Chapter 10
Bij het binnentreden ontwaarde men een vrij sterke evenredigheid van het inwendige met het uitwendige. Het voorhuis, of de zoogenaamde gelagkamer, was slechts schaars van meubelen voorzien. Een groote bruingeverfde tafel stond midden in het vertrek. De zitplaatsen waren houten banken, benevens weinige stoelen met versleten biezen zittingen, en het eenige pronkmeubel was een geelgeverfde kast, waarop eenig blauw aardewerk prijkte. De vloer, van roode steenen eindelijk, was met fijn wit zand bestrooid, en achter de zitplaats der waardin stonden, op houten schappen, de schenkkannen, die met bier, jenever en brandewijn gevuld, op de komst van vermoeide reizigers wachtten, om hen met hun inhoud te laven.
De beheerscheres van dit verblijf was eene vrouw van ongeveer zes en vijftig jaren. Aan haar gelaat kon men vrij duidelijk bespeuren, dat zij reeds lang gewoon was met lieden van den minsten slag om te gaan, en haar hoogroode kleur bewees dat het geenszins hare gewoonte was, om het gebruikelijke toebrengen van een roemer geestrijk vocht achterwege te laten.
Op het oogenblik waarvan wij spreken, was er slechts één gast aanwezig, die, in een hoek gezeten, onder het genot van eene kan bier, zijne tabakswolken zat uit te blazen, terwijl de waardin zich juist knikkebollend eenige rust gunde, toen er vrij sterk aan de deur werd geklopt. De vrouw wreef zich de oogen; nam de lamp, die vóór haar op het aanrecht had staan branden, en vroeg met een schelle stem: wie binnengelaten wenschte te worden?
"Een reiziger," was het antwoord.
"Zeer goed," sprak zij; schoof toen spoedig de grendels der dubbele deur op zijde, en een vreemdeling trad de herberg binnen.
"Kunt gij mij een nachtleger bezorgen?" vroeg de nieuw aangekomene.
"Een kostelijk nachtleger zelfs, uw edelheid!" antwoordde de waardin, terwijl zij, na de deur te hebben gesloten, een stoel bij de tafel plaatste: "Ik zal u het opkamertje geven, daar heeft Casper voorheen altijd geslapen, doch nu is het onbezet daar hij,--de Hemel weet door welk toeval, levenloos in eene sloot is gevonden. Maar neem plaats!" vervolgde zij: "Uw edelheid schijnt zeer vermoeid. Zijt gij reeds ver gekomen? Doch wacht, ik zal u van die pakkage ontlasten; geef mij dat kistje maar in bewaring, edele heer!"
De vreemdeling zag de vrouw met een angstigen blik aan. "Volstrekt niet," zeide hij, haar afwerende: "Neen, ik zal het zelf bewaren. Niemand ter wereld vertrouw ik dezen schat toe. Het éénige, wat ik bezit.... het éénige, wat mij nog is overgebleven, bevindt zich dáárin; nooit geef ik het uit mijne handen."
De waardin nam den vreemdeling steelsgewijze van het hoofd tot de voeten op; sloeg een bespiedenden blik naar het voorwerp, waaraan de reiziger zooveel waarde hechtte, en ging toen vertrouwelijk voort: "Zooals gij wilt, edele heer! doch geloof mij, wat ik bewaar, is zeker en veilig; ik bewaak alles, wat mijn gasten toebehoort, steeds als ware het mijn eigendom."
De vreemdeling evenwel, was geenszins geneigd zijn schat aan de bewaking der waardin over te geven, maar plaatste het kistje--dat tamelijk groot en vierkant, doch zeer plat en slechts uit ruw hout vervaardigd was--vóór zich op de tafel. "Geef mij wat brood en een glas bier," zeide hij: "doch maak spoed, want ik heb den geheelen dag nog niets gebruikt, en verlang zeer naar rust."
"Ik zal er uw edelheid een goed stuk gerookte ham bij geven," sprak de waardin, en spoedde zich om het gevraagde in gereedheid te brengen.
De reiziger, die door de kasteleines gedurig met den titel van "uw edelheid" was vereerd, onderscheidde zich wel door een meer beschaafd voorkomen van de gewone bezoekers dezer herberg, doch had evenwel het voorrecht niet een edelman te zijn; zelfs gaven zijne gelapte kleederen en versletene schoenen hem zeer weinig het aanzien tot een stand te behooren dien de waardin hem toekende. Zijne oogen waren klein, en schitterden nu eens van een levendig vuur, en staarden dan weder somber en dof op zijn schat.
