# De legende en de heldhaftige, vroolijke en roemrijke daden van Uilenspiegel en Lamme Goedzak in Vlaanderenland en elders

## Part 25

Book page: https://www.cyberlibrary.org/nl/books/de-legende-en-de-heldhaftige-vroolijke-en-roemrijke-daden-van-u-f68b730a/index.md

--Honderd boeren zullen deze week van hier vertrekken; zij zeggen dat zij aan de dijken van Brugge en omstreken gaan werken. Zij reizen bij troepen van vijf of zes, en langs verschillende wegen. Te Brugge zullen zij schuiten vinden, die hen over zee naar Emden zullen brengen.

--Hebben zij wapenen en geld? vroeg Uilenspiegel.

--Elkeen heeft tien gulden en een hertsvanger, antwoordde Utenhove.

--God en de prins zullen U loonen!

--Ik behoef geene belooning; wat ik doe, doe ik uit overtuiging, zeide Utenhove.

--Vriend gastheer, vroeg Lamme, die dikke zwarte pensen aan 't peuzelen was, hoe krijgt gij ze zoo geurig, zoo smakelijk en zoo fijn van vet?

--Wij doen er kaneel en kattenkruid in, antwoordde de gastheer.

Vervolgens vroeg hij aan Uilenspiegel:

--Hoort Edzard, grave van Friesland, nog steeds tot den aanhang des prinsen?

Uilenspiegel antwoordde:

--Openlijk niet, maar toch verleent hij te Emden schuilplaats aan zijne vaartuigen.

En hij voegde er bij:

--Wij moeten naar Maastricht.

--Dat zult gij niet kunnen, sprak de gastheer; het leger des hertogen is vóór de stad en in 't ronde.

Vervolgens bracht hij hem naar den zolder; daar toonde hij hem van verre de vendels en kornetten ruiterij en voetvolk, die door het veld reden en marcheerden.

Uilenspiegel sprak:

--Ik geraak er wel door, zoo gij, die hier machtig zijt, mij de toelating geeft tot trouwen. De vrouw moet lieftallig, zachtaardig en schoon zijn en moet, zoo niet voor altijd, dan toch voor eene week met mij willen trouwen.

Lamme zuchtte en sprak:

--Doe dat niet, mijn vriend, zij zou u alleen laten, zonder kommer voor uw liefdevuur. Uw bed, waarop gij thans zoo vredevol slaapt, zal eene koets van netelen worden, waaruit de zoete nachtrust vlieden zal.

--Ik trouw, antwoordde Uilenspiegel.

En Lamme was diep bedroefd, omdat hij niets op de tafel meer vond. Maar hij ontdekte krakelingen in eene schaal, en hij speelde ze weemoedig binnen.

Uilenspiegel zei tot Thomas Utenhove:

--Nu, luister. Bezorg mij eene vrouw, rijk of arm. Ik ga met heur naar de kerk en doe het huwelijk inzegenen door den pastoor. Deze geeft ons een huwelijksbewijs, hoewel ongeldig, daar het komt van een aanhanger der Inquisitie; wij doen er in schrijven, dat wij goede kerstenen zijn, die gebiecht hebben en ten avondmaal gegaan zijn, dat wij apostolisch leven volgens de regelen Onzer Heilige Moeder de Roomsche Kerk,--die heure kinderen verbrandt,--om aldus over ons den zegen te roepen van Onzen Heiligen Vader den Paus, van de hemelsche en aardsche heirscharen, van de santen, santinnen, dekenen, pastoors, monniken, soldeniers, serjanten, hangmannen en andere diepers. Met dat kostbare bewijs op zak, maken wij de toebereidselen voor de gebruikelijke speelreis.

--Maar de vrouw? vroeg Thomas Utenhove.

Die zult gij mij zoeken, antwoordde Uilenspiegel. Ik neem dus twee speelwagens, die ik versier met sparre- en hulstetakken en papieren festoen. En ik laat er de mannen in stijgen, die gij den prins zenden wilt.

--Maar de vrouw? vroeg Thomas Utenhove.

