De legende en de heldhaftige, vroolijke en roemrijke daden van Uilenspiegel en Lamme Goedzak in Vlaanderenland en elders

Part 32

Chapter 32 4,020 words Public domain Markdown

Gedurig zocht hij in zijnen geest hoe hij Elisabeth, de groote koningin, zou kunnen overwinnen om Maria Stuart terug op den troon van Engeland te plaatsen. Met dat doel had hij eenen brief geschreven aan den Paus, dewelke diep in schulden stak; de Paus had geantwoord dat hij, voor die onderneming, geerne de heilige vaten der tempels en de schatten van het Vatikaan zou verkocht hebben.

Maar Philippus lachte niet.

Ridolfi, de lieveling van koningin Maria, die heur wilde verlossen in de heimelijke hoop naderhand met heur te trouwen en koning van Engeland te worden, kwam bij Philippus om met hem Elisabeth's dood te beramen. Maar hij had zulke lange tong, lijk de koning naderhand schreef, dat men ter Beurze van Antwerpen openlijk van zijn voornemen gesproken had; en de moord werd niet bedreven.

En Philippus lachte niet.

Later zond de bloedige hertog, op bevel van den koning, vier moordenaars naar Engeland. Zij slaagden er slechts in, zich te doen hangen.

En Philippus lachte niet.

En aldus verijdelde God de heerschzuchtige plannen van dien bloedzuiger, wiens voornemen was Maria Stuart heuren zoon te ontnemen en in zijne plaats, samen met den Paus, over Engeland te regeeren. En de moordenaar was verbitterd, omdat dit edele land zoo groot en zoo machtig was. Gedurig wendde hij zijn bleeke oogen naar hetzelve, en zocht hij het middel om het te verpletten, om vervolgens over de wereld te regeeren, de hervormden uit te roeien, en liefst nog de rijke, en have en goed te erven van de slachtofferen.

Maar hij lachte niet.

En men bracht hem ratten en muizen in een ijzeren doos met hooge randen, open van boven; en hij stelde de doos met den bodem op een gloeiende stoof en hij schepte er vermaak in, de arme diertjes te zien en te hooren springen, schreeuwen, zuchten en sterven....

Maar hij lachte niet.

Vervolgens ging hij, met bleek gezicht en bevende handen, in de armen van mevrouw van Eboli, zijn vuur van geilheid blusschen, dat aangestoken was met de toorts van de wreedheid.

En hij lachte niet.

En mevrouw van Eboli ontving hem, uit vrees en geenszins uit liefde.

XLII.

De lucht was warm: van de kalme zee woei geen het minste windeken. Nauwelijks trilden de bladeren der boomen aan de vaart van Damme; de krekelen bleven in de meerschen, terwijl, in de velden, de bedienden der kerken en abdijen het dertiende van de oogsten ophaalden, ten profijte van papen en abten. Uit de hoogte van den vurigen, diepen, blauwen hemel overstroomde de zonne het aardrijk met haar gloed, en de Natuur sliep onder de zonnestralen als een dartel meideken, dat trilt onder de kussen van beuren geliefde. De karpers sprongen boven het water naar de vliegen, die gonsden als een kokende ketel, terwijl de zwaluwen, met heur lang lijf en groote vleugelen, hun hunne prooi betwistten. Uit de aarde steeg een warme, vochtige damp omhoog, die schitterde in 't licht. Van op den toren van Damme liet de koster, door middel eener gebarsten klok, die klonk als een ketel, den veldarbeiders weten dat het middag was, en tijd om te gaan eten. De vrouwen brachten heure twee handen trechtergewijze aan heuren mond om heure mannen en broeders te roepen: Hans, Pieter, Dokus; en boven de menigte zag men heure roode huiken uitsteken.

Lamme en Uilenspiegel zagen, in de verte, den hoogen, vierkanten, zwaren toren van Onze-Lieve-Vrouwekerk verrijzen.

Lamme sprak:

--Daar, mijn zoon, daar zijn uwe smerten en uwe minne.

