De lelie van 's-Gravenhage

Chapter 14

Chapter 143,910 wordsPublic domain

De weg dien hij volgde, doorsneed, van den Bezuidenhoutschen weg, het schoone Haagsche bosch in een schuine richting. Reeds was hij het einde van zijn tocht nabij, reeds zag hij door de uiterste stammen aan de noordzijde de zilveren duinen blinken, en ontwaarde hij zijn hoeve, welke door den ouden Esser bewoond werd.

Nog slechts weinige schreden was hij van de woning verwijderd toen de oude pachter zijn heer ontdekte.

"Goddank, genadige graaf!" riep hij in verrukking uit: "Goddank dat gij gekomen zijt, want zij staan gereed met hem te vertrekken, en zonder dat ik zulks verhinderen kon. O, nu zal de boosheid verijdeld worden! Voor uw paard zal ik zorg dragen genadige heer," vervolgde hij, terwijl hij den graaf in het afstijgen behulpzaam was: "O, uwe komst geeft mij waarlijk het leven terug!" en den graaf op die plaats achterlatende, verwijderde hij zich met den klepper ten einde hem in de achterwoning op stal te zetten.

Daar stond nu Van Bergen: slechts weinige schreden nog en hij zou, indien God het wilde, zijn kind in de armen drukken. Was het dan werkelijk geen heerlijke droom die zijne zinnen verrukte? Met beide handen bedekte hij het voorhoofd als zocht hij allen schijn te verbannen, en, toen hij nu, met helderen blik voor zich uitziende, den tempel zijns heils wilde binnentreden, toen ontvlood een kreet van tienvoudige aandoening zijne borst, zoodat hij onwillekeurig gedrongen werd eenige schreden achterwaarts te doen.

Wij vermogen niet de waarde van het oogenblik te schetsen, toen de verrukte Adel, door zijn beide redders ondersteund, de kleine woning verlatende, voor de eerste maal Gods heerlijke schepping binnentrad.

Welk sterveling is er die zich de hemelsche gelukzaligheid niet eens op deze of gene zinnelijke wijze heeft voorgesteld? Die niet het hemelsche paradijs heeft meenen te aanschouwen, zoo schoon, zoo heerlijk in tegenstelling met dit aardsche tranendal?

Zoo ook had Adel in zijn droevig kerkerhol van den hemel hooren spreken. Ook hij had zich een gelukkige wereld daarbuiten voorgesteld; ook hij had, door zijn liefderijke verzorgster, een God, een Verlosser leeren aanroepen; ook hij was met de heerlijkheid van een eeuwig leven bekend geworden.

En nu--uit een diepen slaap ontwaakt,--uit nacht en banden verlost, gereinigd,--in een schoone kleeding,--als met een nieuw lichaam begiftigd,--door zijn bevrijder en diens dienaar ondersteund,--zóó die heerlijke schepping aanschouwende, wat was natuurlijker dan dat de langgemartelde jongeling waande Gods hoogen hemel zelven binnen te gaan.

En Van Bergen--roerloos en als aan den grond genageld stond hij daar. Hij kon niet spreken. Dat bleeke, dat uitgeteerde gelaat! Ja!--ja! het waren de trekken van zijn dierbare, zijn zalige Clarisse; nu kon hij veilig de waarheid vertrouwen, en met een van aandoening schier angstverwekkende stem riep hij: "Mijn zoon, mijn kind, hier is uw vader!"

Bij deze ontboezeming voer den zwakken knaap eene rilling door de leden.

"Gij--God!--mijn hemelsche Vader!?" zeide hij op doffen toon, terwijl hij den sierlijk gekleeden man met angstige oogen beschouwde; en terstond indachtig aan het hem door Aafke geleerde gebed, vervolgde hij: "Wil mij verlossen goede God! Amen!"

Van Bergen sprak niet; met grenzenlooze blijdschap drukte hij zijn kind aan het hart; de tolken der dankbaarheid vloeiden hem langs de kaken, en den blik naar Alonzo wendende, verstond deze daaruit alles--wat het overkropte gemoed van dien vader niet in woorden kon brengen.

