Chapter 15
"Ik ben vergeven! vergeven!" brulde Rosio, terwijl hij zich wanhopend de grijze haren uit den schedel trok: "Is er dan geen tegengift? Melk! melk!" kermde hij: "Een monster verscheurt mij van binnen."
"Doe uw vijand wél!" sprak eene stem in Adelgondes boezem. Gehoorzaam aan het bevel van haar grooten Meester, nam zij de nog schier gevulde kan met melk; reikte die den lijdende toe, en zag hoe hij die in ééne teug ledigde.
Naderende voetstappen deden haar vrouw Barbara's komst vermoeden. Nog een oogenblik aarzelde zij. De moed ontbrak haar om langer in die onheilspellende woning te vertoeven. Hoewel het leven aan die vrouw verschuldigd, zou zij háár, door misdaad en schande omgeven, toch nimmer als eene moeder kunnen beminnen. Zou zij dien sprong uit het venster wagen? Voelde zij zich sterk genoeg, om eenzaam in het nachtelijk duister, op onbekende wegen rond te dolen?--God zij mijn staf! dacht het schoone meisje; en juist werd de deur van het opkamertje door de waardin geopend, toen Adelgonde behouden aan de andere zijde van het venster in het mulle zand ter nederkwam.
Door angst voor achtervolging gedreven, snelde Adelgonde met de vlugheid eener hinde voorwaarts. Door een gunstig toeval geleid, had zij, zonder te weten waarheen, den weg gekozen, welke naar den viersprong bij het meergemelde Steenen kruis voerde.
Nauwelijks een paar honderd schreden van de herberg verwijderd, hield zij ademloos stand, en wilde een oogenblik rusten om nieuwe krachten te verzamelen, toen de krijschende stem van vrouw Barbara haar in de ooren klonk, die haar de laagste scheldnamen nazond, en haar dreigend vermaande om terug te keeren.
Door den angst nogmaals gesterkt, toefde Adelgonde niet langer, en diep ademhalende, vervolgde zij haar nachtelijke vlucht.
ACHTTIENDE HOOFDSTUK.
Op den Oldenburgh was alles in rep en roer.
Weinige minuten na Adelgondes ontvoering was de opgetogen graaf, aan de zijde van zijn wedergevonden zoon, door den jongen Spinola, Maarten en diens grootvader vergezeld, aan het kasteel teruggekeerd.
Met van blijdschap vonkelende oogen had hij zelf den zwakken Adel binnen de muren zijner woning gedragen, en zijne dienstbaren en huisgenooten doen bijeenroepen, ten einde hun de reden zijner grenzenlooze vreugde en dankbaarheid kenbaar te maken.
Met den ouden Burgman aan het hoofd, trad dan ook weldra de kleine schaar de ridderzaal binnen.
Slechts een flauwe schemering vervulde nog het ruime vertrek.
Weinige doch aandoenlijk waren de woorden welke Van Bergen sprak: "Gaat," zoo eindigde hij: "en verheugt u met uwen heer; maar dankt ook den Heer der heeren, dat Hij uw meester zulk een groot geluk heeft doen deelachtig worden."
"En waar toeft mijne Gonne?" zeide Van Bergen, toen de diep getroffen dienstbaren, heilwenschend de zaal hadden verlaten: "Moet mijn in tranen zwemmend oog, haar, in dezen voor mij zoo zaligen stond, dan nog in een duisteren hoek opsporen?"
Een zacht geween was het eenig bescheid dat Van Bergen op zijne vraag bekwam.
"Is daar dan mijne Gonne niet?" vroeg Van Bergen nogmaals, terwijl hij op Adelgondes weenend kamermeisje toetrad.
"Ach, genadige graaf!" snikte Anne: "de lieve freule is er niet. O lieve God! wat of er van haar geworden is! Ik ben er wellicht de oorzaak van; had ik den brief van den boozen Spanjaard maar niet gegeven! Hij is het die haar dezen avond heeft ontvoerd."
