De legende en de heldhaftige, vroolijke en roemrijke daden van Uilenspiegel en Lamme Goedzak in Vlaanderenland en elders

Part 6

Chapter 6 4,030 words Public domain Markdown

In dien tijd moesten kettermeesters en godgeleerden keizer Karel voor de tweede reis vermanen: dat de Kerke ten onder ging; dat haar gezag miskend werd; dat zoo hij menigvuldige zegepralen behaald had, hij dit verschuldigd was aan de gebeden der Katholieke Kerk, die de keizerlijke macht op haren troon in stand hield.

Een aartsbisschop van Spanje vroeg hem om zes duizend hoofden te laten afkappen en evenveel lichamen te laten verbranden, ten einde de kwaadaardige Luthersche ketterije in de Nederlanden uit te roeien. Zijne Heilige Majesteit oordeelde, dat dit niet voldoende was.

Overal waar de ontzette Uilenspiegel dan ook voorbij kwam, zag hij niets dan hoofden op palen, meisjes in zakken genaaid en levend in 't water gesmeten, mannen naakt op het rad gebonden en met ijzeren staven geslagen, vrouwen levend in eenen kuil gelegd, met aarde boven haar en den beul op haren boezem dansen om dien te verpletteren. Maar de biechtvaders van hen die zich vooraf bekeerd hadden, kregen telkenmale twaalf stuivers voor hunne moeite.

Te Leuven zag hij de beulen dertig Lutheranen tegelijk verbranden en den brandstapel met schietpoeder aansteken. Te Limburg zag hij een gansche familie, mannen en vrouwen, dochteren en zonen, ter strafplaatse leiden. Allen zongen psalmen. Alleen de oude vader schreeuwde, terwijl hij verbrandde.

En Uilenspiegel ging zijns weegs, met beklemd en toegenepen herte.

XXXV.

In het open veld gekomen schudde hij zich als een vogeltje, als een hond die den band ontloopen is, en zijn herte was verkwikt bij het aanschouwen van de boomen, van de beemden, van de heldere zonne.

Als hij drie dagen lang gegaan had, kwam hij omtrent Brussel, in de machtige gemeente Ukkel. Vóór het gasthof de Trompet, werd zijn neus gestreeld door een hemelschen geur van stoverije. Aan een kleinen schooier, die den reuk van de saus opsnoof, vroeg hij ter eere van welken heilige die wierook omhoog steeg? De kleine antwoordde, dat de broeders van de Goede Tronie na de vespers moesten bijeenkomen om de herinnering te vieren van de verlossing der gemeente door hare vrouwen en meisjes.

Uilenspiegel zag van verre eenen staak met een gaai erop, rond denwelken vrouwen met bogen liepen; hij vroeg of de vrouwlieden nu boogschieters waren geworden?

De jongen snoof nog eens den reuk van de keuken op en antwoordde, dat, in den tijd van den goeden hertog, die zelfde bogen, in de handen der Ukkelsche vrouwen, meer dan honderd baanstroopers van het leven naar den dood hadden gestuurd.

Uilenspiegel wilde meer weten, doch de kleine schooier zei dat hij geen woord meer zeggen zou, zoolang hij honger en dorst had, ten ware hij een oortje kreeg om zich te verzadigen. Uilenspiegel gaf het hem uit medelijden.

Zoodra de jongen het oortje had, trok hij, als een vos in een hoenderhok, het gasthof binnen, om weldra, met een halve worst en eene dikke snee brood triomfantelijk te voorschijn te komen.

Plotseling hoorde Uilenspiegel een zoete muziek van tamboerijnen en violen en zag hij vele dansende vrouwen, en onder haar een schoon wijf met een gouden ketting om den hals.

De schooier, in zijn schik, omdat hij zoo lekker gegeten had, zegde tot Uilenspiegel dat die jonge, schoone vrouw de koningin van de gaaischieting was, dat zij Mietje heette en de vrouw was van messire Renonckel, schepene van de gemeente. Dan vroeg hij aan Uilenspiegel nog zes duiten om te drinken: Uilenspiegel gaf ze hem. Toen hij gegeten en gedronken had, zette hij zich in de zonne op de hurken, en kuischte met zijne nagelen zijne tanden.

