Part 30
--Ziet die verklikster, die den Spanjaard aanhangt en die, door heure schoonheid, meer dan zeven en twintig hervormden naar de wreede pijnbank en naar den nog wreederen marteldood bracht. Zie, Gilline is buiten zich zelve van vreugde; zeker denkt ze aan het geld, dat zij als aanbrengster krijgt,--de eerste honderd karolusgulden op de nalatenschap der slachtofferen. Maar zij lacht niet, want zij denkt er aan, dat zij met Stevenijne moet deelen.
En allen, serjanten, beenhouwers en meidekens, staken hunne tong uit om te spotten met Uilenspiegel.
En Lamme zweette water en bloed; hij was van gramschap zoo rood als de kam van een haan, doch hij wilde niet spreken.
--Komaan, trakteer ons met eten en drinken, zeiden de beenhouwers en de serjanten.
--Wel, sprak Uilenspiegel, terwijl hij zijne karolussen opnieuw deed rinkelen, geef ons te eten en te drinken, beminnelijke Stevenijne, geef ons te drinken in glazen, die klinken.
Op die rede lachten de meidekens opnieuw en stak Stevenijne heure scherpe tanden weer uit.
Maar ze ging toch naar de keuken en naar den kelder, en ze kwam terug met hesp, met worsten, met pannekoeken van zwarte pensen en met klinkaards: dat zijn glazen met een voet, aldus geheeten omdat zij klinken lijk de beiaard, als men ze tegeneen stoot.
Uilenspiegel zei toen:
--Dat zij eten, die honger hebben, en drinken, die dorst hebben!
En serjanten, meidekens, beenhouwers, Gilline en Stevenijne klapten in de handen en trapten met de voeten. Ieder zette zich neer waar hij plaats vond: Uilenspiegel, Lamme en de zeven beenhouwers aan de groote eeretafel, de serjanten en de meidekens aan twee kleine tafelen.
En men at en men dronk met een luidruchtig geknauw, tot zelfs de twee serjanten, die buiten stonden en die door hunne gezellen werden binnengeroepen om deel te nemen aan het festijn.
En uit hunne gordeltasschen zag men koorden en kettingen steken.
Stevenijne liet hare tanden zien, en grinnikend sprak zij:
--Niemand zal hier uitgaan, vóór ik betaald ben.
En al de deuren ging zij vast doen; en de sleutelen stak zij in heure tassche.
Gilline stak heur glas omhoog en sprak:
--Laat ons drinken, de vogel is gevangen!
Bij die rede zeiden twee meidekens, Gena en Greta, tot heur:
--Gaat gij dien ook al ter dood brengen, wreedaardige beulin?
--Laat mij gerust, zei Gilline, laat ons drinken!
Maar de twee meidekens wilden niet klinken met heur.
En Gilline nam heure vedel en zong:
Op de vedel zing ik geerne, Op de vedel nacht en dag. Ik ben de dartele deerne Die leef van minnegelag.
Venus mijn heupen maakte, Vlammend als van een elf; Wit zijn mijn schouders, de naakte, Mijn lijf is de godheid zelf.
Laat uit den buidel klinkelen Kronen met hellen klank. Laat een goudstroom ruischen en rinkelen Geel om mijn voeten blank.
Ik ben van Eva's geslachte, Door Satan, den feilen held. Geen vreugdbron lokt uw gedachte Die niet in mijn herte welt.
'k Ben koud en gloeiend samen, Teeder, wankel, of stil, Flauw, lauw, heet in 't verzamen, Willig, man, naar uw wil.
Zie mijn schoonheid veil, mijn blikken, Mijn oogen, blauw en rood, Mijn lachjes, tranen en snikken, En zoo ge 't zoekt, den Dood.
Op de vedel zing ik geerne, Op de vedel nacht en dag. Ik ben de dartele deerne Die leef van minnegelag.
En terwijl Gilline zong, was ze zóó bevallig, zóó betooverend schoon, dat al de mannen, serjanten, beenhouwers, Lamme en Uilenspiegel, verteederd, glimlachend, als overwonnen, sprakeloos bleven zitten.