--Die zal niet ver van hier zijn, antwoordde Uilenspiegel.

En zijne rede vervolgend, sprak hij:

--Voor den eersten wagen span ik twee uwer peerden, voor den tweeden onze beide ezelen. Den eersten wagen neem ik in met mijne vrouw, mijn vriend Lamme, de getuigen; de tweede wagen is bestemd voor de speellieden. Vervolgens trekken wij er op los, met wuivende vendels en onder 't geschal van tamboerijnen, pijpen, schalmeien; zingend, dansend en drinkend, rijden wij in vollen draf de groote baan op, die naar het galgeveld of naar de vrijheid leidt!

--Ik wil u helpen, sprak Thomas Utenhove. Maar de vrouwlieden en dochteren zullen heure mannen en minnaren willen volgen.

--Wij gaan mee op Gods genade, sprak een minzaam meideken, dat het hoofd binnenstak.

--Als het noodig is, zei Thomas Utenhove, kunnen er vier wagens zijn; aldus zouden wij meer dan vijf en twintig man aan den prins kunnen sturen.

--De hertog zal het kind van de rekening zijn, sprak Uilenspiegel.

--En de vloot van den prins zal eenige dappere soldaten meer tellen, antwoordde Thomas Utenhove.

Vervolgens deed hij het klokje luiden, om al zijne knechts en dienstmaagden samen te roepen.

Toen allen vergaderd waren, sprak hij tot hen:

--Gij allen, die Zeeuwen zijt, mannen als vrouwlieden, luistert: Uilenspiegel, de Vlaming, hier tegenwoordig, wil U in bruidsgewaad door het leger des hertogen brengen.

De mannen en vrouwen van Zeeland riepen te gelijk:

--Doodsgevaar! wij zijn er bij!

En de mannen zeiden tot elkaar:

--Voor ons is het een geluk, een land van dienstbaarheid te verlaten om de vrije zee te bevaren. Als God er vóór is, wie zal er tegen zijn?

De vrouwlieden en meidekens spraken:

--Wij volgen onze mannen en vrienden. Wij zijn uit Zeeland en zullen er schuilplaatse vinden.

Uilenspiegel wendde zich tot een jong en liefelijk meideken uit den troep, en zei schertsend:

--Met u wil ik trouwen.

Doch blozend antwoordde zij:

--Ik wil wel; doch alléén in de kerk.

De vrouwen spraken lachend tot elkaar:

--Heur hert trekt naar Hans, den zoon van den baas. Hij vertrekt zeker met heur.

--Ja, antwoordde Hans.

En de vader zei tot hem:

--Gij moogt.

De mannen trokken hunne beste kleederen aan: fluweelen wambuis en hooze, met het groot opperste kleed daarboven, en zetten breedgerande hoeden op 't hoofd, die hen tegen zon en regen zouden beschutten; ook de vrouwen kleedden zich in feestdos: gebekte zwarte onderbroeken, geplooide witte halskragen, hemelsblauwe en scharlakenroode borststukken met goudborduurselen, zwarte wollen rokken met breede fluweelen banden van dezelfde kleur, zwarte saaien kousen en fluweelen schoenen met zilveren gespen; op het voorhoofd hadden zij groote klatermeersen, die de meidekens links en de getrouwde vrouwlieden rechts droegen.

Vervolgens ging Thomas Utenhove naar de kerk, den pastoor verzoeken Thijlbert, zoon van Klaas, in de wandeling Uilenspiegel geheeten, dadelijk te willen trouwen met Tanneken Pieters. En meteen stak hij den pastoor twee rijksdaalders in de hand: de parochiepaap stemde gereedelijk toe.

Dienvolgens begaf Uilenspiegel zich naar de kerk met heel de bruiloft, en daar trouwde hij, vóór den pastoor, met Tanneken, die zoo schoon en zoo lief, zoo knap en zoo poezel was, dat hij zich moest inhouden om niet in heure kaken te bijten, die op twee kriekappeltjes geleken.

