De legende en de heldhaftige, vroolijke en roemrijke daden van Uilenspiegel en Lamme Goedzak in Vlaanderenland en elders

Part 40

Chapter 40 3,844 words Public domain Markdown

--Gij spot, zeide zij. Ik zie niets dan uw wambuis, dat van laken is, doch geenszins van ijzer; daaronder is uw lijf, dat van vleesch en been is, lijk het mijne. Wie zal u verbinden als gij gekwetst zijt? Moet gij moederziel alleen sterven, te midden van de strijders? Ik zal met u gaan.

--Laas, zeide hij, als de lansen, kogels, zweerden, aksten, hamers, mij sparen, maar op uw liefelijk lichaam vallen, wat moet ik, nietdeug, dan doen op de wereld zonder u?

Maar Nele zeide:

--Ik wil u volgen, er zal geen gevaar zijn; ik zal mij verbergen in de houten schansen, waar de busschutters staan.

--Als gij vertrekt, dan blijf ik; en men zal zeggen, dat uw vriend Uilenspiegel lafaard is en verrader; maar luister naar mijn lied:

IJzeren is mijn harentuit, Daar schutte natuur mij mede. Lederen is mijn eersten huid, Stalen is mijn tweede.

Laat de dood, de leelijke, wreede, Loeren naar een ander buit. Lederen is mijn eerste huid, Stalen is mijn tweede.

"Leven" steekt op mijn vendel uit, Leven in 't licht der rede. Lederen is mijn eerste huid, Stalen is mijn tweede.

En zingend toog hij henen, niet zonder den trillenden mond en de liefelijke oogen te kussen van de koortsachtige Nele, die lachte en weende te gelijk.

De Geuzen zijn vóór Antwerpen, zij kapen Alva's schepen tot in de haven. Zij komen in lichten dag in de stad, verlossen gevangenen en nemen paapschgezinden om tot rantsoen te dienen. Met geweld doen zij de poorters opstaan, en dwingen eenigen hunner hen sprakeloos te volgen, onder doodsbedreiging.

Uilenspiegel zeide tot Lamme:

--De zoon des admiraals is gevangen bij den schouteet; wij moeten hem verlossen.

Zij dringen in het huis van den schout en vinden den jongeling, dien zij zochten, in gezelschap van een dikbuikigen monnik, dewelke hem een grammoedige predikatie hield om hem terug te brengen in den schoot Onzer Moeder, de Heilige Kerk. Maar de jonge snaak vroeg of hij hem niets beters kon aanbieden. Hij gaat henen met Uilenspiegel. Ondertusschen grijpt Lamme den monnik bij zijne kap, en doet hem vóór zich gaan in de straten van Antwerpen, zeggende:

--Gij zijt honderd gulden weerd: maak uw pak en ga vóór. Waarom gaat gij zoo traag? Hebt gij lood in uwe schoenen? Wat rapper, spekzak, vleeschbank, soepketel!

De monnik antwoordde, in woede ontstoken:

--Goed, mijnheer de Geus, ik ga; maar, met al den eerbied, dien ik uwe schietbus verschuldigd ben, veroorloof ik mij te zeggen, dat gij zoo dik zijt als ik.

Maar Lamme stiet hem voort en sprak:

--Hoe vermeet gij u uw onnut, vadsig kloostervet te vergelijken met mijn Vlamingvet, dat eerlijk gekweekt werd door arbeid, vermoeienis en gevecht? Gauw wat, of ik jaag u voort met eene spoor op de punt van mijnen schoen.

Maar de monnik kon niet loopen, hij was gansch buiten adem, en Lamme insgelijks. En zoo kwamen zij op het schip.

XXI.

Nadat de Geuzen, Rammekens, Geertruidenberg, Alkmaar hadden genomen, stevenden zij weder naar Vlissingen.

Nele, die genezen was, wachtte Uilenspiegel af aan de haven.