Als de boogschietsters Uilenspiegel in zijne pelgrimspij zagen, begonnen zij rond hem te dansen, zeggende:

--Dag, schoone pelgrim; komt gij van verre, jonge pelgrim?

Uilenspiegel antwoordde:

--Ik kom uit Vlaanderen, het schoone land der verliefde meidekens.

En droefgeestig dacht hij aan Nele.

--Wat was uwe misdaad? vroegen zij, terwijl zij haren dans staakten.

--Ik durf het niet zeggen, daar ze zoo groot is, sprak hij. Bij mij, mijne hertjes, is niemendal klein.

Zij lachten en vroegen waarom hij aldus moest reizen met den pelgrimsstaf, den bedelzak en de oesterschelpen?

--'t Is, antwoordde hij, omdat ik gezegd heb, dat de zielmissen voordeelig zijn voor de priesters.

--Zij brengen hun klinkende munt op, antwoordden de vrouwen, maar toch zijn zij ook voordeelig voor de zielen in 't vagevuur.

--Daar was ik niet bij, antwoordde Uilenspiegel.

--Komt gij met ons eten? vroeg de schoonste.

--Ik wil, sprak hij, met u eten, en u eten, u en uwe vriendinnen, de eene na de andere, want gij zijt fijne brokjes, lekkerder dan ortolanen, lijsters of sneppen.

--De Hemel vergeve u, dat wild is buiten prijs, zeiden zij.

--Zooals gij allen, mijne hertjes, antwoordde hij.

--'t Is te zien, spraken zij, maar wij zijn niet te koop.

--Noch te geven? vroeg hij.

--Ja, zegden zij, wij geven slagen aan degenen die te stout zijn. Hebt gij er van doen, wij zullen op u slaan lijk op kaf.

--Ik doe niet mee, sprak hij.

--Kom dan mee-eten, zegden zij.

Blijde als hij was rond zich vroolijke, lachende gezichten te zien, volgde hij heur naar de binnenplaats van het gasthof. Plotseling zag hij de broeders van de Goede Tronie, in groote staatsie, met vaandel, fluit, bazuin en tamboerijn, in het binnenhof komen; zij droegen waardiglijk den naam van hunne broederschap. Daar zij hem nieuwsgieriglijk bekeken, zeiden de vrouwen dat het een pelgrim was, dien ze op den weg ontmoet en meegebracht hadden naar 't festijn, omdat zijne tronie haar aanstond.

De mannen stemden hiermee in, en een hunner sprak:

--Reizende pelgrim, wilt gij eene bedevaart doen in sausen en stoverije?

--Daarvoor wil ik de leerzen van Duimken aantrekken, antwoordde Uilenspiegel.

Als hij met hen de zaal van 't festijn binnenging, zag hij op den Parijschen steenweg een twaalftal blinden. En toen zij voorbij hem kwamen, kloegen zij van honger en dorst. Uilenspiegel zei tot zich zelven, dat zij dien dag zouden avondmalen als prinsen, en wel ten koste van den deken van Ukkel, op afkorting van de zielmissen.

Hij ging tot hen en sprak:

--Hier zijn negen gulden, gij kunt komen eten. Riekt gij den geur niet van de stoverije?

--Laas! spraken zij, reeds een half uur lang, doch zonder hope.

--Gij zult eten, zegde Uilenspiegel, vermits gij nu negen gulden hebt. Maar hij gaf ze hun niet.

--Wees gezegend! spraken zij.

En, door Uilenspiegel geleid, zetten zij zich rond een kleine tafel, terwijl de broeders van de Goede Tronie met hunne wijven en dochteren aan de groote tafel gingen zitten.

Met een zelfvertrouwen van negen gulden, riepen de blinden luide en stout:

--Baas, geef ons te eten en te drinken, alles van 't beste!

