De legende en de heldhaftige, vroolijke en roemrijke daden van Uilenspiegel en Lamme Goedzak in Vlaanderenland en elders

Part 41

Chapter 41 4,048 words Public domain Markdown

En Uilenspiegel deed zooals Lamme wilde, en de monnik werd in de kooi gestoken, en elkeen kon hem op het gemak komen zien.

Lamme was terug in de keuken gekeerd; Uilenspiegel volgde hem daar en hoorde hem twisten met Nele:

--Ik leg mij te bed niet, zeide hij, neen, ik leg mij te bed niet; anderen zouden mijne sausen komen vermorsen; neen, ik blijf in mijn bed niet liggen lijk een kalf!

--Maak u niet boos, Lamme, zeide Nele, of uwe wond gaat opnieuw open, en gij sterft.

--Wel, zeide hij, dan sterf ik: ik ben moede van te leven zonder mijne vrouw. Is het niet hard genoeg voor mij, heur verloren te hebben, dat gij mij, den kok van het schip, nog wilt beletten zelf te zorgen voor den pot? Weet gij dan niet, dat geur van sausen en stoverije gezondheid baart? Zij voedt zelfs mijnen geest en pantsert mij tegen rampspoed.

--Lamme, zeide Nele, gij moet luisteren naar onzen raad en u laten genezen door ons.

--Ik wil mij laten genezen, sprak Lamme; maar dat geen andere, geen weetniet, geen leepoogige, stinkneuzige, etterige, slijmerige rabauw zich verstoute hier binnen te komen, om hier als kok te tronen in mijne plaats, en met zijn vuile vingeren mijne sausen te vermorsen, of ik sla hem den kop in met mijn houten pollepel, dewelke dan van ijzer zou zijn.

--Maar, zeide Uilenspiegel, gij moet toch een helper hebben, gij zijt ziek....

--Een helper, ik! zeide Lamme; ik, een helper! Om dat te zeggen, moet gij zoo vol ondankbaarheid zijn als eene worst, vol gekapt vleesch. Een helper, Thijl, en gij zijt het, die dit zegt tot mij, uwen vriend, die u zoo lang en zoo lekker gevoed heeft! Nu gaat mijne wond zeker weer open. Slechte vriend, wie anders hier zou uwe spijzen bereiden, dan ik? Wat zoudt gij beiden doen, als ik hier niet was om u, kapitein-hoofdman, en u, Nele, een of ander smakelijk gerecht voor te dienen?

--Wij zouden ons behelpen en zelven den pot koken, zeide Uilenspiegel.

--Den pot koken? zeide Lamme. Gij zijt goed om er van te eten, om zijn reuk op te snuiven; maar om hem gereed te maken, neen: arme vriend en kapitein-hoofdman, met al den eerbied, dien ik u verschuldigd ben, ik zou u in reepen gesneden weitasschen geven en gij zoudt ze eten voor vette darmen; laat mij, mijn vriend, hier kok blijven, of ik verdroog als een stok.

--Blijf dan kok, zeide Uilenspiegel; maar geneest gij niet, dan sluit ik de keuken en eten wij niets dan beschuit.

--Ha! mijn zoon, zeide Lamme, die weende van geluk, gij zijt goed als de Moeder Gods.

IV.

Doch hij scheen aan de beterhand.

Alle Zaterdagen zagen de Geuzen hem het middel van den monnik meten, met een langen lederen riem.

Den eersten Zaterdag zeide hij:

--Vier voet.

Daarna mat hij zich zelven en sprak:

--Vier voet en half.

En hij scheen weemoedig.

Maar den achtsten Zaterdag, van den monnik sprekend, zeide hij vol blijdschap:

--Vier voet en drij kwart.

En als hij den monnik de maat nam, zeide deze grammoedig tot Lamme:

--Wat wilt ge van mij, dikzak?

Maar Lamme stak zijne tong uit naar hem en zeide geen woord.

En, zevenmaal daags, zagen de soldaten en matrozen hem met een of ander nieuw gerecht afkomen en hoorden zij hem zeggen tot den monnik:

--Hier zijn boonen met Vlaamsche boter: at gij er dergelijke in uw convent? Gij hebt een goede tronie: mager wordt men niet op de vloot van de Geuzen. Voelt gij geen kussen van vet in uwen rug groeien? Weldra hoeft gij, om te slapen, op geene matras meer te liggen.

