Part 31
Eensklaps hoorden zij een grooten schreeuw, als 't gereutel van een man, die gekeeld wordt, en terstond liepen zij naar den kant van denwelken het geschreeuw kwam.
En zij riepen:
--Verweer u kloekmoedig, wij komen u ter hulp!
Maar 't duurde tamelijk lang, voordat zij hunnen makker vonden, want sommigen vermeenden, dat de kreet uit het dal, anderen dat hij van de hoogste duin was gekomen.
Toen zij dal en duin met hunne lanteernen goed afgezocht hadden, vonden zij eindelijk hunnen gezel, van achteren gebeten in den arm en in het been en met gebroken nek, lijk de andere slachtofferen.
Hij lag op den rug, met zijn zweerd in de toegenepen hand; zijne bus lag op het zand. Naast hem waren drie afgesneden vingeren, die de zijne niet waren, en die zij meedroegen. Zijne gordeltasch was hem ontnomen.
Zij namen het lijk van hunnen gezel op de schouderen; zijn flink zweerd en zijn dappere bus droegen zij insgelijks mede, en, grammoedig en jammerend, droegen zij het lijk naar het baljuwschap, alwaar de baljuw het ontving, bijgestaan door zijnen griffier-crimineel, door twee schepenen, alsmede door twee chirurgijns.
De afgesneden vingeren werden onderzocht en bevonden als zijnde die van eenen ouderling, dewelke van geenerlei ambacht kon zijn, want zij waren dun en fijn, en de nagelen lang, lijk die van rechters en geestelijken.
's Anderen daags gingen de baljuw, de schepenen, de griffier, de chirurgijns en de soldaten naar de plaats, waar de arme doode gebeten was, en zij zagen bloeddroppelen op het gras, en stappen die gingen tot aan de zee, waar zij ophielden.
XXXVII.
Het was in den tijd der rijpe druiven, de vierde dag van de Wijnmaand, als wanneer men te Brussel, na de hoogmis, van op Sint-Nicolaastoren, zakken okkernoten te grabbel smijt.
Des nachts werd Nele gewekt door kreten, die kwamen van de straat. Zij zocht Katelijne in de kamer, maar vond ze niet. Zij liep naar beneden en opende de deur, en Katelijne kwam haastiglijk binnen en sprak:
--Red mij! red mij! De wolf! de wolf!
En Nele hoorde, van verre in het veld, een akelig, schor gehuil. Sidderend stak zij al de lampen en keersen aan, die zij vond.
--Wat is er gebeurd, Katelijne? vroeg zij, heur in de armen drukkend.
Katelijne zette zich neer op eenen stoel, en, met verwilderde oogen, zeide zij, terwijl zij de keersen aanstaarde:
--Dat is de zonne, die de booze geesten verdrijft. De wolf, de wolf huilt in de verte.
--Maar, zeide Nele, waarom zijt gij uit uw bed gekomen, waar gij warm laagt, om koorts op te doen in de vochtige najaarsnachten?
En Katelijne sprak:
--Hansken schreeuwde daar even als de nachtuil; en ik heb de deur opengedaan. En hij zei tot mij: "Drink den tooverdrank"; en ik dronk. Hansken is schoon. Doe het vuur weg. Toen bracht hij mij dicht bij de vaart en zeide hij mij: "Katelijne, ik zal u de zevenhonderd karolussen teruggeven, gij zult ze geven aan Uilenspiegel, zoon van Klaas. Hier zijn twee karolussen voor u, koop er een kleed mee, weldra zult gij er duizend hebben".--"Duizend, sprak ik, mijn beminde, dan zal ik rijk zijn".--"Gij zult ze hebben, sprak hij. Maar zijn er in Damme geene vrouwen of meidekens, die nu zoo rijk zijn als gij dan zult wezen?"--"Ik weet het niet", antwoordde ik. Ik wilde heure namen niet zeggen, uit vreeze dat hij ze zou beminnen. Toen zeide hij mij: "Tracht dit te weten te komen en zeg mij heure namen als ik terugkom".