ZEVENTIENDE HOOFDSTUK.

De klokken van het naburig 's-Gravenhage verkondigden het negende uur na den middag, toen een ruiter in eene zijlaan van het kasteel den Oldenburgh langzaam op en neer stapte. Met ongeduld scheen hij iemands komst te verbeiden, en gedurig blikte hij naar de kleine achterpoort, waaruit de gewacht wordende moest te voorschijn komen.

Het duurde dan ook werkelijk maar weinige minuten, of de bedoelde poort werd geopend, en eene in het wit gekleede gedaante trad er uit. Met langzamen doch lichten tred ging zij over de smalle slotbrug, en was reeds op weinige schreden na aan de zijlaan gekomen, toen zij stand hield en, zich omkeerende, de oogen naar het kasteel wendde. Eensklaps, als tot andere gedachten gekomen, keerde zij eenige schreden terug; schijnbaar besluiteloos echter bleef zij ook nu weder staan; strekte de armen naar de reeds in schemerlicht gehulde muren van het kasteel uit; wuifde het een laatst vaarwel toe; keerde toen nogmaals op haar voorgenomen pad terug, en bevond zich weldra in de nabijheid des ruiters. Deze, inmiddels van het paard gestegen, had den hoed dieper in de oogen gedrukt, en de snikkende jonkvrouw behoedzaam naderende, zeide hij met een zachte doch gemaakte stem: "Ik wachtte u reeds, dierbare Adelgonde. Het in mij gestelde vertrouwen zal ik op waardige wijze beloonen."

Een koude huivering deed Adelgonde het bloed in de aderen stollen.

"Laat af! laat af!" gilde zij, zich verwerende,--doch tevergeefs; een stevige arm hield haar omkneld. "Help! help!" riep zij nogmaals, doch ook die kreten werden gesmoord. De vreemdeling had haar een wijden mantel over het hoofd geworpen, en bewusteloos zeeg zij in de armen van haren roover, die haar vóór zich op het ros plaatste, en in gestrekten ren met haar den weg naar Leiden insloeg.

In teugellooze vaart ging het steeds voorwaarts. De ruiter hield het meisje omkneld. Loerende sloeg hij gedurig de oogen om zich heen en waande in iederen boom, ja in zijn eigen schaduw, woedende vervolgers te ontdekken, die hem den geroofden buit wilden betwisten.

--Geen vrees! sprak hij bij zich zelven: Wij zijn ons doel nabij. De stoute daad wordt ruimschoots beloond, en waarom zou ik dralen indien bergen van blinkend goud mij vriendelijk tegenlachen?

Na een rit van nauwelijks drie kwartuurs, hield de ruiter voor de ellendige herberg stil, waar een roemer op het vergane uithangbord prijkte.

Vrouw Barbara had den hoefslag en het stilhouden van een paard gehoord. Met eene lantaarn in de hand trad zij naar buiten en begroette den nieuw aangekomene.

"Gij hebt goed doorgereden," zeide zij: "minstens had ik u een half uur later gewacht.--Doch," ging zij fluisterende voort: "wij zijn niet alleen; vriend Rosio is zooeven aangekomen. Door den brand, die den Blankert gisteravond verwoestte, is hij van dáár verjaagd, en nu, van een goeden buit voorzien, is hij voornemens zich morgen naar Frankrijk op reis te begeven.

Des vreemdelings oogen schitterden:

"'t Is wel," zeide hij, en de nog steeds bewustelooze Adelgonde op zijne armen nemende, trad hij de woning binnen; beklom met haar hetzelfde kamertje, waar wij den ongelukkigen kunstenaar, eenigen tijd geleden, zijn nachtverblijf zagen nemen, en legde haar op het bed, 't welk vrouw Barbara te dien einde in gereedheid had gebracht.