Hem ontwarend, riep zij:

--Thijl, mijn vriend Thijl, zijt ge niet gewond?

Uilenspiegel zong:

"Leven" steekt op mijn vendel uit, Leven in 't licht der rede. Lederen is mijn eerste huid, Stalen is mijn tweede.

--Laas! zeide Lamme, trekkebeenend: de kogels, granaten, kettingkogels regenen rondom hem, en hij voelt er niets van dan den wind. Gij zijt voorzeker een geest, Uilenspiegel, en gij ook Nele, want gij zijt beiden altijd jeugdig en luimig.

--Wat hebt gij aan uw been? vroeg Nele tot Lamme.

--Ik ben geen geest en zal het nooit wezen, sprak hij. Ik heb dan ook een bijlslag gekregen in mijne bil,--mijne vrouw had er zulke ronde en schoone!--zie, ik bloed. Laas! waarom is ze niet hier om mij te verzorgen?

Maar Nele antwoordde grammoedig:

--Waarom vraagt gij naar een meineedige vrouwe?

--Spreek geen kwaad van haar, antwoordde Lamme.

--Neem, zeide Nele, hier is balsem, dien ik meebracht voor Uilenspiegel; strijk hem op uwe wond.

Toen Lamme zijne wond verbonden had, werd hij blijgeestig, want de balsem stilde de bijtende smert; en zij klommen alle drie op het schip.

Toen Nele den monnik met gekluisterde handen op het dek zag wandelen, vroeg zij:

--Wie is die? Dien zag ik reeds; en ik meen hem te kennen.

--Gelijk hij waait en draait, is die honderd gulden rantsoen weerd, zeide Lamme.

XXII.

Dien dag was 't kermis op de vloot van de Geuzen. Niettegenstaande het gure weder der Wintermaand, niettegenstaande regen en sneeuw, waren al de Geuzen op het dek van de schepen. De zilveren halvemanen flikkerden op de Zeeuwsche hoedekens.

En Uilenspiegel zong:

Leiden is ontzet, de bloedhertog Wijkt uit de Nederlanden; Klare klokken, klinkt, Beiaards, schatert uw deuntjes uit; Rinkelt, roomers en bottels.

Kreeg de doghond slaag, Staartneder, met bloedend oog, Loopt hij de stokken weer in. Zijn gescheurde muil Hijgt en huivert. Weg is de bloedhertog: Rinkelt, roomers en bottels. Leve de Geus!

Bijten wou hij zijn eigen. De stokken brijzelden zijn gebit. Met hangenden suffen kop, Denkt hij aan dagen van moord en vraatlust. Weg is de bloedhertog: Slaat op de glorietrom, Slaat op de krijgstrom! Leve de Geus!

Thans schreeuwt hij den duivel toe: "Koop Mijn hondsche ziel voor één uur kracht". "Uw ziel, roept de duivel, Uw ziel of een boestring, dat 's eender." Geen tand past op een tand. De harde brokken moest ge maar laten. Weg is de bloedhertog: Leve de Geus!

De straathondjes, scheef, scheel, schurftig, Die leven en krepeeren op vuilnishoopen, Heffen hun poot op, beurt om beurt, Naar hem, die doodde uit moordzucht.... Leve de Geus!

"Hij hield van vrouw noch vriend, Van vreugd, noch zon, noch meester, Slechts van de Dood, zijn bruid, Die hem de pooten knakte, Tot blijdans vóór de bruiloft; Want heele menschen lust ze niet. Slaat op de vreugdtrom. Leve de Geus!"

En de straathondjes mank, Scheef, schurftig en scheel, Heffen nog eens den poot op Dat het ziedt en zout, En met hen brakken en winden, Rekels van Hongarije, Van Brabant, Namen en Luxemburg. Leve de Geus!

En triestig, met schuimmuil, Krepeert hij vóór zijn meester, Die hem schopt met den voet, Wijl hij te weinig beet. Ter helle huwt hij Dood. Hem heet zij: Mijn hertog; Hij haar: Mijn inquisitie. Leve de Geus!