Bij het tweede maal, zeide hij:

--Zie, hier zijn koekebakken naar de Brusselsche wijs; zie maar wat blonde, goudgele tint zij kregen in de oven: ziet gij de boter afdruipen? Zoo ook zal geschieden met het vet van uwen buik.

--Ik heb geen eetlust, zei de monnik.

--Maar gij moet eten, zei Lamme. Meent gij misschien, dat het heetekoeken van boekweitbloem zijn? 't Is zuivere tarwe, eerweerde vader, dikke, vette vader, 't is bloem van tarwemeel, vader met vierdubbele kin: ik zie de vijfde reeds aankomen, en mijn hert is verblijd. Eet!

--Laat mij met vrede, dikzak, zei de monnik.

Lamme, die grammoedig werd antwoordde:

--Ik beschik over uw leven: hebt gij liever de koorde dan een goede teil erwtensoep met stukjes geroosterd brood, zooals ik er u dadelijk eene zal brengen?

En toen Lamme met de teil kwam, vervolgde hij:

--Erwtensoep alleen is eigenlijk geen eetmaal: ik heb er dan ook een schotel knoedelen naar Duitsche wijs bijgevoegd: dat zijn balletjes deeg met krenten, in het kokend water geworpen; knoedelen zijn zware kost, doch kweeken spek. Eet zooveel als gij kunt: hoe meer gij eet, hoe liever ik u zie: gij moet den viesneus niet spelen, en niet blazen alsof gij meer dan uwe bekomst hadt: eet! Is het niet beter te eten dan hangen te bengelen aan eene koord? Laat uwe dij zien! zij wordt ook dikker; twee voet en zeven duim omtrek. Waar vindt men nog eene hesp, die zoo dik is?

Een uur naderhand kwam hij weer bij den monnik:

--Neem, zeide hij, hier zijn negen duifjes: men heeft ze opzettelijk geschoten voor u, de onschuldige dieren, die, onbevreesd, boven de schepen vlogen; versmaad ze niet; in hunnen buik stak ik een balletje boter, broodkruim, geraspte muskaatnoot, kruidnagelen gestampt in een koperen vijzel, dewelke blinkt als uw vel: mevrouw de zonne is gansch verheugd zich te mogen spiegelen in een zoo helder gezicht als het uwe; dat komt van het vet, van het goede vet, dat ik u bezorgde!

Voor den vijfden maaltijd, bracht hij een waterzoo.

--Wat denkt gij hiervan? vroeg hij hem. De zee draagt en spijst u; meerder zou zij niet kunnen doen voor Zijne Koninklijke Majesteit. Ja, ja, klaarblijkelijk zie ik de vijfde kin wassen, een weinigje meer links dan rechts; wij zullen dien benadeelden kant moeten aanvetten, want de Heer heeft gezeid: "Weest rechtveerdig jegens elkeen". Waarin zou de rechtveerdigheid anders bestaan, dan in een rechtmatige verdeeling van vet? Voor uw zesde maal breng ik u mosselen--die oesters der armen--zooals gij er nooit kreegt in 't convent; dommeriken laten ze koken en eten ze zóó op, doch dat is maar de inleiding der stoverije: als zij gekookt zijn, moet men ze uit heure schelpen nemen, heure tengere lichaampjes in een stoofpan leggen, dan zachtjes laten stoven met selder, muskaatnoot en kruidnagelen en de saus binden met bier en meel; de mosselen worden dan voorgediend met sneden geroosterd en geboterd brood. Zoo deed ik voor u. Waarom zijn de kinderen een zoo groote erkentelijkheid verschuldigd aan vader en moeder? Omdat zij hun eene schuilplaats en liefde, maar vooral omdat zij hun eten gaven: dienvolgens moet ge mij beminnen als uw vader en uwe moeder te zamen, en zijt ge mij dezelfde dankbaarheid verschuldigd als hun: maar zie toch zoo verbolgen naar mij niet.

