De legende en de heldhaftige, vroolijke en roemrijke daden van Uilenspiegel en Lamme Goedzak in Vlaanderenland en elders

Part 37

Chapter 37 3,886 words Public domain Markdown

--Schande over u, sprak Uilenspiegel, soldatenwoord is geen guldenwoord meer! Straf liever de nietdeugen, verkoopers van menschenvet!

Messire Lumey vloog naar hem toe en hief de hand op om hem te slaan.

--Sla, sprak Uilenspiegel, ik ben uw gevangene, maar ik heb geen schrik van u: Soldatenwoord is geen gulden woord meer!

Toen trok messire Lumey zijn degen en zeker had hij Uilenspiegel gedood, zoo Treslong zijn arm niet weerhouden had, zeggende:

--Medelijden! hij is moedig en dapper, en heeft geenerlei misdaad bedreven.

Lumey veranderde toen van gedachte en sprak:

--Dat hij vergiffenis vrage!

Maar Uilenspiegel bleef rechtstaan en sprak:

--Ik zal het niet doen.

--Dat hij ten minste zegge, dat ik geen ongelijk had, riep Lumey nog blakend van woede.

Uilenspiegel antwoordde:

--Ik lik de hielen der heeren niet: soldatenwoord is geen gulden woord meer!

--Dat men de galge oprichte, sprak Lumey, en dat men hem wegbrenge, dat zal woord van kemp voor hem wezen.

--Ja, antwoordde Uilenspiegel, en voor het vergaderde volk zal ik u toeroepen: Soldatenwoord is geen gulden woord meer!

De galge werd opgericht op de Groote Markt. De mare liep weldra door de stad, dat men Uilenspiegel ging hangen, den dapperen Geus. En het gemeen was tot weenens toe bewogen. En in groote menigte snelde het naar de Groote Markt; messire Lumey, te peerd, kwam er ook, daar hij zelf het teeken van de terechtstelling wilde geven.

Wrokkig keek hij naar Uilenspiegel op de ladder, gekleed voor den dood, in zijn hemd, de armen op zijn lichaam gebonden, de handen samengevouwen, het strop om den hals, met den hangman naast zich, welke gereed was om de straf te volbrengen.

Treslong zeide tot Lumey:

--Heer, schenk hem genade; hij is geen verrader, en nimmer zag men een man hangen omdat hij openhertig en meewarig was.

Toen de mannen en vrouwlieden uit 't volk de woorden van Treslong hoorden, riepen zij:

--Genade heer, genade, heb medelijden met Uilenspiegel.

--Die ijzeren kop heeft mij getrotseerd, sprak Lumey: dat hij berouw hebbe en zegge, dat ik wel gedaan heb.

--Wilt gij berouw hebben en zeggen, dat hij wel gedaan heeft? vroeg Treslong tot Uilenspiegel.

--Soldatenwoord is geen gulden woord meer, zeide Uilenspiegel.

--Steek het strop over zijnen hals, beval Lumey.

De hangman wilde gehoorzamen, doch een meideken, heel in 't wit gekleed, met een kroontje op 't hoofd, beklom als waanzinnig de trappen van het schavot, vloog Uilenspiegel om den hals en zeide:

--Die man is de mijne, ik neem hem tot echtgenoot!

En het volk juichte toe, en de vrouwlieden riepen:

--Leve, leve het meideken, dat Uilenspiegel redt van den dood!

--Wat beteekent die zotternij? vroeg messire Lumey.

Treslong antwoordde:

--Volgens de costumen en gebruiken van de stede, is het recht en wet, dat een jonge dochter, maagd of ongehuwd, een man van de koord redt, als zij hem aan den voet van de galge tot echtgenoot neemt.

--God is met hem, zeide Lumey; maak hem los!

Hij reed tot omtrent het schavot en zag het meideken druk bezig met Uilenspiegel's koorden door te snijden, terwijl de beul het heur wilde beletten, zeggende:

--Als gij ze doorsnijdt, wie zal ze betalen?

