De legende en de heldhaftige, vroolijke en roemrijke daden van Uilenspiegel en Lamme Goedzak in Vlaanderenland en elders

Part 7

Chapter 7 3,995 words Public domain Markdown

Katelijne werd terug naar 't gevang gebracht. Drie dagen nadien kwamen de schepenen in de Vierschaar bijeen en, na rijpe beraadslaging, werd Katelijne veroordeeld tot de straffe des vuurs.

De beul en zijne knechten brachten heur naar de Groote Markt van Damme, alwaar een schavot opgericht was, hetwelk zij beklom. Op de Markt stonden de provoost, de heraut en de rechters.

Driemaal klonken de bazuinen van den stadsheraut en deze sprak tot het volk:

--De magistraat van Damme, medelijden gekregen hebbende met vrouwe Katelijne, heeft haar niet willen straffen volgens al de strengheid van de wet van de stede, maar tot teeken dat zij tooveres is, zal heur haar verbrand worden; verder zal zij twintig gouden karolussen boete betalen en voor drie jaar gebannen worden uit de stede van Damme, op verbeurte van een lid.

En het volk juichte die barbaarsche goedertierenheid toe.

De beul bond Katelijne toen aan eenen paal, legde op heur geschoren hoofd eene pruik van werk en stak die in brand. En het werk brandde lang, en Katelijne schreeuwde en huilde van pijn.

Eindelijk werd zij losgemaakt; zij werd op eene kar buiten het grondgebied van Damme gebracht, want heure voeten waren verbrand.

XXXIX.

Terwijl Uilenspiegel te 's-Hertogenbosch in Brabant was, wilden de heeren van de stad hem tot hunnen nar benoemen, maar die weerdigheid weigerde hij, zeggende: "Reizende pelgrims mogen zich nergens vestigen; hun verblijf is de groote baan."

Rond dien tijd kwam Philippus, die koning van Engeland was, zijne toekomstige erfstaten Vlaanderen, Brabant, Henegouwen, Holland en Zeeland bezoeken. Hij was in zijn negen en twintigste jaar; in zijne grijze oogen las men bittere droefgeestigheid, woeste geveinsdheid en wreedaardige vastberadenheid. Koud was zijn aangezicht, stijf zijn hoofd met vaalrood haar, alsmede zijn mager lichaam en zijne schrale beenen. Langzaam en slijmerig sprak hij, alsof hij wolle in den mond had.

Te midden van tornooien, steekspelen en feesten, bezocht hij achtereenvolgens het vroolijke hertogdom Brabant, het rijke graafschap Vlaanderen en zijne andere heerlijkheden. Overal beloofde hij onder eede de privileges te zullen eerbiedigen; maar toen hij te Brussel op 't Evangelie zwoer de Brabantsche gouden bul te zullen in stand houden, trok zijne hand zoodanig te zamen, dat men hem het heilige boek moest afnemen.

Hij ging naar Antwerpen, waar men drie en twintig zegebogen oprichtte om hem te ontvangen. De stad gaf tweehonderd zeven en tachtig duizend gulden uit om die bogen te betalen, alsmede voor de kleedij van achttien honderd negen en zeventig kooplieden, allen in karmozijnpanne, en voor de rijke livrei van vierhonderd zestien lakeien en den schitterenden zijden dos van vier duizend poorters, allen eender gekleed. Menigvuldige feesten werden gegeven door de rederijkerskamers van bijna al de steden der Nederlanden.

Daar werden gezien met hunne narren: de Prins van Liefde, van Doornijk, rijdende op eene zeuge, die Astarte hiet; de Koning der Zotten, van Rijsel, die een peerd bestierde bij den steert en achter hetzelve ging; de Prins van Genuchte, van Valencijn, die zich vermaakte met de veesten van zijnen ezel te tellen; de Abt van Vroolijkheid, van Atrecht, die zijn Brusselschen wijn dronk uit eene flesch, in de gedaante van een getijdenboek, en het boek lustig om lezen vond; de Abt der Gevulde Buiken van Ath, die gescheurde kleederen en versleten schoenen aanhad, maar eene worst droeg, met dewelke hij zijn buiksken vulde; de Proost van Onbezonnenheid, jonge knaap, die op een schuwe geit zat en aldus door het volk reed, ten gevolge waarvan hij slagen en stompen in groote menigte ontving; de Abt van den Zilveren Schotel, van de stad Le Quesnoy die, te peerd, gebaarde zich neder te zetten in eenen schotel, zeggende: hoe groot een beest ook weze, het toch kan gebraden worden.

