# De legende en de heldhaftige, vroolijke en roemrijke daden van Uilenspiegel en Lamme Goedzak in Vlaanderenland en elders

## Part 5

Book page: https://www.cyberlibrary.org/nl/books/de-legende-en-de-heldhaftige-vroolijke-en-roemrijke-daden-van-u-f68b730a/index.md

Middag sloeg de klok; 't was drukkend warm en stille en eenzaam in het ronde. Uilenspiegel sprak geen woord, doch deed zijn nieuw wambuis uit, om de dame onder de schaduwe van een lindeboom te laten rusten, zonder dat de koelte van het gras heur kwellen kon. En hij bleef rechtstaan in verzuchting, naast heur.

Zij zag hem aan en voelde medelijden voor dien blooden jongen, en vroeg hem of hij niet moede was, zoo lang op zijne jonge beenen te staan. Hij antwoordde niet, doch liet zich naast heur vallen, en zij trok hem tot zich, en zijn hoofd rustte op heuren blooten boezem, en daar lag hij zoo goed, dat zij het als eene zonde beschouwd hadde, hem te zeggen, dat hij elders een hoofdkussen zoeken moest,

De bottelier kwam intusschen terug, zeggende dat hij de beugeltassche niet gevonden had.

--Ik heb ze wedergevonden, ik, antwoordde de dame, toen ik van mijn peerd steeg; in 't vallen was zij aan den stijgbeugel vastgeraakt. En nu, sprak zij tot Uilenspiegel, leid ons nu recht naar Dudzele en zeg mij uw naam.

--Mijn patroon, antwoordde hij, is de heer Sint Thijlbert, naam, die bediedt vlug te been, om te gaan waar het goed is; mijn naam is Klaas en mijn toenaam Uilenspiegel. Als ge U zelf in mijn spiegel wilt aanschouwen, zult gij overtuigd zijn, dat er, gansch Vlaanderenland door, geen schitterender bloem van schoonheid bestaat dan Uwe geurige bekoorlijkheid.

De dame bloosde van welbehagen en was geenszins verbolgen.

En gedurende die lange afwezigheid weenden Soetkin en Nele bitterlijk.

XXVII.

Toen Uilenspiegel van Dudzele terugkwam, zag hij Nele, aan den inkoom van de stad, met den rug tegen een hek geleund, en een tros blauwe druiven in de hand. Een voor een at zij de vruchten, die haar verfrischten, maar blijken liet zij dit niet. Integendeel, zij scheen verstoord, want driftig beet zij de druiven van de rist. Zij was weemoedig, en had zulk een droevig en spijtig gezicht, dat Uilenspiegel, vol liefde, medelijden kreeg en, stille achter haar, heur eenen kus in den hals gaf.

Maar zij gaf hem een klinkenden kaakslag in de plaats.

--Die was raak, zei Uilenspiegel.

Zij weende dat de tranen over heure wangen rolden.

--Nele, sprak hij, gaat gij nu de fonteinen aan den ingang van de stad stellen?

--Loop heen! zegde zij.

--Maar ik kan niet heengaan, als gij zoo weent, liefste?

--Ik ben geene liefste, sprak Nele, en weenen doe ik niet.

--Neen, gij weent niet, maar er komt water uit uwe oogen.

--Wilt gij gaan, sprak zij.

--Neen! zegde hij.

Maar met heure bevende handjes, hield zij heur schort voor 't gezicht; zij beet er de stof van aan stukken, en heure tranen maakten het nat.

--Nele, vroeg Uilenspiegel, zeg eens, zal het straks schoon weder zijn?

En glimlachend zag hij heur liefderijk aan.

--Waarom vraagt ge mij dat? sprak zij.

--Omdat het spreekwoord zegt: na regen komt zonneschijn, antwoordde Uilenspiegel.

--Ga, sprak zij, ga bij uw schoone dame met haar zijden kleed, die hebt gij genoeg doen lachen.