"Komt gij reeds ver vriendschap?" vroeg de man, die tot dusverre door den vreemdeling niet was opgemerkt.
De aangesprokene wendde zich tot den vrager, en antwoordde, terwijl hij de handen op het vóór hem staande kistje legde: "Dezen morgen ben ik van Utrecht gegaan, en hoewel ik gedacht had nog van avond Den Haag te zullen bereiken, gevoelde ik mij, tot hier gekomen, te vermoeid om mijn weg te vervolgen."
"Gij kondt ook niet beter doen dan bij vrouw Barbara uw intrek te nemen," hernam de man: "zij heeft goeden brandewijn en geeft volle maat."
De vreemdeling antwoordde niet.
"Komt gij reeds verder dan 't Sticht?" ging de vrager voort.
"Uit het Luiksche!" was het bescheid.
"Ha! zoo!" hervatte de man weder: "Dat moet een goed land zijn. De bieren zijn daar kostelijk en niet duur; ik heb dikwijls van de Brabantsche bieren hooren spreken. Ons brouwsel is ellendig bitter of zuur; ik kan het er niet bij houden. Wat den brandewijn betreft, die is redelijk. Hé kameraad, gij moest mij eens op een slok onthalen?--Gij hebt...." hier werd de spreker eensklaps gestoord door een krachtig: "Doe open!" van buiten, en vrouw Barbara, die juist met het door den vreemdeling bestelde kwam aandragen, plaatste dit spoedig op de tafel, en, na een kort bescheid op de gebruikelijke vraag: "Wie is daar?" opende zij de deur, en ontwaarde iemand te paard, die, in een langen mantel gehuld, voor de herberg had stil gehouden.
"Heer in den Hemel!" riep de waardin, toen zij den ruiter bij het schijnsel der lamp herkende: "Wie had gedacht dat...."
"Stil!" fluisterde de man te paard, die de rentmeester Rosio was: "Stil! Is er volk in de gelagkamer?"
"Er zijn slechts twee manspersonen," hernam vrouw Barbara insgelijks zacht: "doch zij zullen zich spoedig ter rust begeven. Blijft mijnheer de rentmeester dezen nacht in mijn herberg?"
"Neen," antwoordde Rosio: "ik kom u slechts over eene zaak van belang spreken. Houd u alsof gij mij niet kent en breng het paard in het schuurtje." "Zeer wel!" zeide de waardin. Rosio stapte af,en terwijl de vrouw het doornatte beest naar het schuurtje bracht, trad de eerstgenoemde de gelagkamer binnen.
De jonge vreemdeling--want ouder dan hoogstens acht en twintig jaren was hij niet--had intusschen de spijzen naar zich toegetrokken, en was bezig ze met eene hoogst natuurlijke graagte te nuttigen. De man, die hem even te voren om een dronk gevraagd had, sloeg hem met een wangunstig oog gade, en beiden beantwoordden slechts vluchtig den groet, dien Rosio hun bij het binnentreden had toegeworpen.
"Welnu!" hervatte de man, toen Rosio gezeten en Barbara teruggekomen was: "Welnu kameraad! wat dunkt u van den slok brandewijn? 't Zal uwe gezondheid zijn. Ik ben maar een arme duivel, een ellendige platzak, en gij kunt het zeker wel missen, want naar het schijnt hebt gij nog al kostbare zaken in uw bezit."
"Ik heb ternauwernood genoeg om morgen de waardin te betalen," antwoordde de jonge reiziger.
"Dan zal ze dat vrachtje wel in betaling willen nemen," bromde de man, en sloeg een begeerigen blik naar het bedoelde kistje.
De tegenwoordigheid der beide mannen beviel Rosio niet, en hoewel het te vermoeden was dat de jonkman spoedig zijn nachtleger zou opzoeken, zoo vreesde hij toch, dat de ander met zijn ongeleschten dorst nog lang hunkerend naar een dronk zou blijven uitzien. Hij wenkte daarom de waardin: fluisterde haar iets in het oor, en deze zeide daarop tot haar eersten gast:
"Welnu, Aaij (Arie), deze heer kan niet zien dat iemand dorst lijdt; hij zal u een glas brandewijn geven, onder beding, dat gij zijnedele niet meer lastig valt, maar spoedig naar bed zult gaan, want het is hem onmogelijk in uw tabakswalm te blijven zitten. Uw mond is, bij mijne ziel! ook niets anders dan een eeuwig rookende schoorsteen."