En hij zeide heur dat hij het maar liet, uit eerbied voor heur lief en zacht gezichtje. Maar schalksch zei ze:

--Wees toch stil, zie eens hoe Hans u beziet; hij zou u vermoorden!

En een meideken, dat jaloersch was, zei:

Zoek elders, Uilenspiegel, ziet gij niet dat zij bang is voor heuren minnaar?

Lamme wreef in zijne handen en riep:

--Ge zult ze toch allen niet hebben!

En hij was in zijn schik.

Uilenspiegel droeg geduldig zijn lot en keerde met de bruiloft terug naar de hoeve. Daar dronk men en zong men en deed hij bescheid met het jaloersche meideken. Hans was er gansch in zijn schik om, maar Tanneken niet, en de bruidegom van 't meideken evenmin.

Rond den middag, bij helderen zonneschijn en terwijl een frisch windeken woei, reden de wagens voort; ze waren gansch versierd met bloemen en loover, en met wapperende vendels. En ze vertrokken onder 't blijde geschal van pijpen, schalmeien, tamboerijnen en doedelzakken.

In 't kamp van Alva was 't een andere kermis. De posten en schildwachten bliezen alarm en kwamen achtereenvolgens terug naar het kamp, zeggende:

--De vijand nadert; wij hebben 't gerucht van pijpen en schalmeien gehoord, en vendels gezien. 't Is een sterke afdeeling ruiterij die ons zeker in een hinderlaag wil lokken. Het legerkorps is ongetwijfeld in aantocht.

Dadelijk deed de hertog de kampmeesters, kolonels en hoplieden verwittigen, het leger in slagorde stellen en den vijand verkennen.

Plotseling verschenen vier wagens, die op de busschutters toereden. In de wagens waren de mannen en vrouwen aan 't dansen, bij 't blijde gerinkel van bottels en glazen en 't luidruchtig geschal van pijpen, schalmeien, trommelen en doedelzakken.

De bruiloft hield halt, en de hertog van Alva kwam zelf toegeloopen op het gerucht en zag de jonge bruid op een van de wagens en, naast heur, Uilenspiegel, heuren bruidegom, met zijn hoed vol bloemen; en al de boeren en boerinnen waren van de wagens gesprongen en dansten rond het jonge paar, en noodden de soldaten tot drinken.

Alva en de zijnen waren grootendeels verwonderd over den eenvoud dier buitenlieden, die zongen en dansten, te midden van een leger, dat in slagorde stond.

En allen, die in de wagens zaten, schonken wijn aan de Spaansche soldaten.

En de Maranen zwaaiden met de hoeden en juichten hen toe.

Als de wijn op was, reden de boeren en boerinnen voort, onder 't geschal van tamboerijnen, pijpen en doedelzakken. Niemand deed hun de minste moeilijkheid aan.

Integendeel, de soldaten schoten een salvo met hunne bussen.

En zoo kwamen zij in Maastricht, waar Uilenspiegel zich verstond met de hervormden om, door middel van schepen, een grooten voorraad wapenen en munitie naar de vloot van den Zwijger te zenden.

Ook te Landen deden zij hetzelfde.

En, als daglooners gekleed, geraakten zij overal door.

De list kwam den hertog ter oore; en er werd een liedje op gemaakt, dat hem gezonden werd, met dit refrein:

Bloed-hertog, dwaas-hertog, Hebt ge de bruid gezien?

En telkens dat hij een verkeerde beweging gemaakt had, zongen de soldaten:

De hertog krijgt schele oogen, Hij heeft de bruid gezien.

XXIV.

Afgunst verteerde koning Philippus. In zijn hoogmoed bad hij jammerend God, dat hij hem de macht zou geven Engeland te overwinnen, Frankrijk te veroveren, Milaan, Genua en Venetië in te nemen en, meester der zeeën, heel Europa te gebieden.

Hij dacht aan die zegepraal, maar hij lachte niet.