Toen zong Uilenspiegel:

Hoor ik mijn lieveken krijschen 't Doet mijn herteken groot verdriet. Honig zoo gij haar lachen hoort, Peerlen zoo gij heur traantjes ziet.... Ei, mijn lieveken laat ik niet!... En ik geef een bottel ten beste Lekkeren Leuvenschen wijn. En ik geef een bottel ten beste Als Nele vroo wil zijn....

--Gemeene man, sprak zij, gij lacht mij dan noch uit!

--Nele, sprak Uilenspiegel, ik ben een man, dat is waar, maar gemeen ben ik niet, want onze adellijke familie, eene schepenfamilie, voert drie zilveren pinten in een veld van bruinbier. Nele, is 't waar, dat men, in Vlaanderenland, kaaksmeten maait als men kussen zaait?

--Ik spreek u niet aan, zegde zij.

--Waarom doet ge dan uw mondje open om het mij te zeggen?

--Ik ben kwaad, sprak zij.

Uilenspiegel klopte heel zachtjes op heuren rug en sprak:

--Kus een vrouwtje en ze zal u kloppen; klop een vrouwtje en ze zal u kussen. Kus mij dan, liefste, vermits ik u klopte.

Nele keerde zich om. Hij opende zijne armen en, nog weenend, wierp zij er zich in en vroeg:

--Zult ge ginder niet meer gaan, Thijl?

Maar hij antwoordde niet, want hij had het te druk met heure bevende vingeren in de zijne te drukken en, met de lippen, de heete tranen te wisschen, die uit Nele's oogen vielen als de dikke droppelen van een stormregen.

XXVIII.

In dien tijd weigerde Gent, de edele stad, haar aandeel te betalen in de bede, die haar zoon, keizer Karel, heur vroeg. Zij kon niet betalen, want zij had geen geld meer, en dit was de schuld van Karel zelf. Toch was dat een groote misdaad, en hij besloot haar in persoon te gaan kastijden.

Want de slagen, die eene moeder het zeerst doen, zijn die van heuren zoon.

Frans met den Langen Neus, zijn vijand, deed hem het aanbod om door Frankrijk te gaan. Karel nam het aan, en in stee van te worden gevangengezet, werd hij op vorstelijke wijze onthaald en gevierd. Altijd zijn de vorsten bereid elkander te helpen, om 't volk te onderdrukken.

Karel verbleef langen tijd te Valencijn, zonder eenig teeken van toorn te geven. De stad Gent, zijne moeder, leefde zonder vrees in het geloof, dat de Keizer, haar zoon, vergeten zou, wijl zij gehandeld had volgens recht.

Karel kwam onder de muren van de stad met vier duizend peerden. Alva was bij hem, alsmede de prins van Oranje. Het gemeen en de kleine ambachten hadden geerne die kinderlijke intrede belet en de tachtig duizend man van de stad en den bijvang op de been gebracht; maar de hoogpoorters verzetten zich daartegen, want zij vreesden, dat het volk de overhand zou krijgen. Nochtans had de stad Gent haren zoon met zijne vier duizend peerden in de pan kunnen hakken. Maar zij beminde hem nog, en de kleine ambachten zelven hadden weder vertrouwen gekregen.

Karel ook had haar lief, maar 't was om het geld, dat hij van haar in zijne kisten had en nog van haar trekken wilde.

Toen hij zich meester gemaakt had van de stad, stelde hij overal krijgswachten en liet hij dag- en nachtronden doen. Daarna sprak hij, in groote statie, de sententie over de stede uit.

De voornaamste poorters moesten vóór zijnen troon vergiffenis komen vragen, met een strop om den hals; Gent werd schuldig verklaard aan de ergste misdaden, dewelke zijn: ontrouw, inbreuk op de tractaten, ongehoorzaamheid, muiterij, opstand en majesteitsschennis. De keizer verklaarde alle geschonken privileges, rechten, vrijheden, costumen en gebruiken verbeurd en, de toekomst verbindende alsof hij God zelf was, bepaalde hij verder, dat zijne opvolgers, bij hunne komst als landheer, zweren moesten niets te zullen naleven dan de vernederende Karolijnsche Concessie, door hem aan de stad verleend.

