidene geschriften in het licht gekomen, doch thans, nu er slechts van een bestand gesproken werd, ontzag men zich niet openlijk voor de meening uit te komen, dat zoo iets het verval der ingezetenen, ja slavernij zou na zich sleepen.
Prins Maurits was insgelijks ernstig beducht voor de gevolgen van zulk een bestand, en zocht den koning van Frankrijk tot den oorlog te neigen, door schriftelijk te verklaren: dat een bestand deze landen noodwendig aan de Spaansche heerschappij moest doen vervallen; dat Philips, wiens schatkist nu ledig was, na het einde der jaren van rust, in staat zou zijn den oorlog met meer geweld te hervatten, terwijl men eindelijk--nu reeds in de gewesten en steden tweedracht bespeurende, door rust en ledigheid gevoed, eerlang openbare verdeeldheden te wachten had, welke den vijand eene schoone gelegenheid zouden geven de snoodsten, of hen die reeds naar der Spaanschen zijde neigden, tot ontrouw om te koopen ten einde hunne belangen te bevorderen.
De Algemeene Staten evenwel--Zeeland uitgezonderd--besloten, door geldelijke uitputting voornamelijk daartoe gedreven, de voorwaarden van den vijand aan te hooren.
De bepalingen en eischen der Spaanschen waren echter dermate ongehoord en eigendunkelijk, dat de Staten bij het genomen besluit wilden volharden, en den vijand nog slechts tot den laatsten September de vrijheid gaven om zich op billijker voorwaarden, van hunne zijde, te bezinnen.
Ook die dag verscheen zonder dat de beide partijen elkander hadden verstaan.
Voor de laatste maal waren de gezanten bij den prins ten middagmaal genoodigd.
Aan het einde van den maaltijd stond de markgraaf Ambrosio Spinola van zijne zitplaats op; nam den beker in de hand, en betuigde zijn ongeveinsde smart over het afbreken van eene onderhandeling, welke hij had gehoopt dat beide landen ten zegen zou zijn. "Deze dronk," zoo eindigde hij: "zij de tolk mijner dankbaarheid voor het gastvrij onthaal hier te lande genoten."
Nadat Spinola gesproken had, nam prins Maurits het woord.
"Mijne heeren!" zeide hij: "Wij zijn als vrienden, niet als vijanden te zamen geweest. In de raadzalen hadden wij verschillende belangen, doch in onze woningen is de vrede niet verstoord geworden. Eerlang zullen wij elkander weder ontmoeten; slechts tot het einde dezes jaars blijft de wapenschorsing voortduren; wij zullen elkander strijdende wederzien. God geve dat Nederland kracht behoude om zich met u te meten! Edel is het, met kracht zijne rechten te verdedigen. Zijn wij in den strijd,--laat ons dan edel kampen; edel in den vollen zin des woords: Vurig en onversaagd zoo het Vaderland en zijne rechten onzen arm behoeft; doch laat ons menschen, vrienden, Christenen zijn, zoo de overwinning aan onze zijde is. Door dit verbond, mijne heeren!" aldus besloot de prins: "zal ons samenzijn iets goeds gewrocht hebben, en zullen uwe namen bij velen in gezegend aandenken achterblijven. Vaartwel mijne heeren! God zij met u!"
Na deze woorden werd de afscheidsgroet gedronken, en dien zelfden avond nog vertrokken de Spaansche gezanten, terwijl in de Resolutiën van Holland hun vertrek staat geboekt met deze bede:
"God geve dat se alhier geen quaet saet en hebben gelaten daarvan men met 'er tydt de effecten gewaer werde tot ruïne van desen staet." [1]
Bij dit afscheidsmaal was de graaf Van Bergen, hoewel mede uitgenoodigd, niet tegenwoordig geweest.
Alonzo Spinola had het, op den uitdrukkelijken wil van zijn vader, bijgewoond; doch terwijl zijn lichaam aan die plaats tegenwoordig was, bevond zijn geest zich op den Oldenburgh; en alzoo droefgeestig en treurig terneergezeten, zag hij met weemoed de ure naderen, waarin hij een land zou vaarwel zeggen, waar hij den kostbaren door hem gevonden schat voor altijd moest achterlaten.
De vijandschap der landen, het verschil des geloofs, ziedaar de twee groote hinderpalen, die zijn aardsch geluk belemmerden.
