De lelie van 's-Gravenhage

Chapter 13

Chapter 133,921 wordsPublic domain

De gebiedende toon, waarop Van Bergen gesproken had, maakte een gewenschten indruk. Eenige mannen begaven zich onmiddellijk naar de plaats, waar de hovenier zijne nasporingen voortzette.

"Is de gravin aan het gevaar ontkomen?" vroeg de graaf aan een knaap, die weinige schreden van hem stond.

"Zij is gered uw genade," antwoordde deze: "doch één oogenblik later, en het ware te laat geweest. Voorzeker moet de gravin uit het venster in de gracht zijn gesprongen. Toen wij op haar noodgeschrei afkwamen, hield zij zich aan den rand der boot boven water. Nu ligt hare genade in de woning van Rijnveld, maar het al te bezien staan of zij den schrik te boven komt."

Van Bergen stapte van zijn paard, en na het aan de zorg van den knaap te hebben toevertrouwd, begaf hij zich naar de kleine woning van den hovenier. Hier verbeidde hem een nog akeliger tooneel dan hetgeen hij daarbuiten aanschouwd had. Zijn rampzalige stiefmoeder lag in een ijlende koorts op een bos stroo ter neder. Hare oogen waren diep in hunne kassen verscholen, en sluik lagen de natte grijze haren langs haar bleeke kaken. Nauwelijks was Van Bergen het kleine vertrek binnengetreden, of de gravin richtte zich in hare legerstede overeind.

"Ha, zijt gij daar, verrader!" riep zij hem toe: "Gij zijt het, gij alleen die de hel boven mijn hoofd hebt ontstoken. In de vlammen hebt gij mij geworpen. In het water hebt gij mij gestort. Gij hebt gesidderd voor mijne wraak. Ja! zie, gij rilt nog. Gij zijt bevreesd voor mijn toorn.--Vergif zal u doen kwijnen: evenals uw vader. Waar toeft gij, Rosio?" ging zij, strak voor zich uitziende, voort: "Waarom aarzelt gij: Dien toe;--uw middel werkt langzaam maar zeker. Zie, hij kwijnt, zijn einde is nabij.--Hij sterft!--Wraak Van Bergen!--Wraak over u!--Mijn zoon zal leven!--Mijn zoon, mijn Walter.--Ja, Walter, ik ben uwe moeder.--O God! gij gelooft het niet.--Gij verstoot mij omdat gij een bastaard zijt, gij werpt mij van u af?--Gij laat mij aan de vlammen ter prooi--O God! ik brand! Ik verga! Water, water!"

Met onleschbaren dorst dronk de gravin een haar toegereikte kom met water ledig.

Voor een oogenblik scheen haar dit eenige rust te verschaffen, doch zoodra zij den graaf weder ontwaarde, ving zij opnieuw met woorden zonder samenhang aan.

"Ik versta uw blik, Van Bergen! Ja, ik weet wat gij van mij verlangt. Gij wilt úw kind, úw zoon aan mijne macht ontrukken. Gij verbleekt. Het baat u niet. Uw zoon was wel bewaard. In een diepen kerker. Dáár, dáár in uw kasteel.--Wraak voor mijn zoon! Wraak voor de schande mij aangedaan!"

Een koude rilling ging Van Bergen bij het hooren dezer woorden door de leden. Met angstige gejaagdheid had hij elken klank opgevangen. God! zouden deze woorden eenige beteekenis hebben, of slechts door een verhitte verbeelding zijn voortgebracht?

"Vrouw! wat zegt gij?" riep hij met een van aandoening verkropte stem: "Herhaal uwe woorden. Zijt gij bij uwe zinnen? Spreek, wát is er van mijn zoon?"

"Ha! daar staat de fiere graaf!" riep de ijlende vrouw, akelig lachende: "Uw zoon?--Brand! brand! vlammen! vuur! Gij hebt het zelf ontstoken. Hij is bedolven. Dáár onder puin en asch. Daar in dien vuurpoel ligt hij te branden. Hou vast Rosio! laat niet los; neen, hij mag ons niet ontkomen!"