... Als de mosselen gezakt zijn, breng ik u bierpap, goed gebonden met meel, goed gesuikerd, met veel kaneel. Weet gij waarom? Opdat uw vet doorschijnend zou worden en lustig op uw vel zou waggelen: als gij u verroert, ziet men het alreeds. Daar klinkt de taptoe: slaap in vrede zonder aan den dag van morgen te denken, in de zekerheid steeds uw vette eetmalen terug te vinden, alsmede uw verkleefden vriend Lamme, die ze u liefdevol zal geven.

--Ga henen, satansjong, en laat mij bidden, zeide de monnik.

--Bid, zeide Lamme, bid met begeleiding van een vroolijk gesnork: bier en slaap geven vet, goed vet. Ik, ik ben blijde!

En Lamme trok naar zijn bed.

En de matrozen en soldaten zeiden tot hem:

--Waarom toch wilt gij dien vuilen monnik, die u geenerlei goed wil, zoo rijkelijk spijzen?

--Laat mij begaan, zeide Lamme, ik verricht een schoon werk.

V.

Toen Wintermaand was gekomen, de maand der donkere dagen, zong Uilenspiegel:

Monseigneur, Zijn Doorluchtige Hoogheid, Rukt zijn mom af, Willend heerschen over België. De verspaanschte staten, Doch niet verangevijnscht, Beschikken over de belastingen. Slaat op de trommel Der angevijnsche davering!

In hunne handen houden ze Domeinen, accijns en renten, 't Benoemen der magistraten En de ambten meteen. Op de hervormden heeft hij 't gemunt, Monsieur Zijn Doorluchtige Hoogheid, Die in Frankrijk doorgaat voor atheïst. O, de angevijnsche davering!

Want koning wil hij worden Door het zwaard en 't geweld, Alleenheerschend koning voorgoed, Die Monseigneur, en Doorluchtige Hoogheid. Innemen wil hij door verraad, Menig schoone stad en Antwerpen mee; Signorkens en pagaders, vroeg opgestaan, O, de angevijnsche davering!

Niet op u, Frankrijk, Werpt zich het volk, in blinde woede; Niet uw edel lichaam treffen Moorddadige wapenen; Niet uw kinderen zijn het, Wier lijken, hoop op hoop, De Kipdorppoorte vullen. O, de angevijnsche davering!

Neen, niet uw kinderen zijn het Die het volk van de schansen neergooit, Anjou is 't, Zijn Doorluchtige Hoogheid, Anjou is 't, de lijdelijke wufteling, Die leeft van uw bloed, o Frankrijk, En het onze wil drinken. Maar tusschen beker en lippen.... O, de angevijnsche davering!

Monsieur Zijn Doorluchtige Hoogheid, Schreeuwt in een weerlooze stad: Tue, tue, vive la messe! Met zijn mooie lievelingen, Wier oogen blinken Van 't schandevuur, schaamteloos schuw, Der ontucht zonder liefde. O, de angevijnsche davering!

Hen velt men, niet u, arm volk, Op wien ze drukken met belasting, Zoutgeld, hoofdgeld, 't eerstenachtrecht, U misprijzend, daar ze u afpersen Koorn, paarden, wagens, Gij, die hun een vader zijt, O, de angevijnsche davering!

Gij, die hun een moeder zijt, Zogend de brooddronkendheid Dier moedermoorders, welke, in den vreemde Uw naam bevlekken, o Frankrijk, overdaan Met den smook van hun glorie, Als ze hechten Door woeste wapenfeiten.... O, de angevijnsche davering!

Een bloempjen aan uw krijgskroon, Een provincie aan uw grondgebied. Laat den dwazen haan, ontucht en oorlog, Den voet op den strot, Fransch volk, manhaftig volk, Den voet die verplet! En al de volkeren krijgen u lief Om de angevijnsche davering!

VI.

In de Bloeimaand, als wanneer de Vlaamsche boerinnen 's nachts langzaam drie zwarte boonen achter zich over het hoofd werpen, om zich voor ziekte en dood te behoeden, ging Lamme's wond weder open; de kok had een zware koorts en vroeg, dat men hem zou leggen op het dek van het schip, rechtover de kooi van den monnik.