En zij vertoonden allerhande onschuldige gekheden, maar de vorst bleef somber en stuursch.

's Avonds nog kwamen de markgraaf van Antwerpen, de burgemeesteren, hoofdmannen en dekenen bijeen om toch iets te vinden, dat Philippus zou doen lachen.

De markgraaf sprak:

--Hebt gij nooit hooren spreken van zeker Pierken Jacobsen, den nar van 's-Hertogenbosch, die bekend is voor zijn aardige streken?

--Ja, spraken zij.

--Hewel, zei de markgraaf, laat ons hem ter stede ontbieden, en dat hij iets aardigs vertoone, vermits onze nar lood in zijn schoenen heeft.

--Laat ons hem ontbieden! spraken zij.

Toen de bode van Antwerpen naar 's-Hertogenbosch kwam, zegde men hem, dat de nar Pierken gebersten was van 't lachen; maar dat er voor eenigen tijd een andere nar in de stad was, met name Uilenspiegel.

De bode ging hem zoeken in eene taveerne, waar hij gestoofde mosselen aan 't eten was.

Uilenspiegel was verrukt toen hij vernam, dat het voor hem was, dat de schepenbode van Antwerpen kwam, op een schoon peerd van het Veurne-Ambacht en een ander peerd bij den toom houdend.

Zonder af te stijgen, vroeg de bode hem of hij geen nieuwe poetsen kende om koning Philippus te doen lachen.

--Onder mijn haar liggen poetsen met de macht, antwoordde Uilenspiegel.

En zij reden weg. De twee peerden liepen spoorslags tot Antwerpen, met den bode en met Uilenspiegel.

Uilenspiegel verscheen vóór den markgraaf, de beide burgemeesters en de poorters van Antwerpen.

--Wat schikt gij te doen? vroeg de markgraaf hem.

--In de lucht vliegen, antwoordde Uilenspiegel.

--Hoe gaat gij dat aanleggen? vroeg de markgraaf.

--Weet gij wat nog minder weerd is dan eene blaas die berst?

--Neen, sprak de markgraaf.

--'t Is een geheim dat men uitbrengt, was 't antwoord van Uilenspiegel.

De feestherauten reden op hunne schoone peerden met karmozijnpanne getoomd, door de straten, markten en pleinen van de stad met slaande trom en schallenden hoorn. Op die wijze maakten zij bekend aan de signoorkens en signorinnekens, dat Uilenspiegel, de nar van Damme, op de kaai in de lucht zou vliegen, in de aanwezigheid van koning Philippus en zijn eerweerdig, doorluchtig en adelijk gezelschap.

Rechtover de estrade des konings stond een huis op Italiaansche wijze gebouwd, onder welks dak eene regengoot liep. En op die goot kwam een zoldervenster uit.

Dien dag reed Uilenspiegel door de stad op een ezel. Een voetknecht ging nevens hem. Uilenspiegel had het schoon karmozijnzijden kleed aangetrokken, hetwelk de heeren van de stad hem gegeven hadden. Tot hoofddeksel droeg hij eene kap, mede van karmozijnzijde, waaraan twee ezelsooren met een belleken aan. Hij droeg een halssnoer van koperen penningen, waarop het schild van Antwerpen prijkte. Aan de mouwen van zijn kleed zag men aan een puntigen elleboog een paar vergulde bellekens. Ook droeg hij puntleersjes, met een belleken aan elken top.

Zijn ezel, getoomd met karmozijnzijde, droeg op elke bil het schild van Antwerpen, met fijn goud geborduurd.

