De legende en de heldhaftige, vroolijke en roemrijke daden van Uilenspiegel en Lamme Goedzak in Vlaanderenland en elders

Part 38

Chapter 38 3,892 words Public domain Markdown

... Wij hebben slechts zwakke muren en onze grachten zijn gemaakt naar de oude wijs. Veertien donderbussen braken hare zes en veertigponders naar de Kruispoort. Stelt mannen daar, waar steenen ontbreken. De nacht komt, een ieder werkt, 't is alsof het kanon zich hier nimmer hooren liet. Naar de Kruispoort hebben zij zeshonderd tachtig bommen geschoten; naar Sint-Janspoort, zeshonderd vijf en zeventig. Die sleutels openen niet, want ziet, daarachter verheft zich een nieuw bolwerk. Luidt, klokken; werp, beiaard, uw blijde tonen in de bezwangerde lucht!

... Het kanon beschiet, beschiet altoos de muren, steenen springen er af, muurvlakken storten neer. De bres is breed genoeg om eene compagnie in front door te laten. Zij schreeuwen: "Bestorming! doodt! doodt!" Zij wagen de beklimming, zij zijn met tienduizend; laat ze komen over de grachten met hunne bruggen. Onze kanonnen staan gereed. Daar is de kudde, die moet sterven. Groet hen, kanonnen der vrijheid! Zij groeten: de kettingkogels, de stormhoepels, de brandende pikkransen vliegen en fluiten, boren en kappen in het gros der belegeraars, die nederzijgen of in wanorde vluchten. Vijftienhonderd dooden vervullen de grachten. Luidt, klokken, en gij, beiaard, werp uw blijde tonen in de bezwangerde lucht!

... Komt terug ter bestorming! Zij durven niet. Zij beginnen opnieuw te schieten en te mineeren. Wij ook, wij kennen de kunst van de mijn. Steekt, steekt de wiek aan onder henzelven; loopt, wij krijgen een prachtig vuurwerk te zien. Vierhonderd Spanjolen vliegen in de lucht! Dat is de weg niet naar de eeuwige vlammen. O, wat blijde dans bij het zilveren geluid onzer klokken, bij de lustige muziek van den beiaard!

... Ze weten dus niet, dat de prins waakt over ons, dat ons, alle dagen, langs goedbewaakte wegen, sledevrachten koren en buskruit geworden; koren voor ons, buskruit voor hen. Waar zijn hunne zeshonderd Duitschers, die wij doodden en verdronken in 't Haarlemmermeer? Waar zijn de elf vendels, die wij hun namen, de zes donderbussen en de vijftig ossen? Wij hadden één ringmuur, nu hebben wij er twee. De vrouwen zelven vechten mede, en Kenau Hasselaar voert heure dappere zusteren aan. Komt, beulen, komt in onze straten, de kinderen zullen u de knieën doorsnijden met hunne mesjes. Luidt, klokken, en gij, beiaard, werp uw blijde tonen in de bezwangerde lucht!

... Maar het geluk is met ons niet. De vloot van de Geuzen wordt verslagen op het meer. Zij zijn verslagen, de troepen, die de Prins van Oranje ons zond. Het vriest, het vriest bitter. Geene hulp meer! Sedert vijf maanden, wederstaan wij met duizend man tegen tienmaal zooveel. Nu moeten wij met de beulen onderhandelen. Maar zal hij van onderhandeling willen hooren, die bloedige hertog, die onzen val heeft gezworen? Laat ons een uitval wagen met al onze soldaten: misschien banen zij zich een weg door de vijandelijke drommen. Maar de vrouwen staan aan de poorten, uit vrees dat men heur alleen de stede late bewaken. Luidt niet meer, klokken; werp uw blijde tonen in de lucht niet meer, beiaard.