Uilenspiegel stond het geerne toe; doch uit vreeze, dat zijn vriend in eenen aanval der ziekte overboord zou vallen, deed hij hem stevig binden op zijn bed.

Zoodra Lamme een oogenblik bij zijn verstand was, vroeg hij of men den monnik niet vergat; en hij stak zijne tong naar hem uit.

En de monnik zei:

--Gij beleedigt mij, dikzak.

--Toch niet, zeide Lamme, ik wil u vetmesten.

De wind waaide zachtjes, de zonne was warm; Lamme leed aan de koorts, maar hij was stevig gebonden op zijn bed, opdat hij in zijne vlagen van ijlhoofdigheid niet overboord zou vallen; doch hij waande zich nog in de keuken en zei:

--Dat fornuis staat heel gereed. Aanstonds zal het ortolanen regenen. Vrouw, span de strikken in onzen boomgaard. Zoo zijt gij schoon, met uwe mouwen opgestroopt tot aan uwe ellebogen. Uw arm is wit, ik wil er in bijten, bijten met mijne lippen, dewelke fluweelen tanden zijn. Wien hoort dat schoon vleesch, die prachtige boezem, dien ik zie dwars door uw wit, fijnlinnen jakje? Die zoete schat is mijn! Wie zal de stoverije maken van hanekammetjes en kiekenstuiten? Niet te veel muskaatnoot, daarvan krijgt men koorts. Witte saus, tijm en laurier. Waar zijn de eierdooiers?

Vervolgens wenkte hij Uilenspiegel tot zich en zeide:

--Straks zal het wild regenen: ik zal u vier ortolanen meer geven dan aan de anderen. Gij zijt de gezagvoerder, maar verraad mij niet!

Toen hij de golven zachtjes tegen den wand van het schip hoorde klotsen, sprak hij verder:

--De soep kookt, mijn zoon, de soep kookt, maar met dat fornuis kan ik geen vuur krijgen.

Zoodra hij weer tot zijne zinnen kwam, vroeg hij naar den monnik.

--Waar is hij? Vet hij aan?

En als zijn blik op hem viel, stak hij zijne tong naar hem uit, zeggende:

--Het groote werk wordt voltooid.

Eens vroeg hij, dat men de groote waag op het dek zou brengen, dat men hem zelven op een schaal zou zetten en den monnik op de andere. Nauwelijks was de monnik erop, of Lamme steeg omhoog lijk een vuurpijl in de lucht en, hem vreugdevol beziende, zeide hij:

--Hij is zwaarder! hij is zwaarder! ik ben licht als een geest tegen hem: ik wil als een vogel de lucht klieven; ik heb mijn plan: neemt er hem af, dat ik beneden kunne; legt er nu de gewichten op: zet hem weder op de schaal. Hoeveel weegt hij? Driehonderd veertien pond. En ik? Tweehonderd twintig!

VII.

In den nacht van den volgenden dag, bij de eerste ochtendschemering, werd Uilenspiegel gewekt door Lamme, die schreeuwde:

--Uilenspiegel! Uilenspiegel! help, laat heur niet vertrekken. Snijd de koorden door! snijd ze door!

Uilenspiegel klom op het dek en vroeg:

--Waarom roept gij? ik zie niets.

--Zij is 't, antwoordde Lamme, zij is 't, mijne vrouw, daar in die sloep, welke de vlieboot omvaart; ja, om de vlieboot, van welke die zangen en die vedeltonen kwamen.

Nele was ook op het dek geklommen.

--Snijd de koorden door, mijne vriendin, zei Lamme. Ziet gij niet, dat mijne wond genezen is? Heur zachte hand heeft ze verbonden; zij, ja, zij. Ziet gij ze rechtstaan in de sloep? Hoort gij? Zij zingt nog. Kom, mijne liefste, kom, ontvlucht uwen armen Lamme niet meer, die zonder u zoo moederziel alleen was op de wereld.

Nele nam zijne hand vast en legde de heure op zijn voorhoofd.

--Hij heeft nog koorts, sprak zij.

--Snijdt de koorden door, zei Lamme; geeft mij eene sloep! Ik ben levend, ik ben gelukkig, ik ben genezen!