Doch Uilenspiegel antwoordde niet.

--Weldra, sprak Lamme nogmaals, zijn wij aan mijn oude woning en wie weet of ik daar mijne vrouw niet zie.

Doch Uilenspiegel antwoordde niet.

--Houten man, zeide Lamme, steenen hert, kan niets u dan bewegen, noch de nadering van het plekje, waar gij leefdet als kind, noch de dierbare schimmen van den armen Klaas en de arme Soetkin, de beide martelaren? Hoezoo! gij zijt weemoedig noch blijde van zin; wie dan heeft aldus alle gevoel uit uw herte gerukt? Aanschouw mij, zie hoe de angst, de aandoening mijn hert in mijnen buik doen schokken; bezie mij.

Lamme keek op naar Uilenspiegel; hij zag hem met een bleek gezicht, met gebogen hoofd, met trillende lippen, sprakeloos weenen.

En hij zweeg.

Zonder nog een woord te wisselen, reden zij voort naar Damme; zij kwamen de stad langs de Reigerstraat binnen, doch zij zagen niemand, ter oorzake van de hitte. De honden lagen op hunne zijde, met hangende tong, voor de zullen der deuren. Lamme en Uilenspiegel gingen dicht tegen het Schepenhuis, rechtover hetwelk Klaas verbrand werd; Uilenspiegel's lippen beefden heviger, doch hij weende niet meer. Toen hij noesch over het huis kwam van Klaas, dat nu bewoond was door een meester-koolbrander, ging hij er binnen, zeggende:

--Herkent gij mij? Hier wil ik rusten.

De meester-koolbrander sprak:

--Ik herken u; gij zijt de zoon van het slachtoffer. Doe alsof gij thuis waart in deze halle.

Uilenspiegel ging in de keuken, vervolgens in de kamer van Klaas en van Soetkin en weende.

Toen hij terug beneden was, zeide de meester-koolbrander tot hem:

--Hier is brood, kaas en bier. Eet als gij honger, drink als gij dorst hebt.

Uilenspiegel deed teeken met de hand, dat hij honger noch dorst had.

Toen ging hij voort met Lamme, die schrijlings op zijnen ezel bleef, terwijl Uilenspiegel den zijnen bij den halster geleidde.

Zij kwamen aan de hut van de uitzinnige Katelijne, bonden hunne ezelen vast en gingen binnen. Het was het etensuur. Op de tafel stond eene pateel prinsessenboonen, ondereengestoofd met boerenteenen. Katelijne was aan 't eten, terwijl Nele recht stond met de sauspan in de hand, gereed om saus te gieten in Katelijne's teil.

Toen Uilenspiegel binnentrad, was zij zoo ontroerd, zoo aangedaan, dat zij de sauspan met heel den inhoud in de teil van Katelijne liet vallen. De uitzinnige schuddebolde, zocht met heuren lepel de boerenteenen uit, rondom de sauspan; zij sloeg op heur voorhoofd en sprak:

--Doe het vuur weg! mijn hoofd brandt.

De reuk van de azijnsaus streelde Lamme's neus; de dikke man was in verzoeking gebracht.

Uilenspiegel bleef staan en, in zijn groote droefheid, bezag hij Nele met een teederen, liefderijken glimlach.

En zonder een woord tot hem te richten, vloog Nele hem om den hals. Zij ook scheen waanzinnig; zij weende, lachte, en zeide enkellijk, blozend van zoet en innig genoegen:

--Thijl! Thijl!

Uilenspiegel, gelukkig, kon zijne oogen niet wenden van zijne geliefde, die zich eensklaps zachtjes losmaakte en eenen stap achteruitweek, om hem beter te bezien; en opnieuw vloog zij blijde om zijnen hals en drukte hem tegen heure borst, en dit herhaalde reizen achtereen. Zalig van geluk, hield hij ze vast, zonder van heur te kunnen scheiden, totdat zij, moede en als waanzinnig, op eenen stoel nederviel; en zonder verlegenheid zeide zij:

--Thijl! Thijl! mijn geliefde, ge zijt dus terug!