... Nu zijn wij in de Zomermaand, het hooi riekt lekker, het koren rijpt in de zonne, de vogelen zingen: vijf maanden lang hadden wij honger; de stede is in rouw; wij zullen allen uit Haarlem trekken, de busschutters aan 't hoofd om den weg te banen, de vrouwen, de kinderen en de magistraat daarachter, gevolgd door het voetvolk, dat waakt op de bres. Een brief, een brief van den zoon van den bloedigen hertog! Is 't de dood, dien hij ons meldt? neen, 't is het leven aan allen, die zijn in de stede. O, onverbeide genade, o leugen wellicht! Zult ge nog zingen, blijde beiaard? Zij komen de stede binnen....

Uilenspiegel, Lamme en Nele hadden den dos van de Duitsche soldaten aangetrokken, die met hen, ten getale van zeshonderd, opgesloten waren in het Augustijnerklooster.

--Vandaag zullen wij sterven, zei Uilenspiegel stille tot Lamme. En aan zijne borst drukte hij het liefelijke lichaam van Nele, die huiverde van schrik.

--Laas! mijne vrouw, nimmermeer zal ik ze zien, zeide Lamme.

Maar wellicht redden die kleederen van Duitsche soldaten ons 't leven?

Uilenspiegel schudde het hoofd om te bedieden, dat hij aan geene genade geloofde.

--Ik hoor het gerucht van de plundering niet, zeide Lamme.

Uilenspiegel antwoordde:

--Volgens de overeenkomst, hebben de poorters de plundering en het leven afgekocht, mits de somme van tweehonderd veertigduizend gulden. Binnen twaalf dagen moeten zij honderdduizend gulden in klinkende munte betalen, en de rest drie maanden later. Aan de vrouwen werd bevolen de wijk te nemen in de kerken. Zij gaan ongetwijfeld de slachting beginnen. Hoort gij de galgen en schavotten optimmeren?

--Ha! wij zullen sterven! sprak Nele; ik heb honger.

--Ja, sprak Lamme stille tot Uilenspiegel, de zoon van den bloedigen hertog heeft gezeid, dat wij, uitgehongerd zijnde, gedwee naar de strafplaats zullen tiegen.

--Ik heb zoo'n honger! sprak Nele.

's Avonds kwamen soldaten, en zij deelden een brood voor zes man uit.

--Driehonderd soldaten werden gehangen op de Markt, zeiden zij. Weldra is 't uwe beurt. Geuzen en galgen hooren immer bijeen.

Den volgenden avond, kwamen zij nog met een brood voor zes man.

--Vier hoogpoorters, zeiden zij, werden onthalsd. Tweehonderd acht en veertig soldaten werden twee aan twee gebonden en in de zee gesmeten. De krabben zullen vet zijn dees jaar. Gij hebt geen goede tronie, gijlie, sedert den 7n van Hooimaand, dat gij hier zijt. Wat zijn zij slokkers en dronkaards, die inwoners der Nederlanden! wij, Spanjaarden, generen ons met eenige vijgen voor ons avondmaal.

--'t Is zeker daarom, antwoordde Uilenspiegel, dat gij overal bij de poorters uw vier eetmalen met vleesch, gevogelte, vla, wijn en confituur eischt; en melk om het lichaam van uwe muchachas te wasschen, en wijn om de pooten uwer peerden te baden?

Den 18n van Hooimaand zeide Nele:

--Mijne voeten zijn nat; wat is dit?

--'t Is bloed, zeide Uilenspiegel.

's Avonds kwamen de soldaten opnieuw met hun brood voor zes man.

--Daar waar de koorde niet volstaat, doet het zweerd het werk, zeiden zij. Drijhonderd soldaten en zeven en twintig poorters, die de stede meenden te ontvluchten, wandelen nu in de helle, met hun hoofd onder hunnen arm.

's Anderen daags stroomde het bloed opnieuw in het klooster; de soldaten kwamen geen brood brengen, maar alleenlijk naar de gevangenen kijken en zeggen:

--De vijfhonderd Walen, Engelschen en Schotten, die gisteren onthalsd werden, hadden een betere tronie. Dezen hebben honger, gewis; doch wie dan zou sterven van honger, ten ware de Geus?

En, inderdaad, allen bleek, mager ontdaan en bibberend van koorts, stonden zij daar lijk spoken.