Uilenspiegel sneed de koorden door: Lamme sprong in zijn wit linnen hooze, zonder wambuis, uit zijn bed, en wilde zelf de sloep in zee laten.

--Zie hem bezig, zeide Nele tot Uilenspiegel: zijne handen beven van ongeduld.

Toen de sloep gereed was, daalden Uilenspiegel, Nele en Lamme er in met eenen roeier, en deze wriggelde naar de vlieboot, die, verre in de reede, op anker lag.

--Zie, wat schoone vlieboot, zeide Lamme, die weldra, uit ongeduld, de plaats van den roeier ingenomen had.

De romp en de masten van de vlieboot kwamen slank uit op den frisschen morgenhemel, die, als verguld kristal, gekleurd werd door de rijzende zonne.

Terwijl Lamme dapper doorwrikte, vroeg Uilenspiegel hem:

--Zeg ons nu hoe gij ze terugvondt.

Lamme antwoordde met horten en stooten:

--Ik sliep, reeds aan de beterzijde. Eensklaps dof gerucht. Stuk hout klopt op het schip. Sloep! Op het gerucht een matroos toegeloopen: Wie daar? Een zoete stem, de heure, mijn zoon, de heure antwoordt: "Vrienden". Vervolgens grovere stem: "Vive le Geus: bevelhebber van vlieboot Johanna moet Lamme Goedzak spreken". Matroos laat de ladder beneden. De maan glom. Ik zie mannelijke gedaante op het dek klimmen: breede heupen, ronde knieën, breed bekken; vrouw, maar geen man, zei ik bij mij zelven: ik voel als eene roos die ontluikt en mijne kaak streelt: heure lippen, mijn zoon, en ik hoor heur zeggen, begrijpt gij? zij zelve, mij met kussen en tranen bedekkend--vloeibaar vuur, dat als balsem nederviel op mijn gelaat--zij zelve zeide mij: "Ik weet, dat ik misdoe, maar ik bemin u, mijn man! Ik heb voor God gezworen: ik verbreek mijnen eed, mijn man, mijn arme man! dikwijls ben ik gekomen zonder u te durven naderen; eindelijk stond de matroos het mij toe: ik verbond uwe wond, gij herkendet mij niet; maar ik heb u genezen, wees niet grammoedig, man! Ik ben u gevolgd, maar ik ben bevreesd, hij is op dit schip: laat mij vertrekken; zoo hij mij zag, zou hij mij verdoemen en zou ik branden in het eeuwige vuur!" Zij kuste mij nog, weenend en gelukkig, en vertrok, mijns ondanks, in spijt van mijne tranen: gij hadt mijne armen en beenen gebonden, mijn zoon, maar nu....

Dit zeggende, gaf hij krachtdadige riemslagen; het was als de gespannen koord van eenen boog, die den pijl in de lucht schiet.

Naarmate zij de vlieboot naderden, zeide Lamme:

--Daar staat zij op het dek, zij speelt op de vedel, mijn beminnelijke vrouw, met heur goudbruine lokken, heur bruine oogen, heur frissche koonen, heur bloote, ronde armen, heur witte handjes. Vlieg over den vloed, sloep!

Toen de kapitein van de vlieboot de sloep zag naderen en Lamme als een duivel wriggelen, liet hij eene ladder uitwerpen. Toen Lamme er dicht bij was, sprong hij van de sloep op de ladder, op gevaar af van in zee te vallen, zoodat de sloep meer dan drie vademen achteruit gleed; en, vlug als eene kat op het dek klaverend, liep hij naar zijne vrouw, die, buiten zich zelve van geluk, hem kuste en omhelsde, en zeide:

--Lamme! breng mij niet ten verderve; ik heb voor God gezworen, maar ik bemin u. Ha! lieve man!

Nele riep:

--'t Is Kalleken Huybrechts, het schoone Kalleken!

--Ik ben het, sprak zij, ja, Kalleken, maar schoon is ze niet meer!

En zij zette een jammerlijk gezicht.

--Wat hebt gij gedaan, vroeg Lamme, wat zijt gij geworden? waarom liet ge mij zitten? waarom wilt gij mij weder verlaten?