De knecht hield met de eene hand den ezel bij den kop en met de andere eenen tak, aan denwelken een koebelletje klingelde.

Uilenspiegel liet zijn knecht en zijn ezel op straat en klom in de dakgoot.

Daar deed hij de bellekens klinken en strekte de armen wijd open, alsof hij vliegen ging. Dan bukte hij zich naar koning Philippus, zeggende:

--Ik dacht, dat niemand dan ik in Antwerpen zot was, maar ik zie, dat de stad vol gekken is. Hadt gij mij gezegd dat gij vliegen zoudt, dan had ik u niet geloofd; maar een zot komt u zeggen dat hij het zal doen, en gij gelooft hem! Hoe wilt gij dat ik vliege, daar ik geene vleugelen heb?

De eenen lachten, de anderen vloekten, maar allen zegden:

--'t Is toch de waarheid.

Maar koning Philippus bleef stijf als een koning van steen.

En die van de gemeente fluisterden tot elkaar:

--'t Was de moeite niet, al die vermakelijkheden in te richten voor zulk een zuur gezicht.

En zij gaven drie gulden aan Uilenspiegel die heenging, nadat hij hun het karmozijnzijden kleed had teruggegeven.

--Wat zijn drie gulden in de tassche van een jonkman anders dan een sneeuwbal vóór 't vuur, dan een volle flesch vóór uw aanschijn, drinkebroers? Drie gulden! De bladeren vallen van de boomen, doch er schieten nieuwe op hunne plaats; maar de guldens gaan uit de zakken en keeren er nimmermeer in; de vlinders verdwijnen met den zomer, en de guldens ook, hoewel zij meer dan twee esterlings wegen.

Dus sprekende, staarde Uilenspiegel naar zijne drie gulden.

--Welk fier gezicht, murmelde hij, heeft, op de zijde van den beeldenaar, die gehelmde, geharnaste keizer Karel, met een zweerd in eene hand en den aardbol in de andere! Door de genade Gods is hij Roomsch keizer, koning van Spanje enz., en hij is wel genadig voor ons, de geharnaste keizer! En hier op de keerzijde, hebt ge een schild, op hetwelk de wapenen van zijne verschillende graafschappen, hertogdommen en heerlijkheden prijken, met die schoone spreuke: Da mihi virtutem contra hostes tuos: "Geef mij dapperheid tegen uwe vijanden". Hij was dapper, inderdaad, tegen de protestanten, die have en goed hadden, om van dezelven te erven. Ha! was ik keizer Karel, ik liet guldens voor een iegelijk slaan; zoo iedereen rijk was, zou niemand meer hoeven te werken.

Maar Uilenspiegel had niet lang genoegen in 't bezien van zijn geld: weldra verzwond het in 't gerinkel van bottels en pinten.

XL.

Terwijl Uilenspiegel zich in karmozijnzijde op de dakgoot vertoonde, had hij Nele niet gezien, die hem, onder de menigte, glimlachend toekeek. Zij woonde te Borgerhout, omtrent Antwerpen, en zij had gedacht, dat, als een nar voor koning Philippus moest vliegen, het niemand anders kon zijn dan haar Uilenspiegel.

Terwijl hij droomend heenging, hoorde hij niet 't gerucht van haastige stappen achter zich, doch hij voelde de twee handjes wel, die langs achteren vóór zijne oogen werden gebracht. Aan Nele denkend, vroeg hij:

--Zijt gij het?

--Ja, sprak zij, ik loop achter u sedert dat gij uit de stad zijt. Kom mede met mij.

--Maar, antwoordde hij, waar is Katelijne?