De vreemdeling, in wien wij reeds den jonker Walter Van Rodenberg hebben herkend, brandde nu van verlangen om te weten welke kostbaarheden door de ontvoering van Adelgonde in zijn bezit waren gekomen.

Met de verregaandste onkieschheid doorzocht hij de kleederen der schoone Hagenlelie, die daar als een marmeren beeld ter neer lag.

Een klein pakje benevens eenige oude brieven, was het eenige wat hij bij haar vond.

Zijn hooge verwachting werd door den inhoud van dat pakje bitter teleurgesteld.

Behalve een klein rolletje goud--Adelgondes bespaarde penningen--bevatte het niets dan een vierkant doosje, waarin het portret van den graaf Van Bergen lag, en dat, in een zilveren medaillon gevat, met juweelen en paarlen was omzet.--Is dit dan alles wat de deerne heeft meegenomen! dacht Van Rodenberg met van woede bevende lippen: Heb ik dan voor niets de armoede harer ouders zoo sterk geteekend! Maar, bij den hemel! ik zal mij weten schadeloos te stellen. De losprijs zal naar deze teleurstelling geëvenredigd zijn!

Na de gevonden voorwerpen bij zich te hebben gestoken, ging hij het kelderluik af en trad de gelagkamer binnen, alwaar Rosio, als reizende koopman vermomd, zijn avondmaal zat te nuttigen.

"Goedenavond, mijn brave heer," zeide Van Rodenberg spottend, terwijl hij een glurenden blik naar eenige op elkander gestapelde pakken sloeg: "Uw vermomming is voortreffelijk. Zie, bij den eersten aanblik herken ik u dadelijk. Ei ei! gij zijt dus van uwe waardigheid ontslagen! Heeft de genadige gravin uw alvermogende hulp niet meer noodig? Gij zijt wel diep te beklagen, want zeker moet gij thans met eenigen kleinhandel uw dagelijksch brood zuur verdienen, en boer of edelman om een dak om Godswil aanspreken!"

"Wij kennen elkander!" sprak Rosio, die zeer wel begreep, dat Van Rodenberg den draak met hem stak: "Maar bij het heil mijner ziel!" vervolgde hij: "hetgeen gij zegt is waar: slechts weinige oude boeken en geschriften, behalve hetgeen mij toebehoorde, heb ik uit den hevigen brand kunnen redden. Gij weet het immers, jonker, dat de Blankert een prooi der vlammen is geworden?"

"Als ik mij niet vergis," antwoordde Van Rodenberg, "dan was ik bij die grap tegenwoordig. Het had mij bijna het leven gekost. Doch genoeg daarvan. De edele gravin is...."

"Leeft de gravin nog?" viel hem Rosio haastig in de rede, terwijl hij zijn bezorgdheid en vrees daarvoor achter een masker van levendige belangstelling zocht te verbergen.

"Stel u gerust," hernam Van Rodenberg glimlachend: "ik heb dezen middag vernomen, dat zij de vuurproef moedig heeft doorstaan, doch dat de waterproef haar minder goed is bekomen. Dezen morgen is zij bezweken, en heeft in haar laatste oogenblikken nog met de meeste liefde van u gesproken.

"De Heer hebbe hare ziel!" zuchtte Rosio.

"Of de duivel!" hernam Van Rodenberg: "Om 't even. Gij weet niet," ging hij langzaam voort, terwijl hij met zijne vingers op de tafel trommelde en Rosio met halfgeslotene oogen doordringend aanzag: "Gij weet niet wie de eenige erfgenaam mijner lieve moeder is?"

"Uwer moeder?" riep Rosio in de grootste verwarring: "Wie--de gravin? wie heeft u gezegd....?"

"Eilieve, Barbara, wees zoo goed en ga mijn schoonen buit eens opzoeken," zeide Van Rodenberg tot de waardin, die reeds voor eenige oogenblikken de kamer was binnengekomen: "Ik geloof," vervolgde hij: "dat het fijne ding wat opwekkingsmiddelen zal noodig hebben; gedurende den geheelen tocht is zij buiten kennis geweest."