--Luister, zeide zij, wees niet grammoedig, ik zal u alles bekennen: wetende dat al de monniken mannen Gods zijn, vertrouwde ik mij aan een hunner; hij heet broer Cornelis Adriaensen.

Toen Lamme dit hoorde, riep hij uit:

--Wat, die smerige paap, wiens mond een rioolgat was, vol drek en vol modder, en die steeds dorstte naar het bloed der hervormden! Wat! die verdediger der brandstapels en der plakkaten! Ha! 't was die gemeene schavuit!

Kalleken sprak:

--Laster den man Gods niet!

--De man Gods! zeide Lamme, ik ken hem: het was de man van vuilnis en vuigheid. Wat rampspoed! mijn schoon Kalleken gevallen in de handen van dien ontuchtigen vuilbaard! Nader mij niet, of ik dood u; en ik, die heur zoozeer beminde! mijn arm bedrogen hert, dat ganschelijk heur was! Wat komt gij hier doen op onze schepen? waarom hebt gij mij opgepast? waarom liet ge mij niet sterven? Ga heen, ik wil u voor mijne oogen niet meer zien; ga heen, of ik smijt u in de zee. Mijn mes!...

Doch zij vloog om zijnen hals en sprak:

--Lamme, mijn man, ween niet: ik ben niet wat gij denkt: ik behoorde nooit aan dien monnik.

--Gij liegt, zeide Lamme weenend en knarsetandend tegelijk. Ha! nooit was ik jaloersch, doch nu ben ik het! Ongelukkige drift, grammoedigheid en liefde, behoefte aan dooden en worgen. Uit mijne oogen! neen, blijf! Ik was zoo goed voor heur! De moordlust is meester in mij. Mijn mes! Ho! hier brandt, verteert, knaagt iets in mij; gij spot met mij....

Zoet en onderdanig, omhelsde zij hem weenend.

--Ja, zeide hij, ik ben belachelijk met mijne gramschap: ja, gij bewaardet mijne eer, die eer, die men dwaselijk hangt aan den rok eener vrouw. Daarom was het dus, dat gij uw zoetste lonkjes koost om mij te vragen of gij met uwe vriendinnen naar het sermoen mocht gaan?

--Laat mij spreken, zei de vrouw hem omhelzend: ik mag op staanden voet doodvallen, zoo ik u ooit bedroog.

--Wel, val dan dood, zeide Lamme, want gij gaat liegen!

--Luister, zeide zij.

--Spreek of zwijg, sprak Lamme, 't is mij eender.

--Broer Adriaensen, zeide zij, ging door voor een bespraakt predikant; hij stelde den geestelijken en den ongehuwden staat verre boven den anderen, als best geschikt om de geloovigen in het hemelrijk te brengen; zijne welsprekendheid was groot en onstuimig: daardoor bracht hij het verstand op hol van meerdere eerlijke vrouwen, onder dewelke ik telde, en ook van een groot aantal weduwen en meidekens. Vermits de ongehuwde staat zoo volmaakt was, bezwoer hij ons in denzelven te blijven: wij zwoeren, dat wij ons nimmermeer zouden laten trouwen....

--Behalve door hem ... zei Lamme weenend.

--Zwijg toch, zeide zij grammoedig.

--Komaan, sprak hij, voltooi uw werk: gij hebt mij een harden slag toegebracht, ik zal hem niet overleven.

--'t Doet, zeide zij, zoo ik altijd bij u blijf, man.

Zij wilde hem omhelzen en kussen, maar hij stiet heur van zich af.

--De weduwen, zeide zij, zwoeren vóór hem, nooit te zullen hertrouwen.

En Lamme aanhoorde heur, gedachteloos in zijn jaloersche droomerij.