Eensklaps schoot Gilline in een luiden schaterlach en, Uilenspiegel beziende, sprak ze:
--Zóó is 't dat men vogelen vangt!
En heure tooverkracht was verdwenen....
Uilenspiegel, Lamme en de zeven sterke beenhouwers bezagen malkander.
--Nu, gaat ge mij betalen? sprak Stevenijne, gaat ge mij betalen, messire Uilenspiegel, die teert en smeert met het geld van de predikantjes?
Lamme wilde spreken, doch Uilenspiegel deed hem zwijgen en zei tot Stevenijne:
--Ik ben niet gewoon op voorhand te betalen.
--Dan zal ik mij naderhand doen betalen op uwe nalatenschap, zeide Stevenijne.
--Hyena's leven van lijken, antwoordde Uilenspiegel.
--Ja, sprak een van de serjanten, die twee diepers hebben 't geld van de predikanten genomen: meer dan driehonderd karolusgulden. Daar zal een goede stuiver voor Gilline afmogen.
Deze zong:
Zoek elders zoeter blikken, Neem alles, mijn lief genoot, Vreugden, kussen, en snikken, En, zoo ge 't wilt, den Dood.
En toen riep ze, grijnslachend:
--Laat ons drinken!
De serjanten antwoordden:
--Laat ons drinken!
--Bij God! zei Stevenijne, laat ons drinken! De deuren zijn vast, de vensteren zijn van stevige ijzeren staven voorzien: de vogelen zijn gevangen; laat ons drinken!
--Laat ons drinken! zei Uilenspiegel.
--Laat ons drinken! zei Lamme.
--Laat ons drinken! zeiden de zeven beenhouwers.
--Laat ons drinken! zeiden de serjanten.
--Laat ons drinken! zei Gilline, die de snaren heurer vedel tokkelde. Ik ben schoon, laat ons drinken! Den aartsengel Gabriël zou ik vangen in de netten van mijn lied!
--Laat ons dan maar drinken, riep Uilenspiegel. Breng wijn op, om het feest te bekronen, en wèl van den besten! Dat onze dorstige lichamen van het hoofd tot de voeten doortrokken wezen van het vurige sap van den wijngaard!
--Laat ons drinken! sprak Gilline, een grondeling, als gij, is den heekt wel een hap weerd.
Stevenijne bracht bottels wijn op.
De serjanten en de meidekens zaten samen, en dronken en zwolgen. De zeven beenhouwers, die aan de tafel van Lamme en Uilenspiegel zaten, smeten van hunne tafel naar die van de meidekens hespen, worsten, pannekoeken en bottels, die zij vingen in de vlucht, gelijk de karpers boven het water naar de vliegen snappen. En Stevenijne liet heure scherpe tanden zien en grijnslachte, en wees naar de pakken keersen van vijf in het pond, die boven den toog hingen. Het waren de keersen van de meidekens.
Vervolgens sprak zij tot Uilenspiegel:
--Men gaat naar den brandstapel met eene vetkeers in de hand; wilt gij er reeds eene hebben?
--Laat ons drinken! zei Uilenspiegel.
--Laat ons drinken! zeiden de zeven.
Gilline sprak:
--Evenals die van eenen zwaan, dien de dood nabij is, flikkeren Uilenspiegel's oogen lijk perelen.
--Perelen, die wij voor de verkens zullen smijten, sprak Stevenijne met wrok in het herte.
--Nu, dit ware zoo ongewoon niet: er zijn meer zeugen, die perelen dragen; laat ons drinken! antwoordde Uilenspiegel.
--Wat zoudt gij zeggen, vervolgde Stevenijne, als men u op de pijnbank legde en daarna uwe tong met een gloeiend ijzer doorboorde?
--Dat ik dan beter zou kunnen schuifelen: Laat ons drinken! antwoordde Uilenspiegel opnieuw.