...Het was koud, de mist hing over de weide, droge takjes vielen van de boomen op den weg. En de maan glom, en er waren lichtjes op het water van de vaart. Hansken zeide mij: "'t Is nacht van de weerwolven; dezen nacht mogen alle schuldige zielen uit de helle komen om op de wereld te wandelen. Gij moet driemaal het teeken des kruises met de linkerhand maken en roepen: "Zout! zout! zout!" dat het zinnebeeld is van onsterfelijkheid; en zij zullen u geenerlei leed doen". En ik zei: "Ik zal doen wat gij wilt, Hansken, mijn geliefde".--Hij omhelsde mij en sprak: "Gij zijt mijn gade".--"Ja", sprak ik. En bij zijn zoete woorden viel een hemelsch geluk als een balsem over mijn lichaam. Hij kroonde mij met rozen en sprak: "Gij zijt schoon". En ik zeide hem: "Gij ook zijt schoon, Hansken, mijn geliefde, met uw fijne kleederen van groene panne met gouden belegsels, met uw lange struisveeren, die wuiven op uw toque en met uw bleek gezicht, dat lijkt op de branding der zee. En als de meidekens van Damme u zagen, zouden allen achter u loopen, om u uw herte te vragen; maar gij moogt het slechts geven aan mij, Hansken".--Hij sprak: "Tracht te weten te komen wie de rijksten zijn, haar fortuin is voor u". Toen vertrok hij, na mij verboden te hebben hem te volgen of te vergezelschappen. Bibberend van koude, nat van den mist, bleef ik staan, terwijl ik de twee karolussen in mijne hand deed rammelen, toen eensklaps een wolf met groenen muil en lange lischblaren in zijn wit haar, den oever van de vaart opklom en naar mij kwam. Ik riep: "Zout! zout! zout!" en maakte driemaal het teeken des kruises, doch daar scheen hij geenszins schrik voor te hebben. En ik liep uit al mijne macht, al schreeuwend, terwijl hij achter mij huilde, en ik hoorde het klapperend geluid zijner tanden achter mij, en eenmaal dit zóó dicht tegen mijne schouderen, dat ik dacht dat hij mij vastgrijpen ging. Maar ik liep gauwer dan hij. Tot mijn groot geluk kwam ik aan den hoek van de Reigerstraat den nachtwacht met zijne lanteerne tegen. "De wolf! de wolf!" riep ik. "Wees niet bevreesd, sprak de nachtwacht tot mij, ik zal u naar huis leiden, uitzinnige Katelijne". En ik voelde dat zijne hand, die de mijne vasthield, insgelijks beefde. En hij ook was bevreesd.
--Maar reeds heeft hij weer moed gevat, sprak Nele. Hoor, daar zingt hij met slepende stemme: "De klok slaat tien, tien slaat de klok!" En hij draait met zijnen ratel.
--Doe het vuur weg, sprak Katelijne; mijn hoofd brandt. Kom terug, Hansken, mijn liefste!
En Nele keek droevig naar Katelijne; en zij bad Onze-Lieve-Vrouwe, de Heilige Moeder Gods, dat zij het vuur der uitzinnigheid uit heur hoofd zou wegnemen; en zij weende over heur.
XXXVIII.
Te Bellem, aan den oever van de Brugsche vaart, kwamen Uilenspiegel en Lamme eenen ruiter tegen, met drie haneveeren op zijn vilten hoed, en die spoorslags naar Gent reed. Uilenspiegel zong als de leeuwerik en de ruiter hield zijn peerd in, en antwoordde met Kanteklaar's helder gekraai.
--Brengt gij tijdingen mede, onstuimige ruiter? vroeg Uilenspiegel.
--Gewichtige tijdingen, antwoordde de ruiter. Op raadgeving van mijnheer de Châtillon, die in Frankrijk admiraal is, heeft de prins kaperbrieven uitgegeven; buiten de vaartuigen van Emden en Oost-Friesland, worden allerwegen oorlogsschepen uitgerust. De dappere mannen, die de brieven ontvingen, zijn: Adriaan van Bergen, heer van Dolhain; de baron de Montfaucon, Lodewijk van Brederode; Albrecht van Egmond, zoon van den gehalsrechte en geen verrader lijk zijn broeder; Berthold Enthens van Mentheda, de Fries; Adriaan Menningh, Hembyse, de trotsche, vurige Gentenaar, alsmede Jan Brock.