Lamme stond nog steeds nabij de deur; toen Nele's aandoening een weinig gestild was, bemerkte zij hem en sprak zij:

--Waar heb ik dien dikzak nog gezien?

--Het is mijn vriend, antwoordde Uilenspiegel. In mijn gezelschap zoekt hij zijn wettige vrouw.

--Nu herken ik u, zeide Nele tot Lamme; gij hebt gewoond in de Reigerstraat. Gij zoekt uwe vrouw; ik heb ze gezien te Brugge, alwaar zij godvruchtig en devotelijk leeft. Ik heb heur gevraagd waarom zij zoo wreedelijk heuren man had verlaten, en zij gaf mij tot antwoord: "Dus was de heilige wil Gods, maar voortaan mag ik met hem niet meer wonen".

Lamme werd droevig gestemd bij die rede en keek begeerig naar de prinsessen met azijnsaus. En de leeuweriken zongen en verhieven zich hoog in den hemel en de smachtende Natuur liet zich kussen door het warme zonnelicht. En Katelijne stak met heuren lepel, rondom de sauspan naar de boerenteenen en naar de prinsessen.

XLIII.

Omtrent dien tijd ging een meideken van vijftien jaar alleen in vollen dag van Heist naar Knokke, langs het duin. Niemand koesterde de minste vrees voor heur, want men wist, dat weerwolven en verdoemde zielen alleen uitgaan en bijten des nachts. Zij droeg, in eene tassche, acht en veertig zilveren stuivers, wat vier karolusgulden uitmaakt, die heure moeder Tonia Pietersen, woonachtig te Heist, schuldig was, wegens eene verkooping, aan heuren oom Jan Rapen, woonachtig te Knokke. Het meideken, Betkin genaamd, had heure beste kleederen aan, en was blij te moede vertrokken.

's Avonds was Betkin nog niet thuis en heure moeder werd ongerust; doch daar zij ten slotte onderstelde, dat ze bij heuren oom was gebleven, bedaarde zij.

Visschers die, met een goede vangst van de zee kwamen, trokken 's anderen daags hunne boot op het strand, en losten hunne visch in karren om ze aan de meestbiedenden te doen verkoopen te Heist, in de mijn. Zij klommen den weg in het schelpzand op, en vonden, in het duin, een naakt meideken liggen, dat gansch uitgeschud was, tot zelfs van heur hemde ontdaan, en rondom heur lag bloed. Nader gekomen, zagen zij, in heuren armen gebroken nek, het merk van lange, scherpe tanden. Het slachtoffer lag op den rug, met de oogen wijd open naar den hemel, met den mond insgelijks open, alsof het nog om hulp wou roepen.

Zij bedekten het lichaam van het meideken met een opperste kleed en droegen het naar Heist, naar het Schepenhuis. Weldra kwamen aldaar de schepenen en de chirurgijn-baardemaker bijeen, dewelke laatste verklaarde, dat die lange tanden geenszins wolfstanden waren, zooals de Natuur die gemaakt heeft, maar wèl die van een boozen, helschen weerwolf, en dat men God diende te bidden om Vlaanderenland van dat gedrocht te verlossen.

En, heel het graafschap door, en vooral te Damme, Heist en Knokke, werden openbare gebeden bevolen.

En men zag het volk jammerend de kerken afloopen.

En in de kerk van Heist, in dewelke het lijk van het meideken ten toon gesteld was, schreiden mannen en vrouwen, als zij den bloedigen, verscheurden nek van het slachtoffer zagen.

En de moeder zei in de kerk zelve:

--Ik wil naar den weerwolf gaan en hem vaneenscheuren met mijne tanden.

En weenend hitsten de vrouwen heur in heur voornemen op. Sommigen zeiden nochtans:

--Gij zoudt niet levend terugkomen.