Maar het meideken luisterde niet.

Als hij heur zoo vlug en ijverig en liefdevol bezig zag, was hij verteederd.

--Wie zijt gij? vroeg hij.

--Ik ben Nele, zijne bruid, zeide zij, en kom uit Vlaanderen om hem te halen.

--Gij kwaamt in tijds, zeide Lumey op barschen toon.

En hij toog henen.

Treslong naderde toen en sprak:

--Brave Vlaming, wilt gij op onze schepen nog dienen, als gij getrouwd zijt?

--Ja, messire, antwoordde Uilenspiegel.

--En gij, meideken, wat zult gij doen zonder uwen man?

Nele antwoordde:

--Als gij wel wilt, messire, zal ik bij hem blijven op zijn schip en op de pijp spelen.

--Zeker, wil ik, antwoordde Treslong.

En hij gaf heur twee gulden voor de bruiloft.

En Lamme, die weende en lachte van blijdschap, zei:

--Hier zijn nog drie gulden: wij zullen lekker gastreeren; ik trakteer. Komt, we gaan naar den Gouden Kam. Hij is niet dood, mijn vriend! Vive le Geus!

En het volk juichte toe, en zij trokken naar den Gouden Kam, alwaar een groot feestmaal besteld werd, en Lamme smeet, door het venster, oortjes te grabbel naar 't volk.

En Uilenspiegel zeide tot Nele:

--Liefste, nu zijt ge bij mij. Hoezee! zij is hier, in levenden lijve, met hart en met ziel, mijn zoete vriendin. Ho! die zachte oogen en die schoone roode lippen, over dewelke nooit anders dan goede woorden kwamen! Zij redde mij 't leven, de welbeminde! Op onze schepen zult gij de pijp der verlossing bespelen. Herinnert gij u nog ... doch neen.... Voor ons is thans blijdschap en vreugde, voor mij uw gezichtje, dat zoet is als de bloemen in de Zomermaand. Ik ben in het hemelrijk! Maar, zeide hij, gij weent....

--Zij hebben heur gedood, zeide zij.

En zij vertelde hem de rouwvolle mare.

En zij staarden elkander aan, en weenden van minne en van smerte.

En op het festijn aten en dronken zij, en Lamme keek hen jammerlijk aan.

--Laas, zuchtte hij, waar zijt gij, mijne vrouw?

En de priester kwam en trouwde Nele en Uilenspiegel.

En de morgenzon vond hen bij elkander in 't huwelijksbed.

En Nele rustte met heur hoofdje op den schouder van Uilenspiegel. En als zij ontwaakte in de zonne, zeide hij:

--Frisch gezichtje en zoet hertje, wij zullen de wrekers van Vlaanderen wezen!

Zij kuste hem op den mond en zeide:

--Dolle kop en sterke arm, God zegene de pijp en het zweerd!

--Ik zal u een soldatendos maken.

--Dadelijk? vroeg zij.

--Dadelijk, antwoordde Uilenspiegel; maar wie dan zegt, dat aardbeziën lekker zijn, 's morgens? Uw mond is veel zoeter!

IX.

Evenals hunne vrienden en gezellen, hadden Uilenspiegel, Lamme en Nele, den kloosters het goed teruggenomen, dat deze vergaard hadden, door middel van begankenissen, valsche mirakelen en andere Roomsche mommerijen, ten koste van 't onnoozele volk. Dit was in strijd met de bevelen van den Zwijger, den prins van de vrijheid, maar het geld diende voor de kosten des oorlogs. Lamme Goedzak vergenoegde zich niet met het geld, doch hij roofde nog in de kloosters hespen, worsten, bottels bier, flesschen wijn; niet zelden kwam hij terug met eene weitasch vol gevogelte, kalkoenen, ganzen, kapoenen en kiekens op den buik en met eenige monnikenverkens en kloosterkalveren achter zich aan een touw. En dit krachtens het oorlogsrecht, naar hij zeide.