"Tap op dan, oude tooverkol!" zeide Aaij, zeer tevreden met de aanbieding der waardin, en nadat hij zich nog eenmaal in een zwarte rookwolk had gehuld, stak hij het dikke aarden pijpje in een pijpendoosje en vervolgens in den zak van zijn wambuis.
De jonge vreemdeling had inmiddels, na zijn maal geëindigd te hebben, het houten kistje geopend, en beschouwde door een nauwe opening van het deksel, den inhoud met een paar oogen, als waarmee de vrek zijn stapels goud schijnt te verslinden. Rosio kon, schuins achter hem gezeten, den inhoud gedeeltelijk ontwaren; doch Aaij,die tegen het deksel zag, had gaarne zijn slok gegeven als hij mede eens even dien kostbaren schat had mogen beschouwen.
"Dat schijnt een zeer fraai kunststuk te zijn," ving Rosio aan, die, zijne plaats verlaten hebbende, achter den jonkman had post gevat. Deze, niet vermoedende dat men hem gadesloeg, zag verschrikt om, en den man met den ronden hoed achter zich bemerkende, riep hij met vonkelende oogen: "Schoon! Schoon! O! niemand dan ik alleen doorgrond de schoonheid van dit stuk, het is meer dan een aardsch wezen, het is een engel! Zie," vervolgde hij, en lichtte het deksel wat hooger op: "zie, hebt gij op aarde ooit zulk een wezen aanschouwd? Nooit, nietwaar? O neen! dat is het goddelijk vermogen der kunst, de kracht der verbeelding! Hebt gij ooit zooveel schoonheid, zooveel lieftalligheid en hemelsche reinheid tevens, in één menschelijk wezen vereenigd aangetroffen?"
Rosio, die het schilderstuk, dat een madonna met het kind voorstelde, nauwkeurig beschouwde, meende echter voor zichzelven die trekken te herkennen, en antwoordde op de ontboezeming des jonkmans:
"Voorzeker moet ik bekennen dat het wezen der Heilige Maagd zeer schoon en bevallig mag genoemd worden, doch bovenaardsch is het niet, ik, ten minste, meen mij deze trekken zeer duidelijk te herinneren."
"Gij meent," hernam de vreemdeling met een sombere melancholieke stem: "Ik meende ook, doch helaas! het was een droom, niets dan een droom! Gij bedriegt u, het is een ideaal, eene fantasie, het uitvloeisel eener opgewonden verbeelding. Nooit heeft de groote Raphaël voorheen zulk een oogenblik gehad." De jonkman beschouwde nogmaals het bekoorlijke beeld, en deed toen het deksel van het kistje behoedzaam weder dicht.
--Een Raphaël d'Urbino! dacht Rosio. "Voorzeker," zeide hij overluid: "deze Madonna moet dan wel zeer kostbaar zijn; die stukken hebben, naar ik vermeen, een groote waarde?"'
"Met geen schatten ware mij dit te betalen!" hernam de vreemdeling: "eer zal ik van ellende en gebrek omkomen, dan deze beeltenis, tot welken prijs ook afstaan."
Spoedig na dit gesprek gaf de jonge vreemdeling te kennen dat hij zijne slaapplaats wenschte op te zoeken; de waardin draalde niet aan zijn verlangen te voldoen, maar opende de deur van het opkamertje, en wenschte den edelen heer een goeden nacht.
Aaij was bij het laatst gesprokene een aandachtig toehoorder geweest, en toen hij den vreemdeling zijn slaapvertrek zag binnentreden, nam hij het edelaardig besluit, om den zwakken reiziger zijn verderen tocht te verlichten, door hem van dat kostbare vrachtje te ontlasten.
Ook hij begaf zich weldra naar zijn slaapplaats. Vrouw Barbara wees hem daartoe den kleinen zolder aan, die slechts met een verganen plankenvloer van de gelagkamer gescheiden was. Toen de waardin zich verwijderd, en Aaij de lamp had uitgeblazen, ontwaardde de laatste een breede spleet in den vloer, waardoor hij alles kon zien wat er beneden hem voorviel, en zag nu al spoedig zeer duidelijk dat de man met den bruinen mantel in een geheimzinnig onderhoud met de waardin was getreden.