Kalleken vervolgde, beschaamd, heure rede:

--Hij wilde, zeide zij, geen andere biechtelingen dan jonge en schoone vrouwen of meidekens: de anderen stuurde hij naar den paap heurer parochie. Hij stelde eene orde van godvruchtige vrouwen in, en deed ons allen zweren niemand anders tot biechtvader te zullen nemen dan hem: dat zwoer ik; mijne gezellinnen, beter onderricht dan ik, vroegen mij of ik mij wilde laten onderwijzen in de Heilige Geeseling en in de Heilige Boete: ik stemde toe. Er was te Brugge, op de Steenkappersrei, omtrent het Minderbroedersklooster, een huis bewoond door eene vrouw, genoemd Kalle de Naeyer, welke aan de meidekens kost en onderricht gaf, tegen een karolusgulden per maand: Broer Cornelis kon bij Kalle de Naeyer binnen, zonder oogenschijnlijk uit zijn klooster te komen, het was in dit huis dat ik ging, in een kleine kamer, in dewelke hij zich alleen bevond; daar gebood hij mij, hem al mijn natuurlijke en vleeschelijke neigingen te zeggen; eerst durfde ik niet, maar ten slotte gaf ik toe: ik weende en zeide hem alles.

--Laas! schreide Lamme, en alzoo ontving die zwijnachtige monnik uw zoete biechte!

--Hij zeide mij steeds, en dit is waar, mijn man, dat er boven de aardsche eerbaarheid een hemelsche eerbaarheid bestaat, door dewelke wij God onze wereldsche schaamte offeren, en dat wij aldus aan onzen biechtvader al onze geheime lusten moeten bekennen, en dan weerdig zijn de Heilige Geeseling en de Heilige Boete te ontvangen.

Eindelijk beval hij mij, naakt vóór hem te gaan staan, om op mijn lichaam, dat gezondigd had, de al te lichte kastijding mijner schulden te ontvangen. Eens gebood hij mij, mij te ontkleeden; ik viel in onmacht toen ik mijn hemde moest uitdoen: hij bracht mij weer tot mij zelve, door middel van fleschjes.--"'t Is goed voor deze reize, mijne dochter, sprak hij, kom binnen twee dagen terug en breng eene roede mee". Dit duurde lang, zonder dat hij ooit ... ik zweer het voor God en al zijne santen ... mijn man ... begrijp mij ... kijk naar mij ... zie of ik lieg: ik bleef zuiver en trouw ... ik beminde u.

--Arm zoet lichaam, zeide Lamme. O, vlek van schande op uw bruidskleed!

--Lamme, zeide zij, hij sprak in den naam Gods en onzer Moeder, de Heilige Kerk; moest ik hem niet aanhooren? Ik beminde u steeds, maar door schromelijke eeden had ik de Maagd gezworen mij aan u te onttrekken; ik was nochtans zwak voor u, Lamme. Herinnert gij u nog het gasthof te Brugge? Ik was bij Kalle de Naeyer, gij reedt daar voorbij op uwen ezel, met Uilenspiegel. Ik volgde u; ik had een schoone som gelds op zak, want ik verteerde niets voor mij zelve; ik zag, dat gij honger hadt: mijn hert trok naar u, ik had medelijden en liefde!

--Waar is hij nu? vroeg Uilenspiegel.

Kalleken antwoordde:

--Na een onderzoek, bevolen door den magistraat, en eene nasporing van de boozen, moest broer Adriaensen de stede Brugge verlaten, en hij nam de wijk naar Antwerpen. Op de vlieboot zeide men mij, dat mijn man hem gevangen nam.

--Wat! riep Lamme, die monnik dien ik vetmest, is....

--Hij zelf, antwoordde Kalleken, terwijl zij heur aangezicht met heure handen bedekte.

--Eene akst! eene akst! zeide Lamme, dat ik hem doode, dat ik het vet van dien geilen bok bij opbod verkoope! Gauw, laat ons naar het schip terugkeeren. De sloep! Waar is de sloep?

Nele sprak:

--Het is een eerlooze wreedheid eenen gevangene te dooden of te kwetsen.

--Gij beziet mij zoo verschrikkelijk, zeide hij, zoudt gij het mij beletten?

--Ja, zeide zij.

--Wel, sprak Lamme, ik zal hem geenerlei leed doen: laat mij hem slechts uit zijne kooi trekken. De sloep! Waar is de sloep?

Zij stapten weldra in de sloep. Lamme wrikte zoo vlug als hij kon en schreide tegelijk.

--Zijt gij droef, man? vroeg Kalleken hem.

--Neen, zeide hij, ik ben gelukkig: zult ge mij niet meer verlaten?

--Nooit! zeide zij.