De weerd, die van negen gulden had hooren spreken, dacht, dat die in hunne tasschen staken en vroeg wat de gasten wenschten.

Toen riepen allen tegelijk:

--Boonen met spek, hutspot met rundvleesch, kiekens, kalfsvleesch en hamelbout. Zijn de worsten voor de honden gemaakt?

--'k Heb witte en zwarte pensen geroken; 'k zou ze zien als ik nog mijne lanteernen had.--Waar zijn de koekebakken met Anderlechtsche boter? Zij zingen in de pan, sappig, knappend en hijgend naar het bier, waarmede wij ze zullen begieten.--Wie geeft de hesp met eieren die onzen mond placht te streelen?--Waar zijt gij, hemelsche soezels, die zwemmen midden in de nieren, hanekammen, kalfszwezeriken, ossesteerten, schapepooten, met veel ajuin, peper, kruidnagelen, muskaat, goed ondereengestoofd met drie pinten witten wijn als saus?--Wie brengt u tot mij, goddelijke kalfsworsten, die zoo goed zijt dat ge niets zegt als men u opeet? Kwaamt gij recht uit Luilekkerland, waar niet te werken valt, en eten en drinken een ambacht is? Gij zijt verdwenen lijk de droge bladeren van den jongsten herfst.--Ik wil een hamelbout met erwtjes.--Ik, verkensooren.--Ik, een rozenkrans van ortolanen, met sneppen als paters en een vetten kapoen als credo.

De weerd antwoordde bedaard:

--Gij krijgt een pannekoek van zestig eieren en, als wegwijzers om uwe vorken te bestieren, vijftig zwarte pensen, rookend op dien berg van eieren gestoken, en als drank dobbelen peeterman: dat zal de riviere wezen.

Het water kwam in den mond van de arme blinden.

Breng ons den berg, de wegwijzers en de rivier!

En de broeders van de Goede Tronie en hunne vrouwen, die reeds met Uilenspiegel aan tafel zaten, zeiden, dat deze voor de blinden onzichtbare smulpartij hun slechts de helft van het genot deed smaken.

Toen de weerd en vier koks den pannekoek opdienden, opgesmukt met peterselie en keur van kruiden, wilden de blinden er zich op werpen, maar de weerd gaf, niet zonder moeite, eerlijk aan elk zijn deel.

De boogschietsters waren verrukt als zij hen zagen slempen en zuchten van genoegen, want zij hadden grooten honger en sloegen de pensen binnen lijk oesters. De dobbele peeterman liep in hunne magen gelijk een waterval van het hooggebergte.

Toen de blinden hunne teilen uitgewischt hadden, vroegen zij opnieuw koekebakken, ortolanen en weer stoverije. De weerd bracht hun slechts een grooten schotel ossen-, kalfs- en schapenbeenderen, die in goede saus zwommen. Maar hij deelde niet rond.

Als zij hun brood en hunne handen, tot over de polsen, in de saus gedoopt hadden, en niets vonden dan hamel-, kalfs- en andere beenderen, meende een iegelijk dat zijn buurman al het vleesch had, en verwoed sloegen zij met de beenderen op elkanders gezicht.

Bij dat schouwspel lachten de broeders van de Goede Tronie naar hertelust en legden goedhertig een deel van 't festijn op de teil van de arme blinden, en een iegelijk die een been zocht om er mee te slaan, legde de hand op eene lijster, een kieken, een koppel leeuwerikken, terwijl de vrouwen hun het hoofd achterover hielden en hun Brusselschen wijn lieten drinken, zooveel zij konden. En als de arme lieden op den tast zochten van waar die stroom godendrank kwam, grepen zij een rok, die gezwind uit hunne handen glipte.

Zij lachten, aten, dronken en zongen zoo heerlijk! Eenigen vermoedden dat er poezele wijfjes moesten zijn en liepen, dol van liefde, de eetzale rond, maar de plaagzieke vrouwen draaiden zich om en verborgen zich achter een broeder van de Goede Tronie, roepende: "Kus mij, toe!" En als de blinden het deden, kusten zij in stee van de donzige huid eener vrouw, het harig gezicht van een man--maar niet zonder kletsen te krijgen.

De broeders van de Goede Tronie zongen, en zij zongen insgelijks. En de vrouwen glimlachten teeder, met stil genoegen, als zij hen zoo vol vroolijkheid zagen.

Toen die heerlijke uren voorbij waren, sprak de baas:

--Gij hebt goed gegeten en gedronken, geef mij nu zeven gulden.

Elk hunner zwoer dat hij de beurze niet had en beschuldigde zijn buurman. Een nieuw gevecht ontstond, in hetwelk zij elkaar trachtten te schoppen, te slaan en te stompen, maar de broeders van de Goede Tronie hielden de vechtenden van elkaar. En 't regende slagen in de lucht, behalve een die bij ongeluk terecht kwam op 't aangezicht van den baas, die, verwoed, nu allen aftastte en niets anders vond dan een versleten schapulier, zeven duiten, drie knoopen en hunne paternosters.

Hij wilde hen in het verkenskot steken en hen daar op water en brood zetten, totdat liefdadige zielen voor hen betaald hadden.

--Wilt gij, vroeg Uilenspiegel, dat ik borg voor hen blijve?

--Ja, antwoordde de baas, als iemand ook voor u borg is.

De Goede Tronies wilden borg zijn, maar Uilenspiegel voorkwam hen en zei:

--De deken zal borg zijn, ik ga het hem vragen.

Gedachtig aan de zielmissen, trok hij naar den deken en vertelde hem dat de baas uit de Trompet van den duivel bezeten was, en dat hij van anders niets sprak dan van verkens en blinden; dat de verkens de blinden opaten en de blinden de verkens. Middelerwijl, zoo vertelde hij, brak de baas thuis alles aan stukken, en hij bad hem den armen man van dien boozen duivel te komen verlossen.

De deken beloofde het, maar zei, dat hij niet dadelijk kon komen, mits hij bezig was met de rekening van 't kapittel te maken en dat dit zeer lastig was, zoo hij zijn garande wilde hebben.

Toen Uilenspiegel zag dat hij ongeduldig werd, zegde hij dat hij zou terugkomen met het wijf van den baas en dat de deken haar zelve kon spreken.

--'t Is goed, antwoordde de deken.

Uilenspiegel keerde terug bij den baas en zegde:

--Ik heb den deken gesproken, hij blijft borg voor de blinden. Terwijl gij op hen let, kan de bazinne meekomen, en hij zal heur herhalen wat ik u zegde.

--Ga mee, vrouw, sprak de baas.

De bazinne ging met Uilenspiegel bij den deken, die maar altijd aan 't cijferen was, om zijn aandeel te vinden. Toen zij binnenkwam met Uilenspiegel, maakte hij met de hand een driftig gebaar, zeggende:

--Ga heen en wees gerust: morgen of overmorgen kom ik bij uwen man.

En toen Uilenspiegel naar de Trompet terugkeerde, sprak hij onderweg in zich zelven: "Hij zal honderd gulden betalen en dat zal mijn eerste zielmisse zijn."

En hij ging zijns weegs, en de blinden insgelijks.

XXXVI.

's Anderen daags kwam Uilenspiegel op eene baan vol volk. Hij volgde de menigte en vernam, dat het dien dag beeweg naar Alsemberg was.

Hij zag er arme oude vrouwen, die, voor een gulden en om de zonden van voorname dames te boeten, barrevoets achterweerts gingen. Terzijde van den weg deed meer dan één pelgrim zich te goed aan wafelen en bruinbier, bij geschal van lieren, violen en doedelzakken. En de reuk van allerhande spijzen steeg ten hemel als een zoete wierook.

Maar daar waren ook pelgrims, die er gemeen en ellendig uitzagen; die hadden zes stuivers van de Kerk gekregen, om achterweerts den beeweg te doen.

Een kaalhoofdig manneken, met opengesperde oogen, volgde hen insgelijks achterweerts springend en vaderonzen zeggend.

