De legende en de heldhaftige, vroolijke en roemrijke daden van Uilenspiegel en Lamme Goedzak in Vlaanderenland en elders

Part 27

Chapter 27 3,970 words Public domain Markdown

--Juffer, als 't u belieft, trek mij zoo bij mijn haar niet; het is geene pruik, ik mag het u verzekeren. Hulp! Hulp! Vindt gij mijne ooren niet rood genoeg, dat gij ze nijpt en er het bloed in doet stijgen? En die andere, die mij gedurig knippen voor den neus geeft! Gij doet mij zeer. Laas! wat wrijft gij nu in mijn aangezicht? Een spiegel! Ik zie zwart als een ovengat. Als gij niet uitscheidt, maak ik mij kwaad; gij moest beschaamd zijn een armen, weerloozen man aldus te mishandelen! Laat mij los! Als gij mij eene uur bij mijne hooze, bij mijn wambuis, rechts, links, langs alle kanten zult gesleurd hebben, zult gij er vetter om zijn? Ja, ge moogt er zeker van wezen, ik ga mij kwaad maken.

--Hij gaat zich kwaad maken, zeiden zij spottend; hij gaat zich kwaad maken, zou men niet zeggen! Lach liever, en zing ons een liedeken van zoete minne.

--Ik zal een liedeken zingen van slagen, als gij wilt. Maar nog eens, laat mij los.

--Wie van ons ziet gij 't liefst?

--Niemand; noch u, noch eene van de anderen. Ik ga mijne klacht doen bij den magistraat, en hij zal u doen geeselen.

--Hallo, spraken zij, doen geeselen? En zoo wij u vóór de geeseling eens vastnamen en kusten?

--Mij? sprak Lamme.

--Ja, u! antwoordden allen.

En al de vrouwen, schoone en leelijke, frissche en verslenste, bruine en blonde, vlogen naar Lamme.

Zij smeten zijne toque, zijn opperste kleed omhoog, streelden hem, kusten hem, zoenden hem uit al heure kracht, daar waar zij konden, op zijne kaken, op zijnen neus, op zijne maag, in zijnen hals.

De bazinne schaterlachte tusschen heure vetkeersen.

--Hulp! schreeuwde Lamme, hulp! Uilenspiegel, verlos mij van dat ongedierte. Laat me los, ik wil van uwe kussen niet weten; ik ben getrouwd, drommels!, en bewaar al mijne kussen voor mijne vrouw.

--Getrouwd, spraken zij, maar daar heeft uwe vrouw veel te veel aan, aan een man zoo vollijvig als gij. Geef ons wat van uw vet. Een trouwe vrouw, dat is van doen, doch een trouwe man is een kapoen. God hoede u: gij moet eene keus doen, of wij geeselen u, op onze beurt.

--Ik zal het niet doen, sprak Lamme.

--Kies eene uit, spraken zij.

--Neen, sprak hij.

--Wilt gij mij? vroeg een schoone blonde; bezie mij, ik ben zachtzinnig van aard, en ik min hem, die mij mint.

--Laat mij los, sprak Lamme.

--Wilt gij mij? sprak een bekoorlijke meid, met gitzwarte lokken en een bruine tint, en die overigens door de engelen gemaakt scheen.

--Peperkoek lust ik niet, sprak Lamme.

--En mij, zult gij mij niet nemen? vroeg een echte reuzin, met een voorhoofd, dat schier teenemaal bedekt was met heur haar, met dikke wenkbrauwen, die samen kwamen, met groote, flikkerende oogen, met dikke, bloedroode lippen, en ook een rood aangezicht, een rooden hals en roode schouderen.

--Van gloeiende steenen heb ik schrik, antwoordde Lamme.

--Neem mij, sprak een zestienjarig meideken, met een gezichtje zoo scherp als dat van een eekhorentje.

--Ik houd niet van notenkrakers, antwoordde Lamme.

--We zullen hem moeten geeselen, zeiden zij. Waarmede? Met schoone zweepen van droog leder. En dapper geklitskletst! Het hardste vel is niet bestand tegen lederen roeden. Neemt tien zweepen van karrelieden en ezeldrijvers, die zijn de beste,

--Hulp! hulp! Uilenspiegel! kreet Lamme.