En zij ging met heuren man en heure beide broeders--alle vier goed gewapend--den wolf zoeken langs strand, duin en dal, maar zij vonden hem niet. En heur man moest heur terugbrengen naar huis, want door de nachtelijke koude had zij de koorts gekregen; en zij waakten bij heur bed terwijl zij hunne netten herstelden.

Overwegende, dat de weerwolf een beest is dat leeft van bloed, doch geenszins de dooden besteelt, meende de baljuw van Damme, dat het ondier zekerlijk moest gevolgd zijn door diepers, die, voor hun snood gewin, rondzwierven langs het strand. Dienvolgens liet hij uitbellen, dat hij een iegelijk gelastte en beval, goed gewapend met bussen, stokken en anderszins, op zoek te gaan, en alle schooiers en diepers te vatten en af te tasten, om te zien of in hunne gordeltasschen geen gouden karolussen staken of geenerlei stuk van de kleeding van de slachtofferen. En nadien zouden de gezonde en sterke schooiers en diepers op de galeien des konings worden gebracht. En de oude en gebrekkelijke zou men laten gaan.

Doch men vond niets, dat licht in de zaak bracht.

Uilenspiegel ging tot den baljuw en sprak:

--Ik wil den weerwolf dooden.

--Wat geeft u vertrouwen? vroeg de baljuw.

--De assche klopt op mijn hert, antwoordde Uilenspiegel. Geef mij de toelating in de gemeentesmidse te werken.

--Gij moogt, sprak de baljuw.

Zonder tot een man of eene vrouw van Damme een woord over zijn ontwerp te spreken, trok Uilenspiegel naar de smidse en verveerdigde daar, in 't geheim, eene schoone en groote val om wilde dieren te vangen.

Den volgenden dag, een Zaterdag, de geliefkoosde dag van de weerwolven, toog Uilenspiegel henen met eenen brief van den baljuw voor den parochiepaap van Heist, en met de val onder zijnen mantel; overigens was hij gewapend met een goede bus en een scherp, versch aangezet kruismes; in 't heengaan zei hij tot die van Damme:

--Ik ga op jacht naar de meeuwen en zal met haar dons oorkussens maken voor mevrouw van den baljuw.

Naar Heist stappend, langs het duin, hoorde hij de woedende baren der zee, die schuimend kwamen botsen op de kust, met een gedruisch als van den donder, en den wind, die uit Engeland woei en die huilde in het want van de gestrande schuiten.

Een schipper zei tot hem:

--Die kwade wind doet ons nadeel. Verleden nacht was de zee kalm, doch na zonsopgang rees zij eensklaps woedend omhoog. Wij zullen niet kunnen in zee steken.

Uilenspiegel was er blijde om, want aldus was hij zeker des nachts hulp te krijgen, als zulks noodig mocht zijn.

Te Heist ging hij naar den pastoor, denwelken hij den brief van den baljuw bestelde.

De parochiepaap zeide tot hem:

--Gij zijt een moedige kerel; edoch ik moet u zeggen, dat niemand 's Zaterdagavonds langs het duin gaat, zonder gebeten, en dood in het zand gevonden te worden. De dijkwerkers en andere arbeidslieden wachten steeds op elkaar en begeven zich maar bij troepen op weg. De avond valt. Hoort gij in het duin den weerwolf huilen? Zal men weeral, lijk gisteren, heel den nacht door, zijn schor gehuil hooren weergalmen op den akker der dooden? God zij met u, mijn zoon, maar doe het niet.

En de paap maakte het teeken des kruises, en zegende hem.

--De assche klopt op mijn hert, antwoordde Uilenspiegel.

De pastoor sprak:

--Mits gij zoo'n kloekmoedige wilskracht hebt, zal ik u helpen.

--Heer pastoor, sprak Uilenspiegel, gij zoudt mij en het arme geteisterde land grootelijks van dienst zijn, zoo gij bij Tonia, de moeder van het slachtoffer, en ook bij heure twee broeders wildet gaan, en hun zeggen, dat de wolf in de nabijheid is en dat ik hem wil afwachten om hem te dooden.

De parochiepaap sprak:

--Als gij niet weet welken weg gij moet nemen, begeef u op dien, welke leidt naar het kerkhof. Hij loopt tusschen twee groene hagen. Twee mannen zouden er naast elkander niet kunnen gaan.

--Daar zal ik zijn, antwoordde Uilenspiegel. En gij, messire dappere pastoor, gelast en beveel aan de moeder van het meideken, aan heuren man en aan heure broeders zich, vóór de slaapklok, goed gewapend in de kerk te bevinden. Als zij mij hooren fluiten lijk de meeuw, is dit het teeken, dat ik den weerwolf gezien heb. Dan moeten zij de wacharmklok luiden en mij ter hulp snellen. Hebt gij ook eenige andere wakkere mannen?

--Neen, mijn zoon, antwoordde de pastoor. De visschers vreezen den weerwolf meer dan pest en dan dood. Maar doe het niet....

Uilenspiegel antwoordde:

--De assche van Klaas klopt op mijn hert.

Toen zei de paap:

--Ik zal doen wat gij vraagt, wees gezegend. Hebt gij soms honger of dorst?

--Beide, antwoordde Uilenspiegel.

De pastoor gaf hem bier, brood en kaas.

Uilenspiegel at en dronk; en hij toog henen.

Onderwege hief hij de oogen op; hij zag Klaas, zijn vader, in glorie naast God in den hemel, in denwelken de heldere maan glom, en vervolgens zag hij naar de zee en de wolken, en hoorde hij den loeienden wind, die uit Engeland blies.

--Laas! sprak hij, zwarte wolken, die voorbijrennen in het nachtelijk duister, weest als de Wrake die den Moord achternazet. Loeiende zee, pikdonkere hemel; bruisend water, dat driftig, grammoedig rolt of woest omhoog slaat, of in branding schuimend en spattend breekt op het strand; zwarte zee, in rouw gehulde hemel, komt mij ter hulp in mijnen strijd tegen den weerwolf, den vuigen moordenaar van onschuldige meidekens. En gij, wind, die klagend huilt in de bremstruiken van het duin en in het want van de schepen, gij zijt de stem van de slachtofferen, die roepen om wrake bij den Heer, dewelke mij helpe in mijne onderneming!

En waggelend op zijne beenen, alsof zijn hoofd honderd pond woog en zijne maag overlast was, daalde hij neer van het duin.

Wankelend stapte hij voort met een slepend lied op de lippen, dat hij elk oogenblik onderbrak om te hikken, te geeuwen, te spuwen. Van tijd tot tijd bleef hij staan en gebaarde hij over te geven, doch in werkelijkheid opende hij goed de oogen, om rondom zich alles oplettend gade te slaan. Eensklaps hoorde hij een schor geluid; hij bleef staan om te spugen als een hond, en, bij het licht der rijzende maan, onderscheidde hij de gedaante van eenen wolf, die sloop naar het kerkhof.

Waggelend sloeg Uilenspiegel het pad in, tusschen de groene hagen. Daar gebaarde hij neder te vallen, doch 't was om de val te plaatsen langs den kant, van denwelken de wolf kwam: hij wapende vervolgens zijne bus en ging tien stappen verder staan in de houding eens dronkaards, en gedurig veinsde hij te waggelen, te hikken, te braken, doch werkelijk spande hij zijnen geest als een boog, opende de oogen en spitste de ooren.

En niets zag hij dan de zwarte wolken, die als waanzinnig renden door 't luchtruim, en een dikke korte en zwarte gedaante, die op hem afkwam; en niets hoorde hij dan de wind, die kreunend huilde, de zee, die als de donder rolde, en den weg van schelpzand, die kraakte onder een zwaren, huppelenden stap.

Uilenspiegel veinsde zich te willen nederzetten en liet zich, als een dronkaard, zwaar op den weg vallen. En hij braakte.

Daar hoorde hij ijzerwerk knarsen, op een paar stappen van zich, dadelijk daarna het gerucht van de val, die toesloeg, en den gil van een mensch.