--Ge zoudt zooveel praat niet maken als gij gehangen werdt, sprak Stevenijne, en uwe lievelinge zou komen zien hoe gij het stelt.
--Ja, sprak Uilenspiegel, maar ik weeg nogal zwaar, en licht kon het gebeuren, dat ik op uw goddelijk wipneusje bonsde: laat ons drinken!
--Wat zoudt gij zeggen zoo gij gekortoord werd, en op het voorhoofd en op den schouder met eenen sleutel gebrandmerkt?
--Ik zou zeggen, dat men een verkeerd beest heeft genomen, antwoordde Uilenspiegel, en dat men, in stee van met de zeug Stevenijne, met den beer Uilenspiegel bezig is: laat ons drinken!
--Mits gij van al die lieve dingen niet houdt, sprak Stevenijne, zult gij gebracht worden op de galeien des konings, en daar gevierendeeld worden.
--Wel, sprak Uilenspiegel, dan zullen mijne vier deelen in de zee gesmeten worden om den haaien te dienen tot voedsel, en wat zij overlaten is voor u, mijn hertje: laat ons drinken!
--Eet liever, sprak zij, eet liever deze keersen, zij zullen u dienstig zijn in de helle, om uw eeuwige verdoemenis te verlichten.
--Ik zie klaar genoeg om uw lichtenden snoet te onderscheiden, o slecht gebrande zeug, hernam Uilenspiegel.
Eensklaps sloeg hij met den voet van zijn glas op de tafel, daarbij bootste hij, met de handen, 't gerucht na, dat de tapijtsiers maken als zij wolle op eene horde uitkloppen, doch hij deed het stilletjes en zei op de maat:
--'t Is van te beven den klinkaard!
In Vlaanderen was dit het teeken, dat de drinkers kwaad werden. Op dit teeken werd gemeenlijk alles kort en klein geslagen in de huizen met roode lanteerne.
Uilenspiegel dronk, tikte met zijn glas op de tafel en sprak:
--'t Is van te beven den klinkaard!
En de zeven deden als hij.
Allen hielden zich stille: Gilline verbleekte, Stevenijne scheen verrast en onthutst.
De serjanten vroegen tot elkaar:
--Zouden die zeven met hen zijn?
Maar de beenhouwers knipoogden om hen gerust te stellen, terwijl zij gedurig luider en luider zeiden met Uilenspiegel:
't Is van te beven den klinkaard! 't Is van te beven den klinkaard!
Stevenijne dronk mee, om zich een hert onder den riem te steken.
Toen sloeg Uilenspiegel met de vuist op de tafel, op de maat van de tapijtsiers, die wolle kloppen; de zeven deden als hij: glazen, kruiken, schalen, pinten en bekers begonnen te dansen, stieten tegen elkander, braken, sprongen van den eenen kant weder recht om van den anderen weer neder te vallen.
En altijd weerklonk meer en meer dreigend en vervaarlijk, het krijgszuchtig en eentonig referein:
--'t Is van te beven den klinkaard!
--Laas! zuchtte Stevenijne, zij gaan hier alles aan stukken slaan!
En de schrik deed heure scherpe tanden nog langer uitsteken dan gewoonte.
En, van woede en grammoedigheid begon het bloed van de zeven en van Lamme en Uilenspiegel meer en meer te koken.
En, zonder hun eentonig en dreigend gezang te staken, namen al die van Uilenspiegel's tafel hunne glazen en bekers en braken zij dezelve op de tafel, op de maat der tapijtsiers. Vervolgens zetten zij zich te peerd op hunne stoelen en trokken zij hunne kruismessen uit.
En zij maakten zulk een gedruisch met hun lied, dat al de ruiten van het huis aan 't rinkelen gingen.
Vervolgens stormden zij, als uitzinnige duivelen, op hunne stoelen, rond de kamer en om de tafelen, terwijl zij aanhoudend riepen:
--'t Is van te beven den klinkaard!