Doch Uilenspiegel antwoordde niet.

--Gij hebt geen hert, zuchtte Lamme, terwijl hij zijnen vriend overal zocht.

De zweepen werden aangebracht. Twee van de meidekens begonnen Lamme's wambuis uit te trekken.

--Eilaas! mijn arm vet, dat ik met zooveel moeite vergaarde, gaan ze mij ongetwijfeld ontnemen met heur striemende zweepen. Maar, meedoogenlooze wijvekens, mijn vet kan u tot niets dienen, gij kunt er niet eens sausen van maken.

Zij antwoordden:

--Wij zullen er keersen van gieten. 't Is toch al iets, klaar te zien, zonder dat het een oortje moet kosten! Zij, die voortaan zal beweren dat de keersen uit zweepen voortkomen, zal door een iegelijk aanzien worden voor een zottinne. Doch wij zullen voor heur aantrekken tot den dood, en wij zullen meer dan ééne weddenschap winnen. Steekt de roeden even in den azijn. Doet zijn wambuis uit. Negen uren slaat het op Sint-Jacobs. Als gij met den laatsten slag geene keus gedaan hebt, gaan wij er op los!

Sidderend jammerde Lamme:

Hebt genade en medelijden met mij; ik heb mijne arme vrouwe trouw gezworen en ik zal mijn eed gestand doen, hoewel ze heel slecht deed, mij te verlaten. Uilenspiegel, help mij, verlos mij, mijn vriend!

Doch Uilenspiegel was te hooren noch te zien.

Lamme zeide tot de deernen:

--Aanschouwt mij, ik lig aan uwe voeten. Ootmoediger kan mijne houding niet wezen. Bediedt dit niet genoeg dat ik, als heiligen, uwe bekoorlijkheden vereer? Gelukzalig hij, die niet getrouwd is en uwe koozerijen mag genieten! Ik twijfel er niet aan, dat gij hemelsche genoegens doet smaken, maar slaat mij niet, als 't u belieft.

Doch de bazinne, tusschen heure twee keersen gezeten, sprak eensklaps met donderende en dreigende stemme:

--Vrouwen en meidekens, bij alle duivelen uit de helle zweer ik dat, bijaldien gij, door lachen en koozerijen, dien man niet dadelijk tot u krijgt, ik de nachtwacht ga halen en u allen in zijne plaats doe geeselen. Gij verdient geenszins den naam van dienaressen van de godin der liefde, zoo gij met uwen mond, uwe handen, uwe vurige oogen niet bij machte zijt de mannen te verleiden. En om uwe onnoozelheid wordt gij zonder mededoogen gegeeseld!

Op die rede, begonnen de vrouwen en meidekens te beven en blonk Lamme's gezicht van vreugde.

--Nu, vrouwtjes, sprak hij schertsend, welke mare brengt gij mede van het land der striemende zweepen? Ik zal der bazinne de moeite sparen en zelf om de wacht gaan. Deze zal haren plicht doen en ik wil met pleizier een handeken toesteken. Alle baten helpen.

Doch een aanvallig meideken van een vijftiental jaren viel op hare knieën vóór Lamme.

--Heer, sprak zij, gij ziet mij hier wel nederig en gelaten vóór uwe voeten; doch als gij niemand onzer wilt kiezen, moet ik om uwent wille gegeeseld worden; is dat rechtveerdig? En de bazinne daar, zal mij in een leelijken, donkeren kelder steken, onder de Schelde, waar het water van de muren zijpelt en waar ik slechts roggebrood te eten zal krijgen.

--Zou zij werkelijk om mijnent wille gegeeseld worden, mevrouw de bazinne? vroeg Lamme onthutst.

De bazinne bevestigde:

--Tot bloedens toe gegeeseld.

Lamme aanschouwde toen het meideken en sprak:

--Gij zijt lief, gij zeit frisch, uw blanke schouderen komen als rozeblaadjes uit op uw kleed; ik wil niet dat die donzige huid, onder dewelke zulk jeugdig bloed vloeit, lijde onder de slagen der zweep; dat die heldere, flikkerende oogen weenen ter oorzake van de smerte der slagen; dat de wakke killigheid des gevangs dat goddelijk lichaam doe beven. Dienvolgens heb ik liever u te verkiezen, dan te weten dat gij om mijnent wille geslagen wordt.

Het meideken leidde hem mede. En zoo zondigde hij, gelijk hij deed heel zijn leven, uit goedhertigheid.

XXIX.

Uilenspiegel en Lamme stapten op naar Gent en kwamen met de ochtendschemering omtrent Lokeren.

Frissche, witte dampen zweefden over de weiden.

De beide wandelaars kwamen voorbij eene smidse en Uilenspiegel schuifelde lijk de leeuwerik, de vogel der vrijheid.

En dadelijk vertoonde zich een man met witte, lange haren, vóór de deur van de smidse, en terstond bootste hij het dapper gekraai van den haan na.

Uilenspiegel zeide tot Lamme:

Dat is smid Wasteele, die ploegscharen maakt, het ijzer smeedt als het warm is om er schoone hekken voor kerkkoren van te verveerdigen, en zeer dikwijls, 's nachts, wapenen smeedt en slijpt voor de soldaten van het vrije geweten. Hij is vet noch gezond geworden bij dien dubbelen arbeid, want hij is bleek als een spook, treurig als een verdoemde, en zoo mager dat zijne beenderen door zijn vel steken. Hij is nog niet slapen, zeker heeft hij wederom heel den nacht gewrocht.

--Komt binnen, gij beiden, zeide smid Wasteele, en brengt uwe ezelen op de meersch, achter het huis.

Toen Uilenspiegel en Lamme dit gedaan hadden, kwamen zij terug in de smidse en zagen, dat smid Wasteele al de zweerden in den kelder bracht, die hij binst den nacht geslepen had, en het werk voor zijne knechts gereedmaakte.

Uilenspiegel met doffe oogen beziende, vroeg hij hem:

--Welk nieuws brengt gij van den Zwijger?

Uilenspiegel antwoordde:

--De Prins is met zijn leger uit de Nederlanden verjaagd, ter oorzake van de lafheid zijner huurlingen, die roepen: Geld! Geld! als er te vechten valt. Met zijn trouwe soldaten en zijn broeder, graaf Lodewijk, trok hij den koning van Navarra en den hugenoten ter hulp; van daar toog hij naar Duitschland, naar Dillenburg, alwaar vele vluchtelingen uit de Nederlanden tot hem kwamen. Gij moet wapenen zenden en het geld dat gij opgehaald hebt, terwijl wij op zee moeten, om het werk van vrije mannen te verrichten.

--Ik zal doen wat mij geheeten wordt, sprak smid Wasteele; ik heb wapenen en negenduizend florijnen. Maar zijt gij hier niet gekomen op ezelen?

--Ja, zeiden zij.

--En hebt gij, onderwege, gene tijding gehad van drie predikanten, die gedood, uitgeplunderd en in een hol gesmeten werden op de rotsen van de Maas?

--Ja, antwoordde Uilenspiegel met de grootste vrijmoedigheid, die drie predikanten waren spionnen van den hertog, die betaald waren om den prins in het verderf te brengen. Wij getweeën, Lamme en ik, hebben hun het tijdelijke met het eeuwige doen verwisselen. Hun geld is in ons bezit en hunne papieren insgelijks. Wij zullen er van nemen wat ons hoeft voor onze reis, de rest zullen wij aan den prins geven.

En Uilenspiegel deed zijn wambuis open, alsmede dat van Lamme en trok er papieren en perkamenten uit.

Smid Wasteele las ze en sprak vervolgens:

--Zij behelzen plannen van gevecht en van samenzweering. Ik zal ze den prins doen behandigen, en er zal hem gezegd worden, dat Uilenspiegel en Lamme Goedzak, zijn trouwe wandelaars, zijn edel leven gered hebben. Ik ga uwe ezelen doen verkoopen, opdat men U niet aan uwe rijdieren zou herkennen.

Uilenspiegel vroeg aan smid Wasteele of de vierschaar der schepenen van Namen reeds heure serjanten achter hunne hielen had gezonden.

--Ik ga u kond geven van hetgene ik weet, antwoordde Wasteele. Een smid van Namen, een dappere en overtuigde hervormde, is laatst hier bij mij geweest, zoogezeid om mij te vragen hem te helpen in het maken van de hekken, windwijzers en het ander ijzerwerk voor een slot, dat men omtrent La Plante aan 't bouwen is. De deurwaarder van de vierschaar der schepenen heeft hem verteld, dat zijne meesters reeds bijeengekomen waren, en dat de baas eener taveerne alreeds geroepen was, omdat hij op eenige honderden stappen van de plaats van den moord woont. Ondervraagd of hij de moordenaars of hen, die hij van den moord kon verdenken, gezien had, heeft hij geantwoord: "Ik heb boeren en boerinnen gezien, die op ezelen reden; sommigen bleven op hunne dieren zitten en vroegen te drinken aan de deur, anderen stegen van hunne ezelen en kwamen in de gelagkamer, de manslieden dronken bier, de vrouwen en meidekens mede. Ik zag ook twee dappere mannen, die spraken van messire van Oranje een kopken kleiner te maken." Terwijl de baas dit zeide, floot hij, om den steek van een mes in het vleesch van den hals na te bootsen. "Bij Stalen Wind, zeide hij, zal ik u heimelijk op de hoogte houden, daar dit in mijne macht is." Hij sprak en werd losgelaten. Sedert dien tijd hebben de justitieraden ongetwijfeld brieven gezonden aan de baljuws. De baas zei, dat hij anders niemand gezien had dan boeren en boerinnen op ezelen; daaruit is te voorzien, dat men jacht zal maken op allen die men schrijlings op ezelen zal aantreffen. En de prins heeft u noodig, mijne kinderen.

--Verkoop onze ezelen, zeide Uilenspiegel, en de opbrengst kunt gij voegen bij den oorlogsschat van den prins.

De dieren werden verkocht.

--Nu moet gij, sprak Wasteele, elk een vrij ambacht hebben, dat tot geene gilden behoort. Kunt gij vogelkooien en rattenvallen maken?

--Ik heb er vroeger veel gemaakt, zeide Uilenspiegel.

--En gij? vroeg Wasteele aan Lamme.

--Ik, sprak Lamme, ik zal wafelen en oliekoeken verkoopen.

Volgt mij; hier zijn heel gereedgemaakte vogelkooien en rattenvallen, met gereedschap en koperdraad om ze te herstellen en er anderen te maken. Dit alles werd mij gebracht door een mijner spionnen Dat is voor u, Uilenspiegel. Gij, Lamme, krijgt een klein komfoor met blaasbalg; ik zal u ook deeg, spek en olie geven, om uwe wafelen en oliekoeken te bakken.

--Hij is in staat alles zelf op te eten, zei Uilenspiegel.

--Wanneer beginnen wij te bakken? vroeg Lamme.

Wasteele antwoordde:

--Gij zult mij eerst een nacht of twee moeten helpen; alleen kan ik mijn werk niet afkrijgen.

--Ik heb honger, sprak Lamme, is hier niets te eten?

--Er is brood en kaas, antwoordde Wasteele.

--Zonder boter? vroeg Lamme.

--Zonder boter, sprak Wasteele.

--Hebt gij bier of wijn? vroeg Uilenspiegel.

--Ik zelf drink er nooit, antwoordde Wasteele; doch als gij er hebben wilt, zal ik er halen in den Pelikaan, hier dichtbij.

--Ja, sprak Lamme, en breng meteen wat hesp mee.

--Ik zal doen wat gij vraagt, sprak Wasteele, die Lamme met groote verachting bekeek.

Toch bracht hij dobbelen klauwaard en hesp. En, van genoegen, at Lamme voor vijven.

En hij sprak:

--Wanneer beginnen wij te werken?

--Dezen nacht, sprak Wasteele, maar blijft in de smidse en wees niet bevreesd voor mijne gasten. Het zijn hervormden lijk gij.

--Dat gaat mij, sprak Lamme.

's Nachts, als de slaapklokken geluid hadden en de poorten gesloten waren, deed Wasteele zich helpen door Uilenspiegel en Lamme, om uit den kelder zware pakken wapenen naar zijne werkplaats te dragen.

--Hier zijn, sprak hij, twintig bussen, die moeten hersteld, dertig lanspunten, die moeten geslepen worden, en lood om vijftienhonderd kogels te gieten; gij gaat mij helpen.

--Met mijn beide handen! antwoordde Uilenspiegel. Waarom heb ik er geen vier om u behulpzaam te wezen!

--Lamme zal ons helpen, sprak Wasteele.

--Ja, antwoordde Lamme op jammerlijken toon, want hij viel van den vaak, ter oorzake van het overvloedig eten en drinken.

--Gij zult het lood gieten, sprak Uilenspiegel.

--Ik zal, sprak Lamme.

Lamme smolt zijn lood en goot zijn kogels, doch grimmig bekeek hij smid Wasteele, die hem dwong op te blijven, terwijl hij zoo'n slaap had.

Hij goot de kogels, maar hij had grooten lust het gesmolten lood over het hoofd van smid Wasteele te gieten. Doch hij hield zich in. Rond middernacht werd hij, oververmoeid, door razernij overvallen en, terwijl smid Wasteele en Uilenspiegel geduldig zweerden, bussen en lanspunten slepen, hield hij met sissende stem de volgende rede:

--Daar staat gij nu, mager, bleek en schraal, met uw vast vertrouwen in de prinsen en in de grooten der aarde; door overdreven ijver, veronachtzaamt gij uw lichaam, uw edel lichaam, dat gij laat vergaan van ellende en zelfvernedering. Daarom is het niet, dat de goede God u schiep. Vergeet niet dat onze ziel, die de adem des levens is, boonen, ossevleesch, bier, wijn, hesp, worsten, pensen, alsmede rust noodig heeft tot haar bestaan; gij, gij leeft van brood, water en slapeloosheid!

--Van waar komt u die ongewone woordenvloed? vroeg Uilenspiegel.

--Hij weet niet wat hij zegt, antwoordde Wasteele schokschouderend.

Maar Lamme vervolgde:

--Ik weet het beter dan gij. Ik zeg dat wij zot zijn, ik, gij en Uilenspiegel insgelijks, onze oogen te bederven voor al die prinsen en heeren, die zeker zouden lachen met ons, als zij ons, overvallen door vermoeienis, den nacht zagen doorbrengen met wapenen te slijpen en kogels te gieten, te hunnen dienste. Terwijl zij wijn uit gouden bekers drinken en kapoenen in tinnen schotels eten, vragen zij zich niet af of hunne vijanden met hunne zeisen onze beenen niet afkappen en ons in den doodenkuil niet werpen. Intusschen zullen zij, die in den grond noch hervormden, noch calvinisten, noch lutheranen, noch katholieken zijn, maar aan God noch duivel gelooven, heerlijkheden koopen en bemachtigen, het goed van monniken, abten en konventen inslikken. Alles zal voor hen zijn: en vrouwen en maagden en meidekens; uit hunne gouden bekers zullen zij drinken op hun eeuwig welzijn, op onze altijddurende onnoozelheid en op de zeven hoofdzonden, die zij gedurig bedrijven; ja, smid Wasteele, en dàt onder uwen neus, die mager is van geestdrift. Aanschouw de velden, de weiden, zie naar de oogsten, de boomgaarden, de ossen, het goud dat opstijgt uit de aarde; aanschouw de wilde dieren van de bosschen, de vogelen van de hemelen, de lekkere ortolanen, de heerlijke lijsters, den kop van het everzwijn, den bout van den reebok: jacht, vischvangst, aarde, zee, alles, alles is voor hen! En gij, gij leeft van water en brood, en wij, wij werken ons dood voor hen, zonder slapen, zonder eten, zonder drinken! En als wij er onder zullen bezweken zijn, zullen zij onze lijken uit hunnen weg schoppen en tot onze moeders zeggen: "Maakt er anderen, deze krengen kunnen ons niet meer dienen."

Uilenspiegel lachte goedmoedig zonder iets te zeggen; Lamme blies van verontweerdiging, doch Wasteele zeide op zachtmoedigen toon:

--Gij spreekt lichtzinnig. Ik leef niet voor hesp, voor bier, noch voor ortolanen, maar voor de zegepraal van het vrije geweten. Voor de vrijheid, doet de prins lijk ik. Hij offert zijn goed, zijne rust, zijn geluk op om de beulen en de dwingelandij uit de Nederlanden te verdrijven. Doe lijk hij en tracht mager te worden. Het is niet met den buik dat men de volkeren redt, maar met fieren moed en met geduldige vermoeienis. En nu,... ga maar slapen, zoo gij vaak hebt.

Maar Lamme wilde niet slapen gaan, want de smid had hem beschaamd.

En gedrieën slepen zij wapenen en smolten zij kogelen tot den dageraad.

En dit drie nachten achtereen.

Toen vertrokken zij naar Gent. Onderwege leurden zij met vogelkooien, muizenvallen en oliekoeken.

Zoo kwamen zij te Meulestede, welks roode daken men van verre ontwaart, en daar kwamen zij overeen dat elk op zijn eigen hand zou rond gaan en dat men 's avonds, vóór de slaapklok, malkander zou vinden in de afspanning den Zwaan.

Lamme zwierf door de straten van Gent en verkocht gewetensvol zijne oliekoeken, want hij kreeg zin in zijn bedrijf, maar toch vergat hij zijne vrouw niet, want hij zocht ze gedurig, noch zijnen buik, want hij ledigde menigvuldige pinten en at zonder ophouden.

Uilenspiegel had brieven van den prins van Oranje besteld aan Jacob Scoelap, licentiaat in de medicijnen, aan Lieven Smet, kleermaker, aan Jan de Wulfslaeger, aan Gillis Coorne, roodverver, en aan Jan de Roose, ticheldekkker, welke hem het geld ter hand stelden, dat zij voor den prins opgehaald hadden, en hem zeiden nog eenige dagen te Gent en in 't ronde te blijven, daar zij hem nog meer zouden geven.

Die mannen werden later aan de Nieuwe Galge uit hoofde van ketterije gehangen, en hunne lijken werden begraven op het Galgeveld, omtrent de Brugsche poort.

XXX.

Doch de provoost, de rosse Spelle, met zijne roode roede gewapend, reed op zijn mager peerd van de eene naar de andere stad, en overal deed hij schavotten oprichten, brandstapels aansteken, putten delven om arme vrouwen en meidekens levend te begraven.

En de koning erfde.

Uilenspiegel zat met Lamme te Meulestede onder eenen boom, en was naargeestig. Het was killig, niettegenstaande het in de Zomermaand was. Uit den hemel, vol grijze wolken, viel een fijne hagel.

--Mijn vriend, sprak Lamme, 't is nu de vierde nacht dat gij op den dril zijt en bij de meidekens loopt. Gij slaapt in den Zoeten Inval; gij zult eindigen lijk de man van het uithangbord, en met uw hoofd voorop in een bijenkorf vallen. Tevergeefs zit ik op u te wachten in den Zwaan, en uw losbandig leven voorspelt niets goeds. Waarom neemt gij geene vrouw in alle eer en deugd?

--Lamme, sprak Uilenspiegel, hij voor wien ééne allen is, en voor wien allen ééne zijn, in dien liefelijken strijd die minne heet, kan zoo lichtzinnig en in der haast geene keus doen.

--En Nele, denkt gij aan heur niet?

--Nele is ver van hier, te Damme, zuchtte Uilenspiegel.

Terwijl hij steeds op de hurken zat en de hagel duchtig nederviel, liep een jonge, lieftallige vrouw voorbij, die heuren rok over heur hoofd had geslagen om zich voor den hagel te beschutten.

--He, sprak zij, wat zit gij daar onder dien boom te suffen?

--Ik vraag mij af, sprak Uilenspiegel, of ik ooit eene vrouw zal vinden, die mij onder het dak van heuren rok zal laten schuilen.

--Gij hebt ze gevonden, sprak de vrouw, sta op.

Uilenspiegel stond recht en ging naar heur toe.

--Gaat gij mij weder alleen laten? vroeg Lamme.

--Ja, antwoordde Uilenspiegel, doch ga naar den Zwaan, en eet daar eenen bout, eet hesp en al wat u lust, drink er twaalf pinten bier, en trek vervolgens naar uw bed; zoodoende ben ik van u ontslagen.

--In dien raad steekt iets goeds, zei Lamme.

Doch Uilenspiegel hoorde hem niet en was reeds bij de vrouw.

--Licht mijn rok langs de eenen kant op, sprak zij, ik zal hem langs den anderen kant optillen.

Toen de rok over hunne hoofden geslagen was, zeide zij:

--Laat ons nu loopen.

--Waarom loopen? vroeg Uilenspiegel.

--Om uit Meulestede te vluchten, sprak zij, de provoost Spelle is daar met twee beulsknechten en hij heeft gezworen al de onnutte vrouwen--lijk hij ons heet--te doen geeselen, als zij hem geen vijf gulden willen betalen. Daarom is 't dat ik loop: kom mede en blijf bij mij om mij te verdedigen.

--Lamme, riep Uilenspiegel van verre, Spelle is te Meulestede! Ga in aller ijl naar Destelbergen, in de Drie Koningen.

Verschrikt, sprong Lamme schielijk op. Hij hield zijnen buik met de beide handen vast en begon te loopen.

--Waar loopt die dikke haas naartoe?

--Naar een hol waar ik hem wel zal terugvinden, antwoordde Uilenspiegel.

--Laat ons loopen, zeide zij, terwijl zij als een driftige merrie op den grond stampte.

--Ik zou deugdzaam willen zijn zonder te loopen, antwoordde Uilenspiegel.

--Wat beteekent dat? vroeg zij.

Uilenspiegel antwoordde:

--Die dikke haas daar wil mij doen verzaken aan den goeden wijn, aan het gerstesap en aan de donzige huid van de vrouwen.

Wantrouwig bezag hem de meid.

--Gij hebt korten adem, zeide zij, gij zoudt niet slecht doen te rusten.

--Rusten, antwoordde Uilenspiegel, rusten? Maar ik zie geenerlei schuilplaats.

--Uwe deugd, antwoordde de deerne, zal u tot dekmantel dienen.

--Ik verkies uwen rok, zeide hij.

--Mijn rok, zeide de deerne, ware onweerdig eenen heilige te dekken, lijk gij beweert te zijn. Ga weg, ik zal alleen voortloopen.

--Weet gij dan niet, antwoordde Uilenspiegel, dat een hond op zijn vier pooten sneller loopt dan een mensch op twee? Ziedaar waarom wij, met vier beenen, sneller zullen loopen.

--Ge spreekt nog al krachtig voor een deugdzaam mensch.

--Ja, zeide hij.

--Maar, sprak zij, ik heb altijd gezien dat de deugd een stille, ingesluimerde, dikke en kouwelijke hoedanigheid is, een masker, dat knorrende gezichten verbergt, een fluweelen opperste kleed om een man van graniet. Ik minne die, in welker borst een mannelijk vuur blakert, dat tot lustige en dappere ondernemingen aanzet.

--Aldus, zei Uilenspiegel, sprak de schoone duivelin tot den doorluchtigen, heiligen Antonius.

Twintig stappen verder lag eene afspanning langs den weg.

--Gij hebt goed gesproken, vervolgde Uilenspiegel, nu moet gij goed drinken.

--Ik heb nog geen dorst, zei de vrouw.

Zij gingen de afspanning binnen.

Op eene schapraai, nevens den schoorsteen, stond eene buikflesch.

Uilenspiegel sprak tot den baas:

--Ziet gij dezen gulden?

--Ik zie hem, zei de baas.

--Hoeveel oortjes zoudt gij er wel van afhouden, om die flesch daar met dobbelen klauwaard te vullen?

De baas antwoordde:

--Met negen mannekens zijt gij er van af.

--Dat maakt, zei Uilenspiegel, zes mijten Vlaamsch, dus twee mijten te veel. Om het even, tap ze maar vol.