Uilenspiegel, die wilde weten waarom hij aldus de kreeften naäapte, ging voor hem staan en sprong glimlachend lijk hij. Lieren, pijpen, violen en doedelzakken, waren met het geschreeuw van de pelgrims, de muziek van dien dans.

--Zeg eens, Jan van den Duivel, sprak Uilenspiegel, is het om zeker te zijn van vallen, dat gij averechts gaat?

De man antwoordde niet en bad voort.

--Of is het om de boomen te tellen, vervolgde Uilenspiegel, en misschien ook de bladeren er bij?

De man, die een credo zei, deed Uilenspiegel teeken dat hij zwijgen moest.

--Of, sprak deze, altijd vóór hem springend en zijne gebaren nabootsend, zijt gij misschien eensklaps zot geworden, dat gij loopt lijk de kreeften? Maar wie van een zot een verstandig antwoord verwacht, is zelf niet wijs. Niet waar, mijnheer de kaalkop?

Daar de man nog niet antwoordde, danste en sprong Uilenspiegel voort, doch hij maakte daarbij zooveel lawijd met zijne zolen, dat de weg klonk als een houten kist.

--Of zijt gij stom, mijnheer? vroeg Uilenspiegel ten slotte.

--Ave Maria, sprak de man, gratia plena et benedictus fructus ventris tui, Jesu.

--Of misschien doof? zei Uilenspiegel. Dat gaan wij dadelijk zien: men zegt, dat dooven vleierij noch beleediging hooren. Laat zien of de trommel van uw ooren van vel of van ijzer is: Meent gij, lanteerne zonder keers, mislukte voetganger, dat gij een mensch gelijkt? Ge kunt wachten totdat wij van vodden gemaakt zijn. Zag men ooit zulke gele tronie, zulk een kletshoofd, elders dan op een galgeveld? Zijt ge in uw leven nooit gehangen geweest?

En Uilenspiegel danste steeds voort, en de man, die kwaad werd, stapte boosaardig achterwaarts en bad zijn vaderonzen met heimelijke verbolgenheid.

--Of misschien, sprak Uilenspiegel, verstaat gij geen Hoogvlaamsch; daarom ga ik u in 't Platvlaamsch aanspreken: Zijt gij geen gulzigaard, dan zijt gij een dronkaard; zijt gij geen dronkaard, dan zijt gij verstopt; zijt gij niet verstopt, dan hebt gij den afgang; als er matigheid is, dan is zij het niet, die de tonnen van uw buik vult; zijt gij geen losbol, dan zijt gij een kapuin en als er op de duizend millioen mannen der aarde maar één horendrager was, dan zoudt gij het zijn....

Op die rede, viel Uilenspiegel op zijn achterste, met de beenen omhoog, want de man had hem zulk een vuistslag op den neus toegediend, dat het vuur hem uit zijne oogen sprong. Dan liet de man zich, ondanks zijn dikken buik, verraderlijk op hem vallen en sloeg hem overal, dat de slagen als hagelsteenen op het magere lichaam van Uilenspiegel vielen. En Uilenspiegels stok rolde mede ten gronde.

--Dat zal u leeren, sprak de man, eerlijke menschen kwellen die op bedevaart gaan. Want--gij moogt het wel weten--ik ook ga naar Alsemberg, volgens aloud gebruik, om Onze-Lieve-Vrouwe te bidden, een kind te willen doen afkomen, dat mijne vrouw ontving terwijl ik op reis was. Om zulk een groote genade te verkrijgen, moet men, zonder spreken, achterweerts loopen en dansen van den twintigsten stap voorbij zijn huis tot aan de trappen der kerk. Laas! nu moet ik geheel opnieuw beginnen.

Uilenspiegel, die zijn stok opgeraapt had, sprak:

--Ik zal u helpen, deugniet, die Onze-Lieve-Vrouwe wilt smeeken om de kinderen vóór hun geboorte te vermoorden.

En meteen sloeg hij den leelijken horendrager zoo deerlijk, dat hij hem voor dood op den weg liet.