Van Bergen stond als aan den grond genageld. Het was hem niet mogelijk deze verwarde woorden tot een geheel te vormen en op zichzelven toe te passen. Hij doorgrondde het fijne weefsel van menschelijke boosheid niet.

Zijn zoon?--En echter had hij zijn eerstgeborene levenloos aan zijn borst gedrukt. Hij had zijn zoontje zelf naar het stille graf gebracht. En toch, een vreeselijk vermoeden rees er in zijn binnenste op. "Hemel! zou het mogelijk zijn!?" riep hij uit: "Spoed! spoed! misschien bestaat er nog kans op redding!"

Met het vaste voornemen om alles in het werk te stellen ten einde zekerheid te bekomen, snelde hij voort, en had juist de klink der deur gegrepen, toen deze van buiten geopend werd. Eene burrie werd door twee mannen het vertrek binnengedragen. Een jeugdig meisje lag er op. Aan haar voorhoofd gaapte een breede wond, en hare haren waren met bloed bevlekt.

Het was Aafke, Rijnvelds brave dochter, die door vereende krachten aan een brandend graf was ontrukt.

De smart des vaders grensde aan wanhoop.

Die schoone maagd, die dierbare trouwe dochter lag daar verminkt en zieltogend ter neder!

De vader had zijn kind wedergevonden, maar helaas, in een toestand, om het spoedig voor altijd te verliezen.

Van Bergen was door dit roerend tooneel een oogenblik in zijn voornemen gestuit. Met innige deelneming beschouwde hij de smartelijke wonde, en reinigde die eigenhandig zooveel hem dit mogelijk was.

Het ongelukkige meisje slaakte een diepen zucht; even sloeg zij de reeds brekende oogen op, en zag haren liefderijken helper aan. Een lichte blos verspreidde zich over haar gelaat; er scheen iets buitengewoons in haar binnenste om te gaan; zij wilde spreken, doch hare krachten schoten te kort.

"Wat wilt gij, lief kind?" vroeg Van Bergen, die haar in den arm genomen en een weinig overeind had gezet.

Nogmaals wendde het meisje een uiterste poging tot spreken aan. Hare lippen bewogen zich, en schier onhoorbaar lispte zij de woorden: "Hij is gered.... uw zoon.... uit den kerker.... Bewijs.... dáár.... in mijn keurslijf."

Geen engeltonen hadden den graaf met hemelscher wellust kunnen vervullen, dan die woorden van het stervende meisje. Aan deze sponde der smart ontwaakte een ongekende zaligheid in zijne borst. De mond der boosheid had hem een zoon en diens verderf aangekondigd, de stem der onschuld meldde hem de redding van dat kind, van welks bestaan hij tot heden onbewust was gebleven.

Zou dat kleine stuk papier, 't welk daar uit haar keursje steekt, inderdaad het bedoelde bewijs bevatten?

Zonder aarzelen trok hij het behoedzaam te voorschijn. Met sidderende hand ontvouwde hij het papier, en las de volgende woorden:

"Edel meisje! Met Gods hulp is het ons gelukt den armen gekerkerde te bevrijden. Daartoe zijt gij, in Gods hand, het middel geweest. Nog weet gij niet wie het was die jaren achtereen in dezen kerker versmachtte. De ongelukkige Adel is niemand anders dan de eenige zoon des graven Van Bergen. Hem hebt gij bevrijd. Leef gelukkig, edel meisje! Smaak de vruchten van uw goede daad, en zoo gij hier beneden daarvoor niet vergolden wordt, dan zal God u in Zijn hoogen hemel ruimschoots vergelden, wat gij aan een zijner ongelukkige schepselen hebt gedaan.

A. S......"

"Ja, God zal u vergelden wat geen sterveling u meer vergelden kan!" sprak Van Bergen met een onbeschrijfbaar gevoel, terwijl hij de gestorven redster van zijn kind, met schier vaderlijke liefde een zoen op het voorhoofd drukte. Ja, bij Hem zult gij het loon voor uw edele daad ontvangen!"

