De legende en de heldhaftige, vroolijke en roemrijke daden van Uilenspiegel en Lamme Goedzak in Vlaanderenland en elders

Part 43

Chapter 43 1,340 words Public domain Markdown

--Hooveerdigheid, bron van heerschzucht, Gramschap, moeder der wreedheid, gij dooddet ons op slagveld, in gevangenis en door marteling, om uwe schepters en kronen te behouden! Nijd, gij vernieldet in hunne kiem velerlei edele en nuttige denkbeelden: wij zijn de zielen van de verdrukte uitvinders; Gierigheid, gij veranderdet in goud, het zweet en het bloed van het arme volk: wij zijn de geesten van de zwoegers, uwe slachtofferen; Onkuischheid, gezellin en boelin van den Moord, die samen Nero, Messalina en Philippus, koning van Spanje, verwektet, gij koopt de deugd om en betaalt de verleiding; wij zijn de zielen der dooden; Traagheid en Gulzigheid, gij bevuilt en onteert de wereld: wij moeten u van haar verjagen, wij zijn de zielen der dooden.

En men hoorde eene stem zeggen:

Onder den mesthoop kiemt de plant. Is zeven slecht, zeven is goed. Bij dwaze doctoren, leerlingen vroed; Om asch te krijgen en tevens kool Wat doet een vlooken op den dool?

En de dwaallichtjes zeiden:

--Wij zijn het vuur, de weerwraak van de oude tranen, de smerten van het gemeen; de weerwraak op de heeren, die joegen op menschelijk wild; de weerwraak van de onnutte gevechten, van het in de gevangenissen vergoten bloed, van de levend verbrande mannen, de levend begraven vrouwlieden en meidekens; de weerwraak van het akelig en bloedig verleden. Wij zijn het vuur, wij zijn de zielen der dooden!

Bij die woorden werden de Zeven veranderd in houten standbeelden, waarbij zij hunne vroegere gedaante behielden.

En eene stem zeide:

--Uilenspiegel, verbrand het hout.

En Uilenspiegel, zich naar de dwaallichtjes wendend, zeide:

--Gij, die het vuur zijt, verricht uwe taak.

En de dwaallichtjes omringden in groote menigte de Zeven, welke verbrandden tot assche.

En het bloed vloeide bij stroomen.

En uit de assche kwamen zeven andere beelden te voorschijn; het eerste zeide:

--Ik was Hooveerdigheid, nu heet ik edele Fierheid.

De anderen spraken ook, en Uilenspiegel en Nele zagen Zuinigheid komen uit Gierigheid, Levendigheid uit Gramschap, Eetlust uit Gulzigheid, Wedijver uit Nijd, Droomerij van dichters en denkers uit Traagheid. En de Onkuischheid, op hare geit, veranderde in een schoone vrouw, die Liefde hiet.

En de dwaallichtjes dansten een blijden dans rondom dezelve.

Uilenspiegel en Nele hoorden toen duizend heldere, grinnikende stemmen van verborgen mannen en vrouwen, die zongen:

Als over land en wateren Die Zeven, hervormd, zullen heerschen, Menschen, hoofden hoog! 't Is het heil der wereld.

En Uilenspiegel zeide:

--Nele, die geesten spotten met ons.

Maar een machtige hand greep Nele bij den arm en wierp heur in het luchtruim.

En de geesten zongen:

Raakt het Noorden, Kussend het Westen, Rampspoed is uit. Vind de Zeven En den Gordel.

--Laas, zeide Uilenspiegel: Noord, West en Gordel.... Gij spreekt wel raadselachtig, heeren Geesten.

En grinnikend zongen zij:

't Noorden is Nederland, België 't Westen. Gordel is vriendschap, Gordel verbond.

--Dat is wijs gesproken, heeren Geesten, zeide Uilenspiegel.

En grinnikend zongen zij nog:

De gordel, arme, Om Neerland en België, Zal vriendschap wezen, Vroom verbond.

Met raad En daad, Met dood En bloed, Als 't moet, Was de Schelde daar niet, Arme, de Schelde.

--Laas, zei Uilenspiegel, dat is dus ons veelbewogen leven: tranen van 't menschdom en spotternij van 't lot.

Grinnikend hernamen de geesten:

Verbond Met bloed En dood, Was de Schelde daar niet!

En een machtige hand greep Uilenspiegel en smeet hem in het luchtruim.

X.

Toen Nele ten gronde te recht kwam, zag zij niets anders meer dan de zonne, die opstond te midden van de gulden dampen, de toppen der grashalmen, die insgelijks als in goud gedoopt waren, en den zonnestraal, die de veeren der slapende meeuwen kleurde. Maar de meeuwen ontwaakten weldra.

Vervolgens bekeek Nele zich zelve, zij zag, dat ze naakt was, en ze trok in der haast heure kleederen aan; vervolgens zag zij Uilenspiegel, insgelijks naakt, en zij bedekte hem; zij dacht, dat hij sliep, en zij schudde hem; maar hij verroerde zich niet meer dan een doode; zij werd van schrik bevangen.