De abdij van Sint-Baafs deed hij afbreken, om ter plaatse eene vesting te bouwen, van waar hij, gemakkelijk, de borst zijner moeder met kogels kon doorboren.

Als een slechte zoon, die met ongeduld naar den dood zijner ouderen wacht, verbeurde hij alle goederen en eigendommen van Gent, inkomsten en panden, geschut en oorlogstuig.

En hij vond, dat de stad te goed verdedigd was: daarom deed hij den Rooden Toren, den Paddenhoektoren, de Braampoort, de Steenpoort, de Walpoort, de Ketelpoort en vele andere poorten afbreken, dewelke als meesterstukken van bouwkunst en beeldhouwkunst doorgingen.

En als later vreemdelingen naar Gent kwamen, spraken zij verbaasd tot elkaar:

--Is dàt Gent, die platte en treurige stad? Men vertelde er ons wonderen van: men heeft ons bedrogen.

En die van Gent antwoordden:

--Keizer Karel heeft de stad heure krone ontnomen.

En dit zeggende, waren zij grammoedig en beschaamd. En uit het puin van de poorten haalde de keizer steenen voor zijne vesting.

Hij wilde, dat Gent arm werd, daar aldus de stad noch door arbeid, noch door handel of geld, zich tegen zijne stoutmoedige inzichten verzetten kon; daarom veroordeelde hij haar tot het betalen van het geweigerde aandeel in de schatting van vierhonderd duizend gouden karolusgulden en, daarboven, honderd vijftig duizend karolussen in eens, en elk jaar nog zes duizend als eeuwigdurende rente. Hij had geld van de stad in leening gekregen en moest haar voor hetzelve eene rente betalen van honderd vijftig pond grooten. Met geweld deed hij zich de schuldbrieven overhandigen en verscheurde ze. En op die manier betaalde hij zijne schuld.

In menige aangelegenheid had Gent hem lief gehad en geholpen. Maar hij stak haar eenen dolk in de borst, om bloed te hebben, daar hij geene melk meer vond.

Toen bezag hij Roeland, de schoone klokke, en aan haren klepel liet hij den poorter opknoopen, die storm geluid had, om de stad ten strijde te roepen, ten einde heur recht te verdedigen. Geene genade had hij voor Roeland, de fiere klokke, de tong zijner moeder, waarmee zij tot Vlaanderen sprak:

Als men my slaat dan is 't brandt, Als men my luydt dan is 't storm in Vlaenderland.

Mits zijne moeder te luide sprak, nam hij de klokke weg. En die van 't platteland zeiden, dat Gent dood was, dat heur zoon, met eene tang, heure tong uit heuren mond had gerukt.

XXIX.

Op een van die dagen,--heldere en frissche lentedagen, als heel de aarde liefde ademt,--zat Soetkin bij het open venster te naaien, neurde Klaas een deuntje, terwijl Uilenspiegel bezig was met Titus Bibulus Snuffius eene rechterskap op te zetten. De hond ging met zijne pooten te werk, alsof hij eene sententie moest uitspreken, maar 't was alleen om den hoed af te krijgen.

Doch eensklaps sprong Uilenspiegel naar het venster en deed het dicht. Klaas en Soetkin keken op en zagen hun zoon rond de kamer loopen, op tafels en stoelen springen om een vogeltje te vangen, dat, met trillende vleugelen en piepend van angst, in den hoek van een balk aan de zoldering eene schuilpaats ging zoeken.

Uilenspiegel wilde het diertje grijpen, toen Klaas hem met ruwe stemme vroeg:

--Waarom springt gij aldus?

--Om het te vangen, antwoordde Uilenspiegel, het in eene kevie te zetten, zaad te geven en voor mij te doen zingen.

Maar de vogel piepte van angst, vloog weer rond de kamer en bezeerde zijn kopje tegen de ruiten.

Daar Uilenspiegel niet ophield met grijpen en springen, pakte Klaas hem ruw bij den schouder.