... De prins heeft heel zijn vermogen gegeven, over de vijftigduizend gulden.
--Ik heb er vijfhonderd voor hem, sprak Uilenspiegel.
--Draag ze naar de zee, sprak de ruiter.
En hij reed weg op een draf.
--Hij geeft heel zijn vermogen, zeide Uilenspiegel. Wij, wij hebben slechts ons lijf en geven het geerne.
--En heet gij dat niets, vroeg Lamme, en zullen wij altijd leven tusschen rooven en moorden? Oranje is ten gronde.
--Ja, sprak Uilenspiegel, ten gronde evenals de eik; maar met eikenhout bouwt men schepen voor de vrijheid!
--Tot zijn profijt, sprak Lamme. Maar, nu alle gevaar verdwenen is, konden wij ezelen koopen, dunkt mij. Ik zit nog al geerne op mijn gemak als ik reis, en ben geen liefhebber van veeren op mijne voetzolen.
--Wij zullen langooren koopen, zeide Uilenspiegel; die kunnen wij steeds verkoopen zonder verlies.
Zij trokken naar de merkt en kochten er twee schoone ezelen met het noodige tuig.
XXXIX.
Schrijlings op hunne rijdieren gezeten, kwamen zij te Oostkamp, alwaar een groot bosch is, hetwelk aan de vaart paalt.
Op zoek naar lommer en naar liefelijke geuren, traden zij er in, zonder iets anders te zien dan lange dreven, die in alle richtingen naar Gent, Brugge, Zuid- en Noord-Vlaanderen liepen.
Eensklaps sprong Uilenspiegel van zijnen ezel.
--Ziet gij daar niets?
Lamme sprak:
--Ja, ik zie iets.
En bevend vervolgde hij:
--Mijne vrouw, mijn goede vrouw! Zij is het, mijn vriend. Ha! ik zal naar heur niet kunnen loopen. Wie had ooit gedacht, dat ik heur aldus zou terugvinden?
--Waarover klaagt gij? sprak Uilenspiegel. Zij is schoon, zoo half naakt, in dat uitgebekt neteldoeksch wambuis, dat heur vel zoo liefelijk doet uitkomen. Die vrouw is te jong, zij kan de uwe niet wezen.
--Mijn vriend, sprak Lamme, zij is het, mijn vriend; ik herken ze. Draag mij, ik kan niet meer gaan. Wie had dit van heur gedacht? Alzoo dansen, in Egyptische deerne verkleed, zonder schaamte! Ja, zij is het; zie maar heur schoone beenen, heur tot den schouder ontbloote armen, heur ronde lichtbruine borsten, die half uitkomen uit heur neteldoeksch wambuis. Zie eens hoe zij dien grooten hond plaagt met een rood vlaggetje, en hoe hij er naar toe springt.
--'t Is een Egyptische hond, zeide Uilenspiegel; die soort hoort niet te huis in de Nederlanden.
--Of het een Egyptische hond is, weet ik niet juist.... Maar zij is het.... Ha! mijn vriend, ik sta het niet langer uit. Zij licht heur kleed nog hooger op, om heur ronde beenen nog hooger te laten zien. Zij lacht om heur witte tanden te toonen, en schatert om den klank heurer zoete stem te laten hooren. Zij opent heur wambuis van boven en werpt zich achterover. Ha! die zwanenhals, die bloote schouderen, die heldere en stoutmoedige oogen! Ik loop er naar toe!
En hij sprong van zijnen ezel.
Doch Uilenspiegel hield hem tegen en sprak:
--Dat meideken is uwe vrouw niet. Wij zijn omtrent een kamp van Egyptenaren. Pas op. Ziet gij den rook tusschen de boomen opstijgen? Hoort gij 't geblaf van de honden? Zie maar: hier zijn er eenigen, die ons bezien en misschien lust gevoelen om ons te bijten. Laat ons terugkeeren, Lamme.
--Ik wil niet terugkeeren, sprak Lamme, die vrouw is de mijne; zij is uit Vlaanderen vandaan lijk wij.
--Waanzinnige blinde! zei Uilenspiegel.
--Maar ik ben niet blind, sprak Lamme. Ik zie ze, half naakt, dansen, lachen en joelen met dien hond. Zij gebaart mij niet te zien. Maar ik verzeker u dat zij ons ziet. Thijl! Thijl! zie, de hond werpt zich op heur en smijt ze ten gronde, om het roode vlaggetje te hebben. En zij valt met een smertvollen kreet.
En eensklaps vloog Lamme er naar toe, zeggende:
--Mijne vrouw, mijne vrouw! Waar hebt gij zeer, mijne liefste? Waarom berst gij in eenen schaterlach uit? Uw oogen staan verwilderd in uw hoofd.
En hij kuste, streelde heur, en sprak:
--Dat geboortevlekje, dat gij onder den linkerboezem hadt, zie ik niet! Waar is het? Zoudt gij mijne vrouw niet wezen? God van den hoogen hemel!
En zij hield op met lachen.
Eensklaps riep Uilenspiegel:
--Pas op, Lamme.
En Lamme keerde zich om, en zag een grooten duivel van een Egyptenaar met een mager gezicht vóór zich staan, die bruin was als peperkoek.
Lamme raapte zijnen stok op, stelde zich te weer en riep:
--Ter hulp, Uilenspiegel!
Uilenspiegel was daar met zijn kruismes.
De Egyptenaar zei hem in het Hoogduitsch:
--Gieb mir Geld, einige Thaler.
--Zie, sprak Uilenspiegel, het meideken gaat schaterlachend henen en keert zich gedurig om, opdat men heur volge.
--Gieb mir Geld, sprak de man. Betaal uwe minnarijen. Wij zijn arm en willen u geen kwaad.
Lamme gaf hem eenen karolus.
--Welk bedrijf voert gij uit? vroeg Uilenspiegel.
--Alle bedrijven, antwoordde de Egyptenaar: zeer bedreven in de goochelkunst, doen wij wonderbare en bovennatuurlijke toeren. Wij spelen op de tamboerijn en dansen Hongaarsche dansen. Onder ons zijn er, die schoone vogelkooien maken en anderen die roosters verveerdigen om vleesch op te braden. Doch allen, Vlamingen als Walen, zijn bevreesd voor ons en jagen ons weg. Daar wij niets kunnen verdienen, zijn wij wel gedwongen, groenten, vleesch en kiekens bij de boeren te stelen, vermits zij ons die niet willen geven of laten verdienen.
Lamme vroeg hem:
--Van waar komt dat meideken, dat zoo goed op mijne vrouw trekt?
--Dat is de dochter van onzen hoofdman, antwoordde de zwerver.
Vervolgens zeide hij stiller, als iemand, die vreest dat men hem zou afluisteren:
--Zij werd door God getroffen met minnekwaal en kent niets van de vrouwelijke eerbaarheid. Zoodra zij eenen man ziet, wordt zij blijgeestig en minziek, en lacht zij gedurig. Zij is weinig van zeggen; langen tijd meenden wij dat zij doof was. 's Nachts blijft zij in alleenigheid vóór het vuur; soms zit zij te weenen, of zonder reden te lachen, en wijst zij naar heuren buik, waar zij zeer heeft, naar zij zegt. 's Zomers, rond het middaguur, na het eten, is ze 't ergst gefolterd door heure kwaal. Dan gaat ze, schier teenemaal naakt, dansen omtrent het kamp. Zij wil niets anders dragen dan kleederen van gaas of van neteldoek, en 's winters hebben wij alle moeite om heur een opperste kleed van geitenlaken te doen omslaan.
--Maar, sprak Lamme, heeft zij dan geen enkelen vriend om haar te beletten aldus aan een iegelijk heur lichaam ten beste te geven?
--Neen, sprak de man, zij geeft geenerlei vriend, want als de wandelaars, die zij tot zich lokt, heur waanzinnige oogen zien, krijgen zij meer schrik dan liefde voor heur. Die dikke man was tamelijk stout, sprak hij, naar Lamme wijzend.