Gedurig was hij huiverig; de wijn verwarmde hem niet, noch het vuur van het welriekend hout, dat altijd brandde in de zaal waar hij verbleef. Daar zat hij te midden van zoovele brieven, dat men er wel honderd tonnen mede had kunnen vullen; hij dacht aan de alleen-heerschappij over gansch de aarde, zooals die uitgeoefend werd door de Roomsche keizers, en aan den naijver en den haat die hij zijnen zoon don Carlos toedroeg, sedert deze de plaats van den hertog van Alva in de Nederlanden had willen innemen. En als hij hem zag, mismaakt, zot en boosaardig, kwam er een nog grootere haat over hem. Maar niemand sprak hij er over.

Zij, die den koning en zijnen zoon dienden, wisten niet wien zij 't meest moesten vreezen, óf den moordzieken kroonprins, die zijn dienaren in 't gezicht krabde, òf den gluiperigen koning, die zich van anderen bediende als hij iemand wilde treffen, en die als eene hyena leefde van lijken.

De dienaren waren verschrikt als ze den een achter den anderen zagen sluipen, en zeiden, dat men, in 't Escuriaal, weldra van dooden zou hooren.

Weldra vernamen zij, dat don Carlos gevangen gezet was, wegens hoogverraad. En zij wisten dat verdriet hem verteerde; dat hij door de staven van zijn kerker had willen kruipen om te vluchten, en zich aldus het aangezicht had gekwetst.

Ook wist men, dat mevrouwe Isabella van Frankrijk, zijne moeder, gedurig weende.

Maar koning Philippus weende niet.

Ze kregen mare, dat men don Carlos versche vijgen gegeven had, en dat hij 's anderen daags zoo zacht gestorven was alsof hij ingesluimerd was.

De dokters zeiden: Zoodra hij de vijgen gegeten had, hield zijn hert op met kloppen en werden de natuurlijke levensverrichtingen afgebroken; zijn buik zwol op en zoo gaf hij den geest.

Koning Philippus woonde de uitvaart van don Carlos bij, deed hem begraven in de kapel zijner koninklijke verblijfplaats en eenen steen op zijn graf leggen, maar hij weende niet.

En spottend met het vorstelijk grafschrift, dat in dien steen was gebeiteld, zeiden de dienaren tot elkander:

HIER LIGT BEGRAVEN DEGENE DIE VERSCHE VIJGEN AT EN STIERF ZONDER ZIEK TE ZIJN.

A qui jace qui en para desit verdad, Morio s'in infirmidad.

En koning Philippus bezag met ontuchtige blikken de prinses van Eboli, die getrouwd was. Door drift verteerd, smeekte hij heur en zij weerstond niet....

Mevrouwe Isabella van Frankrijk, die, naar men zeide, don Carlos' inzichten op de Nederlanden begunstigd had, werd droef en mager. Heur haar viel uit, met dikke lokken te gelijk. En dikwerf braakte zij, en de nagelen heurer teenen en vingeren vielen uit. En zij stierf.

En koning Philippus weende niet.

Het haar van den prins van Eboli viel insgelijks uit. Hij werd droef en klaagde gedurig. Dan vielen ook zijne nagelen van teenen en vingeren uit. En hij stierf.

En de koning deed hem begraven.

En hij betaalde den rouw der weduwe, en weende niet.

XXV.

In dien tijd kwamen eenige vrouwlieden en meidekens van Damme vragen aan Nele of zij meibruid wilde zijn en zich wilde verbergen in het struikgewas, met den bruidegom dien men voor haar vinden zou; want, zeiden de vrouwen, niet zonder afgunst, geen jongeling van Damme en 't ronde zou u versmaden; allen zouden willen trouwen met u, die zoo schoon en zoo braaf, zoo jong en zoo frisch blijft: gave van toovernij, gewis.

Nele antwoordde:

--Zegt tot de jongelieden, die mij tot huisvrouw zouden begeeren, dat Nele's hert niet hier is, maar verre, bij hem die ronddoolt om den grond der vaderen te verlossen. En zoo ik frisch blijf, lijk gij zegt, is dit geene gave van tooverij, maar van gezondheid.

De vrouwen antwoordden:

--Katelijne nochtans wordt verdacht.