Den 16n van Oogstmaand, om vijf uren's avonds, kwamen de soldaten lachend binnen en zij gaven hun brood, kaas en bier. Lamme sprak:

--Dit is ons doodmaal.

Te tien uren kwamen vier vendrigs; de hoplieden deden de poorten van vier kloosters openen en bevalen den gevangenen gevieren achter de pijpen en trommels te gaan, tot aan de plaats, waar men hen zou doen stilstaan. Sommige straten waren rood van 't bloed; en zij stapten naar 't Galgeveld.

Hier en daar waren de weiden bemorst met plassen bloed; overal was er bloed op de muren gespat. De raven kwamen bij zwermen van alle kanten; de zonne verborg zich in een bed van dampen, de hemel was nog helder, en in het diepste deszelven ontwaakten schuchter de sterren. Eensklaps hoorden zij een hertverscheurend gehuil.

De soldaten zeiden:

--Die daar schreeuwen, zijn de Geuzen van het fort Fuike, buiten de stad; men laat ze sterven van honger.

--Wij ook, zeide Nele, wij gaan sterven.

En zij weende.

--De assche klopt op mijn hert, zeide Uilenspiegel.

--Ha! zeide Lamme in 't Vlaamsch,--de soldaten van het geleide verstonden die mannelijke taal niet,--ha! zeide Lamme, had ik dien bloedigen hertog onder handen en kon ik hem, tot zijne kroenge er van berst, alle die koorden, galgen, pijnbanken, foltertuigen, gewichten en Spaansche leerzen doen eten; kon ik hem doen drinken al het bloed, dat door hem werd vergoten; kon ik, na duizenden folteringen, hem het hert uit de borst rukken en hem dit rot en giftig ingewand rauw doen eten! Dan zou hij voorzeker, van het leven naar den dood tiegend, in de solferkolk vallen, alwaar de duivel het hem zonder ophouden gelieve te doen eten en nog te doen eten. En aldus tot in de eeuwigheid der eeuwigheden!

--Amen! zeiden Uilenspiegel en Nele.

--Maar ziet gij niets? vroeg zij.

--Neen, sprak Uilenspiegel.

--In 't Westen zie ik, zeide zij, zeven mannen en vrouwen in eenen kring gezeten. Een der mannen is gekleed in het purper en draagt een gouden kroon op het hoofd. Hij schijnt de hoofdman der anderen, die allen in lompen en vodden gehuld zijn. In het Oosten zie ik een andere groep van zeven komen: insgelijks aangevoerd door iemand, ook gekleed in het purper, doch zonder kroon op het hoofd. En zij gaan op tegen die van het Westen. En zij vechten tegen hen in de wolken; maar nu zie ik niets meer.

--De Zeven, zei Uilenspiegel.

--Ik hoor, zeide Nele, omtrent ons in het loover, eene stem, zacht als een ademtocht, neuren:

Door den krijg en het vuur Door de lansen en zwaarden, Zoek; In den dood en het bloed In de puinen en tranen, Vind.

--Anderen dan wij zullen de verlossers van Vlaanderen wezen, antwoordde Uilenspiegel. De nacht is zwart, en 'k zie de Spaansche huurlingen fakkels aansteken. Wij zijn omtrent het Galgeveld. O, mijn zoete vriendinne, waarom zijt gij niet ginder gebleven? Hoort gij niets meer, Nele?

--'t Doet, zeide zij, een wapengekletter in het koren. En ziet gij, op de gindsche heuvelen, aan het einde van den wegel, dien wij begaan, den rooden gloed niet van fakkels, die flikkeren op het staal van de wapenen? Ik zie de lichtjes van de wieken der bussen. Slapen onze wachters of zijn zij met blindheid geslagen? Hoort gij dien donderslag? Ziet gij de Spanjolen vallen onder de kogels? Hoort gij: "Vive le Geus!" Met de piek vooruit, stormen zij den wegel op. Langsheen de heuvelen dalen zij beneden met zwaaiende bijlen.... Vive le Geus!