"Meisje, ik versta u niet," hernam Van Bergen: "Spreek, verklaar u nader."
"Ja, genadige graaf," hernam de kamenier: "zooeven op de kamer der lieve freule gekomen, ten einde haar van uw komst te verwittigen, vond ik die door haar verlaten. Een open brief, aan u gericht, lag op de tafel. Ik heb er een blik in geslagen; lees genadige graaf, maar verstoot mij niet."
Wie schetst de verslagenheid, welke aller gemoed vervulde, toen de lichten waren ontstoken en de treurige inhoud der letteren aan de omstanders bekend werd.
De brief luidde aldus:
"Edele graaf! Veelgeliefde pleegvader!
"Wanneer gij deze regelen zult lezen, zal ik wellicht reeds ver van de plaats zijn verwijderd, welke mij altijd zoo dierbaar was. Veroordeel mij niet dewijl ik een stap heb gedaan, dien gij, in uw groote liefde tot mij, zult laken en misprijzen. God is het bekend, geliefde tweede vader! hoezeer mijn hart heeft gestreden; hoezeer ik door liefde en dankbaarheid aan u als gekluisterd werd; hoe ik met mij zelve, met mijne plichten, met Gods heilig Woord te rade ben gegaan, en de overtuiging heb bekomen, dat ik zóó en niet anders handelen moest.
"Ja, ik zal u verlaten: de banden des bloeds eischen dit offer van mij! Uw stand, uw rang zijn de mijnen niet. "Hebt uwe ouders lief!" staat er geschreven, en ik zou die armen verachten, en mij, zelve op deze aarde een lot toeëigenen, dat mij niet is voorbeschikt? Ik zal u verlaten! De jonge Spanjaard, voor wien ik zuivere liefde in het hart heb gedragen, biedt mij aan mij in de woning mijner ouders terug te voeren. Hij is edel en braaf; aan hem durf ik mij veilig toevertrouwen. God helpe mij! Hij vergeve mij, zoo ik in eenig opzicht mocht gedwaald hebben. Hij doove de vlam der liefde in mijn binnenste, dewijl ik Alonzo nimmer zal kunnen toebehooren. Hij zegene u, dierbare lieve tweede vader! O hoe zwaar zal het mij zijn, mijn plicht te volbrengen. Dank, dank, duizendmaal dank voor uwe liefde en onverdiende goedheden! God vergelde u wat gij aan mij hebt gedaan; aan mij, de uw heil wenschende en voor uw heil biddende
Adelgonde."
Wij zullen niet lang stilstaan bij de vele doch verschillende gemoedsaandoeningen die ieders borst deden kloppen.
Het treurige oogenblik vorderde den meest mogelijken spoed.
"En staat dan niet hier aan mijne zijde de wakkere redder van mijn zoon!" sprak Van Bergen: "Hoe ware het mogelijk dat hij mij een zoon in de armen zou voeren, om mij terzelfder tijd eene dochter te ontrooven!?"
"Het is gelogen!" riep Alonzo in woede, toen de graaf hem den hoofdzakelijken inhoud van den brief had meegedeeld: "Gevloekt zij de ellendeling, die met schendige hand de schoonste lelie van haren stengel dorst rukken! Op mannen, geen tijd verloren! De Moeder Gods zal haar beschermen! Met hare hulp, edele graaf, voeren wij uwe dochter rein in uwe armen terug. Vaarwel! De Heiligen zullen met ons zijn!"
"De Vader zelf geleide u!" riep Van Bergen den vurigen jongeling na, en weinige minuten later zag hij een aantal mannen te paard, en verscheidene te voet, met fakkels en lantaarns de slotpoort uitsnellen, ten einde in verschillende richtingen hunne nasporingen te beginnen.
Inmiddels verzuimde de graaf niet zijn zwakken, door de zonderlinge lotsverwisseling afgematten zoon, de noodige versterking en rust te doen genieten; dit gedaan zijnde, deed hij de luchters in de kleine achterzaal ontsteken, en, hoewel zelf rust en slaap behoevende, was het hem niet mogelijk zich aan die rust te wijden zoolang de teeder beminde pleegdochter niet in zijne woning was teruggekeerd.
Dáár, met ernstigen blik ternedergezeten, herdacht hij de vele en wondervolle oogenblikken, welke hem dien enkelen dag tot een reeks van dagen maakten.
Ondanks zich zelven sloten zich eindelijk zijne oogen, en in een half wakenden half droomenden toestand ontwaarde hij,--dat de deur openging en de schim zijner ontslapene stiefmoeder de zaal binnentrad. Op eenige schreden afstands bleef zij staan, en trok met baar ontvleesde handen een naakt, uitgeteerd en levenloos wezen van onder haar witte kleederen te voorschijn. Dat uitgeteerde lijk.... was de ongelukkige Adel!
Van Bergen ontstelde, en zich haastig met de hand over het voorhoofd strijkende, zag hij navorschend de zaal rond, doch bespeurde weldra dat de schim zijner stiefmoeder die plaats had verlaten, dat een droombeeld zijn geest had beangst.
Eenig gedruisch op het portaal boeide nu weder Van Bergens aandacht.
--Wellicht is hunne nasporing reeds met een goeden uitslag bekroond, dacht hij, en wilde juist den terugkeerenden te gemoet snellen, toen een jong edelman haastig de zaal binnentrad.
Het baarde den graaf geen geringe verwondering, toon hij in dit nachtelijk uur jonker Walter Van Rodenberg voor zich zag.
"Wat voert u herwaarts?" was Van Bergens eerste en hoogst natuurlijke vraag: "Ik had gedacht Walter, u nimmer weer in mijn kasteel te zullen ontmoeten. Wat kunt gij van mij verlangen in dezen laten stond?"
"Vergeef mij waarde graaf," ving Van Rodenberg aan: "dat mijn plicht mij gebood, voor ditmaal uw gebod te overtreden. Door een samenloop van omstandigheden ben ik den dader op het spoor gekomen, die den schandelijken roof aan uw beminnelijke pleegdochter heeft begaan."
"Gij," zeide Van Bergen, den jonker vragend aanziende.
"Van een wandelrit naar Delft huiswaarts keerende," hervatte de schandelijke leugenaar: "zag ik nabij de herberg het Gouden Zwaantje een ruiter mij voorbijsnellen, die vóór zich op het paard eene in zwijm liggende schoone had. Door nieuwsgierigheid gedreven hield ik stand, en zag dat weinige schreden van de herberg iets wits, hetwelk ik echter niet onderscheiden kon, den vluchtenden ontviel. De ontvoerde schoone,--want daarvoor mocht ik haar gereedelijk houden, werd door haren schaker in de herberg gedragen. Ongezien naderde ik nu het kleine witte voorwerp, nam het op, en, bespeurende dat het een klein pakje was, werd ik zeer begeerig te weten wat daarvan de inhoud mocht zijn. Om dit te onderzoeken, besloot ik insgelijks in de kroeg te gaan. Na mijn paard aan het rasterwerk te hebben gebonden, trad ik binnen. Het was blijkbaar dat mijne komst eenige opschudding veroorzaakte. Ik hield mij als bespeurde ik dit niet, en eene kan bier eischende, nam ik eenige brieven en voorwerpen uit mijn zak, verdiepte mij schijnbaar in de lectuur en beschouwing er van, zoodat ik ongemerkt het pakje onder de tafel kon openen, en hetgeen er in was met het reeds vóór mij liggende vermengen. Het pakje bevatte niets dan eenige oude brieven, doch hoe zal ik u mijne verbazing schetsen, toen ik de opschriften, alle eensluidende, aan uw bekoorlijke pleegdochter gericht vond. Alleen om mij nader aangaande de waarheid mijner vermoedens te overtuigen, en den roover des te zekerder te vangen, doorliep ik vluchtig eenige brieven. Sommige waren van u, reeds verscheidene jaren geleden aan Adelgonde, van verschillende plaatsen, gezonden; één insgelijks van u, door haar, tijdens haar verblijf op het slot Aduaar in het Luiksche ontvangen; nog eenige van speelnooten of vriendinnen uit vroegeren of lateren leeftijd, en eindelijk verscheidene van den u bekenden paapschen Spanjaard Alonzo Spinola, de zoon, naar men zegt, van den markgraaf Ambrosio."
"Welnu?" zeide Van Bergen, zeer wel wetende dat Alonzo met den roof zijner Adelgonde niets gemeens had.
"Welnu," hernam Walter: "die brieven des Spanjaards vloeiden over van de teederste woorden en de zoetste namen. Hij sprak van eeuwige trouw, van vurige liefde, van een ijzeren doch verroeste keten, die de schoonste der schoonen in een doodsch kasteel gekluisterd hield--die keten waart gij, genadige graaf,--van een alleenzaligmakende kerk, en van de vreugde over hare toezegging dat zij aan zijne zijde de kettersche gevoelens zou afzweren."
De graaf had moeite zijne bedaardheid en het stilzwijgen te bewaren.
"Ja," ging Van Rodenberg voort: "mijn vermoeden klom weldra tot zekerheid, ik had mij niet bedrogen: de laatste van des Spanjaards brieven behelsde een wel doordacht en fijn geslepen plan om Adelgonde te ontvoeren."
Van Bergen stond op, trad op den jonker toe, sloeg de armen kruiselings over de borst, zag hem scherp in de oogen, en zeide bedaard doch met een diep doordringende stem: "Walter! gij spreekt onwaarheid!"
Onwillekeurig deed Van Rodenberg eenige schreden achterwaarts, zijn roode lippen verbleekten; doch zich weldra herstellende, zeide hij, als ware hij schandelijk miskend: "Denkt gij dat ik lieg, graaf Van Bergen? Meent gij dat ik mijne woorden niet zou kunnen bewijzen? Ziehier!" vervolgde hij met verheffing van stem, terwijl hij een pakket brieven op de tafel wierp: "Lees zelf: zijn dat uwe brieven niet? en deze....? overtuig u dan dat ik waarheid gesproken heb."
"Wat gaan mij die brieven aan!" hernam Van Bergen, in dezelfde onwrikbare houding: "Ik zeg u, gij liegt! De jonge Spinola is onschuldig aan de daad, die gij hem ten laste legt. Den geheelen middag was ik in zijn gezelschap, en eerst sedert een paar uren heeft hij het kasteel verlaten, om mijn lieve dochter op te sporen."
"En wie heeft u gezegd dat Adelgonde door Spinola zelven is ontvoerd?" hernam Van Rodenberg, heimelijk glimlachende, daar zijne zaak een gunstige wending scheen te nemen: "Heeft uw schrandere blik de fijnheid van het spel nog niet geraden? Geloof mij edele graaf. Ik ben veel aan u verschuldigd, en wat zou het mij baten een onschuldige te belasteren, terwijl de zaak dezelfde blijft. Luister nog een oogenblik, en gij zult zelf oordeelen of mijne woorden waarheid of logen behelsden.--Nadat ik," zoo vervolgde hij: "zekerheid had bekomen, trad een man, dien ik vroeger meermalen meende gezien te hebben, uit eene zijdeur, in de gelagkamer, sloot de deur behoedzaam, en stak den sleutel zorgvuldig in den zak. Zijne over den vloer weidende oogen schenen iets te zoeken; ik vermoedde het door mij gevonden pakje. De man fluisterde eenige woorden met den hospes, bekwam van dezen eene lantaarn, en verliet daarop de kroeg. Spoedig verzamelde ik de vóór mij liggende papieren, vereffende mijne rekening met den waard, en volgde den zoekende buiten de herberg. Weldra was ik hem genaderd: Gij zijt een lage schurk! beet ik hem vrij krachtig in de ooren: Wie geeft u het recht de freule Van Bergen te ontvoeren?--Zonder de geringste ontsteltenis lichtte de man mij met zijne lantaarn in het aangezicht, en zeide met een schelle stem: Daar zal ik ú wel geen rekenschap van behoeven te geven, jonker Van Rodenberg! gij toch hebt reeds voor lang van uw rechten op het lieve duifje afstand gedaan.--Deze verregaande beleediging, gevoegd bij het schandelijke der daad, deed mijne aderen zwellen.--En evenwel vorder ik de freule uit uwe handen terug, riep ik met hevigheid.--Gij hebt volstrekt niets te vorderen, hernam de man, terwijl hij mij de tromp van een pistool onder de oogen hield:--Verstaat gij, niets vordert gij van mij; maar ik vorder van u, mij die brieven terug te geven, welke ik zooeven verloren heb.--Doch waartoe, genadige graaf, zal ik u haarklein ieder woord herhalen 't welk door ons gesproken werd," vervolgde Van Rodenberg, ziende dat Van Bergen weinig of niet naar zijn langwijlig verhaal luisterde, maar ongeduldig de zaal op en neer ging: "Kortom, ik bad, ik smeekte, ik dreigde; niets mocht baten, de man bleef onverbiddelijk, en reeds begon de hoop mij te begeven uwe lieve dochter ongedeerd in uwe armen terug te voeren, toen de man mij eindelijk schamper toevoegde: Maar voor den drommel! denkt gij dan dat ik zulk een hapje voor mijn genoegen hierheen heb gesmokkeld. De eigenaar zou raar opkijken als ik hem een ledige kamer aanbood. Neen vriend, ik zou andere munt ontvangen dan die mij is toegezegd. Mijne zakken zijn ledig, en een goede belooning laat men zoo makkelijk niet in den steek.--Dus is het winzucht alleen, die u tot deze daad heeft aangespoord? hernam ik. Dat juist niet, zeide de man weder: Gehechtheid aan mijn meester is een hoofdtrek in mijn karakter; die gelden dienen slechts om de zaak wat aan te dringen. Maar zoo u dan eens van een andere zijde méér kronen toevloeiden, hernam ik: zou uw gehechtheid dan niet wat minder worden?--Dat zou er naar kunnen zijn! antwoordde de man. In 't eind, edele graaf, zijn wij de zaak eens geworden. Nog een uur moest er verloopen eer Spinola aan het Zwaantje kwam. Indien ik binnen dien tijd aan de herberg terug was, kon ik de lieve Adelgonde tegen eene som van zeven duizend kronen lossen; doch kwam ik eenige oogenblikken later, dan zou de schoone Adelgonde voor u verloren, en door Spinola reeds naar een veiliger schuilplaats zijn overgebracht."
Van Rodenberg hield op met spreken. Niet zonder eenigen schroom verwachtte hij Van Bergens antwoord. De graaf echter bewaarde een nadenkend stilzwijgen; eindelijk floot hij twee malen op zijn zilveren fluitje, en weldra verscheen de eenige mannelijke dienst bode, die nog op het kasteel was achtergebleven.
"Jozef, ga terstond naar den stal en zadel mijn paard," zeide Van Bergen: "maak spoed, ik heb geen oogenblik te verliezen."
Hoe listig de grove leugenaar zijn verhaal ook geweven, hoe kunstig hij iedere omstandigheid ook geplooid en geschikt had, deze natuurlijke wending, die de voorgedragen logen schier in ieder geval moest nemen, had hij niet berekend, of met achteloosheid over het hoofd gezien.
Zoo vermetel als hij even te voren was geweest, zoo verlegen en verward was hij thans.
"Er zijn geene paarden meer op stal, uw genade!" antwoordde Jozef, toen Van Bergen zijn bevel gegeven had: "Hoewel Wakker reeds doodaf was, zoo heeft Burgman hem toch nog meegenomen. Elbert heeft Pretty, en Ras wordt door Rudolf bereden."
Van Rodenberg schepte weder adem.
"O," hernam Van Bergen, zich tot den jonker wendende: "gij zult mij uw paard wel voor een uur willen afstaan! Spoedig Jozef, houd het paard van den jonker Van Rodenberg in gereedheid."
De dienaar boog en vertrok.
"Genadige graaf!" stotterde Walter: "Ik zal niet gedoogen.... Gij wilt toch niet in dit nachtelijk uur.... Waarom mij die eervolle taak niet opgedragen?--Gij zoudt u aan gevaren blootstellen! Overhandig mij spoedig de som, welke de snoodaard eischt, en ik vlieg, om u wellicht het laatste bewijs mijner dankbaarheid te geven."
"Spaar uw overdreven dienstvaardigheid," zeide Van Bergen, die den jonker--wiens karakter hem sedert eenigen tijd maar al te bekend was geworden--door het laatst gegeven bevel geheel in de val had gebracht: "Hier," vervolgde hij, eene deur openende: "hier kunt gij voorloopig van uw vermoeienissen in mijn belang wat uitrusten. Ga binnen en wacht rustig mijne weerkomst af."
"Gij; wilt mij in de torenkamer sluiten!" riep Van Rodenberg met hevigheid: "Is dat dewijl ik uw ellendig basterdkind wilde redden! Bij mijne ziel....!" doch het werd hem niet vergund zijn dreigende woorden te vervolgen; want Van Bergen, wiens kaken van de diepste verontwaardiging gloeiden, greep den verachtelijken knaap bij den arm, wierp hem in het geopende kamertje en deed de deur op het dubbele slot.
NEGENTIENDE HOOFDSTUK.
Zoodra Alonzo met zijne volgelingen buiten het kasteel was gekomen, verdeelde hij de manschappen in eenige groepen. Elk dezer groepen wees hij een verschillenden weg aan, met bevel om aan alle woningen, die zij voorbij zouden komen, een nauwkeurig onderzoek in het werk te stellen. Maarten werd, met nog twee andere knapen, stadwaarts gezonden. Burgman moest met de zijnen het zandspoor naar Delft volgen. Elbert met nog eenigen moest den zandweg houden, die van het kasteel rechtstreeks op Leiden aanliep, terwijl Alonzo zich voorbehield om met Rudolf de stadwaarts trekkenden, langs de laan van het Nieuw-Oosteinde tot aan den Bezuidenhoutschen weg te vergezellen, waarna hij, hen verlatende, het Bosch in alle richtingen wilde doorkruisen, om eindelijk op den zandweg tusschen Den Haag en Leiden zijne nasporingen voort te zetten.
Weldra verloren de optrekkenden elkander uit het oog. Geen woord werd er gesproken; de diepste stilte werd door allen in acht genomen, en ieder wenschte zich het voorrecht te mogen hebben, de veelgeliefde jonkvrouw binnen de muren van den Oldenburgh terug te voeren.
"God geve dat de anderen gelukkiger zijn!" zeide Rudolf, toen hij, na een rit van bijkans twee uren, met Alonzo op den voornoemden zandweg kwam. "Wij kunnen nu de lantaarn wel uitdoen," vervolgde hij: "het is hier veel lichter dan in het bosch, en de lucht begint in het Oosten al helder te worden."
"Geen hoop verloren!" zeide Alonzo: "Wij zullen de paarden nu in een kleinen draf zetten. Liggen er geen woningen aan dezen weg?"
"Laat zien," antwoordde Rudolf: "nog een goed kwartier rijdens en wij zijn aan den viersprong. Een half uurtje verder ligt een boerenhoeve, en nabij Leiden moeten wij rechts nog een kleine kroeg voorbij."
"Ja, ik herinner mij dien viersprong zeer goed," hernam Alonzo: "Indien ik mij niet bedrieg staat er een steenen kruis."
"Daar zou ik u wonderlijke avonturen van kunnen verhalen," zeide Rudolf: "menige goede ziel is van die plaats naar de eeuwigheid verhuisd! Men wil dat de duivel zelf dat kruis daar heeft gezet, om de geloovigen te lokken en ze daarna den nek te breken."
"Malligheid!" bromde Alonzo, die eenmaal zelf met dien duivel had kennis gemaakt! "Niets dan oudewijven praatjes. Ik hoop niet dat gij dien zotteklap gelooft?"
"Ik niet," hernam Rudolf: "en al ware het ook zoo, al krioelde het er ook, zooals men zegt, van duivels en spoken, ons protestanten durven ze toch niet aan; maar de geloovige papen, ja als ze die in hun midden kunnen krijgen, dan blijft er geen haar of been van over."
"Dan dien ik op mijne hoede te zijn," zeide Alonzo glimlachend.
"Gij, edele heer?" zeide Rudolf, terwijl hij zijn tochtgenoot bedenkelijk aanzag.
"Welzeker," hervatte Alonzo: "ik behoor tot die geloovige papen, zooals gij ons katholieken gelieft te noemen. Uw gezelschap zal mij nú echter, zoo ik hoop, tegen een aanranding van die gevreesde personages vrijwaren."
Rudolf antwoordde niet; hij gevoelde zich zeer onaangenaam te moede; maar dankte evenwel den hemel dat het spoedig dag zou worden, en de kwade geesten dan--bij het eerste morgenlicht voor goed naar hun donkere schuilplaats zouden terugkeeren.
Alonzo, met zijn belangrijk doel voor oogen, had verder geen lust zich met den eenvoudigen rijknecht bezig te houden, terwijl deze, met zijn katholieken metgezel, zich maar half op zijn gemak bevond, en het geraden oordeelde, tot voorbij het steenen kruis, de achterhoede uit te maken.
"Groote God, wees onzer genadig!" riep Rudolf eensklaps met angstige stem. Alonzo zag verschrikt om en ontwaarde den dienaar die, met de doodskleur op het gelaat, stokstijf voor zich uit staarde.
"Wat moet dat misbaar beteekenen?" vroeg Alonzo gramstorig.
"Dáár, dáár," stotterde Rudolf, met den vinger voor zich uit wijzende: "ziet gij dáár, aan den kruisweg, dat witte spook niet fladderen? Bij het heil mijner zalige moeder, ik ga geen stap verder! Laat ons terugkeeren genadige heer! geloof mij, als wij in de handen dier wezens vallen, dan blijft er geen spoor van ons over."
Alonzo richtte zijn blik naar de aangeduide plaats, en werkelijk zag hij het voorwerp van Rudolfs vrees. Een kreet van verrukking ontglipte er aan zijn mond; zonder een oogenblik te toeven gaf hij zijn paard de sporen, en rende den ontstelden dienaar voorbij en op het steenen kruis aan.
"Het is met hem gedaan!" riep Rudolf, en zich niet sterk genoeg gevoelende, om het ijselijk schouwspel aan te zien, wendde hij zijn ros, en nam, met denzelfden spoed, den terugtocht naar den Oldenburgh aan.
Weldra was Alonzo de bedoelde plaats genaderd; snel sprong hij van zijn paard, en ijlings op het gewaande spook toegetreden, bespeurde hij tot zijn onuitsprekelijke blijdschap, dat zijne hoop hem niet had bedrogen, dat de schoone Adelgonde in waarheid door hem was wedergevonden.
Daar lag de bekoorlijke Hagenlelie, van vermoeienis aan deze eenzame plaats in slaap gevallen. De nachtwind speelde kwistig met haar blonde lokken, en deed het witte kleedje om haar verkleumde leden fladderen. Daar lag zij, de bloem der schoonen! Maar hoe!--had de vorst der duisternis haar niet op een lage doch listige wijze, in zijn strik gelokt; had hij haar niet schandelijk haar eer ontroofd? of had de heilige Moeder Gods haar wellicht wonderbaarlijk beschermd?
"Ontwaak schoone Adelgonde!" riep Alonzo, terwijl hij zich over de bekoorlijke slaapster henenboog en met innige verrukking hare hemelsche trekken beschouwde.