--Hecht geen geloof aan de woorden der boozen, antwoordde Nele. Katelijne is geene tooveres. De heeren der vierschaar hebben werk op heur hoofd verbrand, en God heeft heur met uitzinnigheid geslagen.

En Katelijne, die in een hoek op de hurken zat, schuddebolde en sprak:

--Doe het vuur uit, hij zal terugkomen, Hansken, mijn liefste.

De vrouwen vroegen wie het Hansken was, waarvan Katelijne sprak.

Nele antwoordde:

--De zoon van Klaas, mijn zoogbroeder, dien zij waant verloren te hebben, sedert God heur zoo wreedelijk trof.

En de goede vrouwlieden gaven zilveren oortjes aan Katelijne.

En de nieuwe geldstukken die er bij waren, toonde zij eenen, dien niemand zag, zeggende:

--Ik ben rijk, ik heb blinkend geld. Kom, Hansken, mijn liefste; ik zal uwe koozerijen betalen.

En als de vrouwen henen waren, weende Nele in de eenzame hut. En ze dacht aan Uilenspiegel, die in verre landen doolde en dien ze niet volgen mocht, en ook aan Katelijne, die steende:--Doe het vuur uit! en de beide handen op heure borst drukte, om te bedieden, dat het vuur der uitzinnigheid brandde in heur hoofd en heur lijf.

En intusschen verborgen meibruid en meibruidegom zich in het hooge gras.

De jongen, die de meibruid vond, was de koning van 't feest; was het integendeel een meisje dat den bruidegom vond, dan was zij de koningin van het meifeest.

Nele hoorde van verre de vreugdekreten van knapen en meidekens, toen de meibruid aan den boord eener gracht, in het hooge gras, werd gevonden.

En zij weende als zij dacht aan den zoeten tijd, toen men heur en heuren vriend Uilenspiegel zocht.

XXVI.

En Uilenspiegel en Lamme, schrijlings op hunne ezels gezeten, vervolgden hunnen weg.

--Nu, Lamme, luister goed, sprak Uilenspiegel, de Nederlandsche edelen, naijverig op den prins van Oranje, verrieden de zaak der eedgenooten, het heilig verbond, het kloekmoedig eedverbond, dat geteekend was voor het welzijn van den grond onzer vaderen. Egmond en Hoorne waren ontrouw, doch zij vonden er niet het minste voordeel bij, integendeel; Brederode is dood; in dezen oorlog blijven ons niets anders over dan het arme volk van Brabant en Vlaanderen, dat op eerlijke hoofdmannen wacht om op te rukken; en vervolgens, mijn jongen, de eilanden van Zeeland en Noord-Holland, waarvan de prins stadhouder is; en verder nog, op zee, Edzard, graaf van Emden en van Oost-Friesland.

--Laas! sprak Lamme, ik word het wel gewaar: wij dwalen rond tusschen rad, galg en brandstapel, stervend van honger, stikkend van dorst, zonder hoop ergens ruste te vinden.

--'t Is maar een begin, antwoordde Uilenspiegel. Ge moet toch bekennen, dat ons bestaan heel vroolijk is: wij dooden onze vijanden; wij spotten met hen, hebben onze tasschen vol florijnen en daalders; wij zijn goed gevoed met vleesch, met brood en met wijn. Wat wilt gij nog meer, pluimzak? Willen wij onze ezels verkoopen om peerden te koopen?

--Thijl, zeide Lamme, de draf van een peerd is tamelijk hard voor een man, zoo vollijvig als ik.

--Gij kunt u te peerd zetten lijk de boeren, antwoordde Uilenspiegel, en niemand zal u uitlachen, mits gij gekleed zijt als een boer en geen zweerd draagt lijk ik, doch enkel eenen verkensspriet.

--Maar, vroeg Lamme, zijt gij wel zeker, dat onze passen kunnen dienen in de kleine steden?

--Heb ik geen bewijs van den parochiepaap, sprak Uilenspiegel, met een groot lakzegel van de kerk, dat er aanhangt met twee perkamenten steerten; hebben wij ook onze biechtbriefkens niet? De huurlingen en serjanten des hertogen vermogen niets tegen twee mannen, van zulke goede papieren voorzien.