Na het vertrek der Spanjaarden was het dus zoogoed als zeker dat de onderhandelingen voor altijd waren afgebroken.
Dien keer echter moesten de zaken niet nemen.
De vaderlandsche historiebladen vermelden ons hoe Johan Van Oldenbarneveld, door Engeland en Frankrijk ondersteund, tegen Maurits en de Zeeuwen heeft gekampt ten einde ook hen voor de goede zaak te winnen. Wij vinden het beschreven hoe deze strijd met zegen werd bekroond, en Nederland, getrouw aan de les door den grooten Zwijger gegeven, ook in dezen eensgezind tot onderling geluk krachtdadig heeft samengewerkt.
Zoo werd na een tweede bijeenkomst, en wel te Antwerpen, na een onderhandeling van ruim twee maanden, het Twaalfjarig Bestand tusschen Nederland en Spanje gesloten, waarvan de inhoud, voor den weetgierigen lezer, in de Nederlandsche geschiedrollen is opgeteekend. [2]
Het was den vijf en twintigsten April des jaars 1609. Weer wapperden de vlaggen; weer joelde de menigte; weer leverde het vorstelijk 's-Gravenhage, in feestkleedij getooid, een vroolijk schouwspel op. De bode des vredes had gesproken,--het gesloten bestand was met de meeste plechtigheid van het raadhuis afgekondigd,--de vreugdeschoten knalden door de Maliebaan--'t Wilhelmus van Nassauwen deed zich hooren:
"Rust Neerland!"--was de kreet: "Rust van Uw heldendaen."
"Wel duivels, hansworst, gij hadt dat zoete brokje daar vast in de boutjes," zei een man uit de menigte tot iemand die zich, in de vermomming van een potsenmaker, tusschen de feestvieren den had gemengd.
"Het ding was malsch en niet malsch," antwoordde de aangesprokene: "haar koontjes waren als kussentjes, doch hare nageltjes waren als krabbertjes; tot straf echter is de gouden boot van haar hals, in mijn zak overgegaan."
"Geef hier!" hernam de eerste spreker, en vervolgde terwijl hij het halssieraad bij zich stak: "Gij zijt een slimme vogel; een dief die zijn handwerk verstaat."
"Ik ben een dief en geen dief," hernam de tweede: "ik neem,--evenals de rijken--wat mij bevalt, met dit onderscheid echter, dat ik mijne kronen in den zak houd."
"Uwe kronen! dat geloof ik," zei de eerste glimlachend, en dan: "Hebt gij Aaij ook gesproken?"
"Gesproken en niet gesproken," hernam de hansworst: "Ik ontmoette hem, of ik ontmoette hem niet, maar hij ontmoette mij, en toen liet hij, zonder iets te zeggen, deze prullen in mijn zak glijden. Hij heeft zich slecht gekweten. Daar Bram, pak aan! en als gij alles zult hebben weggemoffeld, zie ik u over een uur in de Bagijnenstraat weer."
Bram stak de ontronselde goederen bij zich, maakte daarna rechtsomkeert, en liet het aan den hansworst over om het opgewonden publiek met zijne aardigheden te blinddoeken, ten einde alzoo des te beter zijne kansen te kunnen waarnemen.
"Leve de rust! leve de vreugd! Leve de rust die 't hart verheugt! Weg met den nijd, weg met den strijd! Leve de vree en de vroolijkheid!"
Zoo zingende en schreeuwende danste de hansworst-zakkenroller tusschen de jubelende volksmenigte door, en zocht zich telkens, op een uiterst behendige wijze, een loon naar welgevallen te verschaffen.
"Nietwaar seigneur!" riep hij eensklaps, terwijl hij, na zijn liedje te hebben opgedreund, achter op het paard van een ruiter sprong, die zijn schimmel nu eens moest doen stilstaan en dan weder slechts langzaam deed stappen, om geen ongelukken te midden der dringende massa's te veroorzaken: "Nietwaar seigneur?" riep de hansworst nogmaals, terwijl hij door zijn zotte grimassen achter den ruiter, de omstanders deed schateren van lachen.
Het voorwerp van des zakkenrollers vrijpostigheid scheen niet willens de vreugde van het oogenblik te storen. Gedwee liet hij zijn bespringer diens aardigheden achter hem uitkramen, als bemerkte hij ze niet; doch eindelijk den snaak moede, wendde hij zich om, en zag hem onverhoeds in het aangezicht.
"Wij zijn elkander niet vreemd," zeide de vreemdeling: "Mij dunkt dat ik den heer hansworst als kunsthandelaar reeds eenmaal in de herberg van Gooswijn Meurskens heb ontmoet.--Voorzichtig, maat!" vervolgde hij zachter: "steek den buidel even behendig weer in mijn zak als gij er dien uit hebt genomen, of anders...." en hij liet dit woord door een veelbeteekenenden blik vergezeld gaan.
De hansworst was eenigermate van zijn stuk gebracht, en begon hevig te hoesten. De ruiter echter, op die muziek niet gesteld, en de zwaarte van zijn geldbeurs in zijn zak terug gevoelende, liet den schimmel eenige luchtsprongen maken, zoodat de aardige man weldra het evenwicht verloor en onder het gejuich der menigte al spoedig tot straatruiter werd verlaagd.
Het vroolijk rumoer werd evenwel spoedig door een ontboezeming van algemeene verontwaardiging vervangen. De voorwerpen, aan verschillende omstanders ontrold, lagen naast den terneergeworpen zakkenroller, voor de oogen der eigenaars of eigenaressen ten toon gespreid.
"Mijn jachtmes!"--"Mijn buidel!"--"Mijn zakboek!" riepen eenige mannen.
"Zie, mijn zilveren beugel!"--"Mijn gouden doekspeld!"--"Mijn reukdoosje!" riepen eenige vrouwen.
"Houdt den dief!"--"Houdt den schurk!"--"Houdt den afzetter!" riepen allen.
De ruiter, omziende, zag nogmaals naar den ongelukkigen hansworst en bespeurde hem hinkende aan de zij van een man, die met hem den weg naar het Buitenhof insloeg, terwijl de schreeuwende stedelingen hem allen in diezelfde richting nastormden, om tot den einde toe het aangename schouwspel van een arrestatie te kunnen bijwonen.
Intusschen vervolgde de ruiter, in wien men reeds den jongen Spinola zal vermoed hebben, ongestoord zijn weg. Aan de boschzijde gekomen, gaf hij zijn paard de sporen, en bevond zich binnen een klein half uur, voor de geopende poort van den Oldenburgh.
Ook hier wuifde de driekleurige vlag van den slottoren, ook hier heerschten vreugde en blijdschap. Vreugde was de leus van dien heerlijken lentedag. Vreugde was er in de reine harten. Dankbaarheid aan God bezielde de rechtgeaarde gemoederen; Hij, de Gever van alle goeds, had met de verjongde natuur, ook voor het geteisterde Nederland een liefelijke lente van vrede en rust doen aanbreken.
Maar Alonzo?--In weerwil van de heerschende vreugde, in weerwil van die algemeene blijdschap, vertoonden er zich meermalen diepe groeven op zijn edel voorhoofd. Een buitengewone last scheen hem te drukken.
--Gevloekt! zeide hij bij zich zelven, terwijl hij een oogenblik staan bleef: Gevloekt! Verstooten! Onterfd! Durf ik dan werkelijk, met den vadervloek beladen, nogmaals dit oord betreden? Durf ik mij in dit kasteel vertoonen?--Ja! het is de heilige engel des Heeren die mij wenkt. O geliefde Adelgonde! voor u wil ik leven; voor u wil ik den vadervloek tot mijn einde torsen; voor u wil ik sterven, want, zonder u zijn de dagen voor mij als kerkernachten, lang en zwart.
Een licht geritsel liet zich achter den treurig peinzenden Alonzo hooren: hij zag om, en.... zijne oogen bedrogen hem niet, hij ontwaarde de hemelsche schoone die, op aarde, van het noorden tot het zuiden, hare wedergade niet vond.
Met de snelheid van den bliksem was Alonzo uit den zadel gesprongen, en terwijl de schimmel, vrijgelaten, naar den stal en de hem reeds welbekende kribbe liep, ijlde Alonzo naar zijn dierbare Adelgonde, en drukte haar met onstuimige teerheid en liefde aan zijn beklemde borst.
Wij zullen niet met onkiesche blikken, de geliefden in de eerste stomme oogenblikken huns wederziens bespieden; wij willen geenszins de rol van valsche getuigen spelen, maar vinden hen liever, naast elkander op een zodenbank gezeten, eenige minuten later terug.