En nog altijd steeg het gehuil der pelgrims en het geluid van pijpen, lieren, violen en doedelzakken omhoog, met den geurigen wierook van gekook en gebraad.

XXXVII.

Klaas, Soetkin en Nele zaten samen rond den heerd en praatten over den reizenden pelgrim.

--Meisje, sprak Soetkin, kondet gij hem voor altijd bij ons houden door uwe jeugd en uwe schoonheid!

--Laas! sprak Nele, ik kan niet.

--Omdat hij, antwoordde Klaas, meer behagen vindt in loopen, zonder ooit te rusten, tenzij om te eten.

--De leelijke stouterik! zuchtte Nele.

--Ik geef toe dat hij stout is, sprak Soetkin, maar leelijk is hij niet. Als Uilenspiegel Grieksch noch Romeinsch van gezicht is, is hij des te schooner; want Vlaamsch zijn zijne vlugge voeten, van 't Brugsche Vrije zijn levendige bruine oogen; en zijn neus en mond zijn gemaakt door twee vossen, ervaren in de kunsten van slimheid en verstand.

--Wie dan, vroeg Klaas, maakte hem zijne armen van luierik en zijne beenen, die al te vlug loopen naar vermaak en pleizier?

--Zijn al te jeugdig herte, was 't antwoord van Soetkin.

XXXVIII.

In dien tijd genas Katelijne, met kruiden, een os, drie schapen en een verken toebehoorende aan Speelman, doch de koe van Jan Beloen kon ze niet genezen. Jan beschuldigde haar van hekserij en verklaarde, dat zij het dier betooverd had, daar zij, terwijl zij het de geneeskruiden gaf, het gestreeld en aangesproken had, zeker in een duivelsche tale, want een eerlijk christenmensch mag het woord tot geen dier richten.

Gemelde Jan Beloen voegde er bij, dat hij gebuur was van Speelman, wiens os, schapen en verken zij genezen had en, zoo zij zijne koe gedood had, het zeker was op het opstoken van Speelman, die jaloersch was, omdat zijne akkers slechter bebouwd waren en minder opbrachten dan de zijne--van Beloen namelijk. Op getuigenis van Pieter Meulemeester, een man van goed gedrag en zeden, en ook van Jan Beloen, die bevestigden dat Katelijne te Damme bekend stond als tooveres, en naar allen schijn de koe gedood had, werd Katelijne aangehouden en veroordeeld om op de pijnbank te worden gelegd totdat zij hare misdaden bekende.

Zij werd ondervraagd door een schout, die altijd narrig was, want heel den dag door dronk hij brandewijn. Vóór hem en vóór die van de Vierschaar, deed hij Katelijne op de eerste pijnbank zetten.

De beul ontkleedde haar en keek of zij geenerlei hekserij verborgen hield.

Hij vond niets, en bond heur met koorden op de pijnbank. Toen zegde zij:

--Heilige Moeder Gods, laat mij sterven, dat ik mijne schamelheid aan die mannen niet hoeve te toonen!

Toen legde de beul natte doeken op heure borst, heuren buik en heure armen; vervolgens hief hij de bank op en goot hij heet water in heure keel, bij zulke groote hoeveelheid, dat zij gansch opgeblazen scheen. Vervolgens liet hij de bank nedervallen.

De schout vroeg aan Katelijne of zij hare misdaad wilde bekennen. Zij schudde het hoofd. Toen goot de beul nog heet water in haren mond, maar Katelijne gaf het allemaal over.

Op het oordeel van den heelmeester, werd zij toen losgemaakt. Zij sprak niet, doch klopte op hare borst om te zeggen, dat het heet water haar verbrand had. Toen de schout zag dat zij van haar eerste foltering bekomen was, sprak hij:

--Beken, dat gij tooveres zijt en dat gij de koe betooverd hebt.

--Ik zal niet bekennen, sprak zij. Zooveel het in de macht van mijn zwak herte ligt, zie ik alle beesten geerne, en ik deed nog liever leed aan mij zelve dan aan hen, daar zij zich niet verdedigen kunnen. Om de koe te helpen, heb ik de geneeskruiden gebruikt, die ik moest.