Vol blijdschap bij elke verovering, bracht hij zijn buit naar het vaartuig om er lekker mee te smullen; maar hij deed bitter zijn beklag, dat de kok zoo weinig ervaren was in de edele konsten van koken en braden.

Nu, dien dag hadden de Geuzen een lekker glaasje op de zege gedronken, en ze zeiden tot Uilenspiegel:

--Gij staat steeds met den neus in den wind, om tijdingen van het vasteland te vernemen; gij kent al de krijgsavonturen: zing ze ons eens. Maar Lamme moet op de trom slaan en de bevallige pijpster zal naar de maat van het lied spelen.

En Uilenspiegel zeide:

--Op een frisschen, helderen Meimorgen, vond Lodewijk van Nassau dewelke Bergen meende binnen te rukken, zijne voetknechten en zijne ruiters niet meer. Eenige vertrouwden hielden eene poort geopend en eene brug was neergelaten, opdat hij de stede kon nemen. Maar de poorters bemachtigden de brug en de poort. Waar zijn de soldaten van graaf Lodewijk? De poorters gaan de brug ophalen. Graaf Lodewijk blaast op den horen.

En Uilenspiegel zong:

Waar zijn uw voetgangers? Waar uw ruiters? Verdwaald in het bosch, alles vertredend, Dorre twijgjes en bloeiende klokjes. Vrouw Zon doet blinken Roode strijdlustige wezens En glansende manen van rossen. Graaf Lodewijk steekt den hoorn. Ze hooren 't. Slaat zacht de trom.

In gestrekte vaart, met schuimend gebit, Bliksemren, wolkenren, Een hoos van kletterend staal! Zij vliegen, de zware ruiters! Spoed, spoed! Ter hulp! De brug gaat op.... De spoor In den bloedenden buik der paarden. De brug gaat op: verloren stad.

Er vóór reeds. Is het te laat? Te vierklauw, met schuimend gebit! Chaumont, op zijn gelen vos, Springt op de brug die terugvalt. Gewonnen stad! Hoort gij Op Bergens plaveien, Bliksemren, wolkenren, Een hoos van kletterend staal?

Leve Chaumont en de gele vos! Klaroent uw vreugd uit, slaat op de trom; Hooimaand is 't, de weiden geuren. De leeuwerik stijgt, tiereliert in de lucht: Leve de vrije vogel! Slaat op de trom der glorie. Leve Chaumont en de vos! Alhier, te drinken! Gewonnen stad. Leve de Geus!

En de Geuzen zongen op de schepen:

Christus, zie uwe soldaten. Zegen onze wapenen, Heer. Leve de Geus.

En Nele met heur lachend gezichtje speelde op de pijp, en Lamme sloeg op de trom, en naar omhoog, naar den hemel, den tempel Gods, verhieven zich gouden kelken en lofzangen van vrijheid. En de baren, helder en frisch, suisden welluidend rondom het schip als meerminnen,

X.

Eens, in de Oogstmaand, op een zwaren en warmen dag, was Lamme droefgeestig. Zijn blijde trom zweeg en sliep stil, de stokken staken weemoedig uit de opening zijner tassche. Uilenspiegel en Nele, glimlachend van blijde minne, koesterden zich in de zonne; de matrozen op kijkuit in de marsen, floten of zongen, en tuurden naar de wijde zee, om te weten of zij geene prooi aan den gezichteinder zagen. Treslong ondervroeg hen, en steeds antwoordden zij: Niets!

En Lamme, bleek en afgemat, zuchtte jammerlijk. En Nele zei hem:

--Hoe komt het, Lamme, dat gij zoo treurig gestemd zijt?

En Uilenspiegel zei hem:

--Gij wordt mager, mijn jongen.