"Alonzo!" zeide het meisje: "hebt gij wel gehandeld? Is het uit een zuivere bron dat uw liefde tot ons geloof ontspruit? O dierbare vriend, het is aardsche liefde, liefde voor mij, voor een zondig schepsel! Gij zoekt door God, tot mij te komen: gij hebt mij liever dan Christus. O Alonzo, ik kan het u vergeven, maar Hij, de Heer, hij zegt, dan zijt gij Zijns niet waardig."
"Gij miskent mij, dierbaar meisje!" riep Alonzo, haar aan zijn hart drukkende: "Zie, ik durf vrijmoedig mijne oogen naar den hemel richten. Steeds heb ik Christus gediend; uit liefde voor Hem sloeg mijn zwaard de ketters ter neder, doch thans--evenals Saulus werd bekeerd, evenals hij door de stem des Heeren tot inkeer werd gebracht--evenzoo hebben eenige woorden der Heilige Schrift mij tot nadenken aangespoord. In den herfst des vorigen jaars, weinige dagen vóór ons vertrek, werd mij eene bijbelvertaling te koop aangeboden. Begeerig die te doorsnuffelen, sloeg ik het gewijde boek open, en zie, de eerste woorden die mijne aandacht boeiden, waren deze: "Onderzoekt de Schriften, want zij zijn het, die van Mij getuigen." Deze woorden, dierbare Adelgonde, ze spraken tot mijn hart. Onderzoekt de Schriften! is het gebod des Heeren, en de kerk, waartoe ik behoorde, verbiedt 't geen God heeft bevolen. Alles werd mij duidelijk en klaar; mijne zaligheid moest door een ijverig onderzoek verzekerd worden. Een licht rees er op in mijne ziel. God had mij, door deze schijnbaar toevallige omstandigheid, den weg der zaligheid doen vinden, de zaligheid voor het toekomende, de zaligheid voor het aardsche leven. Ja Adelgonde, de vervolger van uw geloof mocht uwe hand niet verwerven, den Hervormde moogt gij beminnen: hij is thans geen vijand van uw land, geen vijand van uw geloof meer."
Adelgonde beschouwde den jongeling met oogen vol teederheid en innige liefde. "En evenwel ziet gij telkens zoo droefgeestig en somber voor u neder," zeide zij op zacht smeekenden toon: "Zijt gij dan toch nog bevreesd dat ons geluk zal verbroken worden? Vertrouwt gij wellicht nog niet volkomen op mijn waarachtige liefde, of zijt gij misschien bevreesd dat mijn lieve vader zijn gegeven woord zal breken?"
"Ons geluk!" riep Alonzo, terwijl hij Adelgondes hand aan zijn hart drukte: "Ons geluk! o, het is nog niet bevestigd. Neen, ik twijfel niet aan uwe liefde; uw oog bedriegt mij niet. Doch helaas! wie is het die u bemint? O, Adelgonde! dierbare Adelgonde! hij die u zoo teeder bemint, is door zijn vader gevloekt. "Ga van hier ontaarde zoon!" waren de woorden mijns vaders: "Ga van hier, door God verdoemde ketter! Ga! ik vloek u in dezen stond. Vlied, want God die u veracht, wil niet dat ik u langer als mijn zoon zal liefhebben."
Bij de treurige herinnering dezer woorden, faalde het den edelen jongeling schier aan kracht om zijne bedaardheid te bewaren, en terwijl hij met de beide handen het aangezicht bedekte, zocht het minnende meisje haar bedroefden vriend door eenige zoete woorden te troosten en op te beuren.
"Lang leve onze waardige graaf!" was de kreet, die eensklaps den jongen lieden in de ooren drong. Adelgonde sprong ontsteld van hare zitplaats op. Haar vader vierde op dezen, voor den Staat zoo heuglijken dag, zijn geboortefeest. De slotbewoners begroetten hun heer met blijde galmen.
Van Bergen trad de slotbrug over, en Adelgonde, ontroerd en verward, snelde naar haren vader toe, en wierp zich luid snikkende in zijne armen.
EEN EN TWINTIGSTE HOOFDSTUK.
Wanneer de reiziger ten huidigen dage de oevers der Maas bezoekt, en op het dek der kleine doch ranke stoomboot gezeten, met verrukking de schoone rotswanden beschouwt, die zich nu eens uit den waterspiegel verheffen, en dan weder op eenigen afstand zijn oog bepalen, dan ziet hij, op vele dier steilten, nog menigen slottoren in den glans der morgen, middag- of avondzon blinken, doch bespeurt tevens den alles verwoestenden tand des tijds, die zelfs de schoonste burchten, op rotsen gegrond, in bouwvallen doet verkeeren.
De opmerkzame reiziger ontwaart, als hij dat schoone gedeelte van België bezoekt, aan den rechteroever der rivier een bouwval. Dit geringe overblijfsel van een voormalig schoon kasteel, wordt hem verhaald, de ruïne van het kasteel Beaufort te zijn, en terwijl hij bij het schoone weder gemakkelijk zijn manilla wegdampt, beschouwt hij met een dweepachtige oudheidsliefde, die twee bemoste steenklompen, om ze in zijne verbeelding tot het voormalige slot weer op te bouwen.
In den tijd, waarin dit verhaal ons verplaatst, mocht het kasteel Beaufort een der fraaiste van den Maasstroom genoemd worden; het werd toen bewoond door den markgraaf Reinier Van Aduaar, die de eenige broeder was van Van Bergens overledene gemalin. Drie jaren lang mocht graaf Reinier in kalmte en vrede zich in Neerlands rust verheugen; drie jaren nog mocht hij, na het gesloten bestand, het goede der aarde op zijn adellijk slot genieten; doch toen konden de zware muren noch de ijzeren sloten den aanrukkenden vijand afweren. De dood drong met zijn snijdend wapen ongenoodigd binnen, en sloeg de vrucht af, die rijp was voor den grooten oogst des Heeren.
Het eene geslacht gaat voorbij, het andere treedt in zijne plaats. De doode boom wordt uitgeroeid; een nieuwe stam wordt weer op die plaats gezet, om insgelijks zijne takken tot schaduw te verspreiden, en vruchten voort te brengen tot nut en heil der menschen.
Ook het kasteel Beaufort had, weinige maanden na den dood des graven, een bewoner terugbekomen.
De zalen en vertrekken, door den vorigen bezitter meest alle verwaarloosd, waren nu van hun naargeestige tint bevrijd, en uiten inwendig getuigde Beaufort van een welvaart, die het sinds jaren niet gekend had.
"Ben ik vandaag zoet geweest?" zeide een allerliefst driejarig meisje, dat, met eenig speelgoed om zich heen, in een der bovenvertrekken van Beaufort zat te spelen: "Hé, Klaartje, Clarisje is toch niet stout? Neen zie, ik heb het ju-paardje van papa weer in den stal gezet, en als grootpa hier komt, zal het wel van zelf kunnen loopen. Nietwaar zoete Klaartje, nu mag Clarisje wel eens bij u op schootje zitten?"--en zich vleiend naast het ijverig naaiende kindermeisje plaatsende, zag zij deze met haar blauwe oogjes vriendelijk aan, en belette haar met de kleine handjes, de naald naar eisch te hanteeren.
"Gij zijt een kleine plaagster!" zeide Klaartje, terwijl zij het lieve kind op haar schoot nam: "Met u kan men nauwelijks de helft van zijn werk verrichten; nu moet gij ook stilzitten, hoor! want anders...."
"Ja, heel stil!" hernam het lieve kind: "en Klaartje zal mij dan vertellen wie toch dat bloote kindje is, dat daar bij mama op schootje zit. Hé Klaartje, waarom heeft dat kindje geen kleertjes aan? het zal koud worden."
De vraag der kleine, welke op een portret, dat aan den wand hing, doelde, bracht Klaartje in eenige verwarring, en terwijl zij, even blozende, den blik naar het schilderstuk sloeg, antwoordde zij: "Dat kindje zal niet koud worden, daar behoeft gij niet bang voor te zijn. Want ziet gij," vervolgde zij, zich met Clarisje op den arm voor het portret plaatsende: "dat is een geschilderd kindje; het kan niet praten, niet zien, niet...."
"Ja maar het lacht toch," zeide het lieve meisje, haar in de rede vallende: "en mama lacht ook. Zeg eens, Klaartje, is Clarisje dat kindje, of is het een ander kindje van mama?"