En bevend van schrik stonden de serjanten toen recht en haalden zij hunne koorden en kettingen uit. Maar de beenhouwers en Lamme en Uilenspiegel staken hunne kruismessen in de scheeden, grepen hunne stoelen in de hand, zwaaiden ermede als knuppels, liepen aldus de kamer rond en sloegen, in't wilde, alles aan stukken en brokken. Alleen de meidekens werden ontzien, doch huisraad, schapraaien, ruiten en pinten, glazen en schalen, bottels en flesschen werden aan stukken geslagen, ook de serjanten kregen ruimschoots hun deel, altijd op de maat van de tapijtsiers, die wolle kloppen:
--'t Is van te beven den klinkaard! 't Is van te beven den klinkaard!
Intusschen had Uilenspiegel eenen vuistslag gegeven op Stevenijne's neus en hare sleutels uit heure tassche genomen, en nu wilde hij met alle geweld haar heure keersen doen eten.
De schoone Gilline krabde, als eene verschrikte kattin, met heure nagelen aan deuren, ramen, ruiten en vensteren, om ergens een uitweg te vinden. Vervolgens ging zij, bleek als de dood, in eenen hoek op heure hurken zitten, met heure vedel vóór zich, alsof deze heur had moeten beschermen.
De zeven en Lamme zeiden tot de verschrikte meidekens:
--U zullen wij geenerlei leed doen.
En, geholpen door heur, bonden zij, met koorden en kettingen, de serjanten, die beefden als riet en niet dorsten wederstaan, daar zij wel voelden, dat de beenhouwers--die de weerd uit de Bie onder de sterksten gekozen had--hen met hunne kruismessen in stukken hadden gekapt.
En, naarmate Uilenspiegel met geweld Stevenijne keersen deed eten, sprak hij:
--Deze is voor de pijne der galge; deze voor de kortooring; nog eene voor de brandmerking; deze hier voor de tongboring; kom, hier nog twee dikke vette voor de galeien des konings en voor de vierendeeling; deze is voor uwe spelonk van spionnen; deze is voor uwe deerne met heur goudlinnen kleed; en al deze hier voor mijn eigen rekening.
En de meidekens proestten van 't lachen, als ze Stevenijne hoorden niezen van gramschap en zagen hoe zij bovenmatige pogingen inspande om de keersen uit te spuwen. Maar te vergeefs, want heur mond was te vol.
Uilenspiegel, Lamme en de zeven anderen hielden niet op met zingen op maat:
--'t Is van te beven den klinkaard!
Vervolgens scheidde Uilenspiegel uit, en deed hij hun teeken het referein zachtjes te mompelen. Zulks deden zij, terwijl hij tot de serjanten en meidekens sprak:
--Als een uwer zich vermeet om hulp te roepen, wordt hij onmiddellijk gekeeld.
--Gekeeld! bevestigden de beenhouwers,
--Wij zullen zwijgen, maar doe ons geen leed, Uilenspiegel, zeiden de meidekens.
Doch Gilline, die met uitpuilende oogen, met toegebeten tanden, op de hurken in heuren hoek zat, kon niet spreken en prangde heure vedel tegen heure borst.
En de zeven murmelden altijd op maat:
--'t Is van te beven den klinkaard!
Stevenijne wees met den vinger naar de keersen, die in haren mond staken, om te bedieden dat zij ook zwijgen zou. De serjanten beloofden zulks insgelijks.
Uilenspiegel vervolgde zijne rede en sprak:
--Gij zijt hier allen in onze macht; 't is donker, de nacht is gevallen, wij zijn hier dicht bij de Leie, in dewelke men lichtelijk verdrinkt, vooral als men daartoe door flinke gasten wordt geholpen.
--De poorten van Kortrijk zijn lang reeds gesloten. Als de nachtwacht het gedruisch gehoord heeft, zal zij zich niet verroeren, want zij is er te lui voor. Ook meent zij, dat het goede Vlamingen zijn, die blijde drinken en zingen bij 't gerinkel van bottels en glazen. Houdt u dus koest en luistert naar de bevelen van uwe meesters.