--ja, zeide Lamme, ik ben treurig en mager. Mijn hert verliest zijne vroolijkheid, en mijn goede tronie heure frischheid. Ja, lacht maar met mij, gijlie, die, na duizenden gevaren, elkander terugvondt. Spot maar met den armen Lamme, die, getrouwd zijnde, leeft als een weduwnaar, terwijl deze hier--zeide hij, naar Nele wijzend--heuren man moest ontrukken aan de kussen der koorde, welke toch zijne laatste minnaresse zal wezen. Zij deed wel, God zij geloofd; maar dat ze niet lache met mij. Ja, Nele, mijne vriendin, gij moet met den armen Lamme niet spotten. Mijne vrouw lacht voor tien, laas! gijlie vrouwen zijt ongevoelig voor eens andermans leed. Ja, mijn hert is treurig, het is getroffen door het zweerd der verlatenheid; en niets zal het kunnen versterken, dan zij.

--Of een lekkere stoverije, zeide Uilenspiegel.

--Ja, zeide Lamme, waar is het vleesch hier op dit treurig schip? Op de bodems des konings hebben zij viermaal vleesch in de week--als er geene vasten in valt--en driemaal visch. Wat aangaat de visch, ik mag verdoemd zijn als die bloedlooze vezelen iets anders doen dan nutteloos mijn arm bloed ontsteken, dat binnenkort in water zal vergaan. De Spanjolen hebben bier, kaas, soep en goede dranken. Ja, om hunne magen te streelen, hebben zij alles: beschuit, peperkoek, bier, boter, gerookt vleesch; ja alles: gedroogde visch, kaas, mosterdzaad, zout, boonen, erwten, gort, azijn, olie, vet, hout en kolen. Ons komt men verbieden het beestiaal te nemen van wie hoegenaamd, 't zij poorter, abt of edelman. Wij eten haring en drinken kort bier. Laas! niets heb ik nog: noch liefde der vrouw, noch goeden wijn, noch dobbel bruinbier, noch lekkere spijzen. Waar is hier onze vreugde?

--Ik ga het u zeggen, Lamme, antwoordde Uilenspiegel. Oog om oog, tand om tand: te Parijs hebben ze, in den Bartholomeusnacht, tienduizend vrije herten gedood in de stad alleen; de koning zelf schoot naar zijn volk! Ontwaak, Vlaming, grijp naar de bijl, zonder genade! Dáár ligt onze vreugde. Tref de vijanden, 't zij Roomschen of Spanjaards, overal waar gij ze vindt. Denk thans niet aan uwen buik. De slachtofferen, doode en levende, allen ondereen, werden gebracht naar den stroom en met gansche karrevrachten in 't water gestort. Hoort gij, Lamme, dooden en levenden, allen ondereen? Negen dagen lang was de Seine rood van het bloed, en de raven vielen bij zwermen op de stad neder. Te La Charité, te Rouaan, Toulouse, Lyon, Bordeaux, Bourges, Meaux was de slachting afgrijselijk. Ziet gij die benden volgekropte honden liggen omtrent de lijken? Hunne tanden zijn moede. De vlucht van de raven is log, zoodanig is heure maag overlast met het vleesch van de slachtofferen. Hoort gij, Lamme, de stemme der zielen, die dorsten naar wraak? Ontwaak, Vlaming. Gij spreekt van uwe vrouw. Ik geloof niet dat ze ontrouw is, maar enkel waanzinnig, en zij bemint u nog steeds, arme vriend: zij bevond zich niet te midden dier hofdamen, dier wulpsche vampieren, welke, den nacht zelven der slachting, met heur fijne handjes de lijken ontblootten. En zij lachten van genot, die adellijke hoeren! Verheug u, mijn vriend, niettegenstaande uwe visch en uw kort bier. Is de nasmaak van haring wat flauw, flauwer nog is de reuk van die laagheid! Zij, die gemoord hebben, gastreeren nu; en met hunne handen, waar nog bloed aan kleeft, ziet men ze vette ganzen voorsnijden, om de vleugels, de billen en de stuit te bieden aan schoone freules van Parijs. Zoo even tastten die jonkvrouwen naar ander vleesch, naar koud vleesch!

--Ik zal nimmermeer klagen, zeide Lamme rechtstaande: haring is zalm, kort bier is malvezij voor vrije herten! Vive le Geus!