--Vang het beestje, sprak hij, doe het voor u zingen, maar ik zal u ook in eene kooi steken, met kloeke ijzeren staven gesloten en ik zal ook u doen zingen. Gij, die zoo geerne loopt, wordt opgesloten; in de schaduw gestoken als gij koude hebt, in den zonneschijn als gij het warm hebt. En op een Zondag zullen wij uitgaan en vergeten u eten te geven, en als wij 's Donderdags terugkomen, zullen wij Thijl, gestorven van honger, met de beenen uitgestrekt vinden.

Soetkin weende, Uilenspiegel vloog naar het venster.

--Wat doet gij? vroeg Klaas.

--Het venster open doen om den vogel buiten te laten, antwoordde hij.

Inderdaad, de vogel, een distelvink, vloog het venster uit, tjilpte blijde in de vrije lucht, en steeg als een pijl naar omhoog. Dan ging hij op een perelaar zitten, waar hij zijne vleugelen streek en zijne pluimen schudde en grammoedig, in zijne vogeltaal, Uilenspiegel allerlei verwenschingen naar het hoofd stuurde.

Toen sprak Klaas:

--Mijn zoon, nooit moogt ge aan mensch of dier de vrijheid ontnemen, want die is het hoogste goed. Laat een iegelijk de zonne zoeken als hij koude heeft, en de schaduw als hij het warm heeft. En God oordeele Zijne Heilige Majesteit, die het vrije geloof in Vlaanderenland aan ketenen legt en Gent, de edele stad, in een ijzeren kooi van slavernije sluit!

XXX.

Philippus was getrouwd met Maria van Portugal, wier bezittingen hij bij de Spaansche krone gevoegd had; van haar had hij don Carlos, den wreedaardigen zot. Maar liefde gevoelde hij voor zijne vrouw niet.

De koningin leed aan de gevolgen van heure kraam. Zij bleef te bed en bij haar waren heure eeredames, onder dewelke de hertoginne van Alva.

Philippus liet heur dikwijls alleen, om ketters om hals te zien brengen. De edelvrouwen en kamerheeren deden als hij. En zoo ook de hertoginne van Alva, de adellijke baker van Maria.

In dien tijd vatte de officiaal een Vlaamschen beeldhouwer, Roomsch-katholiek van geloove, omdat een monnik hem den overeengekomen prijs voor een houten Lieve-Vrouwenbeeld geweigerd had, en nu het aangezicht van het beeld met zijnen beitel had geschonden, zeggende: dat hij liever zijn werk vernielde, dan het te laten onder den prijs.

Door den monnik als beeldschenner aangeklaagd, werd hij zonder genade op de pijnbank gelegd, en veroordeeld om levend te worden verbrand.

Op de pijnbank had men hem de voetzolen geroosterd en onderwege, van het gevang naar den brandstapel, met den san benito op het hoofd, riep hij gedurig:

--Snijdt mijne voeten af! Snijdt mijne voeten af!

En van verre hoorde Philippus die bange kreten, en hij trilde van genot, maar hij lachte niet.

De eeredames verlieten koningin Maria om de voltrekking van het vonnis bij te wonen: na haar volgde de hertoginne van Alva, die bij het hooren van de kreten van den Vlaamschen kunstenaar, ook het schouwspel wilde zien en de Koningin alleen liet.

Toen Philippus, zijne hooge dienaren, prinsen, graven, schildknapen en hofdames dáár waren, werd de beeldhouwer met een lange keten aan een paal geklonken, te midden van een vuur, gemaakt van rijshout en stroo, dat hem langzaam moest braden, terwijl hij zich zoo verre mogelijk van het laaie vuur wilde houden.

Hij was zoo goed als naakt, en nieuwsgieriglijk keek men hoe hij beproefde zijne zielskracht te stellen tegen de hitte des vuurs.

En middelerwijl had Maria dorst. Zij zag een halven meloen op eene schaal liggen, sleepte zich uit heur bedde, greep de vrucht en verslond die gulzig.