Toen vroeg hij tot de zeven:
--Gaat gij naar Petegem bij de Geuzen?
--Ja; wij hebben onze toebereidselen gemaakt, zoodra wij hoorden, dat gij naar de stad kwaamt.
--Van daar gaat gij naar de zee?
--Ja, zeiden zij.
--Kent gij onder die serjanten een of twee, die men zou mogen loslaten, om ons te dienen?
--Ja, zeiden ze, twee, Nicolaas en Judocus, die nimmer de arme hervormden hebben vervolgd.
--Wij zijn getrouw! riepen Nicolaas en Judocus.
Toen sprak Uilenspiegel:
--Hier hebt gij twintig karolusgulden, tweemaal meer dan gij hadt ontvangen als eerloozen prijs uwer aanklacht.
Plotseling riepen de vijf andere:
--Twintig gulden! Voor twintig gulden willen wij ook den prins dienen. De koning betaalt slecht. Geef ons enkel de helft van die som, en wij vertellen aan den rechter al wat gij wilt.
De beenhouwers en Lamme herhaalden gezamenlijk, met een dof gemurmel:
--'t Is van te beven den klinkaard! 't Is van te beven den klinkaard!
--Opdat gij uwe tong niet zoudt voorbijklappen, sprak Uilenspiegel, zullen de zeven u gekneveld en gebonden naar Petegem brengen, bij de Geuzen. Gij zult tien gulden hebben als gij op zee zult zijn; op die manier zijn wij zeker, dat de keuken van 't kamp u bijhoudt. Als gij dient als dappere soldaten, krijgt gij uw deel van de buit. Als gij beproeft te ontsnappen wordt gij gehangen. Als gij ontsnapt, om de koorde te ontloopen, valt gij gewis op het mes.
--Wij dienen, die ons betaalt, zeiden zij.
Lamme en de zeven sloegen op de tafels met scherven van potten en pinten en bekers, en spraken:
--'t Is van te beven den klinkaard! 't Is van te beven den klinkaard!
--Gilline, Stevenijne en drie deernen zult gij insgelijks medenemen, vervolgde Uilenspiegel. Als een van heur poogt te ontsnappen, naait gij ze in eenen zak en smijt ze in de Leie.
--Hij heeft mij niet gedood, kreet Gilline, uit heuren hoek springend en met heure vedel zwaaiend.
En zij zong:
Bloedig was de gedachte Die nog mijn hart ontstelt. Ik ben van Eva's geslachte Door Satan, den fellen held.
Stevenijne en de anderen zetten een gezicht alsof zij in tranen gingen uitbarsten.
--Vreest niets, mijne liefsten, sprak Uilenspiegel, gij zijt zoo zoet en zoo zacht, dat men u overal zal minnen, vieren en streelen. Bij elke bemachtiging, door onze legers gedaan, krijgt gij ook uw deel van den buit.
--Ik, ik zal niemendal krijgen, ik ben reeds te oud, sprak Stevenijne krijtend.
--Eén stuiver daags zult gij krijgen, sprak Uilenspiegel, want gij zult de dienaresse dezer vier schoone deernen wezen. Gij zult heure rokken, kleeren en hemden wasschen.
--Ik, Heere God? riep zij.
Uilenspiegel antwoordde:
--Lang genoeg hebt gij heure meesteresse gespeeld, lang genoeg hebt gij rijkelijk geleefd op heur lijf, terwijl gij ze in armoede en ontbering liet sukkelen. Nu moogt gij schreeuwen en ruchelen, 't is vergeefs. Zooals ik zeg, zal geschieden.
Daarop schoten de vier meidekens in eenen schaterlach; ze begonnen met Stevenijne te lachen en zeiden, terwijl zij spottend de tong naar heur uitstaken:
--Elk zijne beurt op de wereld. Wie had dat gedacht van de gierige Stevenijne? Zij zal voor ons werken als onze dienstmeid. Gezegend zij onze heer, gezegend zij Uilenspiegel!
Vervolgens zei Uilenspiegel tot de zeven beenhouwers en tot Lamme Goedzak:
--Ledigt de wijnkelders, neemt al het geld; het zal dienen tot het onderhoud van Stevenijne en de vier meidekens.
--Zij knarsetandt, de gierige Stevenijne, zeiden de meidekens. Gij waart hard jegens ons, nu is men het ook jegens U. Gezegend zij onze heer, gezegend zij Uilenspiegel!
En de drie deernen wendden zich tot Gilline:
--Gij waart heure dochter, heure broodwinster, zeiden zij, met heur deeldet gij de vruchten van uw eerloos spionbedrijf. Zoudt gij ons nog durven slaan en beleedigen, met uwe goudlinnen kleeren? Voor ons koesterdet gij niets dan verachting, omdat wij maar bombazijn droegen. Als gij zoo schoon gekleed waart, was het alleen met den prijs van het bloed uwer slachtofferen. Wij zullen heur kleed van heur lijf rukken, opdat zij onze gelijke zou wezen.
--Dat zal ik niet dulden, sprak Uilenspiegel.
En Gilline vloog hem om den hals en sprak blijde:
--Gezegend zijt gij, die mij spaart van den dood en niet duldt dat ik leelijk weze!
En de afgunstige meidekens bezagen Uilenspiegel en spraken tot elkander:
--Hij is zot van haar, evenals de anderen.
Gilline nam heure vedel en zong een liedeken van vurige minne.
De zeven vertrokken naar Petegem, langsheen de Leie, en leidden de serjanten en de meidekens mede.
Onderweg murmelden zij:
--'t Is van te beven den klinkaard! 't Is van te beven den klinkaard!
Met den dageraad kwamen zij nabij het kamp. Zij zongen als de leeuwerik en het gekraai van den haan antwoordde hun. De meidekens en de serjanten werden van dichtbij bewaakt.
Edoch, den derden morgen werd Gilline dood gevonden: in heur hert stak een groote naald.
Stevenijne werd door de drie meidekens beschuldigd en gebracht voor den bentkapitein, zijne tiendeniers en serjanten, in verschaar vergaderd.
Daar bekende zij, zonder dat men heur op de pijnbank moest leggen, dat zij Gilline gedood had uit afgunst op heure schoonheid en uit woede, omdat de deerne heur zonder mededoogen als eene dienstmeid behandelde.
En Stevenijne werd gehangen en vervolgens begraven in het bosch.
Gilline werd ook begraven, en men las de gebeden der dooden over heur liefelijk lichaam.
Doch de twee serjanten Judocus en Nikolaas, dien Uilenspiegel de les had gespeld, waren vóór den kastelein van Kortrijk verschenen, want het gedruisch, het geweld en de plundering moesten door hem gestraft worden, daar het huis van Stevenijne in de kasselrij, buiten den bijvang der stad Kortrijk lag. Nadat zij aan den kastelein het gebeurde hadden verteld, zeiden zij hem met de innigste overtuiging en de nederigste oprechtheid:
--De moordenaars van de predikanten zijn geenszins Uilenspiegel en zijn trouwe vriend Lamme Goedzak, die maar naar den Regenboog gekomen waren om zich te vermaken. Zij hebben zelfs reispassen van den hertog en wij hebben die met eigen oogen gezien. De twee schuldigen zijn twee kooplieden van Gent, een magere en een heel dikke, die naar Frankrijk getogen zijn, nadat zij alles aan stukken hebben geslagen bij Stevenijne, dewelke zij medegenomen hebben met heure vier meidekens, voor hun pleizier. Wij hadden ze wel bij den kraag gepakt, doch daar waren zeven beenhouwers in het kot, van de sterksten der stad, die voor de booswichten aantrokken. Zij hebben ons allen gekneveld en ons maar losgelaten als zij verre in Frankrijk waren. Hier ziet gij nog het merk van de koorden. De vier andere serjanten zijn achter hunne hielen, en wachten op versterking, om de hand op hen te leggen.
De kastelein gaf hun elk twee karolussen en een nieuw kleed, als belooning voor hun trouwe en eerlijke diensten.
Vervolgens schreef hij naar den raad van Vlaanderen, naar de schepenbank van Kortrijk en naar andere vierscharen om hun kond te doen, dat de ware moordenaars ontdekt geweest waren.
En hij legde de zaak uiteen van 't begin tot het einde.
Dat deed al die van den Raad van Vlaanderen en van de smalle vierscharen sidderen en beven.
En de kastelein werd om zijne scherpzinnigheid geloofd en geprezen.
En Uilenspiegel en Lamme gingen ongehinderd op den weg van Petegem naar Gent, langsheen den oever der Leie; van deze laatste stede zouden zij zich begeven naar Brugge, alwaar Lamme zijn vrouw hoopte weder te vinden, en naar Damme, alwaar Uilenspiegel reeds had willen zijn, om Nele te zien, die treurig leefde bij de uitzinnige Katelijne.
XXXVI.
Sedert lang werden er, in het land van Damme en in de omstreken, afschuwelijke gruweldaden gepleegd.
Meidekens, jonge knapen, oude mannen, die met geld naar Gent, Brugge of andere steden of dorpen van Vlaanderen waren gegaan, werden dood gevonden op den weg, naakt als pieren, den hals doorgebeten met zulke lange en scherpe tanden, dat het nekbeen van allen gebroken was.
De geneesheeren en de chirurgijns-baardemakers verklaarden, dat het tanden waren van een grooten wolf.
--Dieven waren ongetwijfeld gekomen na den wolf, en hadden den slachtofferen geld en kleederen afgenomen, zeiden zij.
Verscheidene aanzienlijke poorters, die zich kloekmoedig zonder geleide op weg hadden begeven, verdwenen zonder dat men wist wat zij geworden waren, behalve dat men nu en dan eens een landbouwer, die 's morgens naar zijn akker ging, wolvesporen vond in zijn kouter, terwijl zijn hond met de pooten de aarde openkrabde en een armzalig, naakt lijk ontblootte, waarop men, in den nek of onder het oor, de tanden van den wolf zag, en menigwerf ook in de beenen, doch altijd van achteren. En altijd was het nekbeen gebroken.
De ontstelde boer ging dan schielijk kennis geven van zijne akelige vondst aan den baljuw, die met zijn griffier-crimineel, twee schepenen en een chirurgijn-baardemaker, ter plaatse kwam, waar het lijk des vermoorden lag. Na een neerstig en zorgvuldig onderzoek, lukte het hun soms, als het gezicht niet afgeknaagd was door de wormen, den stand, zelfs den naam en den toenaam van den verslagene te ontdekken.
Doch ze waren ten zeerste verwonderd, dat de wolf, die uit honger slechts menschen aanvalt, nooit het kleinste stuk uit het lijk had gebeten.
En die van Damme waren met schrik bevangen en dorsten 's nachts zonder goed geleide niet meer uitgaan.
Eindelijk toch werden verscheidene kloekmoedige soldaten uitgezonden om den wolf op te sporen, met bevel hem te zoeken, bij dag en bij nacht, in het duin, langsheen de zee.
Toen waren ze omtrent Heist, in het groot duin. De nacht was gevallen. Een der soldaten, vol vertrouwen op zijne kracht, wilde hen verlaten, om alleen op zoek te gaan, gewapend met zijne bus. De anderen lieten hem gaan, overtuigd als zij waren dat hij, een kloekmoedig en goed gewapend soldaat, den wolf zou dooden, als deze zich dorst laten zien.
Toen hun gezel vertrokken was, staken zij een groot vuur aan, bij hetwelk zij zich zetten te spelen met dobbelsteenen, en brandewijn te drinken.
En van tijd tot tijd riepen zij luide:
--Nu, kameraad, kom maar terug; de wolf heeft schrik; kom, drink eenen slok.
Doch hij antwoordde niet.