--De weerwolf, sprak hij bij zich zelven, is met de voorpooten gevangen in de val. Huilend richt hij zich op; hij schudt de val heen en weer om te ontvluchten. Maar ontsnappen zal hij niet. En hij schoot zijne bus af naar zijne beenen.

--Getroffen, sprak hij, want gekwetst valt hij neder!

En hij floot als de zeemeeuw.

Plotseling begon de klok van de kerk wacharm te luiden, en riep de schelle stem van een knaapje in 't dorp:

--Wordt wakker, gij allen, die slaapt; de weerwolf is gevangen!

--Hoezee! God zij gedankt! sprak Uilenspiegel.

Tonia, de moeder van Betkin, Lansaem, heur man, Judocus en Michiel, heure broeders, kwamen het eerst met hunne lanteernen.

--Hebt gij hem vast? vroegen zij.

--Ziet maar, daar ligt hij op den weg, antwoordde Uilenspiegel.

--God zij gedankt! spraken zij.

En zij maakten het teeken des kruises.

--Wie is daar aan 't luiden? vroeg Uilenspiegel.

Lansaem antwoordde:

--Mijn oudste zoon; de jongste loopt het dorp rond, om de menschen op te kloppen en te roepen, dat de wolf gevangen is. Heil U!

--De assche klopt op mijn hert, antwoordde Uilenspiegel.

Plotseling begon de weerwolf te spreken en zeide hij:

--Heb medelijden met mij, Uilenspiegel, heb medelijden.

--De wolf spreekt, zeiden allen een kruis slaande. Hij is de duivel, want reeds kent hij Uilenspiegel's naam.

--Heb medelijden, medelijden, smeekte de stem, zeg aan die klok van te zwijgen; zij klept als de doodklok; medelijden, ik ben de wolf niet. Mijne polsen zijn doorgesneden in de val; ik ben oud en ik bloed, medelijden! Welk schelle kinderstem hoor ik daar het dorp wakker maken? Medelijden!

--Ik herken uwe stem, ik heb ze vroeger gehoord, sprak Uilenspiegel onstuimig. Gij zijt de vischverkooper, de moordenaar van Klaas, de bloedzuiger der arme meidekens. Mannen en vrouwlieden, weest zonder vrees; 't is de deken, die Soetkin deed sterven van smerte.

En met eene hand hield hij hem bij den nek, onder de kin, terwijl hij met de andere zijn kruismes trok.

Maar Tonia, de moeder van Betkin, hield hem tegen en riep:

--Neem hem levend gevangen.

En met klissen trok zij zijn grijze haren uit, terwijl zij zijn aangezicht met heure nagelen doorwoelde.

En zij huilde van droefheid en woede.

Met de handen gevat in de val, en kronkelend ter oorzake van de hevige smert, riep de weerwolf:

--Hebt medelijden, hebt toch medelijden; o, die vrouw, doet ze weggaan. Ik zal twee gouden karolussen geven. Breekt die klokken! Waar zijn die tierende kinderen?

--Houdt hem levend! schreeuwde Tonia, houdt hem levend, hij moet het betalen. De doodklokken kleppen voor u, moordenaar. Met zacht vuur, met gloeiende tangen! Houdt hem levend! dat hij betale!

Intusschen stiet Tonia tegen een voorwerp, dat op den grond lag; zij bukte zich en raapte een wafelijzer op. Toen zij het bekeek bij den gloed van de toortsen, zag zij, naar de Brabantsche wijs, diepe ruitjes in de ijzeren platen, maar daarenboven was het bezet met lange en scherpe tanden, als een ijzeren muil. En als zij het toedeed, was het als de muil van een wolfshond.