De verkoelende vrucht deed de kraamvrouw huiveren. Zij bleef op de vloer liggen, ze kon zich niet bewegen.

--Ik zou mij verwarmen, was hier iemand om mij te bedde te leggen?

Toen hoorde zij den armen beeldhouwer schreeuwen:

--Snijdt mijne voeten af!

--Ach! riep de arme vorstinne, is dat een hond, die huilt om mijnen dood te voorspellen?

Op dat oogenblik zag de beeldhouwer rondom zich; doch hij bespeurde niets dan vijandige Spaansche gezichten, en hij dacht aan Vlaanderen, het land van de dapperen; en, zijne lange keten achter zich sleepend, stapte hij naar den vuurgloed van stroo en van rijshout. Zich in zijn gansche lengte verheffend en de armen kruisend sprak hij:

--Ziet hoe de Vlamingen sterven onder het oog van de Spaansche beulen! Snijdt niet mijne, maar hunne voeten af, opdat ze naar geen nieuwe euveldaden loopen! Leve Vlaanderen! Vlaanderen in der eeuwigheid!

En de edelvrouwen juichten hem toe, vroegen genade voor hem, als ze zijne fiere houding zagen.

En de kunstenaar stierf.

Koningin Maria rilde over gansch heur lichaam, heure tanden klapperden van koude en, armen en beenen uitrekkend, kreunde zij:

--Legt mij te bedde, dat ik mij verwarme. En zij stierf.

En alzoo, volgens de voorzegging van Katelijne, de goede tooveres, zaaide Philippus overal dood, bloed en tranen.

XXXI.

Maar Uilenspiegel en Nele hadden elkander innig lief.

Het was op 't einde van de Grasmaand; al de boomen stonden in bloei, de planten waren in lichtgroen gedost, de nachtegalen kwinkeleerden in het loover: de heele natuur had zich gereedgemaakt om de Meimaand waardig te ontvangen.

Dikwerf dwaalden Uilenspiegel en Nele getweeën langs de wegen. Nele ging aan Uilenspiegel's arm en hield hem met hare twee handjes vast. Uilenspiegel had dit geerne en sloeg soms zijn arm om Nele's middel, om heur beter vast te houden, zegde hij. En dit deed heur genoegen, doch zij uitte geen woord.

De wind voerde den balsemgeur der beemden over de wegen; in de verte loeide traagzaam de zee. Uilenspiegel stapte fier vooruit; als een jonge duivel, en Nele volgde schuchter als eene heilige uit den hemel, beschaamd over 't genot dat zij smaakte.

Zij leunde heur hoofdje op den schouder van Uilenspiegel: hij nam heure handjes in de zijne en kuste heur, al gaande, op het voorhoofd, op de koonen en op heuren liefelijken mond. Doch zij uitte geen woord.

Het werd warm en zij kregen dorst; zij gingen melk drinken bij eenen boer, maar zij waren niet verkoeld.

En zij zetten zich neer in het gras, aan den boord eener gracht. Nele's gelaat was bleek en zij scheen bekommerd; angstig keek Uilenspiegel heur aan.

--Zijt ge droef? sprak zij.

--Ja, antwoordde hij.

--Waarom? vroeg zij.

--Ik weet het niet, sprak hij, maar die bloesem van appelaars en kriekelaars, die zoele lucht als bezwangerd met het vuur van den bliksem, die blozende madeliefjes in de beemden, die witte hagedoorn, hier dicht bij ons....

... Wie zal mij zeggen waarom ik heel ontroerd ben, waarom ik mij steeds bereid voel tot sterven of slapen? En mijn hert klopt hevig als ik de vogelen hoor zingen, als ik zie dat de zwaluwen terugkeeren; ik zou willen vliegen, verder dan zon en mane. En nu eens heb ik koud, dan weer heb ik warm. Ha, Nele! Ik zou niet meer van deze wereld willen zijn, of duizend levens geven voor haar, die mij heure minne schenken zou....

Maar zij uitte geen woord en, glimlachend van geluk, keek zij naar Uilenspiegel.