--Gij weet niet, sprak zij, dat zij onrechtveerdig als tooveres gefolterd werd, vervolgens voor drie jaar uit Damme gebannen, en men haar pijnigde en brandde. Ik zeg u dit, opdat gij niet zoudt verschieten, want zij is uitzinnig ten gevolge van de hevige smerten. Gansche nachten soms beziet ze heure voeten, zeggende: Hansken, mijn zoete duivel, zie eens wat zij gedaan hebben met uwe vriendinne. En heur arme voeten gelijken twee bloedige wonden. Dan weent zij, zeggende: Andere vrouwen hebben een man of een minnaar, ik, ik leef op deze wereld als een weduwe. Maar dan zeg ik tot haar, dat haar Hansken boos zal wezen, als zij van hem tot anderen durft spreken. En zij luistert naar mij gedwee als een kind, behalve wanneer zij een os of eene koe, oorzake harer foltering, ziet; dan neemt zij ijlings de vlucht, zonder dat iets, barreelen of beken of grachten, haren loop kunne stuiten, totdat zij eindelijk nederzijgt aan den zoom van een weg of tegen den muur van eene hoeve, waar ik haar ga oprapen om heure bloedende voeten te verbinden. En ik geloof, dat zij met het brandende werk, ook heure hersenen verbrand hebben.

En beiden waren zeer bedroefd, terwijl zij dachten aan Katelijne.

Zij kwamen bij haar en zagen heur op eene bank in de zonne zitten, tegen den muur van heur huis. Uilenspiegel vroeg:

--Herkent gij mij?

Viermaal drie, sprak zij, is een heilig getal, en de dertiende is Thereb. Wie zijt gij, kind dezer booze wereld?

--Ik ben Uilenspiegel, antwoordde hij, de zoon van Klaas en van Soetkin.

Zij knikte tot teeken dat zij hem herkende; vervolgens wenkte zij hem om nader te komen en fluisterde hem in 't oor:

--Als gij hem ziet, wiens kussen koud als de sneeuw zijn, zeg hem dan te komen, Uilenspiegel.

Vervolgens heur verbrand haar toonende, sprak zij:

--Ik heb zeer; zij hebben mij mijnen geest afgenomen, maar als hij komt zal hij mijn hoofd vullen, dat nu hol is van binnen. Hoort gij? het klinkt als een klokke; 't is mijne ziel, die aan de deur klopt om henen te gaan, daar het brandt in de helle. Als Hansken komt en hij mijn hoofd niet wil vullen, zal ik hem zeggen er een gat in te snijden: de ziel, die daar binnen is en klopt om buiten te komen, bedrukt mij zoo deerlijk, dat ik het besterven zal. En nimmer slaap ik meer, steeds wacht ik op hem, dat hij mij mijn geest teruggeve.

En nederzijgend, zuchtte zij diep.

En de boeren, die van het veld kwamen op etenstijd, als de klokken luiden, gingen voorbij Katelijne en spraken:

--Daar is de zottinne.

En zij maakten het teeken des kruises.

En Nele en Uilenspiegel weenden, en Uilenspiegel moest zijne bedevaart voortzetten.

XLI.

Zijn beeweg vervolgend, trad hij in dienst bij zekeren Judocus, de kwabakker geheeten, om den wille van zijne zure en norsche tronie. De kwabakker gaf hem voor eten drie oudbakken brooden per week en deed hem slapen in een kot onder het dak, waar het regende en waaide dat het een pleizier was.

Als Uilenspiegel zag, dat hij zoo slecht behandeld werd, bakte hij zijnen baas verscheidene poetsen en onder andere deze: als men 's morgens heel vroeg bakt, moet men 's nachts het meel builen. Nu op een nacht dat de mane scheen, vroeg Uilenspiegel een keers om te zien, en hij kreeg van zijn meester het volgende antwoord:

--Buil het meel in den maneschijn.

Uilenspiegel gehoorzaamde, en builde het meel op den grond, daar waar de maan scheen.

Als de kwabakker 's morgens kwam zien naar Uilenspiegel's werk, vond hij hem nog aan 't builen.

--Kost het meel dan geen geld meer, sprak hij, dat gij het nu op den grond built?

--Ik heb het meel in den maneschijn gebuild, gelijk gij mij geheeten hebt, antwoordde Uilenspiegel.