--Ha! zeide zij, heb ik mijnen vriend gedood met de tooverzalf? Ik wil ook sterven! Ha! Thijl, word wakker! Hij is als marmer zoo koud!

Uilenspiegel werd niet wakker. Een dag en een nacht liepen voorbij, en Nele, koortsachtig van smert, waakte bij heuren vriend Uilenspiegel.

In den morgen van den tweeden dag, hoorde Nele het geklingel eener bel, en zij zag een boer komen met eene spade op den schouder; achter hem gingen een burgemeester en twee schepenen met eene waskeers in de hand, de parochiepaap van Stavenisse en een koster, die een zonnescherm hield boven het hoofd van den paap.

Zij gingen, naar zij zeiden, het heilig oliesel toedienen aan den dapperen Jacobsen, die vroeger Geus was uit schrik, maar die, nu het gevaar voorbij was, vóór zijn dood terugkeerde tot den schoot der Heilige Roomsche Kerke.

Weldra waren zij dicht bij Nele, die schreide, en zij zagen het lichaam van Uilenspiegel uitgestrekt op het gras, met zijne kleederen aan.

Nele knielde neder.

--Meideken, zeide de burgemeester, wat doet gij bij dien doode?

Zij antwoordde, zonder de oogen te durven opslaan:

--Ik bid voor mijnen vriend, die hier viel, als door den bliksem getroffen. Nu ben ik alleen: daarom wil ik insgelijks sterven!

De parochiepaap blies van genoegen en zei:

--God zij geloofd, de Geus Uilenspiegel is dood! Boer, haast u en delf een graf; trek zijne kleederen uit, alvorens hem in de aarde te steken.

--Neen, zei Nele, rechtspringend, men zal ze hem aanlaten, hij zou koude hebben in den killen grond.

--Delf een graf, zeide de parochiepaap tot den boer, die de spade droeg.

--Ik wil wel, zeide Nele badend in tranen; daar zijn geene wormen in het schelpzand, hij zal schoon en gaaf blijven, mijn geliefde.

En, als waanzinnig, bukte zij zich over het lichaam van Uilenspiegel en kuste zij het met tranen en snikken.

De burgemeester, de schepenen en de boer hadden medelijden, maar de pastoor zeide en herhaalde gedurig met blijdschap:

--De groote Geus is dood, God zij geloofd!

De boer dolf vervolgens een graf, legde Uilenspiegel er in en bedekte hem met zand. En de parochiepaap las over het graf de gebeden der dooden: allen knielden neder rondom het graf; doch plotseling zag men onder het zand een groote beweging, en Uilenspiegel keek rond zich, niesde en schudde het zand uit zijn haar, en greep den pastoor bij de keel en zeide:

--Ketterbeul, gij begraaft mij levend in mijnen slaap. Waar is Nele? Hebt gij ze ook in de aarde gedolven? Wie zijt gij?

De parochiepaap riep:

--De groote Geus verrijst op deze wereld! Heere God! wees mijne ziele genadig!

En hij vluchtte weg als een hert voor de honden.

Nele kwam bij Uilenspiegel.

--Kus mij, liefste, zeide hij.

Toen keek hij opnieuw rondom zich; boer en koster waren op den loop gegaan met den pastoor, en hadden, om rapper te loopen, spade, waskeersen en zonnescherm ten gronde geworpen; burgemeester en schepenen hielden van schrik hunne ooren vast en lagen te jammeren op 't gras.

Uilenspiegel ging tot hen en schudde hen.

--Begraaft men, zeide hij, Uilenspiegel, den geest, Nele, het hert van Vlaanderen? Neen! Vlaanderen kan ook slapen, maar sterven, nooit! Kom, Nele.

En hij toog henen met heur en zong zijn zesde liedeken, maar niemand weet waar hij zijn laatste zingen zal....

EINDE.

AANTEEKENINGEN

[1] Deze Voorrede werd, met een bepaald aantal platen, gevoegd in de eerste Fransche uitgave. (Lacroix-Verboeckhoven & Co.)

[2] Die bewering is nauwkeurig. Aan een Vlaamsch boekje van den uitgever Van Paemel, getiteld: Het aerdig leven van Thyl Uylenspiegel, ontleende de dichter een aantal hoofdstukken van het Eerste Boek van zijn werk.

[3] Over afleiding en beteekenis van het woord "Uilenspiegel" verschillen wij--en zeker de meeste Vlamingen met ons--teenemaal met Ch. de Coster. Omstandige, langdradige dissertatiën daaromtrent zullen wel overbodig zijn, en hooren ook in dit boek niet te huis. Zoo wij deze Voorrede in de Vlaamsche uitgave brachten, was het dus enkel met het inzicht het werk van Charles De Coster te eerbiedigen, en het, in zijn geheel, den Vlaamschen lezer aan te bieden. (Noot van den Vertaler.)