--Vive le Geus! riepen Lamme en Uilenspiegel.

--Daar, zei Nele, daar zijn soldaten, die ons wapenen langen. Neem aan, Lamme, neem aan, mijn beminde. Vive le Geus!

--Vive le Geus! riepen al de gevangenen.

--De bussen houden niet op met schieten, zeide Nele, de Spanjolen vallen als vliegen, verlicht als ze zijn door den gloed van de toortsen. Vive le Geus!

--Vive le Geus! riepen de wakkere redders.

--Vive le Geus! riepen Uilenspiegel en de gevangenen. De Spanjolen zijn omsloten in eenen kring van vuur. Slaat dood! Slaat dood! Geen enkele ontsnappe! Slaat dood! geene genade, geen kwartier! En nu trekken wij, met pak en zak, naar Enkhuizen. Wie heeft de zijden en lakensche kleederen van onze beulen? Wie heeft hunne wapenen?

--Allen! Wij allen! riepen zij. Vive le Geus!

En, inderdaad, zij trokken naar Enkhuizen, alwaar zij de met hen verloste Duitschers deden blijven, om de stede te bewaken.

En Lamme en Nele en Uilenspiegel keerden naar hunne schepen terug. En weer zongen zij op de vrije zee: Vive le Geus!

En zij kruisten in de reede van Vlissingen.

XIII.

Daar was Lamme weder vroolijk gestemd. Hij kwam geerne aan land, en joeg toen ossen, schapen en ganzen op, lijk anderen jacht maken op hazen, herten en ortolanen.

En hij was niet alleen voor die voedzame jacht. Het deed deugd de jagers te zien terugkomen met Lamme aan hunne spits: het hoornvee trokken zij voort, terwijl zij het gewold en gevederd vee vóór zich dreven en op de punt hunner gaffels kiekens, kapoenen en kalkoenen droegen, niettegenstaande het verbod van den Prins.

En toen gastreerde men blijde op de schepen. En Lamme sprak:

--De geur der sausen stijgt tot in den hemel, alwaar hij de santen verblijdt, die geerne ons maal kwamen deelen.

Terwijl zij in de reede kruisten, kwam eene koopvaardijvloot van Lissabon, welker gezagvoerder niet wist, dat Vlissingen in de macht der Geuzen gevallen was. Men beveelt hem het anker te werpen, de vloot wordt omsingeld. Vive le Geus! Pijpen en trommen bevelen de entering; de kooplieden hebben kanonnen en pieken, bijlen en bussen.

Bommen en kogelen regenen op de schepen der Geuzen. Hunne busschutters, verborgen in de schans rondom den grooten mast, vellen, zonder gevaar voor zich zelven, bij elk schot eenen man neer. De kooplieden vallen als vliegen.

--Helpt mij, vrienden! zeide Uilenspiegel tot Lamme en Nele. Daar zijn specerijen, juweelen, kostbaarheden, suiker, muskaatnoten, kruidnagelen, gember, realen, dukaten, schoone, blinkende gouden lammeren. Daar zijn meer dan vijfhonderd duizend geldstukken. De Spanjool betaalt de kosten des oorlogs. Laat ons drinken! Zingen wij de misse der Geuzen, dat is het gevecht!

En Uilenspiegel en Lamme liepen overal rond lijk leeuwen. Buiten het bereik van de kogels, speelde Nele op de pijp, in de schans. Heel de vloot werd genomen.

Als de dooden geteld werden, vond men er duizend langs de zijde der Spanjaards, driehonderd langs den kant van de Geuzen; onder hen bevond zich de kok van de vlieboot den Briel.

Uilenspiegel vroeg om voor Treslong en de matrozen te spreken, hetwelk Treslong hem geerne toestond. En hij hield hun de volgende rede:

--Messire kapitein en gij, maats, wij hebben daar vele specerijen geërfd, en Lamme, onze dikzak, hier tegenwoordig, vond steeds dat de arme doode, die dáár ligt,--God hebbe zijne ziel,--niet ervaren genoeg was in de konsten van zieden en braden. Zoo gij hem als kok wildet aanstellen, zou hij u hemelsche stoverije en goddelijke soezels bereiden.