De bakker antwoordde:

--Ezel, die ge zijt: 't was door eene zeef dat gij het moest doen.

--Ik meende, dat de maan eene zeef van uwe vinding was, antwoordde Uilenspiegel. Maar er zal niet veel verloren gaan, ik zal het meel opscheppen.

--'t Is nu te laat, antwoordde de bakker, om deeg te maken en te bakken.

Uilenspiegel sprak:

--Baas, het deeg van onzen buurman is gereed in den trog, wil ik het gaan nemen?

--Loop naar de galg, antwoordde de kwabakker, neem wat er te vinden is.

--Ik ga, baas, antwoordde Uilenspiegel.

Hij liep naar het galgeveld en vond er de verdroogde hand van een dief. Hij bracht ze aan den kwabakker en sprak:

Dit is eene gelukshand, die onzichtbaar maakt, wie ze draagt. Wilt gij uwe slechte inborst verbergen?

--Ik zal u zwart maken bij het gerecht, antwoordde de kwabakker, en gij zult zien dat gij het heerenrecht hebt overtreden.

Toen zij getweeën vóór den burgemeester stonden, wilde de kwabakker al de misdaden van Uilenspiegel opsommen, maar deze zette groote oogen op en maakte den kwabakker zoo grammoedig, dat hij zijne aanklacht onderbrak om te vragen:

--Wel, wat is er?

Uilenspiegel antwoordde:

--Gij hebt mij gezegd, dat gij mij zoodanig zwart gingt maken, dat ik zou zien. Wel, ik zie niemendal....

--Uit mijne oogen! riep de bakker.

--Was ik in uw oogen, antwoordde Uilenspiegel, dan zou ik, als gij ze toedeedt, er langs de neusgaten moeten uitkruipen.

De burgemeester dacht dat men hem voor den aap hield en wilde hen niet langer aanhooren.

Uilenspiegel en de kwabakker kwamen samen buiten, de bakker hief zijn stok op, doch Uilenspiegel sprong ter zijde en sprak:

--Baas, daar het met slagen is dat men mijn meel built, neem gij de zemelen: dat is uwe norschheid; ik houd de bloem: dat is mijne vroolijkheid.

En zich omkeerende, zei hij: Als ge bakken wilt--hier is de oven.

XLII.

De reizende Uilenspiegel ware geerne struikroover geworden, maar hij zei tot zich zelven, dat hij met struiken niets verrichten kon.

Hij stapte op goed valle 't uit naar Oudenaarde, waar toen een garnizoen Vlaamsche ruiters lag, om de stad te verdedigen tegen de Fransche benden, die het land verwoestten lijk sprinkhanen.

De hoofdman van de ruiters was een Fries, een zekere Kornjuin. Zij ook liepen het platteland af en knevelden het volk, dat aldus, als naar gewoonte, langs twee kanten tegelijk opgegeten werd.

Alles was hun deeg: kiekens en kapoenen, eenden en duiven, kalveren en verkens. Op een avond dat Kornjuin en zijne mannen met buit beladen terugkwamen, zagen zij aan den voet van een boom Uilenspiegel liggen, die sliep en zeker van stoverije droomde.

--Wat doet gij om te leven? vroeg Kornjuin.

--Sterven van honger, antwoordde Uilenspiegel.

--Wat is uw ambacht?

--Reizen voor mijne zonden, de anderen zien wroeten, op de koorde dansen, lieve gezichtjes schilderen, messenhechten snijden, op den rommelpot spelen en op de trompet blazen.

Als Uilenspiegel zoo stout zei, dat hij op de trompet kon blazen, was het omdat hij had hooren zeggen, dat, in het slot van Oudenaarde, de plaats open was van torenwachter, ten gevolge van den dood van den ouden man welke die bediening vervulde.

Kornjuin zei hem:

--Gij zult bazuinblazer van de stede wezen.

Uilenspiegel volgde hem en hij werd gebracht op een van de hoogste torens der vestingen, in een goed verlucht hokje, dat open was voor alle winden, behalve voor dien uit 't Zuiden.