"Neen! Neen mijnheer!" hoorde Aaij de vrouw zeggen: "ik dankte voor dertien jaren de Heilige Maagd dat ik dat postje kon overdoen, ik heb toen zes jaren achtereen reeds angst genoeg uitgestaan, en het heeft mij in dien tijd menigen droppel zweet gekost, maar nu... Ik heb er het mijne van!"
"Gij zijt een zot wijf, Barbara!" antwoordde Rosio zeer zacht: "Wie is er beter voor berekend dan gij? Werd u die angst niet ruimschoots betaald, en kunt gij niet op een nog ruimere belooning rekenen, wanneer gij thans uw vroegere voogdijschap herneemt?"
"Ja wat die belooning aangaat," bromde de waardin: "die was, bij mijne ziel! karig genoeg. Wat zeggen die weinige kronen! Het grootste gedeelte heb ik aan aflaten verknoeid om der ziele wil; maar nu, om mij nogmaals te verbinden! neen, zie, daar kan ik tot mijn leedwezen niet toe overgaan."
"Gij vergeet, Barbara," hernam Rosio: "dat gij u een goeden ouden dag bezorgt. Op de Blankert hebt gij alles wat uw hart kan begeeren, terwijl hier...."
"Ik ben aan de Roemer gehecht," viel de waardin hem in de rede: "Ik ben hier geboren, en wil ook, dat mijn zondige ziel van hier zal verhuizen."
"En zoo u dan eens in 't vervolg de jaarlijksche toelage ontnomen werd?" hervatte Rosio: "Zoo de gravin u eens zonder ondersteuning liet? Geloof vrij, Barbara, gij zoudt weldra in uw bijna altijd ledigen Roemer van gebrek en ellende moeten omkomen."
"Omkomen? omkomen?" riep de waardin met een vrij sterke stem: "Ja, dat geloof ik, maar dan," en zij grinnikte kwaadaardig: "dan, bij mijn zondige ziel! zou de duivel u vooraf aan het rad of aan de galg gebracht hebben. Neen, brave heer Rosio," ging zij zachter voort: "daarvoor is Barbara te oud en verstandig geworden. Uw geheugen schijnt u ontrouw te zijn, want dáár," en zij wees op de geel geverfde kast: "dáár zijn de stukken die tegen U zouden kunnen getuigen. Als ik hier van gebrek omkom, zal úw lichaam reeds tusschen lucht en aarde gedwarreld hebben, en mogelijk zou dit voor mijn zondige ziel in het loutervuur van een groote waarde zijn."
"Bedaar! bedaar!" zeide Rosio op vriendelijker toon: "Welk een zotte taal voert gij nu! Gij spreekt als ware u reeds het grootste onrecht geschied. Zoo gij zelve niet wilt, welnu, de gravin Van Bergen zal uwe diensten daarom niet vergeten. Geef ons slechts goeden raad. Zend ons een vertrouwd persoon; gij hebt toch wel kennissen van dat soort; en wat die papieren aanbelangt...."
Hier kon Aaij niet verder onderscheiden wat er gesproken werd, doch steeds met zijn oog door de reet van den vloer glurende, zag hij Rosio kort daarop zijn afscheid nemen, en hoorde hij weder eenige oogenblikken later het hinniken van een paard, hetwelk den rentmeester naar het kasteel de Blankert terugvoerde.
Hoewel het gevoerde gesprek voor Aaij weinig belangrijks had opgeleverd, zoo was toch zijne nieuwsgierigheid opgewekt, en gevoelde hij een sterke neiging, om de stukken te bezichtigen, die, volgens Barbara's woorden, zoo krachtig tegen dien heer konden getuigen.
Weldra werd het geheel stil in de kleine woning; de waardin had zich ter rust begeven, en niets liet zich hooren dan het afwisselend geblaf van eenige honden, die elkander van de naburige pachthoeven toespraken. Behoedzaam trok Aaij nu zijn dikke lederen schoenen uit, en sloop, met nauwelijks hoorbaren tred, de steile zoldertrap af. Spoedig bevond hij zich in de gelagkamer, en zag bij het schijnsel der maan, dat door de luikgaten naar binnen drong, de aangeduide kast, waarin zich die belangrijke stukken moesten bevinden. De behendigheid, waarmede Aaij, met behulp van een ijzeren haakje, het slot deed openspringen, bewees genoegzaam, dat hij dit handwerk niet voor de eerste maal verrichtte.