En Uilenspiegel sprak:

Leve de Geus! Niet weenen broeders. In puinen en bloed Bloeit de roos der vrijheid. Is God met ons, wie tegen?

Zegeviert de hyena, Dra komt de leeuw. Met één klauwslag werpt hij haar, gescheurd, ten gronde. Oog voor oog, tand voor tand. Leve de Geus.

En de Geuzen op de schepen zongen:

De hertog bescheert ons het eigenst lot. Oog voor oog, tand voor tand, Wond voor wond. Leve de Geus!

XI.

Het was een stikdonkere nacht; de storm loeide in de zwarte, sombere wolken; Uilenspiegel stond met Nele op het dek van het schip en sprak tot heur:

--Al onze vuren zijn uitgedoofd. Wij zijn vossen, die des nachts azen op Spaansch wild, 't is te zeggen op hunne twee en twintig bodemen, rijke schepen waarop lanteernen flikkeren, welke voor hen ongelukssterren zijn. En wij, wij zullen ze overvallen.

Nele sprak:

--Deze nacht is een tooveraarsnacht. De hemel is zwart als de monding der hel, de bliksemschichten flikkeren als de grimlach van Satan, de verre storm bromt met een dof geloei, de meeuwen vliegen met schelle kreten voorbij; de zee rolt heure lichtende golven als zilveren slangen. Thijl, mijn geliefde, kom mee in de wereld der geesten! Neem het tooverpoeder!

--Zal ik de Zeven zien, liefste?

En zij aten het tooverpoeder.

En Nele sloot Uilenspiegel's oogen, en Uilenspiegel sloot Nele's oogen. En zij zagen een verschrikkelijk schouwspel.

Hemel, aarde en zee waren vol mannen, vrouwlieden, kinderen, die wrochten, dobberden, liepen of droomden. De zee slingerde hen, de aarde droeg hen. En zij krielden als palingen in eene ben.

Op tronen in 't midden van den hemel, zaten zeven mannen en vrouwen, met een flikkerende ster op het voorhoofd; maar zij waren zoo onduidelijk, dat Nele en Uilenspiegel alleen hunne sterren onderscheiden konden.

De zee steeg omhoog tot den hemel en rolde in heur schuim de ontelbare menigte schepen mede, welker masten en touwen tegen elkander stieten, braken, verpletterden naar gelang van de onstuimige bewegingen der golven. Toen verscheen een schip te midden van al de anderen. Zijne buitenhuid was van vlammend ijzer. Zijne kiel was van staal, scherp als een mes. Het water schreeuwde, zuchtte als zij het doorkliefde. Grijnzend zat de Dood op de achterplecht van het schip, met zijne zeis in eene hand en in de andere een zweep, met dewelke hij de zeven personages sloeg. Een derzelven was een treurige, magere, trotsche, stilzwijgende vrouw. In eene hand hield zij een schepter en, in de andere, een zweerd. Naast haar zat eene vrouw met vuurroode wangen schrijlings op eene geit; met heur bloote borsten, heur halfgeopend kleed, heur wulpsche oogen, strekte zij zich ontuchtig uit naast een oude jodin, die roestige nagelen opraapte, en een dikke, opgezwollen vrouw, die nederviel telkens dat zij heur rechthielp, terwijl een magere man beiden razend sloeg. Noch de dikke vrouw, noch hare roodwangige gezellin sloegen weder. Midden onder hen zat een monnik worsten te eten. Eene vrouw, die ten gronde lag, kroop als eene slang tusschen de anderen. Zij beet de oude jodin ter oorzake van hare nagelen, de opgeblazen vrouw omdat zij te veel genoegen had, de roodwangige vrouw ter oorzake van den vochtigen glans heurer oogen, den monnik om zijne worsten, en de magere vrouw ter oorzake van haren schepter. En allen vochten weldra met elkander.