Lamme fronste de wenkbrauwen, bij die toespeling op zijne dikte.
--Laat hem maar zeggen, Lamme; 't is de sprot, die kwaad spreekt van den walvisch.
--Gij zijt spotziek, dezen morgen, sprak Lamme.
Doch zonder te luisteren, vervolgde Uilenspiegel tot den zwerver:
--Wat doet zij, als anderen zoo stout zijn als mijn vriend Lamme?
De Egyptenaar antwoordde droefgeestig:
--Dan heeft zij genot en profijt. Zij die heur krijgen, betalen hun pleizier, en het geld dient om heur te kleeden en ook tot de behoeften der grijsaards en vrouwen.
--Zij gehoorzaamt dus aan niemand? vroeg Lamme.
De bruine man antwoordde:
--Laat hen, die God treft, hun zin doen. Aldus beduidt hij zijnen wil. En zijn wil is onze wet.
Uilenspiegel en Lamme vervolgden hunnen weg naar Brugge. En de Egyptenaar ging ernstig en fier terug naar het kamp. En het meideken danste, schaterlachend, in een opene plaats van het bosch.
XL.
Onderweg sprak Uilenspiegel tot Lamme:
--Wij hebben reeds schrikkelijk veel geld uitgegeven: wij hebben huurlingen aangeworven, den serjanten eene belooning gegeven, een karolus aan dat Egyptisch meideken geschonken; voeg daarbij de ontelbare oliekoeken, die het u beliefde zonder ophouden zelf te eten, liever dan er éénen te verkoopen. Nu, niettegenstaande het verzet van uwen buik, wordt het hoog tijd dat wij ons met minder generen. Geef mij uw geld: ik zal de gemeenschappelijke beurs houden.
--Ik wil wel, sprak Lamme.
Hem de beurs langend, sprak hij:
--Laat mij evenwel niet sterven van honger; want bedenk toch: dik en struisch als ik ben, moet ik kloek en overvloedig voedsel hebben. Dat is goed voor u, die mager en schraal zijt, van onbekommerd te leven, onverschillig of gij eten vindt of niet, lijk de planken op de kaaien, die leven van regen en lucht. Doch ik, dien de lucht en de regen hongerig maken, ik hoef andere festijnen.
--Gij zult ze hebben, die festijnen, maar 't zullen festijnen zijn van een deugdzame vasten. De best gevulde buiken zijn daartegen niet bestand; zij nemen langzamerhand af en maken de zwaartste mannen als een vlinder zoo licht. En weldra zal men Lamme, mijnen vriend, genoegzaam ontvet, zien loopen als een hert,
--Laas! sprak Lamme, zou dit voortaan mijn armzalig lot moeten wezen? Ik heb honger, mijn vriend, en zou willen eten.
De avond viel. Zij kwamen te Brugge langs de Gentpoort. Zij toonden hunne passen. Toen zij een halven stuiver voor zich en twee stuivers voor hunne ezelen hadden betaald, traden zij de stad binnen.
Lamme dacht gedurig aan de woorden van Uilenspiegel en was diep nedergeslagen.
--Zullen wij haast avondmalen? sprak hij.
--Ja, antwoordde Uilenspiegel.
Zij stapten af in de Meermin, afspanning, die van verre kennelijk was door de gouden meermin, die, als windwijzer, bovenop den trappengevel stond.
De beide wandelaars brachten hunne ezelen op stal, en Uilenspiegel bestelde brood, bier en kaas voor hun avondmaal.
De weerd grijnslachte bij het opdienen van dien schamelen maaltijd. Lamme at met lange tanden, en zag vertwijfeld naar Uilenspiegel, die het oudbakken brood en de te jonge kaas binnenspeelde alsof hij ortolanen at. En Lamme dronk zijn dun bier zonder genoegen. Uilenspiegel lachte in zich zelven als hij hem zoo jammerend zag zitten. En daar was nog iemand, die lachte in het binnenhof van de afspanning, en die van tijd tot tijd den neus voor het venster kwam steken. Uilenspiegel zag dat het eene vrouw was, die heur aangezicht verborg. In den waan dat het een oolijke dienstmaagd was, hield hij er zich niet verder mede bezig, te meer daar hij, naar Lamme kijkend, zag dat zijn vriend bleek, treurig en troosteloos was ter oorzake van zijne tegengewerkte liefde voor lekkere spijzen en dranken. Hij kreeg medelijden met hem en meende voor zijn gezel een pannekoek met pensen, eene pateel ossenvleesch met boonen of een ander warm gerecht te bestellen, toen de weerd binnenkwam en beleefdelijk sprak, met zijne muts in de hand:
--Als die doorluchtige heeren een beter avondmaal wenschen, moeten zij maar spreken en zeggen wat hun zal believen.