De inhoud van het ontsloten meubel leverde echter, buiten hetgeen hij er voornamelijk ging zoeken, weinig belangrijks op. Een zilveren Christusbeeldje met wijwatersbakje van hetzelfde metaal, keurde hij het meest zijner aandacht waardig, en deed beide derhalve in zijn zak verdwijnen; de breekbare voorwerpen, waarmede de kast verder voor het grootste gedeelte was opgevuld, hadden voor hem weinig waarde en zouden ook moeielijk te vervoeren zijn. Zijne nasporingen bepaalden zich dus alleen tot de genoemde papieren. Het slot eener kleine lade week eveneens spoedig voor de macht zijner kunstbewerking. De inhoud van deze lade was meer naar zijn zin. Eenige goudstukken, door de spaarzame waardin bijeengegaard blonken hem vriendelijk tegen, en zonder bedenking deed hij die insgelijks naar zijn zak verhuizen. Zoo voortsnuffelende, ontdekte de sluwe dief nog een kleinere verborgene lade, en toen hij deze geopend had, vond hij tot zijne blijdschap eene rol papieren, die zonder eenigen twijfel de bedoelde bewijzen zouden bevatten.
Dat is één! zeide Aaij bij zich zelven, toen hij een en ander zorgvuldig bij zich had gestoken en de kast weder in het slot deed springen: Nu den anderen schat! en even behoedzaam ging hij de vier aan het kelderluik bevestigde trappen op, en trad met ingehouden adem het slaapvertrek des jongen vreemdelings binnen.
Een diepe slaap had zich van dezen meester gemaakt. Het houten kistje, dat Aaij tevergeefs op stoel en tafel zocht, ontwaarde hij eindelijk in de bedstee des jonkmans. Voorzeker had deze, toen hij zich ter ruste had nedergelegd, het in zijn arm gehouden, doch, ingeslapen zijnde, het weder losgelaten.
Met een ongeloofelijke voorzichtigheid maakte de nachtelijke dief zich van het kistje meester; opende het; nam het schilderstuk er uit, en legde toen het ledige voorwerp, ofschoon goed gesloten, weder even voorzichtig op den arm des slapenden neder.--Nauwelijks had hij echter den stoutmoedigen diefstal gepleegd, of de vrees bekroop hem, dat de vreemdeling zou ontwaken. Deze toch maakte een lichte beweging; greep met beide handen naar het ledige omhulsel van zijn dierbaren schat, en lispelde zacht, als zong hij een klaaglied:
"Haar afscheid was een zoet vaarwel, Zij drukte mij de hand en snel Was zij van mij gegaan."
--Droom genoeglijk voort, dacht Aaij, wiens vrees van ontdekt te zullen worden, door het weer rustig nederliggen des jonkmans geheel was geweken: Droom genoeglijk voort, en de hemel beware mij, dat die kostbare juffrouw ooit weder in uwe handen zal komen. Wel voldaan over den goeden uitslag van zijn nachtelijke huiszoeking, kwam Aaij op zijn zolderkamertje terug, en daar hij er geenszins op gesteld was de ontwaking der waardin af te wachten, stiet hij het zoldervenster open, sprong, met zijn buit beladen, naar beneden, en kwam, zonder eenig letsel, in het mulle duinzand neder.
De zon stond reeds vrij hoog aan den hemel, toen de jonge vreemdeling--wien onze Lezer reeds lang zal herkend hebben--uit zijn vasten slaap verkwikt ontwaakte.
Vrouw Barbara, die weinig vermoedde welk een jammerlijke ontdekking haar te wachten stond, was reeds eenige uren met huiselijken arbeid bezig geweest, en had zich juist verwonderd dat haar beide gasten zoolang sliepen, toen de vreemdeling haar uit zijn slaapvertrek te gemoet trad; zijn rekening met haar vereffende, en--steeds met zijn goed gesloten kistje onder den arm--al spoedig ook de Roemer verliet.
De dag was zeer drukkend; geen windje bewoog de bladeren, geen tochtje verfrischte het met zweet en stof overdekte gelaat van den jongen kunstschilder. Evenwel stapte hij onvermoeid voort. In zijn rampzaligen toestand was het zijn eenige streven om toch zoo spoedig mogelijk Den Haag te bereiken, ten einde er aanstonds aangifte van het gebeurde te doen. Reeds was hij tot aan de laan van het Nieuwe Oost-Einde, op omstreeks een kwartier afstands van Den Haag gekomen, toen hij uit zijn droeve mijmering werd opgewekt, door het zien van een dikke stofwolk die zich in de verte vertoonde. Een fraai rijtuig met twee paarden bespannen, naderde al meer en meer. Een postiljon reed voorop, en in den wagen zelf was een edelman van reeds meer dan middelbaren leeftijd gezeten, die aan zijn linkerzijde eene schoone jonge dame had.