Lamme antwoordde niet.

--En de zwarte paternosters die wij verkoopen? vervolgde Uilenspiegel. Wij beiden zijn ruiters, gij Vlaming, ik Duitscher, wij reizen op uitdrukkelijk bevel van den hertog, om de ketters dezer landen tot het heilig katholiek geloove terug te brengen, door het verkoopen van gewijde voorwerpen. Aldus zullen wij overal binnendringen, bij de groote heeren en in de rijke abdijen. En daar zullen wij rijkelijk onthaald worden. En wij zullen hunne geheimen ontstelen. Verblijd u van te voren, mijn zachtaardige vriend.

--Jongen, sprak Lamme, wat wij doen is werk van spionnen.

--Krachtens recht en oorlogswet, antwoordde Uilenspiegel.

--Als zij de zaak der drie predikanten vernemen, worden wij geradbraakt, zei Lamme.

Uilenspiegel zong:

Leven steekt op mijn Vaandel uit, Leven in 't licht der rede. Lederen is mijn eerste huid, Stalen is mijn tweede.

Doch Lamme zuchtte:

--Ik, ik heb maar één vel, en het is zeer zacht; bij den minsten daggeslag zou het seffens open liggen. Wij zouden beter doen ons aan een of ander nuttig ambacht over te leveren, dan aldus van het een oord naar 't ander te dolen, om al die groote prinsen te dienen, die, met de voeten in fluweelen muilen, rustig, aan vergulde tafelen, ortolanen eten. Voor ons de slagen, de gevaren, het gevecht, de regen, de hagel, de sneeuwstormen en de magere soep van de zwervers; voor hen, de heerlijke worsten, de vette kapoenen, de geurige lijsters, de smakelijke ganzen.

--Het water komt in uwen mond, mijn zachtaardige vriend, sprak Uilenspiegel.

--Waar zijt gij, nieuwbakken brood, geurige koekebakken, heerlijke rijstpap? En gij, waar zijt gij, mijn vrouwtje?

Uilenspiegel antwoordde:

--De assche van Klaas klopt op mijn hert en drijft mij ten strijde. Maar gij, zachtmoedige Lamme, die den dood van uwen vader noch uwe moeder moet wreken, noch het verdriet van hen die gij bemint, nog uw huidige armoede, laat mij alleen gaan, daar waar de plicht mij roept, zoo de vermoeienissen des oorlogs u afschrikken.

--Alleen? sprak Lamme.

En hij hield zijn ezel in, die dezen stilstand ten nutte maakte om zich deugd te doen aan de distelen, waarmede de weg vol stond, zoo ver het oog reikte. Uilenspiegel's grauwtje bleef insgelijks staan en nam deel aan 't ezelsfestijn.

--Alleen? sprak Lamme. Dát zult gij niet doen; mij alleen laten ware een groote wreedheid. Alreeds mijne vrouw kwijt, en vervolgens mijn vriend, dat ware te veel. Ik zal nooit meer klagen, ik beloof het u. En, als het nu toch moet zijn,--en hij hief kloekmoedig het hoofd op,--zal ik gaan onder den kogelregen, ja! En in 't midden der zweerden, ja! vlak in 't gezicht van die leelijke huurlingen, die bloed zuipen lijk wolven. En mocht ik eens doodelijk getroffen aan uwe voeten neervallen, begraaf mij dan, mijn vriend Uilenspiegel, en ziet gij later mijne vrouw weer, zeg heur dat ik gestorven ben, omdat ik niet leven kon zonder door iemand bemind te wezen.... Neen, dat zou ik niet kunnen, mijn vriend.

En Lamme weende, en Uilenspiegel voelde een krop in de keel.

XXVII.

In dien tijd verdeelde de hertog zijn leger in twee afdeelingen: het eerste korps zond hij naar het hertogdom Luxemburg, het ander naar het markgraafschap Namen.