Barbara had zich reeds op dit bevel voorbereid; doch hare nieuwsgierigheid was door het gesprek der heeren gaande gemaakt, en gaarne had zij nog een oogenblik willen toeven; nu evenwel voldeed zij aan Van Rodenbergs verlangen, en zich met eene lamp naar het opkamertje begevende, verloor zij den draad van het gesprek, 't welk hare belangstelling zoozeer had opgewekt.

--Men heeft mij toch niet te veel van hare schoonheid verhaald, dacht de waardin, toen zij Adelgondes fijne trekken aanschouwde: Het arme kind moet dan schrikkelijk zijn ontsteld. "Kom hier mijn duifje! ruik eens," sprak zij, terwijl zij Adelgonde een fleschje met geestrijk vocht onder het kleine neusje drukte: "dit zal u goed doen."

Werkelijk opende Adelgonde weinige oogenblikken later de oogen. "Waar ben ik?" vroeg zij met een angstige stem, terwijl zij de waardin bevreesd aanzag.

"Bij wie anders dan bij Barbara?" antwoordde de vrouw: "Nu, ik wil wel gelooven, mijn hartje, dat gij mij niet herkent," vervolgde zij: "want toen ik u de laatste maal verliet, waart ge nog slechts een nuchter wicht: 't is heel wat tijd geleden!"

Adelgonde kon zich,--uit haar bezwijming ontwaakt, geen duidelijk denkbeeld vormen van hetgeen er met haar was voorgevallen. Wèl herinnerde zij zich Alonzo's brief, waarin deze haar had gemeld, dat hare ouders nog leefden; dat hij haar, zoo zij dit begeerde, in de armen dier ouders wilde terugvoeren; dat die goede lieden in den bittersten nood verkeerden, en zij derhalve zooveel als haar mogelijk zou zijn, moest medenemen om hen, aan wie zij het leven verschuldigd was, met het hare te ondersteunen; en eindelijk dat hij zich had voorgenomen, om haar aan hare wettige ouders ten huwelijk te vragen, dewijl rang noch geboorte hem zouden beletten haar als zijne vrouw te beminnen. Insgelijks herinnerde zij zich den tweestrijd, welke haar binnenste bij het lezen dier letteren had vervuld; hoe zij nu eens besloten, dan weder gewankeld had; hoe innige dankbaarheid aan haren pleegvader haar aan den Oldenburgh had geboeid, maar kinderliefde en teedere min haar nochtans tot den voorgeslagen stap hadden doen besluiten.--Doch, wat er met haar was voorgevallen nadat de stem van Van Rodenberg haar als een donderslag in de ooren was gedrongen.... dit kon zij zich niet te binnenbrengen, en nogmaals de waardin vragend aanziende, zeide zij: "En Alonzo?"

"Wel, die heeft u hier gebracht, mijn torteltje!" was het antwoord: "Hij heeft u alleen gelaten om u eenige rust te doen genieten. Het is een mooi knap heer."

Adelgonde schudde ongeloovig het hoofd. "Maar gij?" zeide zij, de waardin weder vragend beschouwende: "Wie zijt gij?"

"Wie ik ben?" hervatte vrouw Barbara: "Wel, wie ben ik anders dan uwe moeder. Kunt gij het dan aan uw hartje niet voelen dat gij uw eerste voedsel aan mijne borst genoten hebt?--Maar zie, toen waart gij pas zóó groot," vervolgde zij, bespeurende dat Adelgonde zich geweld deed om hetgeen zij hoorde te gelooven: "en op dien leeftijd zien de oogen nog niet verder dan de neus lang is. Wacht, mijn torteltje, ik zal u wat eten halen. Ik neem het u niet kwalijk dat gij mij niet hebt herkend."

Zoodra vrouw Barbara vertrokken was, richtte Adelgonde zich overeind, en bij het schijnsel der achtergelatene lamp, doorzag zij nu het kleine naargeestige vertrek, dat somber en droevig afstak bij de groote zalen en ruime kamers waarin zij was opgevoed.