Toen zij voorbijvoeren, was het gevecht verschrikkelijk op de zee, in den hemel en op de aarde. Het regende bloed. De schepen werden geslecht met bijlen, met bussen, met kanonnen. De stukken vlogen in de lucht, te midden van den rook van het kruit. Op de aarde stieten de heiren tegen elkander als muren van staal. Steden, dorpen, oogsten brandden onder kreten en tranen; hooge torens, als kantwerk van steen, wierpen hunne schaduwen op het midden van 't vuur en vielen neder, als gevelde eiken, met een vreeselijk gekraak. Eene menigte zwarte ruiters, dicht bijeengedrongen als benden mieren, met het zweerd in de hand, de pistool in de vuist, sloegen de mannen, de vrouwlieden en kinderen. Eenigen kapten bijten in 't ijs en smeten de grijsaards levend onder de schotsen; anderen sneden de borsten der vrouwen af en strooiden peper in de gapende wonden; anderen nog hingen de kinderen in de schoorsteenen op. Zij, die moede van slaan waren, verkrachtten een meideken of eene vrouw, dronken, dobbelden, en roerden stapels goudstukken--vrucht van de plundering--met hunne handen, waaraan nog bloed kleefde.

De met sterren gekroonde zeven riepen: "Genade voor de arme wereld!"

En de spoken grijnsden. En hunne stemmen geleken op die van duizenden nachtuilen, die te gelijk krassen. En de Dood zwaaide met zijne zeis.

--Hoort gij ze? sprak Uilenspiegel; zij zijn de roofvogelen der arme menschen. Zij leven van de kleine vogelen, die de goeden en eenvoudigen zijn.

En de met sterren gekroonde Zeven riepen: "Liefde, gerechtigheid, goedertierenheid!"

En de zeven spoken grijnsden. En hunne stemmen geleken op die van duizenden nachtuilen, die te gelijk krassen. En de Dood sloeg hen met zijne zweep.

En het schip vaarde op den vloed en sneed alles in twee: booten, vaartuigen, mannen, vrouwlieden, kinderen. Op de zee weergalmde het gejammer der slachtofferen, die riepen: "Genade!"

En het roode schip ging over hen allen heen, terwijl de grijnzende spoken krasten als nachtuilen.

En de Dood dronk dit water, hetwelk rood zag. van bloed.

En toen het schip in de nevelen verdwenen was, hield het gevecht op en verzwonden de met sterren gekroonde Zeven.

En Uilenspiegel en Nele zagen anders niets meer dan den pikzwarten hemel, de holle, bruisende zee, de donkere wolken, die voortgejaagd werden boven het lichtende water en, dichter bij, bleekroode sterren.

Het waren de lanteernen van de twee en twintig bodemen der vloot. De zee en de donder lieten een dof gerol hooren.

En Uilenspiegel trok zachtjes aan de wacharmklok en riep:--De Spaanjaard! De Spanjaard! Hij stevent op Vlissingen!

En de kreet werd herhaald door geheel de Geuzenvloot.

En Uilenspiegel zeide tot Nele:

--Een grijze tint kleurt de zee en den hemel. De lanteernen flikkeren nog slechts zwak; de ochtendschemering breekt aan, de wind wordt frisscher, de baren werpen heur schuim over 't dek van de schepen, een felle regen valt, doch eindigt weldra, de zon verrijst in volle gloor en verguldt de toppen der golven: dat is uw glimlach, Nele, frisch als het krieken van den morgen, zacht als de straal van de rijzende zon.

De twee en twintig bodemen varen voorbij; op de schepen der Geuzen hoort men trommels en pijpen; Lumey roept: "In name des Prinsen, op jacht!" Ewoud Pietersen Worst, schout-bij-nacht, roept: "In name van Zijne Hoogheid, den Prins van Oranje en messire den admiraal, op jacht!" Op al de schepen: op de Johanna, den Zwaan, de Anne-Mie den Geus, het Eedverbond, den Egmond, den Hoorn, den Willem de Zwijger, roepen al de kapiteins: "In name van Zijne Hoogheid, den Prins van Oranje en messire den admiraal, op jacht!"