Klare klokken, klinkt, Beiaard, schater uw deuntjes uit; Rinkelt, roomers en bottels: Leve de Geus!

VIJFDE BOEK.

I.

Als Lamme's monnik gewaar werd, dat de Geuzen geenszins zijnen dood wilden, doch een rantsoen voor hem eischten, begon hij het hoofd op te steken.

--Ziet, zeide hij, terwijl hij met woede op het dek stapte en schuddebolde, ziet in welken afgrond van vuile, zwarte en afgrijselijke gruwelen ik gevallen ben, toen ik den voet in deze verdoemde kuip zette. Zoo ik hier niet was, zou ik, gezalfd door den Heer....

--Met hondenvet? vroegen de Geuzen.

--Honden zijt gij zelven, antwoordde de monnik, zijne rede vervolgend, ja, schurftige, drekkige straathonden, met het vel over de beenderen, die het lustige pad van Onze Moeder, de Heilige Roomsche Kerk, hebt verlaten om de schrale wegen van uwe havelooze Hervormde Kerk in te slaan. Ja! ware ik hier niet op uwen klomp, lang reeds had de Heer, Onze God hem doen verzwelgen in den diepsten afgrond der zee, met u, uw vermaledijde wapenen, uwe duivelsche donderbussen, uw zingenden kapitein, uw heiligschennende halvemanen, ja! tot in het diepste van den onpeilbaren bodem van het rijk Satans, waar gijlie niet zult branden, o neen! maar vervriezen, beven en sterven van koude, de eeuwigheid der eeuwigheden lang. Ja, de God des hemels zal aldus het vuur uitdooven van uwen goddeloozen haat tegen Onze Zoete Moeder, de Heilige Roomsche Kerk, tegen de genadige santen, de eerwaarde bisschoppen en de gezegende plakkaten, die zoo zachtmoedig en wijselijk uitgedacht zijn. Ja, en van het hoogste des hemelrijks zal ik u zien, paars lijk beeten, of wit lijk rapen, van koude. Zoo zij en zoo weze!

De matrozen, soldaten en scheepsjongens spotten met hem en schoten, met blaaspijpen, droge erwten naar hem. En met zijne handen beschermde hij zijn gelaat tegen die kogels.

II.

De bloedige hertog had onze landen verlaten, en de heeren Medina Celi en Requesens regeerden ze met minder wreedheid. Vervolgens bestuurden de Staten-Generaal, in naam van den koning.

Die van Zeeland en Holland, bevoordeeld door de zee en de dijken, die hun natuurlijke wallen en vestingen zijn, openden ondertusschen, aan den God der vrijen, vrije tempelen, alwaar de paapschgezinde beulen naast hen hunne lofzangen konden aanheffen; en de Prins van Oranje, de edele Zwijger, hield zich druk bezig met het stichten van een stadhouderlijk en koninklijk huis.

Belgieland werd verwoest door de Walen, die ontevreden waren over de Pacificatie van Gent, dewelke, naar men zeide, allen haat moest uitdooven. En die Waalsche Paternosterknechten, met groote zwarte rozenkransen om den hals, van dewelke tweeduizend te Spienne, in Henegouw, werden gevonden, stalen twaalfhonderd, ja, tot twee duizend ossen en peerden, onder de beste, trokken door velden en sompen, ontvoerden vrouwen en meidekens, aten steeds zonder betalen, en verbrandden in de schuren de gewapende boeren, die niet gedwee de vrucht van hunne noeste vlijt lieten rooven.

En die van het volk zeiden tot elkander: "Don Juan gaat komen met zijne Spanjolen, en Zijne Groote Hoogheid zal komen met zijne paapschgezinde Franschen: en de Zwijger, dewelke gerust over Holland, Zeeland, Gelderland, het Sticht, Overijsel wil heerschen, staat bij geheime overeenkomst Belgieland af, opdat de heer van Anjou koning kunne worden van hetzelve".