Men zei hem, dat hij blazen moest als hij den vijand zag aankomen en, daarom steeds het hoofd vrij en de oogen helder moest houden, weshalve men hem niet te veel eten of drinken bracht.

De hoofdman en zijne huurlingen bleven in de toren en kermisten heel den dag ten koste van het platteland. Daar werd meer dan een kapoen, wiens eenige misdaad was vet te zijn, gedood en opgesmuld. Uilenspiegel, die altijd vergeten werd en zich tevreden moest houden met zijn mageren disch, vond in 't heel geen behagen in den reuk van de saus. De Franschen kwamen, namen het vee mee, doch Uilenspiegel blies het alarm niet.

Kornjuin kwam boven en vroeg:

--Waarom hebt gij niet geblazen?

Uilenspiegel sprak:

--Gij hadt kunnen denken, dat het als dank was voor mijn eten.

's Anderen daags bestelde de hoofdman een groot festijn voor zich en zijne huurlingen, maar Uilenspiegel werd nogmaals vergeten. Zij gingen zich deugd doen aan 't lekkere maal, toen Uilenspiegel alarm blies.

Kornjuin en zijne soldaten, meenende dat de Franschen daar waren, verlieten de tafel en sprongen te peerd. Zij reden in allerijl de stad uit, maar buiten vonden ze niets dan een os, die in de zonne herkauwde, en dien zij meenamen.

Middelerwijl had Uilenspiegel zich volgestopt met vleesch en met wijn. Toen de hoofdman terugkwam, zag hij hem lachend en met waggelende beenen staan aan de deur van de zaal van 't festijn. Hij sprak:

--'t Is verraderswerk van alarm te blazen als gij den vijand niet ziet, en van niet te blazen als ge hem wèl ziet.

--Mijnheer de hoofdman, antwoordde Uilenspiegel, ik heb geblazen om mij te verlichten, want in mijn toren was ik zoodanig opgeblazen van wind, dat ik vreesde te zullen wegvliegen. Laat mij maar ophangen, nu of een andere maal, zoo gij ezelsvel noodig hebt voor uwe trommelen.

De hoofdman ging henen en zei geen woord.

Maar Oudenaarde kreeg tijding, dat de genadige keizer Karel de stede zou komen bezoeken met een doorluchtig gezelschap. Bij die gelegenheid gaven de schepenen aan Uilenspiegel eenen bril, om Zijne Majesteit beter te zien aankomen. Uilenspiegel moest driemaal blazen, zoodra hij den keizer van Leupegem zag aankomen op een kwartier gaans van de Borgpoort.

Die van de stad zouden aldus den tijd hebben de klokken te luiden, het vuurwerk in gereedheid te brengen, het vleesch in den oven te zetten, de vaten aan te steken.

Zekeren dag, dat de wind uit Brabant woei en de hemel helder was, zag Uilenspiegel, rond den middag, een grooten troep ruiters op fiere peerden, op den weg die naar Leupegem leidt. Sommigen droegen banieren. Degene, die statig voorop reed, had een goudlakensche muts op met groote pluimen. Hij droeg een kleed van bruine panne, met bloemen geborduurd.

Uilenspiegel zette zijn bril op en zag dat het keizer Karel was, die hoogstgenadiglijk aan die van Oudenaarde kwam toestaan hem hunne beste wijnen en fijnste vleezen op te dienen.

Heel die troep kwam stapvoets af en snoof de frissche lucht op, die eetlust doet krijgen; maar Uilenspiegel zei tot zich zelven, dat die lieden de vette brokken gewoon waren en zij niet zouden sterven zoo zij eens over den pot sprongen, daar vasten gezond is. Hij zag ze dus komen, maar blies niet op de trompet.

Lachend en pratend kwamen zij nader, terwijl Zijne Heilige Majesteit het hoofd voorover boog, als om te zien of er in zijnen buik plaats genoeg was voor het festijn van die zijner goede stad Oudenaarde. Doch hij was verwonderd en ontevreden dat geenerlei klokke luidde, om zijne komst te kondschappen.