--Op jacht! Vive Le Geus! roepen de soldaten en de matrozen.

De hulk van Treslong, op dewelke Uilenspiegel diende, en den-Briel genaamd, van dichtbij gevolgd door de Johanna, den Zwaan en den Geus, bemachtigt vier Spaansche bodemen. De Geuzen werpen al wat Spaansch is in 't water, nemen de Nederlanders gevangen, ledigen de vaartuigen als eierdoppen en laten ze, zonder masten of zeilen, dobberen in de reede. Daarna achtervolgen zij de achttien andere bodemen. De wind waait geweldig uit het gat van Antwerpen, de muur der snelle vaartuigen buigt in het water van den stroom, onder 't gewicht van de zeilen, die gezwollen staan als de kaken eens monniks bij den wind die waait uit de keuken; de Spaansche bodemen varen snel; de Geuzen achtervolgen ze tot in de reede van Middelburg, onder het vuur van de forten. Daar ontstaat een bloedig gevecht; de Geuzen, met hun enterbijlen in de hand, springen op het dek van de schepen, welke weldra vol liggen met afgekapte armen en beenen, die men, na het gevecht, bij manden in den vloed werpen moet. De forten schieten naar hen; zij lachen er mee, en onder den kreet van: "Vive le Geus", nemen zij in de Spaansche bodemen, kruit, kanonnen, kogels en koren. Als de vaartuigen geledigd zijn, verbranden zij die; dan varen zij naar Vlissingen, en laten ze walmen en uitbranden in de reede.

Van daar zullen zij mannen zenden, die Zeelands en Hollands dijken zullen doorsteken, nieuwe schepen zullen helpen maken, en namelijk de vliebooten van honderd veertig ton, die tot twintig gegoten ijzeren stukken voeren.

XII.

Het sneeuwt op de schepen. Heinde en ver is de lucht wit, en zonder ophouden valt de sneeuw immer door in het zwarte water, in hetwelk zij smelt.

Het sneeuwt op het land: wit zijn de wegen, ook wit de flauwe schimmen der ontbladerde boomen. Geenerlei gerucht is te hooren, tenzij het verre gelui van Haarlems klokken, die het uur slaan, en van den blijden beiaard, die in de dikke lucht zijn gesmoorde tonen zendt.

Luidt niet, klokken; speel uw zachte, eenvoudige deuntjes niet, beiaard: don Frederik nadert, de zoon van den bloedigen hertog. Hij komt op u af, gevolgd van vijf en dertig vendels Spanjaarden, uwe doodvijanden, Haarlem, o stede van vrijheid; twee en twintig vendels Walen, achttien vendels Duitschers, achthonderd peerden, een machtig geschut volgen hem. Hoort gij op de wagens het geknars van het doodend ijzer? Falkonetten, slangen, donderbussen met wijden mond, dat alles is voor u, Haarlem. Luidt niet, klokken; werp uw blijde tonen niet meer in de met sneeuw bezwangerde lucht, lustige beiaard.

--Wij, klokken, zullen luiden; ik, beiaard, ik zal zingen en mijn stoute tonen werpen in de met sneeuw bezwangerde lucht. Haarlem is de stad van de dappere harten, de kloekmoedige vrouwen. Van de hoogte heurer torens ziet zij, zonder vrees, de zwarte drommen der beulen, als helsche mieren naderen, met golvende bewegingen: Uilenspiegel, Lamme en honderd Watergeuzen zijn binnen heure muren. Hunne vloot kruist op het meer.

--Laat ze komen! zeggen de inwoners; wij zijn maar poorters, visschers, zeelieden en vrouwen. De zoon van den hertog van Alva wil, naar hij zegt, om onze stede binnen te komen, geen andere sleutels dan zijne donderbus. Dat hij, als hij kan, die zwakke poorten opene: daarachter zal hij mannen vinden. Luidt, klokken; werp uw blijde tonen in de met sneeuw bezwangerde lucht, beiaard!