Eenigen uit het volk behielden nochtans hun vertrouwen. "De heeren der Staten, zeiden zij, hebben twintig duizend goed gewapende mannen, met vele kanonnen en een goede ruiterij. Zij zullen al de uitheemsche soldaten wederstaan".

Maar de omzichtigen spraken: "De Heeren der Staten hebben twintig duizend man op papier, maar geenszins te velde; zij hebben geene ruiterij en laten, op eene mijl van hun kamp, hunne peerden stelen door de Paternosterknechten. Zij hebben geen geschut, want, terwijl wij er hier van doen hebben, hebben zij besloten honderd donderbussen met kogels en kruit te zenden aan don Sebastiaan van Portugal; en men weet niet waar de twee millioen daalders henen zijn, die wij in vier maal als beden en schattingen hebben betaald. De poorters van Gent en Brussel wapenen zich: Gent voor de hervorming en Brussel eveneens. Te Brussel spelen de vrouwen op de tamboerijn, terwijl heure mannen aan de vestingen werken. En het onversaagde Gent stuurt aan het lustige Brussel het kruit en de donderbussen, welke hem ontbreken, om zich te verdedigen tegen Malcontenten en Spanjaards.

"En elkeen, in de steden en op het platteland, ziet, dat men vertrouwen moet hebben noch in onze heeren noch in zoovele anderen. En wij, poorters en die van 't gemeen, zijn treurig in ons hert als wij zien, dat, terwijl wij ons geld gaven en bereid zijn ook ons bloed te geven, er geen vooruitgang komt voor het welzijn van den grond onzer vaderen. En Belgieland is bang en gram, omdat het geen trouwe hoofdmannen heeft, die het naar het gevecht brengen en naar de zege, met groote inspanning van de wapenen, die gereed zijn tegen de vijanden der vrijheid".

En de omzichtigen prevelden tot elkaar:

"In de Pacificatie van Gent bezwoeren de heeren van Holland en België de uitdooving van allen haat, wederkeerigen onderstand tusschen de Belgische Staten en de Nederlandsche Staten; verklaarden zij de plakkaten van geener weerde, alle verbeurdverklaringen opgeheven, den vrede tusschen de beide godsdiensten; zij beloofden alle hoegenaamde zuilen, zegeteekenen, opschriften en standbeelden te zullen afbreken, welke de hertog van Alva tot onze schande opgericht heeft. Doch in de herten der hoofden blijft alle haat woeden; edelen en geestelijken stoken verdeeldheid onder de Staten van het Verbond; zij krijgen geld om de soldaten te betalen, en houden het voor zich om te zuipen en te vreten; vijftien duizend gedingen wegens terugvordering van verbeurdverklaarde goederen blijven opgeschort; Lutheranen en Roomschen verbinden zich tegen de Calvinisten; de wettige erfgenamen vermogen niet, de roovers uit hunne goederen te drijven; het standbeeld van den hertog is nedergehaald, maar de beeltenis van de Inquisitie is in al de herten".

En het arme volk en de jammerende poorters wachtten steeds op den trouwen en wakkeren hoofdman, die hen zou brengen naar het gevecht voor de vrijheid.

En zij zeiden tot elkander: "Waar zijn de doorluchtige onderteekenaren van het Eedverbond, allen vereenigd, naar zij zeiden, voor het heil des Vaderlands? Waarom sloten die valsche lieden een zoo "heilig verbond", als zij het dadelijk daarna zouden verbreken? Waarom zich met zooveel gezwets vereenigen, de gramschap des konings verwekken, om daarna uiteen te gaan, als verraders en bloodaards? Met vijfhonderd als zij waren, groote en kleine heeren, als broeders vereenigd, konden zij ons van de Spaansche furie bevrijden; maar zij offeren België's heil op aan hun eigen welzijn, zooals ook Egmond en Hoorne deden.