Lamme sperde de oogen wijd open en den mond nog wijder, en bezag Uilenspiegel met angstige onrust.
Deze antwoordde:
--Reizende werklieden hebben geen gouden karolussen te vereten.
--Toch gebeurt het somtijds, sprak de baas, dat zij niet weten wat zij bezitten....
En, naar Lamme wijzend, vervolgde hij:
--Die goede tronie is er twee andere weerd. Wat zouden die doorluchtige heeren gelieven te eten en te drinken? een pannekoek met vette, lekkere hesp? Soezels?--wij hebben er dezen avond gereedgemaakt. Krakelingen, een kapoen, die zoo malsch is dat hij smelt in den mond? Geurige karbonaden met saus, bereid met de vier specerijen? Antwerpsche dobbelen knol, Brugsche dobbele kuite, Leuvenschen wijn bereid naar de wijs van Bourgondië? En dit alles zonder een duit te betalen.
--Breng dan maar alles op, sprak Lamme.
Weldra stond de tafel gedekt en schepte Uilenspiegel er oprecht vermaak in den armen Lamme bezig te zien, die, hongeriger dan ooit, beurtelings alle gerechten aanviel: den pannekoek, de soezels, den kapoen, de hesp, de karbonaden, en heele stoopen dobbelen knol, dobbele kuite en Leuvenschen wijn, bereid naar de wijs van Bourgondië, door zijn keelgat zond.
Toen Lamme zijne bekomst had, blies hij lijk een walvisch van genoegen; en hij keek rondom zich op de tafel om te zien of er niets meer te peuzelen viel. En zorgvuldig snoepte hij de brokken der krakelingen.
Hij noch Uilenspiegel hadden het lieve gezichtje gezien, dat in het binnenhof, glimlachend voor de ruiten kwam lonken. De baas had warmen wijn opgebracht, die met kaneel en Madeira-suiker gekookt was. En de beide vrienden dronken en zongen.
Bij de slaapklok, vroeg de baas of zij ieder naar hun groote, schoone kamer wilden gaan.
Uilenspiegel zeide, dat een klein kamertje voldoende was voor hun tweeën.
De baas antwoordde:
--Kleine kamerkens heb ik niet; gij zult elk eene heerenkamer hebben, zonder een duit te betalen.
En, inderdaad, hij bracht hen naar rijk gestoffeerde kamers met prachtige meubelen. In die van Lamme stond een groot bed.
Uilenspiegel, die veel gedronken had en viel van den vaak, liet hem slapen gaan en deed als hij.
's Anderen daags, rond den middag, trad hij in de kamer zijns vriends en vond hem nog in zijne koets aan 't ronken. Naast hem lag een fijn geborduurde beugeltasch. Hij opende die en zag dat ze met gouden karolussen en zilveren oortjes gevuld was.
Hij schudde Lamme om hem wakker te maken; deze schoot uit zijn slaap, wreef zich de oogen en, ongerust rondom zich kijkend, vroeg hij:
--Mijne vrouw? Waar is mijne vrouw?
En, naar de ledige plaats naast zich in het bed wijzend, sprak hij:
--Straks was ze daar nog.
Hij sprong vervolgens uit zijn bed en keek opnieuw overal rond, in alle hoeken en kanten der kamer, in de alkoof, tot in de schapraaien.
Stampvoetend herhaalde hij:
--Mijne vrouw? Waar is mijne vrouw?
De baas kwam boven, op 't gerucht dat hij maakte.