--Wij willen, zeiden Treslong en de anderen; Lamme zal de kok van het schip zijn. Hij zal den grooten pollepel voeren, om de scheepsjongens van zijne sausen te jagen.

--Messire kapitein, gezellen en vrienden, sprak Lamme, ik ween van geluk, want die groote onderscheiding verdien ik niet. Doch, vermits gij u tot mijne onweerdigheid wilt richten, neem ik de edele bediening aan van meester in de konsten van zieden en braden op de wakkere vlieboot den Briel; doch ik bid u ootmoediglijk mij wel te willen belasten met het opperbevelhebberschap over de keuken, zoodanig dat uw kok--dat ben ik,--bij recht, wet ende macht, een iegelijk kunne beletten eens andermans portie te komen eten.

Treslong en de anderen riepen:

--Leve Lamme! gij hebt recht, wet ende macht!

--Doch, zeide hij, nog een nederige bede moet ik u doen: ik ben vet, groot en struisch, diep is mijn buik, diep mijne maag; mijn arme vrouw--God geve ze mij weder--placht mij altijd twee portiën te geven, in stede van eene: verleent mij dezelfde gunste.

Treslong, Uilenspiegel en de matrozen zeiden:

--Gij krijgt dobbel rantsoen, Lamme.

En Lamme, die plotseling weemoedig werd, zeide:

--Mijne vrouw, mijn liefste vriendin! als iets vermag mij over onze scheiding te troosten, zal het, bij het uitoefenen mijner bediening, het aandenken wezen aan uw goddelijke keuken in onze halle vol liefde.

--Gij moet den eed afleggen, mijn zoon, zei Uilenspiegel. Men brenge den grooten pollepel en den grooten koperen ketel, op dewelken Lamme moet zweren.

--Bij God, sprak Lamme, dewelke mij helpe, zweer ik getrouwheid aan Zijn Hoogheid den Prins van Oranje, gezeid den Zwijger, dewelke in naam des konings de provinciën Holland en Zeeland bestiert, getrouwheid aan messire Lumey, admiraal-bevelhebber onzer edele vloot, en aan messire Treslong, schout-bij-nacht en kapitein van het schip den Briel; ik zweer, volgens de costumen en gebruiken der groote koks uit de oudheid en naarvolgens de schoone boeken met platen, die zij over de edele kookkunst nagelaten hebben, zoo goed als mij mogelijk is, de vleezen, kiekens, ganzen, mitsgaders kalkoenen te bereiden, die Fortuna ons zal zenden; ik zweer te zullen voeden: den gezegden messire kapitein Treslong, zijn stuurman, wezende mijn vriend Uilenspiegel, en u allen, bootsman, loods, schieman, maats, soldaten, kanonniers, keldermeester, scheepsmaker, lijfjonker van den kapitein, chirurgijn, hoornblazer, matrozen en wie ook genaamd. Is het gebraad te rauw, heeft het gevogelte geen smakelijk uitzicht; verspreidt de soep een flauwen geur, wat de voorbode is eener slechte spijsvertering; zet de geur van de sausen u niet aan in de keuken te dringen, behoudens mijn oorlof nochtans; maak ik u niet allen blijmoedig en wel te pas, dan zal ik mijn edel ambt nederleggen, mij onbekwaam oordeelende langer in de keuken te tronen. Zoo helpe mij God en zijne santen in deze wereld en ook in de andere!

--Leve onze kok, riepen zij, de koning der keuken, de keizer der stoverije. 's Zondags krijgt hij drij portiën in stede van twee!

En Lamme werd kok op den Briel. En terwijl zijn lekkere soep op het vuur stond, ging hij fier, met den pollepel op den schouder, eene handwijl aan de keukendeur staan.

En 's Zondags kreeg hij zijne drij portiën.

Als de Geuzen met den vijand handgemeen werden, bleef hij geerne in zijne braderij; doch van tijd tot tijd klom hij naar boven, om eenige malen zijne bus af te vuren, na hetwelk hij schielijk weer naar beneden ging, om op zijne gerechten te passen.