... Laas! zeiden zij, nu zal don Juan komen, die heerschzuchtige vrouwengek, vijand van Philippus, maar nog grootere vijand van onze landen. Hij komt voor den paus en zich zelf. Edelen en geestelijken plegen verraad".

En zij beginnen een schijnoorlog. Op de muren van de straten en stegen van Gent en van Brussel, tot zelfs op de masten van de schepen der Geuzen, zag men toen uitplakken de namen van de legerhoofden en bevelhebbers van versterkte plaatsen, die verraad pleegden: die van den graaf van Liedekerke, dewelke zijn slot niet verdedigde tegen don Juan; van den provoost van Luik, dewelke de stede aan don Juan wilde verkoopen; van de heeren van Aerschot, van Mansfeld, van Berlaymont, van Rennenberg; van den Staatsraad, van George Lalaing, stadhouder van Friesland; van het legerhoofd, den heer van Rossignol, afgezant van don Juan, bemiddelaar tusschen Philippus en Jaureguy, den onbehendige, die moord wilde plegen op den Prins van Oranje; den naam van den aartsbisschop van Kamerijk, die de Spanjaards binnen de stede wilde laten komen; de namen der jezuïeten van Antwerpen, die drie tonnen gouds--dat maakt twee millioen gulden--boden aan de Staten om het kasteel niet af te breken, om het voor don Juan te behouden; van den bisschop van Luik; van de Roomsche predikanten, die de patriotten belaagden; van den bisschop van Utrecht, door de poorters om zijn verraad uit het Sticht verdreven; van de bedelorden, die te Gent konkelden ten voordeele van don Juan. Die van 's Hertogenbosch stelden aan de kaak den naam van den karmeliet Pieter, die, geholpen door zijnen bisschop en de geestelijkheid, zich sterk maakte de stede aan don Juan over te leveren.

Te Dowaai hingen zij echter den rector der Hoogeschool in beeltenis niet op, die insgelijks Spaanschgezind was geworden. Doch op de schepen der Geuzen las men, op den buik van groote poppen, die bij den hals aan de raas hingen, de namen van monniken, abten en prelaten; die van de achttienhonderd rijke vrouwen en dochters uit het begijnenhof van Mechelen, die, op eigen kosten, de beulen des vaderlands met vederen en goudborduurselen versierden, en voorzagen in hunlieder onderhoud.

En op die poppen, schandpalen voor de verraders, las men de namen van den markgraaf van Harrault, bevelhebber van de versterkte plaats Philippeville, die oorlogsmunitie en mondbehoeften vermorste, om naderhand de plaats aan den vijand te leveren, onder voorwendsel dat hij gebrek had aan leeftocht; dien van Belver, dewelke Limburg overgaf, alswanneer de stede het nog acht maanden volhouden kon; dien van den voorzitter van den Raad van Vlaanderen; van den magistraat van Mechelen, die zijne stede bewaarde voor don Juan, van de heeren van het Rekenhof van Gelderland, dat gesloten was uit hoofde van verraad; van die van den Raad van Brabant, van de kanselarij des hertogdoms; van den privaten raad en van den raad van financiën; van den hoogbaljuw en burgemeester van Meenen; van de slechte buren van Artesië, die ongehinderd twee duizend Franschen doorlieten, dewelken hier kwamen plunderen.

--Laas! zeiden de burgers tot elkaar, nu dat de hertog van Anjou den voet in onze landen gezet heeft, wil hij hier koning zijn; zaagt gij hem bij zijne inkomst in Bergen, klein, met groote heupen, een dikken neus, een gele tronie, een spottenden mond?

... 't Is een groote prins, liefhebber van buitengewone minnarijen; het moet een reus van een prins zijn, want men noemt hem: monseigneur en mijnheer Zijne Groote Hoogheid van Anjou.

Uilenspiegel was droomerig.

En hij zong:

De lucht is blauw, de lucht is klaar, Rouwfloers over de vanen! Rouw om 't gevest der degens! Verbergt uw juweelen, Uw spiegels gekeerd: Ik zing het lied van den Dood, Het lied der verraders.