"Laat af! laat af!" riep de gravin Van Bergen met stervende stem: "Weg, weg van mij, gij helsche folteringen! Ik wil niet sterven! Mijn Zoon! mijn Walter!--Mijn Walter!" herhaalde zij, nauwelijks hoorbaar. Nog één snik, nog ééne trekking der zenuwen en zij was niet meer.

In hetzelfde oogenblik verschenen twee onsterfelijke zielen voor den rechterstoel des Allerhoogsten.

De eene was blank en rein, de andere met de zonden dezer wereld besmet.

De eerste ging in ter rechterzijde.

De andere?.... Oordeel niet. God alleen mag oordeelen. De Heer is rechtvaardig--maar genadig.

ZESTIENDE HOOFDSTUK.

De kleine stoet, dien wij in het voorlaatste hoofdstuk den Blankert zagen verlaten, naderde hoe langer hoe meer de plaats zijner bestemming.

Langs den noordelijken zoom van het Haagsche bosch, waar zich de oude eiken ter rechter- en de naakte duinen ter linkerzijde verhieven, voerde een breed zandspoor naar een eenvoudige pachthoeve.

Hier gaf Alonzo het teeken om stand te houden.

"De Heilige Maagd zij geloofd!" sprak hij tot Maarten, nadat deze hem behulpzaam was geweest om den ongelukkigen Adel de nederige woning binnen te dragen: "Hier zal de ondeugd haar slachtoffer niet zoeken. Morgen zal zij dit niet meer vermogen; doch tot zóólang is voorzichtigheid noodzakelijk.

Ten einde de bevrijding in geenen deele te belemmeren, had Aafke den gekerkerden jongeling, op bevel van haren hoogen bondgenoot--den jongen graaf Spinola--een toereikend slaapmiddel ingegeven. Door de macht van den slaap geketend, was niets in staat geweest hem aan die banden te ontrukken. In weerwil van de geweldige donderslagen en de vele bezwaren, die zijne ontvoering vergezelden, had hij zijne oogen niet geopend, en, wellicht van zijne beulen droomende, vermoedde hij niet dat God Zijne engelen had gezonden om voor zijn leven te waken; dat een paar goede geesten hem beschermden en hem de vrijheid terug schonken.

De hoeve, welke door Alonzo tot nachtverblijf voor den bevrijde was gekozen, behoorde tot de goederen van den graaf Van Bergen en werd bewoond door Maartens grootvader.

Met de meeste schroomvalligheid had de oude man het verzoek van zijn kleinzoon toegestaan. Het was hem gansch niet aangenaam de hand te leenen in eene zaak, die hem hoe langer hoe meer verdacht voorkwam.

--Wie was de Spaansche vreemdeling, die hem voor zijne herbergzaamheid zoo ruimschoots wilde beloonen? Welk voornemen had deze met den ongelukkige, die daar thans slapende in de bedstee lag? Waarom juist bij hem, in deze afgelegene woning, eene schuilplaats gezocht? Deze en vele dergelijke vragen bestormden en verontrustten den zwakken grijsaard. Hij werd zeer bevreesd, en alles wél overwegende, vermoedde hij in den slapende niets minder dan een Spaanschen prins, die, de hemel wist om welke staatsintriges, in een vreemd land moest worden om hals gebracht.

Hij huiverde bij het denkbeeld, dat zijn vreedzame woning het schouwtooneel van een vorstenmoord zou worden, en dat hij zelf, in stede van zijne dagen in rust en kalmte te eindigen, als medeplichtige, een schandelijken dood zou moeten ondergaan.

--Wat hun voornemen ook zijn moge, zoo dacht hij: ik zal zorg dragen, dat den jongen vorst op deze hoeve geen leed geschiede. Den nacht zal ik wakend doorbrengen, en morgen, met het krieken van den dag, begeef ik mij naar den Oldenburgh, ten einde den graaf van alles te onderrichten.