Als een trouw kok en een dapper soldaat, werd hij hertelijk bemind door een iegelijk.

Maar niemand mocht in zijne keuken komen. Want dan werd hij uiterst grammoedig, en sloeg hij met zijnen pollepel gelijk de duivel op Geeraard.

En wederom werd hij geheeten: Lamme de Leeuw.

XIV.

Bij zonneschijn, bij regen, bij sneeuw, bij hagel, 's winters en 's zomers, dobberen de schepen der Geuzen op het ruime sop.

Alle zeilen bijgezet, gelijk zwanen, blanke zwanen der vrijheid.

Wit voor de vrijheid, blauw voor de grootheid, oranje voor den Prins, is de standaard der fiere bodems.

Alle zeilen bijgezet! alle zeilen bijgezet, varen de wakkere schepen; de golven klotsen er tegen, de baren besproeien ze met schuim.

Zij varen, zij wiegen, zij vliegen op den stroom, de fiere schepen der Geuzen, met de zeilen in 't water, snel als de wolken gejaagd door den Noordenwind. Hoort gij hoe hun voorsteven klieft door de baren? God der vrije mannen, vive le Geus!

Huiken, vliebooten, boeiers, poonen, vlug als de wind, die het orkaan met zich voert: als de wolk, die den bliksem met zich draagt. Vive le Geus!

Boeiers en poonen, platboomde vaartuigen glijden op den vloed. De golven zuchten onder hunne kiel, als zij recht vóór zich stevenen, met den moorddadigen muil hunner slang open op de voorplecht. Vive le Geus!

Alle zeilen bijgezet! alle zeilen bijgezet, varen de wakkere schepen; de golven klotsen er tegen, de baren besproeien ze met schuim.

Bij dag en bij nacht, bij regen, bij hagel en sneeuw, varen zij op de wateren. Christus lacht hen toe in de wolk, in de zon, in de sterre. Vive le Geus!

XV.

De bloedige koning kreeg tijding van hunne zegepralen. De dood beloerde dien beul, wiens lichaam opgevreten werd door de wormen. Door de gangen van 't kasteel van Valladolid sleepte hij, ziekelijk en terugstootend, zijn gezwollen voeten en zijn loodzware beenen. Nimmer neurde hij een liedeken, de wreedaardige beul; als de Oosterkim kleurde, lachte hij niet, en als de zonne zijn rijk verlichtte als met een glimlach des Heeren, voelde hij geen de minste vreugd in zijn hert.

Maar Uilenspiegel, Lamme en Nele zongen als lijsters, waagden bestendig hun leven; God schiep den dag en zij gingen er door, en zij vonden meer genoegen in het uitdooven van eenen brandstapel, dan de zwarte koning vreugde smaakte in het verbranden van gansch eene stad.

In dien tijd ook was Willem de Zwijger, Prins van Oranje, gedwongen messire Lumey, graaf van der Marck, zijnen graad van admiraal te ontnemen, uit oorzake van de ijselijke wreedheden, die hij bedreef. Hij benoemde messire Bouwen Ewoutsen Worst in zijne plaats. Hij zag mede naar middelen uit om den boeren het koren te betalen, dat de Geuzen hadden genomen; om de gedwongen schattingen terug te geven, die door dezen gelicht waren; om den Roomschen, gelijk een iegelijk, de vrije beoefening van hunnen godsdienst te schenken, zonder vervolging of nadeel.

XVI.

Op de schepen der Geuzen, onder den helderen hemel, op de schuimende golven, weerklinken pijpen en doedelzakken, klokken de flesschen, rinkelen de klinkaards, flikkeren de bussen der geweren.

--Nu, sprak Uilenspiegel, slaat op de trom van de zege, slaat de trom van de vreugde! Vive le Geus! Spanje is verslagen, de vampier is getemd. Aan ons de zee, Brielle is genomen! Aan ons heel de kust van Nieuwpoort tot Helder, met Oostende, Blankenberge, de Zeeuwsche eilanden, de monden der Schelde, de monden der Maas, de monden van den Rijn! Aan ons Texel, Vlieland, Terschelling, Ameland, Rottum en Borkum.... Vive le Geus!