Ze hebben de fiere landen Op den buik en de keel getrapt, Brabant, Vlaanderen, Henegouw, Antwerpen, Artoois, Luxemburg. Adel en clerus verraden. Vuig loon verlokt, verleidt. Ik zing het lied der verraders.

Als de vijand overal plundert, Als de Spanjaard Antwerpen binnenrukt, Trekken priesters, prelaten, legerhoofden De straten der stede door, Met zijden gewaden, vol goudstikkerij, En tronies blinkend van goeden wijn, Stellend hun schande ten toon.

Door hen zal Inquisitie Herrijzen in triomf; En nieuwe titellui, Zullen doofstommen vastzetten Voor ketterij. Ik zing het lied der verraders.

Onderteekenaren van 't Eedverbond, Lafhartige onderteekenaren, Wezen uw namen gevloekt. Waar blijft gij in 't uur des strijds? Als raven volgt gij Den drijf der Spanjaards. Slaat op de rouwtrom.

Belgenland, eenmaal Veroordeelt u de toekomst, Daar ge, gewapend, u plunderen liet. Doch, toekomst, draal; Zie de verraders aan 't werk: Met twintig, met duizend, Bekleeden ze alle posten, De grooten stellen de kleinen aan.

Het eens zijn ze 't Om den weerstand te verhindren, Door verdeeldheid en traagheid: Hun verradersleus! Rouwfloers over de spiegels, Rouw om 't gevest der degens. 't Is het lied der verraders.

Rebellen verklaren zij Spanjolen en malcontenten, Verbiedend hun bij te staan Met brood en bed, Met lood en kruit. En wordt er een gevangen, Om te hangen, Dadelijk laten zij hem los.

Staat op! roepen die van Brussel; Staat op! roepen die van Gent En het Belgische volk. Arme lui, men wil u verpletteren, Tusschen den koning en den paus, Die tegen Vlaanderen Een kruistocht predikt.

Ze komen, de veile knechten, Af op den reuk van het bloed; Benden honden, Slangen en hyena's, Hongerig, dorstig. Arme vadergrond, Rijp voor verval en dood!

Niet don Juan maakt het Farnese, Des pausen lieveling, Makkelijk in 't land, Maar wie gij overlaaddet Met goed en eere, Wie uw vrouwen de biecht afnamen, Uw dochters en uw kinderen!

Die wierpen u ter aarde, En de Spanjaard zet u Het mes op de keel. Een snoode spot was 't Dat ze te Brussel De komst van Oranje vierden!

Toen men op de vaart Die macht van vuurwerk zag, Waar de vreugd uit sprankte en knalde, En al die zegebooten, Tafreelen en tapijten, Arm België, dan vertoonde men Een oude historie: Joseph verkocht door zijn broeders.

III.

Daar de monnik zag, dat men hem maar liet praten, maakte hij nog grooter misbaar, en de matrozen en soldaten, om hem nog meer op te hitsen, spraken kwaad van de Maagd, van de santen en van de godvruchtige praktijken der Heilige Roomsche Kerk.

En, in woede ontstoken, braakte hij duizend beleedigingen uit:

--Ja! schreeuwde hij, ja, ik ben hier wel in het hol van de Geuzen! Ja, dat zijn wel die verdoemde opvreters van de landen! En men zegt, dat de inquisiteur, de heilige man, te veel van die galgebrokken verbrand heeft! Integendeel: er blijft nog veel te veel van dat gebroed over. Ja, op die goede en brave schepen van Onzen Heer Koning, die vroeger zoo zindelijk waren en zoo goed geschrobd, wemelt nu dat ongedierte van Geuzen, ja, het stinkend ongedierte. Ja, allen zijn vuil, stinkend, afschuwelijk ongedierte, de kapitein, die zingt van 's morgens tot 's avonds, de kok met zijn dikken, goddeloozen buik, en ook al de anderen, met hun heiligschennende halvemanen. Ja, als de koning zijne schepen met geschut zal doen kuischen, zal er voor meer dan honderdduizend gulden kruit en kogelen noodig zijn om die vuile, leelijke, stinkende besmetting te verdrijven. Ja, gij allen zijt geboren in de alkoof van vrouwe Lucifer, die veroordeeld was om te wonen met Satan, tusschen muren van ongedierte, onder gordijnen van ongedierte, op een bed van ongedierte. Ja, en dáár is het, dat zij, in hun afschuwelijke minnarijen, de Geuzen ter wereld brachten. Ja, en ik spuw op ulieden.