Maar de schout sprak:

--Gij hebt vergif gebruikt, want de koe is gestorven.

--Heere schout, antwoordde Katelijne, ik ben hier voor u en in uwe macht; en toch durf ik zeggen, dat een dier, evenals een mensch, van ziekte kan sterven, niettegenstaande de hulp van artsen en heelmeesteren. En bij Jezus-Christus, die voor onze zonden op het kruis is gestorven, zweer ik dat ik die koe geenerlei kwaad gewild heb, doch getracht heb ze te genezen met de gebruikelijke kruiden.

Woedend sprak toen de schout:

--Die tooverkol zal niet blijven afstrijden; men brenge heur op een andere pijnbank!

En daarna dronk hij een groot glas brandewijn.

De beul deed Katelijne zitten op het deksel eener eiken doodkist, die op pikkels stond. Dat deksel, in den vorm van een dak, was scherp als een mes. Een groot vuur brandde in den schoorsteen, want men was toen in de slachtmaand.

Katelijne werd op de doodkist en op een scherpe houten pinne gezet, en men deed haar nieuwlederen schoenen aan die te smal waren. Zóó schoof men heur tegen het vuur. Als zij de snede van de doodkist en de scherpe pinne in heur vleesch voelde dringen, en de hitte van 't vuur het leder van de schoenen deed krimpen, riep zij uit:

--Ik lijd ongemeene smerten! Wie geeft mij zwart vergif?

--Breng haar dichter bij 't vuur, sprak de schout.

Toen ondervroeg hij Katelijne.

--Hoe dikwijls, sprak hij, reedt gij op een bezemsteel naar den heksensabbat? Hoe dikwijls deedt gij het koren in de aar, de vrucht op den boom, het kind in den schoot vergaan? Hoe dikwijls zaaidet gij haat en nijd in de herten van broeders en zusters?

Katelijne wilde spreken, maar zij kon niet, en zij zwaaide met hare handen als om "neen" te bedieden. Toen zegde de schout:

--Zij zal niet spreken vooraleer zij al heur heksenvet zal voelen smelten. Breng haar nog dichter bij het vuur.

Katelijne schreeuwde. De schout zegde heur:

--Bid Satan dat hij u verfrissching bezorge.

Met het gezicht vol smerte, wees zij naar heure schoenen, die rookten ten gevolge van de hitte des vuurs.

--Bid Satan, dat hij ze uitdoe, sprak de schout.

Tien uren sloeg de klok, dit was het etensuur van den wreedaard; hij vertrok met zijn schrijver, den beul en zijn knechten, en liet Katelijne alleen bij 't vuur, in de folterkamer.

Te elf uren kwamen zij terug, en zij vonden Katelijne stijf en onbeweeglijk zitten. De schrijver sprak:

--Ik geloof, dat zij dood is.

De schout beval Katelijne van de doodkist te nemen en heure schoenen uit te doen. De beul moest ze vaneen snijden en Katelijne's voeten waren rood en bloedden.

En de schout, die aan zijn maaltijd dacht, bezag ze, doch uitte geen woord; doch weldra kwam ze tot heur zelve terug; zij viel ten gronde zonder zich te kunnen oprichten ondanks al heure krachtsinspanning, en sprak tot den schout:

--Vroeger wildet gij mij voor echtgenoote, maar nu zult gij mij niet meer hebben. Viermaal drie is een heilig getal, en de dertiende is de echtgenoot.

Vervolgens, daar de schout wilde spreken, zegde zij tot hem:

--Zwijg stille: hij hoort beter dan de aartsengel, die in den hemel de hertkloppingen der rechtvaardigen telt. Waarom komt gij zoo spa? Viermaal drie is een heilig getal; het doodt de ellendelingen, die mij willen vervolgen.

De schout sprak:

--Zij ontvangt den duivel in heur bedde.

--Zij is uitzinnig, ten gevolge van de smerten der foltering, sprak de schrijver.