Tonia hield toen het wafelijzer vast, opende het en sloot het beurtelings, en deed daarbij het ijzerwerk knarsen. En ze scheen waanzinnig en, razend en knarsetandend, reutelend als eene zieltogende, zuchtend van de bittere smert, die dorstte naar weerwraak, beet zij met het ijzer den gevangene in zijne armen, in zijne beenen, in zijn lijf, overal, doch vooral in den nek; en telkens dat zij het ijzer toedrukte, sprak zij:

--Zoo deed hij met Betkin, met de ijzeren tanden. Hij betale. Bloedt gij, moordenaar? God is rechtveerdig. Hoor maar de doodklok. Betkin roept om gewroken te worden. Voelt gij de tanden? 't Zijn de tanden van God!

En zij beet zonder ophouden of medelijden, en sloeg met het wafelijzer, als zij er hem niet mee kon bijten. Maar gedreven door heur groote begeerte naar wraak, doodde zij hem niet.

--Genade, schreeuwde de vischverkooper, Uilenspiegel, steek mij dood met uw kruismes, stel aan mijn lijden een einde. Smijt die vrouw weg. Breek de klokken. Dood de kinderen, die schreeuwen!

En Tonia folterde hem zonder ophouden, totdat een oud man medelijden kreeg en heur het wafelijzer ontnam.

Maar toen spugde Tonia den weerwolf in het gezicht en trok ze zijne haren uit, zeggende:

--Gij zult betalen, met zacht vuur, met gloeiende tangen: uwe oogen zal ik met mijne nagelen uitrukken!

Intusschen waren al de visschers, boeren en vrouwlieden van Heist bijgekomen, als zij vernomen hadden, dat de weerwolf geen duivel, maar een man was.

Eenigen droegen lanteernen en toortsen. En allen riepen:

--Dief en moordenaar, waar hebt gij het goud weggestoken, dat gij den armen slachtofferen ontroofdet? Hij moet alles teruggeven!

--Ik heb geen goud; hebt medelijden! smeekte de vischverkooper.

En de vrouwlieden smeten zand en steenen naar hem.

--Hij betale! hij betale! schreeuwde Tonia.

--Medelijden, zuchtte hij, ik ben druipend van het bloed, dat gutst uit mijn wonden.

--Uw bloed, sprak Tonia. O, gij moet er houden voor de hand van den beul. Hij moet sterven met zacht vuur, zijne hand afgekapt worden, met gloeiende tangen genepen! Hij zal betalen, hij zal betalen.

En zij wilde hem slaan; doch zij viel buiten kennis op het zand als eene doode; en men liet heur daar liggen totdat zij terug tot zich zelve kwam.

Intusschen had Uilenspiegel de handen van den gevangene uit de val verlost, en toen zag hij, dat drie vingeren ontbraken aan zijne rechterhand.

En hij beval hem stevig te knevelen en in eene vischmand te binden. Mannen, vrouwlieden en kinderen togen toen henen naar Damme, en droegen onderwege beurtelings de benne met haar verachtelijke vracht. En anderen droegen lanteernen en toortsen.

En de vischverkooper zei gedurig:

--Breekt de klokken, doodt de kinderen, die schreeuwen.

En Tonia sprak:

--Hij betale, met zacht vuurken, met gloeiende tangen, hij betale!

En dan weer zwegen beiden. En Uilenspiegel hoorde niets meer dan den jagenden adem van Tonia, den zwaren stap van de mannen op het krakende zand en de zee, die rolde als de donder.

En, met treurig hert, zag hij naar de wolken, die, als waanzinnigen, elkander achternazetten in den hemel; naar de zee, waar de branding zich als lichtende schaapkens vertoonde, en, bij den gloed van lanteernen en toortsen, naar het doodsbleeke gelaat van den vischverkooper, dewelke hem bezag met valschheid en wraaklust.

En de assche klopte op zijn hert.

En in vier uren gingen zij naar Damme, alwaar het gemeen reeds te hoop geloopen was, daar het de tijding reeds kende. Allen wilden den vischverkooper zien en volgden de visschers al dansend, zingend en roepend:

--De weerwolf is gevangen; hij is gepakt, de moordenaar! Gezegend zij Uilenspiegel! Lang leve onze broeder Uilenspiegel!