Bij die rede, zeiden de Geuzen tot elkander, zoodat hij het hoorde:

--Waarom onderhouden wij dien luien hond, dewelke niets doet dan beleedigingen braken? Wij zouden hem beter ophangen!

En dra brachten zij alles in gereedheid.

Toen de monnik zag, dat de koorde vastgeknoopt was en de ladder tegen den mast stond, en dat men zijne handen ging binden, zeide hij op jammerenden toon:

--Hebt medelijden met mij, heeren Geuzen, 't is de duivel der grammoedigheid, die spreekt in mijn hert, maar geenszins uw nederige gevangene, een arme monnik, die maar éénen hals heeft op deze wereld; genadige heeren, weest bermhertig: 't was niet gemeend; sluit mijnen mond, als gij wilt, met eene prop; aangenaam is dit niet, neen, maar om Godswil, hangt mij niet op!

Maar zij luisterden niet en trokken hem naar de ladder, niettegenstaande zijn heftigen wederstand. Toen huilde hij zoo schromelijk, dat Lamme zeide tot Uilenspiegel, die bij hem in de keuken was om hem op te passen:

--Mijn vriend! mijn vriend! zij hebben in den stal een verken gestolen en daar zijn ze bezig met het te kelen. Ho! de dieven! kon ik maar op!

Uilenspiegel klom op het dek en zag niets dan den monnik. Toen deze hem ontwaarde, viel hij op zijne knieën en riep, met de handen naar hem uitgestoken:

--Messire kapitein, kapitein van de wakkere Geuzen, geducht te land en ter zee, uwe soldaten willen mij ophangen, omdat ik zondigde met mijn tonge; dat is een onrechtveerdige straf, messire kapitein, want dan moesten al de advocaten, procureurs, predikanten en al de vrouwen met hennep begiftigd worden, en zou de wereld zekerlijk uitsterven; messire, red mij van de koorde: ik zal voor u bidden, gij zult niet verdoemd wezen; schenk mij vergiffenis. De spreekduivel sleepte mij mee en deed mij gedurig snateren: dit is een groot ongeluk voor mij. Dan verbittert zich mijn arme gal en doet ze mij allerhande dingen zeggen, die niet gemeend zijn. Genade, messire kapitein, en gij allen, mijne heeren, bidt voor mij.

Plotseling verscheen Lamme in zijn hemde op het dek, en hij zei:

--Kapitein en vrienden, wat ben ik blijde: 't was maar de monnik, dien ik hoorde schreeuwen, en geenszins het verken. Uilenspiegel, mijn zoon, ik heb een uitmuntend plan uitgedacht ten opzichte van Zijne Paterschap; schenk hem het leven, maar laat hem niet vrij, of hij speelt ons nog slechte poetsen op het schip: laat liever voor hem op het dek een enge, goed verluchte kooi maken, in dewelke hij slechts kan zitten en slapen, gelijk voor de kapoenen; laat mij hem spijzen, en hij worde gehangen als hij zooveel niet eet als ik wil.

--Hij worde gehangen, als hij niet eet, zeiden Uilenspiegel en de Geuzen.

--Wat schikt gij met mij te doen, dikzak? vroeg de monnik.

--Dat zult ge later gewaarworden, antwoordde Lamme.