... Aan ons Delft, Dordrecht! 't Is een loopend vuur. God houdt de vuurlont. De beulen verlaten Rotterdam. Het vrije geweten, lijk een leeuw met klauwen en tanden van gerechtigheid, neemt het graafschap Zutfen, de steden Deutekom, Doesburg, Goor, Oldenzaal en, in de Veluwe, Hattem, Elburg en Harderwijk.... Vive le Geus!

... 't Is klaar, 't is als de bliksem: Kampen, Zwolle, Hasselt, Steenwijk vallen in onze handen met Oudewater, Gouda en Leiden.... Vive le Geus!

... Aan ons Buren, Enkhuizen! Ja, Amsterdam, Schoonhoven, Middelburg zijn nog in onze macht niet. Doch alles komt op tijd voor geduldige klingen.... Vive le Geus!

... Laat ons Spaanschen wijn drinken! Laat ons drinken uit de kelken, uit dewelke zij het bloed van de slachtoffers dronken: Wij gaan langs de Zuiderzee, langs stroomen, rivieren en vaarten; wij hebben Noord-Holland, Zuid-Holland en Zeeland; wij zullen ook Oost- en West-Friesland nemen; Brielle zal de wijkplaaats wezen voor onze vloot, de bakermat der vrijheid.... Vive le Geus!

... Hoor, Vlaanderen, geliefde vadergrond, hoor den kreet van wrake weerklinken! Men slijpt de wapenen, men zet de zweerden aan op den steen. Allen bewegen zich, trillen als de snaren eener harp bij den warmen ademtocht, adem van de zielen, die stijgt uit de putten, uit de brandstapels, uit de bloedige lijken der slachtofferen. Allen: Henegouwen, Brabant, Luxemburg, Limburg, Namen, Luik, de vrije, vurige stede, allen! Het bloed kiemt en rijst. De oogst is rijp voor de zeis.... Vive le Geus!

... Aan ons de Noordzee, de wijde zee van het Noorden! Aan ons de goede kanonnen, de slanke schepen, het stoutmoedige heir van de dappere zeelieden: edelen, poorters en arbeiders, die de vervolging ontvluchten. Aan ons, allen, die vereenigd opstaan voor het werk van de vrijheid.... Vive le Geus!

... Waar zijt gij, Philippus, bloedige koning? Gedekt met den heiligen hoed,--geschenk van den paus,--vloekt en tiert gij. Slaat op de trom van vreugde!... Vive le Geus! Laat ons drinken!

... De wijn stroomt in de gouden kelken. Drinkt blijde een heildronk. De priesterkleeren, dewelke die ruwe mannen bedekken, zijn nat van het roode druivensap; de Roomsche banieren wapperen in den wind. Eeuwige muziek! komaan, pijpen, doedelzakken, trommels, zingt nu de lofzang der zege.... Vive le Geus!

XVII.

Toen was men in de Wintermaand, dat is de maand van de wolven. Een scherpe regen viel als naalden in den vloed neder. De Geuzen kruisten in de Zuiderzee. Bij trompetgeschal ontbood messire de admiraal op zijn schip de gezagvoerders der hulken en vliebooten, en samen met hen ook Uilenspiegel.

--Nu, zei de admiraal, eerst tot dezen sprekend, de Prins wil uw goede en trouwe diensten erkennen en benoemt u tot gezagvoerder op het vaartuig den Briel. Hier hebt gij uwe aanstelling op perkament.

--God zegene U, heer admiraal, antwoordde Uilenspiegel; ik zal zoo goed gezag voeren als mij mogelijk is, en aldus gezag voerende, hoop ik wel, met Gods hulp, Spanje het gezagvoerderschap te ontnemen over Vlaanderen en Holland: ik wil zeggen over Zuid- en Noord-Nederland.