XXXII.

Op Allerzielen kwam Uilenspiegel uit Onze Lieve Vrouwekerk met eenige deugnieten van zijn leeftijd. Lamme Goedzak was onder hen verdwaald, als een lam te midden van de wolven.

Lamme, die op alle Zon- en feestdagen van zijne moeder drie oortjes kreeg, trakteerde de jonge snaken.

Hij trok dus met hen in het Roode Schild, bij Jan van Liebeke, die Kortrijkschen dobbelen knollaard opbracht.

De drank verhitte hunne hersenen en, wijl zij over kerken en gebeden spraken, uitte Uilenspiegel de meening, dat zielmissen enkel voordeel brengen aan de priesters.

Maar er was een judas onder 't gezelschap: hij ging Uilenspiegel als ketter verklikken. En ondanks de tranen van Soetkin en het smeeken van Klaas, werd Uilenspiegel gepakt en gevangengezet. Eene maand en drie dagen bleef hij in den kerker opgesloten, zonder iemand te zien. De cipier at de drie kwart van zijn eten op. Intusschentijd deed men onderzoek over het gedrag van den beklaagde. Er werd alleen bevonden, dat hij een meedoogenlooze spotter was, die met iedereen gekscheerde, maar dat hij nooit het minste kwaad gesproken had noch van den Heere God, noch van de Maagd Maria, noch van de santen. Weshalve de sententie dan ook zacht was; want men hadde hem kunnen brandmerken of geeselen met schorpioenen.

Om den wille van zijn jeugdigen leeftijd, veroordeelden de rechters hem enkel om, in zijn hemde, barrevoets en blootshoofds en met eene waskeers in de hand, achter de priesters te stappen, in 't midden van de eerste processie, die zou uitgaan.

Het was Ons-Heeren-Hemelvaart.

Als de processie binnentrok, moest hij in 't portaal van Onze-Lieve-Vrouwekerk blijven staan en uitroepen:

--Dank zij Jezus-Christus! Dank zij de eerweerde geestelijken! Hunne gebeden zijn zoet en verkwikkend voor de zielen in 't vagevuur; want elk ave is een emmer water, die haar op den rug valt, en elk pater eene kuip.

En het volk aanhoorde hem devotelijk, doch niet zonder lachen.

Op den Eersten-Sinksendag, moest hij nogmaals de processie volgen; hij was barrevoets en blootshoofds, in zijn hemde, met eene waskeers in de hand. Bij het binnengaan in 't portaal, met zijne keers eerbiediglijk in de hand, hoewel hij moeite deed om niet in lachen uit te bersten, sprak hij met een luide en heldere stem:

--Zoo de gebeden der christenen veel verlichting brengen aan de zielen van 't vagevuur, zoo geven die van den deken van Onze-Lieve-Vrouwekerk--een heilig man die alle deugden beoefent--zulk eene verkwikking aan de smerten des vuurs, dat dit laatste seffens in ijs verandert. Maar de duivelen, die het vuur moeten poken, krijgen er geen zier van.

En weer luisterde het volk devotelijk, doch niet zonder lachen, en de deken glimlachte inwendiglijk.

Verder werd Uilenspiegel voor drie jaren uit Vlaanderenland gebannen; hem werd tevens opgelegd eene bedevaart naar Rome te doen en terug te komen met de Pauselijke absolutie.

Klaas moest drie gulden voor deze sententie betalen, maar hij gaf er nog eenen aan zijn zoon en daarboven eene pelgrimspij.

Op den dag van 't vertrek was Uilenspiegel 't hert in, toen hij Klaas en Soetkin kuste, want ze schreide bitter, de arme moeder. Zij deden hem uitgeleide tot verre op den weg, in gezelschap van meerdere poorters en poorteressen.

Toen Klaas terug in de hut trad, sprak hij tot Soetkin:

--Vrouwe, 't is toch wreed een zoo jongen knaap tot zulke strenge straf te veroordeelen, en dit voor eenige lichtzinnige woorden.