Ondertusschen kwam een boer de stad binnenloopen om te zeggen, dat hij in de omstreken een Franschen aanhang gezien had, die op Oudenaarde aanrukte, om alles te stelen en te rooven.

Op die rede sloot de poortwachter zijne poort en liet de andere poortwachters door een knaap der gemeente verwittigen. Maar de wacht kermiste zonder van iets te weten.

Zijne Majesteit kwam nader, zeer ontstemd, geen klokkengelui of kanongebulder te vernemen. Te vergeefs de ooren spitsend, hoorde hij niets dan de beiaard, die het half uur speelde. Hij kwam vóór de poort, vond die gesloten en sloeg er op met de vuisten om opengedaan te worden.

En de heeren van zijn gevolg, verstoord als Zijne Majesteit, gromden bittere woorden. De poortwachter, die omhoog op de vestingen stond, riep hun toe dat zij moesten stille zijn, of dat hij hun wat kogels zou zenden, hetwelk hun ongeduld eenigszins zou koelen.

Doch Zijne Majesteit, in woede ontstoken, riep:

--Blind verken, herkent gij uwen keizer niet?

De poortwachter antwoordde, dat de meest vergulde verkens niet altijd de kleinsten waren, dat hij overigens goed wist, dat de Franschen spotters van nature waren, en keizer Karel voor 't oogenblik oorloogde in Italië, en dus niet voor de poorten van Oudenaarde wezen kon.

Daarop schreeuwden de keizer en de heeren nog luider, zeggende:

--Als gij niet opendoet, laten wij U braden op eene lans. En eerst zult gij uwe sleutels inslikken.

Op het gerucht dat zij maakten, kwam een oudgediende uit de plaats waar 't geschut stond. Hij keek over den muur en sprak tot den poortwachter:

--Gij zijt mis, dat is onze keizer; ik herken hem goed, hoewel hij verouderd is sedert hij Maria Vander Gheynst van hier naar 't kasteel van Lalaing voerde.

De poortwachter viel stokkedood van schrik, de soldaat nam de sleutels en deed de poort open.

De keizer vroeg waarom men hem zoolang had laten wachten; als de soldaat hem het geval uitgelegd had, beval Zijne Majesteit de poort weder te sluiten en de ruiters van Kornjuin te doen komen. Hij deed ze vóór hem gaan, slaande op de tamboerijnen en spelend op de pijpen.

Weldra ontwaakten de klokken de eene na de andere en begonnen zij te bimbommelen. Aldus voorafgegaan, kwam Zijne Majesteit met keizerlijk lawaai op de Groote Markt. Burgemeesteren en schepenen waren op het stadhuis vergaderd; schepen Jan Guigelaer kwam met veel gedruisch de zaal binnen en riep:

--Keizer Karel is alhier! Keizer Karel is alhier!

Ten uiterst verschrikt bij het hooren van die tijding, liepen burgemeesteren, schepenen en raadsheeren buiten om, in korps, keizer Karel te begroeten, terwijl hunne knapen de stede rondliepen om het vuurwerk in gereedheid te brengen, de kapoenen op 't vuur te zetten en de tonnen aan te steken.

Mannen, vrouwlieden en kinderen riepen tot elkander:

--Keizer Karel is op de Groote Markt!

Weldra was het volk in groote menigte naar de Markt gestroomd.

Grammoedig vroeg de keizer aan de twee burgemeesteren, of zij niet verdienden gehangen te worden, om aldus te kort te komen aan den eerbied, den vorst verschuldigd.

De burgemeesteren antwoordden, dat zij zulks inderdaad verdienden, maar dat Uilenspiegel, de torenwachter, het meer verdiende, vermits hij, op de mare van 't bezoek van Zijne Majesteit, op den toren gezet werd met een goeden bril, met uitdrukkelijk bevel driemaal te blazen, zoodra hij den keizerlijken stoet in het gezicht kreeg. Maar hij had het niet gedaan.

De keizer, nog immer gram, deed Uilenspiegel komen.