--Deugniet, riep Lamme, den weerd bij de keel grijpend, deugniet, waar is mijne vrouw? Wat hebt gij gedaan met mijne vrouw?
--Driftige kerel, zeide de baas, uwe vrouw? Welke vrouw? Gij zijt hier alleen gekomen. Ik weet niet wat ge vertelt.
--Ha! hij weet het niet, hij weet het niet, sprak Lamme, die opnieuw al de hoeken en kanten der kamer afzocht. Laas! Daar, in mijn bed, was zij dezen nacht, als in den schoonen tijd onzer liefde. Ja, waar zijt ge, mijn hertje?
En, de beurze ten gronde smijtend, vervolgde hij:
--'t Is uw geld niet, dat ik hebben moet; 't is u, 't is uw liefelijk lichaam, uw schoonen boezem, 't is uw hert, mijne welbeminde! O, genuchten des hemels, zult gij nooit meer terugkomen? Ik had er mij aan gewend te leven zonder u te zien, te leven zonder liefde, mijn hertediefje. En nu verlaat gij mij opnieuw, na mij uw zoete kussen te hebben laten smaken. Maar ik zal het besterven! Mijne vrouw! Waar is mijne vrouw?
En hij lag te snikken ten gronde. Doch eensklaps vloog hij naar de deur; hij stormde de trap af, en liep in zijn hemd de afspanning door, tot op de straat, al roepend:
--Mijne vrouw? waar is mijne vrouw?
Maar hij kwam dadelijk terug, want de straatjongens jouwden hem uit en smeten met steenen naar hem.
En Uilenspiegel zeide tot hem:
--Kleed u, Lamme, en wees niet wanhopend, gij zult ze terugzien, vermits gij ze heden gezien hebt. Zij mint u nog immer, vermits zij bij u is teruggekomen, vermits zij het waarschijnlijk is, die het lekkere maal van gisteravond en de heerenkamers betaald, en deze volle beurze op het bed gelegd heeft. De assche zegt mij, dat dit het werk niet is van een ontrouwe vrouw. Ween niet meer, en laat ons gaan voor het heil van den grond onzer vaderen.
--Laat ons te Brugge blijven, zei Lamme; ik zal heel de stad afloopen, en zal ze wel vinden.
--Gij zult ze niet vinden, daar zij zich voor u verbergt, sprak Uilenspiegel.
Lamme vroeg inlichtingen aan den baas, doch deze wilde niets zeggen.
En zij togen naar Damme.
Onderwege sprak Uilenspiegel tot Lamme:
--Waarom vertelt gij mij niet, hoe gij ze dezen nacht nevens u vondt en hoe zij u verliet?
--Mijn vriend, antwoordde Lamme, gij weet dat wij gisterenavond gegastreerd hebben met vleesch, met bier en met wijn, en dat ik met moeite kon blazen, toen ik de trap opklom om te slapen. Om mij te lichten hield ik, als een groot heer, eene waskeers in mijne hand, en om te slapen had ik den kandeleer op eene schapraai gezet; de deur was tegenaan en de schapraai stond dicht bij de deur. Terwijl ik mij ontkleedde, bezag ik mijn bed met genoegen, want ik had grooten vaak; de waskeers werd eensklaps uitgeblazen. Ik hoorde als een ademtocht lichte stappen in mijne kamer; doch mits ik meer vaak had dan schrik, liet ik mij vallen in 't bed. Ik ging slaap vatten, toen eene stem, heure stem, o mijne vrouw, mijn arme vrouwe, mij vroeg: "Heeft het avondmaal gesmaakt, Lamme?" en heure stem was dicht tegen mij en heur aangezicht ook, en heur liefelijk lichaam.
XLI.
Dien dag had koning Philippus te veel lekkernijen gegeten en was hij naargeestiger dan gewoonte. Hij had op zijn levende klavecimbel gespeeld, eene kist waar katten in waren, dewelke heuren kop door ronde gaten staken, boven de toetsen. Telkens dat de koning op eene toets sloeg, sloeg deze op hare beurt de kat met eenen schicht; en het dier mauwde erbarmelijk, ter oorzake van de smert, die het uitstond.
Doch Phillippus lachte niet.