--Gij weent, man, sprak Soetkin; gij bemint hem meer dan ge wilt laten blijken, want daar berst gij uit in mannelijke snikken, die de tranen van den leeuw zijn.

Maar hij antwoordde niet.

Nele was zich in de schuur gaan verbergen, opdat niemand zien zou, dat ook zij weende om Uilenspiegel. Van verre volgde zij Soetkin en Klaas, de poorters en poorteressen; en toen zij heuren vriend alleen zag voortgaan, liep ze naar hem en sprong hem om den hals:

--Ginder zult gij schoone vrouwen vinden, sprak zij.

--Schoon, misschien, antwoordde Uilenspiegel, maar toch zoo frisch niet als gij, want zij zijn allen verbrand van de zonne.

Lang nog stapten zij samen voort: Uilenspiegel was nadenkend en prevelde van tijd tot tijd:

--Die zielmissen zullen ze mij betalen.

--Welke missen en wie zal betalen? vroeg Nele.

Uilenspiegel antwoordde:

--Alle dekenen, parochiepapen, geestelijken, kosters en andere hooge en lage zotskappen, die ons allerhande domheden willen doen slikken. Was ik een noeste arbeider geweest, dan was ik voor drie jaar mijn dagloon bestolen, met hunne bedevaart. Maar 't is de arme Klaas, die betaalt. Mijne drie jaar zal ik hun honderdvoudig betaald zetten; ik zal hun eene zielmis zingen, die hun aan de ribben zal hangen.

--Laas! Thijl, wees toch voorzichtig, zij zouden u levend verbranden, antwoordde Nele.

Ik ben vuurvast, antwoordde Uilenspiegel.

En zij namen afscheid van elkander: zij badend in tranen, hij droefgeestig en gram.

XXXIII.

Toen Uilenspiegel door Brugge, over de Woensdagmarkt kwam, zag hij daar eene vrouw, die rondgeleid werd door den beul en zijne knechten, en een groote menigte andere vrouwen, die rondom haar tierden en heur allerhande vuile beleedigingen toewierpen.

Daar zij boven aan heur kleed roode lapjes en den steen der justitie met zijne ijzeren ketenen om den hals droeg, begreep Uilenspiegel, dat het eene vrouw was, die het jeugdig en maagdelijk lichaam van hare dochteren verkocht had. Men zei hem, dat zij Barbara hiet en getrouwd was met Jason Darue; dat ze in dit gewaad van de eene plaats naar de andere gesleurd werd, totdat zij terugkwam op de Groote Markt, waar het schavot voor haar gereed stond. Uilenspiegel volgde haar met de menigte, die achter heur huilde en tierde. Op de Groote Markt teruggekomen, werd zij op het schavot gebracht, aan eenen paal gebonden, en de beul legde voor hare voeten een hoop gras en een klomp aarde: de bediedenis van het graf.

Ook zei men aan Uilenspiegel, dat ze vooraf in 't gevang gegeeseld was.

Voortgaande, ontmoette hij Hendrik Marischal, schooier, die in de kasselrij West-Ieperen gehangen was geweest; rond den hals toonde hij nog het merk van de koorden. Hij hing al in de lucht, zegde hij, en was verlost geworden alleenlijk door een goed gebed te doen tot Onze-Lieve-Vrouwe van Halle, zoodanig, dat, toen de baljuws en de rechters vertrokken waren, door een echt mirakel de koorden braken en hij ongedeerd ten gronde viel.

Maar later hoorde Uilenspiegel zeggen, dat die van de koorden verloste bedelaar een valsche Hendrik Marischal was, en dat men hem zijne leugen liet rondventen, omdat hij een perkament had, afgegeven door den deken van Onze-Lieve-Vrouwe van Halle, die, door het vertelsel van dien Hendrik Marischal, de galgenazen in grooten getale met rijke offeranden naar zijne kerk lokte. En Onze-Lieve-Vrouwe van Halle werd, zeer lang nog, Onze-Lieve-Vrouwe der Gehangenen genoemd.

XXXIV.