"Welnu," zeide de edelman, die niemand anders dan de graaf Van Bergen was: "Welnu Gonne! dit toertje moet u wel bevallen. Gij geniet, dunkt mij, zoo, op een gemakkelijke en aangename wijze de buitenlucht."
"Voorzeker lieve vader!" was Adelgondes antwoord: "Eene wandeling zou te vermoeiend zijn."
"Vooral bij zulk drukkend weer," hernam Van Bergen: "het is waarlijk zoo warm alsof wij reeds in de hondsdagen waren.--Zie dien armen wandelaar dáár," vervolgde hij, Adelgonde op den zooeven door ons verlaten jonkman wijzende: "Zie eens, de zweetdroppels parelen hem op het gelaat. De arme drommel neemt ons wel nauwkeurig in oogenschouw."
"Zijn doordringende blik jaagt mij bijkans vrees aan," zeide Adelgonde, en richtte hare oogen naar de andere zijde van den weg. Doch nauwelijks had zij opgehouden den reiziger aan te zien, of een kreet van: "Houdt op! Houdt op!" trof hare oogen.
"Mijn ideaal! mijn droom! houdt op!" riep de jonkman nogmaals, en hield de armen naar het rijtuig uitgestrekt. Doch de postiljon, onmeedoogend, en niet geneigd aan de bede van den landlooper gehoor te geven, deed zijne zweep door de lucht klinken; de kloeke paarden renden rapper dan te voren, en weldra verdween het rijtuig weder in een dikke stofwolk.
TWAALFDE HOOFDSTUK.
De wapenschorsing, door de Staten met Spanje gesloten, was met het begin van Bloeimaand ten einde geloopen, en de Vereenigde Gewesten begonnen nu hoe langer hoe duidelijker in te zien dat de Spaansche gezanten bedekt spel speelden. Voor het grootste gedeelte verdroot het den gemachtigden van onze zijde derhalve, langer over een vrede te onderhandelen, welke zij wel begrepen dat nimmer tot stand zou komen.
Vooral op het punt van godsdienst--die voorname oorzaak van den Spaanschen krijg--vermoedden zij dat de Spanjaard hun eischen zou doen en wetten zou willen voorschrijven, waarin zij van hunne zijde nooit zouden kunnen treden, en geenszins was het dus te verwonderen dat velen verlangden de onderhandeling met Spanje zoo spoedig mogelijk af te breken. Prins Maurits vooral noemde het eene dwaasheid de wapenschorsing voor langeren tijd te verlengen dan hoog noodzakelijk zou zijn. De provinciën Friesland, Utrecht en Zeeland deelden in zijn gevoelen, en stelden voor, het bestand slechts tot het einde van Hooimaand te verlengen. Oldenbarneveld echter hield een vrede geenszins voor onmogelijk, en deed derhalve wat hij kon om de schorsing tot het einde des jaars te rekken. De overige provinciën vielen hem bij, en de overredende taal van den schranderen advocaat, deed hem eindelijk, hoewel met groote moeite, zijn wensch verkrijgen. De wapenstilstand werd tot het einde des jaars verlengd, onder beding echter, dat de onderhandelingen volstrekt niet langer dan uiterlijk tot den laatsten van Herfstmaand mochten worden voortgezet.
Alonzo Spinola kon zich zelven de vraag niet beantwoorden, of de verlenging van het verblijf des gezantschaps in Holland, voor zijn bijzondere belangen al dan niet wenschelijk was.
In deze oogenblikken gevoelde hij zich als een reiziger, die de plaats zijner bestemming zoekt te bereiken, en onverhoeds op zijn weg een breeden stroom ontwaart. Zal hij terugkeeren en den wensch opgeven het schoone land te betreden waar geluk en voorspoed hem verbeiden? of zal hij zich zonder aarzeling in dien stroom werpen, zijne wellicht te zwakke krachten aanwenden, en moedig met het element en zijne gevaren kampen? Hij stond besluiteloos, en evenals de reiziger, staarde hij met weemoed op den breeden hinderpaal, die zich tegen zijn geluk kantte.