Inmiddels was Alonzo met Maarten naar buiten gegaan. De lucht, door het onweder gezuiverd, was met de liefelijkste geuren vervuld. Even verruimd en verlucht als de natuur, gevoelde zich ook Alonzo na de wél volbrachte taak.

Met het voornemen om zelf naar Den Haag terug te keeren, gaf hij aangaande Adels bewaking nog eenige bevelen aan Maarten, en zich toen tot den grijsaard wendende, die in de halfgeopende huisdeur met achterdochtige blikken de twee samenzweerders of vorstendooders had trachten te beluisteren, zeide hij op minzamen toon: "En gij, oude man, die zoo liefderijk een ongelukkige hebt willen opnemen, het geldelijk loon dat u daarvoor toekomt, zal niet kunnen opwegen tegen de dankbaarheid, die u in veler hart een eerste plaats zal doen bekleeden. Vaarwel! morgen hoop ik u weer te zien." Na deze woorden wierp Alonzo zich in den zadel, en links het bosch in galoppeerende bereikte hij weldra de stad.

Het was den volgenden morgen, weinige minuten nadat wij den graaf Van Bergen naar den Blankert zagen vertrekken, dat een oud man, ademloos de binnenplaats van het kasteel den Oldenburgh betrad.

De oude Burgman was juist bezig de verspreide fazanten, kalkoenen en kippen, met zijn: "Tuk tuk tuk!" tot hun ontbijt bijeen te roepen, terwijl hij tevens naar het geschikte oogenblik zocht om zich van de drie bonte haantjes meester te maken, die bestemd waren hun laatste levensdagen in overdaad door te brengen.

"Wel Esser, wat voert u zoo vroeg naar het kasteel?" riep de fungeerende pluimgraaf den nieuwaangekomene toe: "Gij schijnt haast te hebben.--Proe! slokhals! gunt ge dien anderen niets?--Wacht! jaag me die kleine zwartkuif eens even hier op aan.--Kip ik heb je!" riep Burgman, terwijl hij het kakelend diertje dat, voor Essers opgeheven stok verschrikt, zijn waar verderf was te gemoet gesneld, in een overdekte mand plaatste: "Ziezoo; gij komt alsof gij geroepen waart. Hoe gaat het in 't duin?--Proe! proe! die grijze is een vlugge rakkert.--Houdt tegen! houdt tegen!--Mis baas! je dacht me te ontsnappen. Nou stil maar, je zult goede dagen hebben; daar, zwartje! daar heb je een kameraad!" en de tweede gevangene gleed bij de eerste in de overdekte mand.

"Maar Burgman," ving Esser aan, die de vroege wandeling niet had ondernomen om den ouden dienaar in het haantjesvangen behulpzaam te zijn: "ik moet den graaf spreken. Is zijn genade al bij de hand? Ik bid u, ga hem terstond om een oogenblik onderhoud verzoeken. Het is van groot belang. Ik kan mijn tijd niet verbeuzelen."

"Ja, indien gij den graaf moet spreken dan hadt gij maar vroeger moeten opstaan," antwoordde Burgman verstoord, dewijl Esser het haantjesvangen "zijn tijd te verbeuzelen" had genoemd: "De graaf is reeds lang vertrokken, maar indien gij zoo iets belangrijks hebt mee te deelen,--daar komt de freule, die u misschien te woord zal willen staan."

Esser trad met den hoed in de hand op Adelgonde toe, terwijl de gekrenkte Burgman met een langzaam vleiend: "Kip!--kip!--kip!" zijn derde slachtoffer zocht meester te worden, dat hij ook weldra bij de anderen in de mand liet glijden, om ze vervolgens naar de mestkooi te brengen.

"Hetgeen gij mij daar zegt is zeer vreemd," zeide Adelgonde, die aandachtig naar den oude geluisterd had: "Ik ben niet bevoegd om u in dezen raad te geven, doch naar het mij toeschijnt, zal uw kleinzoon zijn grijzen grootvader toch niet aan gevaren blootstellen. Maarten is mij bekend, hij is oppassend en braaf. Gij zult toch niet veronderstellen dat hij zich, om geldelijk voordeel, in eene zaak zou mengen, die gij zoo zwart hebt afgeteekend?"

De oude man schudde het hoofd. "Hij is zoo gesloten als een pot, genadige freule!" hernam hij. "Hoe dikwerf heb ik hem niet gevraagd, wie en wat dan eigenlijk die jongeling was.--Grootvader, was steeds zijn bescheid: een ongelukkige dien wij aan de handen zijner beulen hebben ontrukt, en dien gij, herbergzaamheid schenkende, een grooten dienst bewijst. Zie, genadige freule, "aan de handen zijner beulen ontrukt" dat klinkt verdacht. Waarom den naam verzwegen? Wat mij betreft, ik ben van mijne jeugd af aan steeds rond voor mijne zaken uitgekomen, ik heb nimmer iets verzwegen; neen, een goede zaak schuwt het daglicht niet."

--Deze, in de meeste opzichten voortreffelijke hoedanigheid van dien grijsaard, heeft zeker voor Maarten de stilzwijgendheid noodzakelijk gemaakt, dacht Adelgonde. "Intusschen, oude man," vervolgde zij tot Esser: "zal ik den graaf bij zijne terugkomst dadelijk met de zaak bekend maken. Verontrust u niet; reken op de deugd van uw kleinzoon. Ga u eerst in de keuken wat ververschen, en keer dan welgemoed naar uwe hoeve terug."

Esser schudde nogmaals het hoofd.--Zoo stapt de zorglooze jeugd met luchtigen tred over de gewichtigste zaken heen! dacht hij: "De ondervinding leert ons voorzichtigheid," zeide hij luid: "en al heb ik mij ditmaal door de schoonklinkende woorden van Maarten laten in slaap wiegen, mijne oogen zijn nu geopend, en voorzeker zal de genadige graaf, door een tijdige overkomst, een vorstenzoon van den dood redden, diens moordenaars aan het gerecht in handen leveren, en mijn grijze kruin voor schande en ellende behoeden. De hemel beware u, genadige freule! thans keer ik onmiddellijk naar 't duin terug. In mijne afwezigheid heeft niemand kunnen ontsnappen. Het vertrek waar de prins ligt, is geheel afgesloten. Met ongeduld zal ik de komst van den genadigen graaf te gemoet zien. God zij met u!"

Na deze woorden boog zich de oude man, en verliet de binnenplaats zoo snel als zijn wankelende tred zulks toeliet, om den terugtocht naar zijne woning aan te nemen.

Adelgonde, nu aan zich zelve overgelaten, zette hare morgenwandeling voort. Het was dien dag juist vier maanden geleden dat zij den edelen Spanjaard voor het eerst had gezien. Hoe veel was er in dien korten tijd, ook voor haar, veranderd!--O, dacht zij, terwijl een traan bij haar opwelde: hoe ras zijn die schoone dagen van vreugde en zorgeloosheid vervlogen! Hoe trotsch was ik, mij eene dochter van dien alom beminden en goeden graaf te kunnen noemen. Met welk een onuitsprekelijke, ja, meer dan kinderlijke liefde hing ik hem aan; en hij--hij noemde mij zijn lieve dochter. Helaas! ik was zijne dochter niet. En thans--dezelfde liefde blijft hij mij bewijzen! voortdurend noemt hij mij zijn lieve kind; maar ach! hoe schoon, hoe liefelijk mij voorheen die naam ook in de ooren klonk, thans rijt zij gruwzaam de mij toegebrachte diepe wond telkens weer open.--En gij Alonzo, o waarom drong de liefde voor u mijn harte binnen? waarom moest die wensch om u te bezitten, voor mij de dierbaarste worden? waarom heb ik u bemind, daar ik u nimmer kon toebehooren!?

Het schoone doch ongelukkige meisje slaakte een diepen zucht. Doch, een nieuwe gedachte rees bij haar op: Wellicht leefden haar arme ouders nog!--Moest het hun tot eene misdaad worden gerekend, dat zij hun kind hadden afgestaan om het in ruimer omstandigheden te doen opvoeden? Gewis, zij hadden uit liefde voor dat kind zich die opoffering getroost.--Ach, niets kwam Adelgonde nu wenschelijker voor, dan in den stand harer ouders terug te keeren, hopende bij hen de rust voor haar gemoed te zullen wedervinden. Voorzeker, haar waardige pleegvader zou haar in dit besluit geenszins hinderlijk willen zijn. Hij zag het immers, hoe zij, na het vernemen dier treurige waarheid, hare dagen in droefheid had doorgebracht; hoe zij niet meer dartel liefkoozend, maar schuchter zijne goedheden had beantwoord; hij zag het immers, hoe zij steeds alle bezoeken zocht te ontvlieden; hoe zij schroomvallig de oogen nedersloeg wanneer een dienstbode haar met eerbied naderde, en hoe dikwerf een donker rood hare wangen kleurde wanneer een adellijk bezoeker, al schertsend, den mindere in zijne handelingen bespottelijk zocht voor te stellen.

--Neen! besloot het teergevoelige meisje: neen, het is niet mogelijk mij langer achter een valsch masker te verbergen. Ik kan, ik mag niet langer schijnen wat ik niet ben; eenmaal toch zal de wereld mijne afkomst vernemen: waar zal ik dan vluchten om hare verachting te ontgaan! waar zal ik schuilen om haar smadende blikken te ontvlieden!?"

Aan een zodenbank gekomen, nam zij plaats, en staarde met bekretene oogen voor zich neder. Weldra trof een zeer bekende stem hare ooren.

"Alweer in tranen liefste Gonne?" riep Van Bergen zijne pleegdochter toe: "ik had zoo innig gehoopt een vroolijk lachje als welkomst te zullen ontvangen.--Hier, Burgman, neem mij Wakker eens mede: het goede dier is doornat en verlangt naar een welgevulde ruif."

Nadat Burgman den hinnikenden bruin met zich had genomen, nam Van Bergen naast Adelgonde plaats.

Den, in de oefenschool der ondervinding volleerden, man was het niet aan te zien dat hem dien morgen reeds zoo vele aandoeningen hadden bestormd. Wel had zijn vaderhart hoorbaar geklopt; wel was een vluchtige schim van hoop hem voorbij gesneld, doch hij waagde het niet die hemelplant in zijn binnenste te doen wortelen: Wat toch was zijn leven anders geweest dan een aaneenschakeling van teleurstellingen! Dikwerf was de zon helder voor zijne oogen verrezen, doch maar al te dikwerf ook was zij spoedig weder achter donkere wolken schuilgegaan.

Met eenige omzichtigheid verhaalde nu de graaf zijne ontmoetingen van dien morgen: hoe zijn rampzalige stiefmoeder was gestorven, en hoe hem toevallig was ter oore gekomen, dat een knaap, jaren lang door die ontaarde vrouw gekerkerd, weinige oogenblikken vóór den schrikkelijken brand, door een reddende hand was verlost.

Bij deze laatste woorden schoot Adelgonde de geschiedenis van den ouden Esser te binnen; met weinige woorden deelde zij haren pleegvader den inhoud van Essers verhaal en diens angstige bezorgdheid mede; besluitende met haar natuurlijk vermoeden: dat de gewaande prins niemand anders dan de geredde knaap zou zijn.--Nauwelijks had Adelgonde geëindigd, of zij bespeurde op het gelaat des graven eene voor haar onbegrijpelijke uitdrukking van verrukking. Zijne oogen waren naar boven gericht; het was alsof een stroom van innige dankbaarheid zijn halfgeopenden mond ontvlood, alsof een hemelbode hem de zekerheid des eeuwigen levens had aangekondigd.

Vragend zag Adelgonde haren pleegvader aan. Hij echter waagde het niet zijne blijdschap in woorden lucht te geven; doch eindelijk de hand van Adelgonde vattende, drukte hij die aan zijn hart en riep: "O Gonne! liefste Gonne! wat er ook verandere, vergeet nooit dat ik u als een vader bemin."

Na deze woorden rees bij Adelgonde een flauw vermoeden der waarheid.--Zwijgend zag zij voor zich neder; zwijgend nam zij den aangeboden arm van haren pleegvader; zwijgend trad zij met hem de groote poort van het kasteel binnen, en begaf zich, in diepe gedachten verzonken, naar hare kamer.

"Reeds een geruimen tijd heb ik op uwe terugkomst gewacht lieve freule!" zeide Adelgondes kamenier, die hare gebiedster op den drempel te gemoet trad: "Zooeven heeft een boerenknaapje mij dit briefje voor u overhandigd. Het opschrift komt mij eenigszins bekend voor, en ik twijfel niet of het zal u aangenaam zijn."

"Het is wél, Anne, doch laat mij nu alleen," zeide Adelgonde, en de deur van binnen gesloten hebbende, las zij Alonzo's brief, wiens zonderlinge inhoud haar voorhoofd deed gloeien, haar boezem jagen, en haar gemoed aan honderden aandoeningen ter prooi gaf.

Van Bergen had zich insgelijks naar zijne kamer begeven. Dáár gekomen, was het hem een behoefte zich dankende voor de voeten van zijn God neder te werpen. O, hoe duidelijk ontwaarde hij in den samenloop der omstandigheden, den leidenden vinger Gods. Hoe treffend was het, dat de achterdocht eens grijsaards hem reeds zoo spoedig de plaats moest wijzen waar hij den zoon uit de handen zijner bevrijders kon terug erlangen: "O God, sterk mij wanneer ik mijn ongelukkig kind zal wederzien," bad hij eindelijk: "Geef Gij mij kracht, want zóó--zóó heeft een vader nog nooit zijn kind teruggevonden."

Langzaam rees hij op; gaf bevel om terstond zijn paard te zadelen; besteeg het weinige oogenblikken later, en het dier in den stap dwingende, sloeg hij den weg in, die hem naar de woning van Esser zou voeren.

Reeds had de zon de grootste helft van haar dagelijkschen loop volbracht, toen Alonzo, uit Den Haag in de hoeve aan het duin terugkeerde.

De bezorgde oude zat voor Adels legerstede, en had niet gedoogd dat Maarten hem uit zijn--nog steeds voortdurenden slaap opwekte. Alonzo, die geenszins had bevroed welke ongerijmde vermoedens de grijsaard koesterde, schudde hem trouwhartig de hand. "Gij zijt een zorgvuldig wachter!" zeide hij vriendelijk: "Uw kleinzoon heeft uw goedheid niet ijdel geroemd. Zet nog een oogenblik uw waakzaamheid voort. Plaats u voor den ingang uwer woning, en zorg dat niemand er binnen treedt terwijl wij den slapende wekken, hem van zijne onreinheid zuiveren en een voegzamer kleeding zullen aantrekken."

Esser scheen besluiteloos. Des vreemdelings open oog en minzame toon hadden wel voor een oogenblik de stem der achterdocht in zijn binnenste doen zwijgen, doch zijne vrees voor moord of mishandeling was nog geenszins verdwenen. Wat stond hem, zwakken grijsaard, te doen? hij toch kon zich niet tegen twee krachtvolle mannen verzetten.--Welaan! sprak hij tot zich zelven: ik zal mij voor den ingang mijner woning plaatsen; van dáár zal ik door het venster de verrichtingen daar binnen kunnen gadeslaan; bij de minste beweging, die mij verdacht voorkomt, zal ik om hulp kunnen roepen. God moge den ongelukkige beschermen, en, zoo het noodig moest zijn, tijdige hulp doen opdagen.

Nog steeds hield de graaf Van Bergen zijn vurig ros in den stap. Met bedaardheid wilde hij het gewichtige oogenblik te gemoet gaan. Nu eens had hij, om zijn geest tot kalmte te stemmen, een danken smeekgebed tot God opgezonden, dan weder had hij de natuur in hare duizendvoudige schoonheid gadegeslagen.