--Dus is die vrouw mijne moeder, dacht Adelgonde: Zoo zijn die ruwe gelaatstrekken dan de trekken van haar, die ik mij in mijn kindsche dagen schier als een heilige had voorgesteld!

Onwillekeurig werd het teedere meisje zeer bevreesd. Alles kwam haar zoo vreemd, zoo zonderling voor. Was het dan niet Van Rodenberg die haar, in stede van Alonzo, had weggevoerd?

--O God! wat wil men van mij, wat heeft men met mij voor? dacht zij voort: Neen ik had niet zoo moeten handelen, men heeft mij in een valstrik gelokt, ik ben bedrogen! Goede God, red mij! Wat zal er van mij worden!

Een luidruchtig gesprek, dat in de gelagkamer werd gevoerd, boeide eensklaps hare opmerkzaamheid. Duidelijk onderscheidde zij de stem van den man, die haar steeds den meesten afschuw had ingeboezemd. Er bestond geen twijfel meer, het was Van Rodenberg, die in hevigen twist met een ander was geraakt.

Hare legerstede verlatende, naderde zij behoedzaam de deur, en zocht nu eenige woorden op te vangen. Doch tevergeefs, de twistenden schenen zich verstaan te hebben, en niets vernam zij verder dan het stooten van twee kroezen tegen elkander, waarop er nog eenige woorden werden gewisseld, totdat eindelijk een der mannen zijn afscheid nam, en zich te paard van de woning verwijderde.

Adelgonde voelde haar gemoed niet weinig verruimd toen zij in den aftrekkende, haren vijand vermoedde. Met het vaste voornemen om moedig de waarheid te onderzoeken, en zich in Gods hand veilig te vertrouwen, zette zij zich op een kleine bank, die voor een vermolmde eikenhouten tafel stond.

Vrouw Barbara trad kort daarop het kamertje weder binnen. In de eene hand hield zij eenige sneden grof brood, in de andere een kan met zoete melk gevuld.

"Zie zoo mijn duifje!" riep zij Adelgonde toe: "zoo is het goed, nu zijt gij toch van den schrik bekomen. Eet en drink nu maar eens naar hartelust, het is u volkomen gegund."

Hoewel Adelgonde niet den minsten eetlust gevoelde, zoo verkwikte haar toch de aangebodene melk, en vrouw Barbara voor hare zorgen dank zeggende, gaf zij tevens haar wensch te kennen om, alleen gelaten, zich ter rust te kunnen begeven.

"Allerbest mijn hartje!" zeide Barbara: "Gij zijt hier zoo vrij als op het kasteel. Morgen zal mijnheer Van Ro.... mijnheer Spinola, wil ik zeggen, u wel eens komen bezoeken. Ik weet niet, maar ik heb hem zoo wat van trouwen hooren prevelen. Hé, dat zou u lijken, geloof ik. Het is een knap man, daar blijf ik bij. Nu, mijn aardig torteltje, ik wensch u een goeden nacht," en het onaangeroerde brood weder met zich nemende, verliet de waardin het vertrek.

Daar zat nu het schoone doch zwakke meisje, aan de somberste gedachten ter prooi gelaten. Hoe was het haar mogelijk te gelooven dat de edele Alonzo, den verachtelijksten der mannen, in zijn belang zou hebben genomen! Doch die brief! was die dan niet van de hand des geliefden? Nogmaals wilde zij die letteren herlezen, om allen twijfel te verbannen; zich nogmaals overtuigen dat zij door Alonzo geschreven, en niet door een andere hand kunstig waren nagebootst; doch hoe klom haar heimelijke vrees tot de vernietigendste bezorgdheid, toen zij het pakje miste, hetwelk Van Rodenberg haar in haar bezwijming had ontvreemd.

Nu eerst begreep Adelgonde ten volle dat de lage man een vreemd en schandelijk spel met haar speelde. Hier in dit huis bevond zij zich in zijne macht; ondanks de mogelijkheid zelfs dat die vrouw hare moeder was, durfde zij van dien kant niet op hulp en bescherming rekenen. Wat stond haar te doen!? Niets bleef haar in dit bange oogenblik over dan een spoedige vlucht, en in weerwil der moeielijkheden aan deze ontkoming en den nachtelijken tocht verbonden, nam zij het kloekmoedig besluit, al hare krachten bijeen te zamelen, en, als een berouwvolle dochter, smeekend in de armen van haar liefderijken pleegvader terug te keeren.

Nog eenige oogenblikken luisterde Adelgonde aandachtig, om zich te overtuigen dat er in het aangrenzende vertrek geen personen meer aanwezig waren. Alles was stil. De bewoners schenen zich ter rust te hebben begeven.

Hierop trad zij behoedzaam naar het kleine venster, en zocht met haar fijne handen den grendel weg te schuiven, die in het omvatsel zat vast geroest. Zij verdubbelde hare krachten; en werkelijk bereikte zij gelukkig haar doel.

Het venster nu geopend zijnde, kostte het haar geringe moeite de schier vergane vensterluiken insgelijks naar buiten open te stooten, doch hoorbaar klopte haar hart toen zij bemerkte dat het venster, waaruit zij den sprong moest wagen, ruim zeven voet boven den vlakken grond verheven was.

--God zal mij behoeden! dacht Adelgonde: Hij weet dat ik met goede bedoelingen den dwazen stap heb gewaagd. Hij zal mij vergeven, gelijk de edele en goede graaf mij weder met liefde in zijne armen zal opnemen.

Een zacht geritsel aan de buitenzijde der deur wekte eensklaps hare aandacht. Adelgonde sidderde. Het raam weder dicht te trekken en de nog brandende lamp uit te blazen, was het werk van een oogenblik. Nauwelijks was dit verricht, of de deur werd geopend, en een man trad het kamertje binnen, wiens trekken, verlicht door het schijnsel eener lantaarn welke hij in de hand hield, Adelgonde zich niet herinnerde vroeger te hebben gezien.

"Vrees niet!" sprak de man op fluisterenden toon: "Gij behoeft voor mij niet te beven. Zonder u te kennen, schoone jonkvrouw, ben ik uw vriend. Gij zijt in arglistige handen, doch ik kom u redden; ik zal u aan de handen van Van Rodenberg ontrukken."

Adelgonde wist niet wat zij van deze plotselinge verschijning moest denken. Wel waren de gesprokene woorden geschikt om haar vrees te verbannen; doch in die glurende kleine oogen las zij iets meer dan belangelooze welwillendheid; in dien naar boven getrokken mond lag iets anders dan zuivere deelneming in het lot van een belaagd onschuldig meisje.

"En waarvoor zou ik vreezen?" zeide Adelgonde, terwijl het haar was aan te zien, dat haar gemoedstoestand zonderling met hare woorden in tegenspraak was. "Ik heb hier niets te duchten. Vertrek van hier, mijnheer, als ik u bidden mag. Ik ben hier veilig, hier, in de woning mijner ouders."

"En evenwel hebt gij dat venster geopend?" hernam de vreemdeling: "Zie maar, het is door de tocht weer opengegaan. Doch vertrouw op mij, schoone jonkvrouw," vervolgde hij, haar langzaam naderende: "ik weet nauwkeurig wat men met u voor heeft; geloof mij, ik ken de netten welke u gespreid worden."

"Mensch! wat wilt gij van mij?" riep Adelgonde met bevende stem, terwijl haar het angstzweet op het voorhoofd parelde: "Wie geeft u het recht mijn slaapvertrek binnen te treden!? Verwijder u van hier, zoo gij het wél met mij meent."

"Het schijnt mij toe, dat ik u slechts afkeer kan inboezemen," hernam de vreemdeling, die niemand anders dan Rosio was: "Is mijn gelaat dan zoo afschuwelijk? Doch ik versta u," ging hij voort, terwijl hij de tot ter dood ontstelde Adelgonde hoe langer hoe meer naderde: "ik versta die angstige bezorgdheid: "Een Spaansch edelman wordt door de zedige schoone in het nachtelijk uur ten harent gewacht. Het venster is reeds geopend; de lamp is uitgedoofd. Ha ha! laat den knaap nog een oogenblik smachten. Zie, schoonste bloem, de vlam der liefde heeft ook mijn hart voor u doen branden. Waarom moet ik door dat vuur verkwijnen terwijl een ander...."

"Laat af,--laat af!" riep de engelreine Adelgonde, terwijl zij zich met schier bovennatuurlijke krachten uit den arm zocht los te rukken, dien de ellendeling reeds om haar slanke leest geslagen had: "Heilige Vader! sta mij bij!" gilde zij, zich krachtdadig verwerende. Doch, haar schier waanzinnige pogingen waren vruchteloos; Rosio's ijzeren arm hield haar omkneld, en grinnikend lachte het onmensch, toen hij de angstkreten der onschuld met een dikken doek had gesmoord, en alzoo de zege over het zwakke reine schepsel had bevochten.

Dáár echter, waar de nood tot aan de lippen is geklommen en de sterveling aan Gods reddende macht begint te wanhopen, is Zijn reddende hand hem vaak het dichtst nabij. Weet dan de grijze booswicht niet, dat hij weldra zijn breeden en effen weg zal hebben afgehold? Weet hij niet dat de wijde poort hem wacht, doch dat een diepe poel aan het eind dier baan is gedolven? Hij weet dit, en evenzeer ziet hij dat menig zijpad hem nog op den moeielijken doch rechten weg kan terugvoeren. Hij wil het niet; welnu, een ander, die achter hem komt, zal hem in zijn vaart nog sneller tot het einde voeren; nog ééne schrede, en hij stort in den afgrond. Doch zelfs ook dán, in dien laatsten stond, dan nog wankelt hij een oogenblik; dan zelfs ziet hij nog aan de rechterzijde van dien poel, een doornig en rotsachtig pad, 't welk steil naar boven gaat; dan nog kan hij keeren; dan nog trekt hem een stem naar boven. Schep moed! roept deze hem vriendelijk toe: de weg is moeielijk, doch toef niet, hier in het Huis des Heeren rusten de geloovigen van hun kommervollen tocht, en zijn zij vroolijk als de gasten op een bruiloftsfeest.

God is rechtvaardig: vroeg of laat treft Hij den zondaar; hier of in Zijn eeuwig rijk loont Hij den moedigen strijder.

Zoo daagde er dan ook voor Adelgonde, in het jammervolle oogenblik toen men haar het kostbaarste wat zij bezat, schandelijk wilde ontrooven, onverwachte hulp en redding.

De krachtige arm, waarmede Rosio zijne prooi hield omvat, werd eensklaps verlamd. Een doodsche kleur overtoog zijn gelaat, en de hevigste pijnen dreigden zijn ingewanden vaneen te rijten.

Met het vreeselijkst misbaar liep de snoode ellendeling nu het kleine vertrek rond; krampachtig wrong hij de handen, en, zich nu eens over den vloer wentelende, dan weder onstuimig opspringende, kermde hij nu zelf om redding en hulp, terwijl hij even te voren, op onmeedoogende wijze, die kreten bij zijn onschuldig slachtoffer had zoeken te smoren.

Daar lag nu de grijze deugdvertreder; daar wentelde hij zich aan den rand van de kolk, waar geween en eeuwige duisternis heerscht. De geldzucht van een medereiziger op het breede spoor, had hem eenige oogenblikken vroeger aan het einde van zijn loopbaan gebracht. God had den verleider getroffen, en de onschuld wonderbaar gered. Met stomme verbazing, met innige dankbaarheid, doch met deernis in het lot van haren vijand tevens, aanschouwde Adelgonde dat droeve tooneel.