--Dat is eene krijgsbeweging waarvan ik de reden niet gis, sprak Uilenspiegel, maar 't is mij eender, laat ons vol vertrouwen naar Maastricht gaan.

Toen zij omtrent de stede langsheen de Maas reden, zag Lamme dat Uilenspiegel aandachtig al de booten bezag, die op den stroom vaarden, en dat hij eindelijk bleef staan voor eene, met een gebeeldhouwde meermin op den achtersteven. En die meermin hield een schild vast, waarop, met gouden letteren op een zwart veld, het teeken I-H-S stond, het teeken dat Onzen Heer Jezus-Christus bediedt.

Uilenspiegel deed teeken tot Lamme om stil te staan, en hij begon blijgemoed te fluiten als de leeuwerik.

Op de boot kwam een man voor, die kraaide als een haan, vervolgens, toen Uilenspiegel balkte als een ezel en naar het volk wees dat op de kaai bijeengehoopt stond, insgelijks verschrikkelijk begon te balken. Op dat geluid spitsten de beide ezelen van Lamme en Uilenspiegel de ooren en vergezelden zij 't refrein in hunne moedertaal.

Vrouwlieden trokken voorbij en ook mannen die met jaagpeerden opgingen, en Uilenspiegel zei tot Lamme.

--Die schipper spot met ons en met onze ezelen. Als wij hem eens eene rammeling gaven op zijne boot? Wat dunkt u er van?

--Dat hij liever hier kome, zoo hij durft, antwoordde Lamme.

Toen sprak eene vrouw:

--Als gij niet wilt voortgaan met uwe armen af, uwe ribben gebroken, uwen snoet aan stukken, laat Sterke Pier dan maar balken zooveel het hem lust.

--Hi han! hi han! hi han! balkte de schipper.

--Laat hem maar roepen, zei de vrouw, verleden week zagen wij hem eene kar, beladen met zware tonnen bier, op de schouderen nemen, en een andere kar inhouden, waarvoor een sterk Vlaamsch peerd was gespannen. Dáár, sprak zij, naar eene afspanning wijzend, daar in den Blauwen Toren, smeet hij, op twintig stappen afstand, zijn mes door een eiken berd van twaalf duim dik.

--Hi han! hi han! ging de schipper voort, terwijl een jongetje van twaalf jaar op het dek van het schip klom en insgelijks begon te balken.

Uilenspiegel antwoordde:

--Uw Sterke Pier kan ons weinig schelen! Hij mag zoo sterk zijn als hij wil, wij zijn sterker dan hij, en mijn vriend Lamme hier, zou er twee van zijne dikte binnenspelen, zonder hikken of blazen.

--Wat zegt gij, mijn jongen? vroeg Lamme.

--De waarheid, antwoordde Uilenspiegel, gij moet niet loochenen uit zedigheid.

En tot de vergaderde menigte vervolgde hij:

--Ja, goede mannen, vrouwen en arbeiders, straks zult gij hem zien te werk gaan met de vuisten en dien fameuzen Sterken Pier met zijnen neus in het stof duwen.

--Zwijg toch, zei Lamme.

--Uwe kracht is gekend, antwoordde Uilenspiegel, gij moet niet loochenen.

--Hi han! riep de schipper.

--Hi han! kefte het jongetje.

Plotseling floot Uilenspiegel opnieuw, welluidend als een kweelende leeuwerik.

En de verrukte mannen, vrouwen en arbeiders vroegen hem waar hij dat goddelijk vogelgezang had geleerd.

--In het hemelrijk, van waar ik kom, antwoordde Uilenspiegel.

Vervolgens sprak hij tot den schipper, die niet ophield met balken en spottend met de vingeren naar hem te wijzen:

--Waarom blijft gij daar op uwe boot, nietdeug? Durft gij aan wal komen om met ons en onze ezels te spotten?

--Ja, durft gij? vroeg Lamme.

--Hi han! hi han! hi han! ging de schipper maar voort. Heeren langooren, ik noodig u op mijne boot.

--Doe maar altijd lijk ik, zei Uilenspiegel stille tot Lamme. En den schipper riep hij toe:

