Part 24
Te Mézières stapten zij uit de kar; daar gaf men hun goede soep, bier, brood en kaas, en vleesch aan de ouderlingen en aan de vrouwlieden. En zij werden geherbergd, gekleed en opnieuw gewapend ten koste van de gemeente. En tot zegening kusten allen Uilenspiegel, die hen goedhertig liet begaan.
Deze verkocht de peerden der twee ruiters voor acht en veertig gulden, waarvan hij er dertig aan de verloste gevangenen gaf.
Eenzaam voortgaande, sprak hij in zich zelven:
--Ik ga langs puinhoopen, dood en bloed, zonder iets te vinden. De duivelen hebben zeker gelogen. Waar is Lamme? Waar is Nele? Waar zijn de Zeven?
En de assche van Klaas klopte op zijne borst. En hij hoorde eene stem als een ademtocht fluisteren: "Zoek in dood, puinen en tranen".
En hij ging voort.
XVII.
In de Lentemaand kwam Uilenspiegel te Namen. Hij vond er Lamme, die groot liefhebber geworden was van visch uit de Maas en hoofdzakelijk van forellen. Hij had een boot gehuurd en vischte in den stroom met toelating van de gemeente. Maar hij had vijftig gulden moeten betalen aan de nering der vischverkoopers.
Zijne vangst at hij op of verkocht hij, en aldus herstelde hij de rondheid van zijnen buik en vergaarde hij een zakje karolussen.
Toen hij zijn vriend Uilenspiegel op den oever van de Maas naar de stadspoort zag stappen, was hij aangenaam verrast; hij stak zijn bootje naar wal, klaverde den oever op, niet zonder blazen, en kwam naar hem.
Stamelend van genoegen, sprak hij:
--Zijt gij daar, mijn zoon, want ik mag u zoo noemen: mijn buik is tweemaal zoo dik als de uwe. Waar gaat gij? Wat doet gij? Gij zijt toch niet dood? Hebt gij mijne vrouw niet gezien? Gij zult visch uit de Maas eten, de beste, die in dit tranendal bestaat; hier maken ze sausen, dat men er de pan bij zou opeten. Gij zijt schoon en vroom, met uwe kaken gebruind door 't gevecht. Daar is hij eindelijk, mijn zoon, mijn vriend Uilenspiegel, de lustige zwerver!
En stille vroeg hij hem:
--Hoeveel Spanjolen hebt gij geknipt? Hebt gij mijne vrouw niet gezien in hunne karren met loddegen? En gij zult wijn van de Maas drinken; hij is heerlijk en bevordert de spijsvertering. Zijt gij gekwetst, mijn zoon? Gij blijft dus hier, frisch, gezond en wel te pas als een veulen. En de paling moet gij proeven! Niet de minste grachtsmaak! Omhels mij, mijn vriend! Bij God, wat ben ik tevreden!
En Lamme danste, sprong, blies en dwong ook Uilenspiegel tot dansen.
Toen stapten zij op naar Namen. Aan de poort van de stad toonde Uilenspiegel zijn reispas, onderteekend door den hertog van Alva. En Lamme leidde hem mede naar huis.
Terwijl hij den maaltijd bereidde, deed hij hem zijne lotgevallen verhalen en vertelde hij ook zijn eigen wedervaren. Hij had, zeide hij, het leger verlaten om een meisje te volgen, dat, naar hij meende, zijne vrouw was. En zoo was hij tot in Namen gesukkeld. En gedurig vroeg hij:
--Hebt gij ze niet gezien?
--Ik heb er anderen gezien, met schoone gezichtjes, antwoordde Uilenspiegel, en dat wèl in deze stede, waar allen verliefd schijnen.
--Om de waarheid te zeggen, sprak Lamme, ik kan er krijgen zooveel als ik wil, maar ik blijf trouw aan mijne vrouw, want mijn jammerend hert is vervuld van haar aandenken.
--Lijk uw buik van menigvuldige gerechten, antwoordde Uilenspiegel.
Lamme hernam:
--Als ik verdriet heb, moet ik eten.
--Is uw verdriet eeuwigdurend? vroeg Uilenspiegel.
--Laas ja! sprak Lamme.
Meteen trok hij eene forel uit eene kuip.
--Zie eens, sprak hij, hoe schoon en hoe vast. Het vleesch is rooskleurig als dat mijner vrouw. Morgen verlaten wij Namen; ik heb een vollen zak guldens; wij zullen elk een ezel koopen en naar Vlaanderen reizen.
--Gij zult er veel bij verliezen, sprak Uilenspiegel.
--Mijn hert trekt naar Damme, naar de plaats, waar zij mij vurig beminde. Misschien wacht zij daar.
--Vermits gij het wilt, sprak Uilenspiegel, zullen wij morgen vertrekken.
En inderdaad, 's anderen daags kochten zij ezels en reden zij naast elkander de stad uit.
XVIII.
Een gure wind blies over de aarde. De lucht, die 's morgens helder als de jeugd was, werd grijs als de oude dag. Het regende en hagelde.
Toen de regen opgehouden had, schudde Uilenspiegel zich, zeggende:
--De hemel drinkt zooveel dampen op, dat hij zich soms moet ontlasten.
Maar het begon weer te regenen en te hagelen, en nog meer dan de eerste maal. De twee gezellen waren doornat.
Lamme zuchtte:
--Wij waren goed gewasschen, nu is men ons aan't spoelen! De zonne kwam weer te voorschijn en blijgemoed stegen zij weder op hunne ezelen.
Doch nu begon het zoo moorddadig te hagelen, dat de droge takken der boomen als met messen afgekapt werden.
Lamme sprak:
--Ho! een dak toch! Mijn arme vrouw! Waar zijt gij, goed vuurtje, zoete kussen en lekkere hutsepot?
En hij weende, de dikzak.
Doch Uilenspiegel sprak:
--Wij jammeren en weeklagen; maar is het niet van ons zelven, dat al onze kwalen ons komen? Het regent en hagelt op onze schouderen, doch die winterregen kweekt malsche meiklaver. En de runderen zullen loeien van genoegen. Wij zijn zonder schuilplaats, maar waarom trouwen wij niet? Ik toch, ten minste, waarom trouw ik niet met Nele, die zoo schoon en zoo braaf is, en die mij nu een goeden schotel boonen met gestoofd vleesch zou voorzetten? Wij hebben dorst, niettegenstaande het water, dat valt; waarom bleven wij niet bij een zelfde ambacht? Zij, die meester aanveerd zijn, hebben heele tonnen bruinbier in hunne kelders.
De assche van Klaas klopte op zijn hert, de hemel werd helder, de zonne schitterde aan het uitspansel en Uilenspiegel sprak:
--Mevrouw de Zon, ik zeg u duizendmaal dank, ge komt onze lendenen verwarmen; assche van Klaas, gij verwarmt ons hert en zegt ons dat diegenen gezegend zijn, die zwerven voor de verlossing van den bodem der vaderen.
--Ja, maar 'k heb honger, zei Lamme.
XIX.
Zij trokken eene afspanning binnen, en men gaf er hun te eten in de kelderkamer. Uilenspiegel opende het venster en zag van daar eene lochting, in dewelke een minnelijk, poezel meideken wandelde, met ronden boezem en gouden lokken. Zij had anders niet aan dan een rok, een wit linnen jakje en een zwart voorschoot met gaatjes.
Hemden en ander vrouwenlinnen hingen te drogen; het meisje was steeds naar Uilenspiegel gekeerd, trok de hemden van de koorden, hing ze weder op, glimlachte en keek gedurig naar Uilenspiegel.
In de nabijheid hoorde Uilenspiegel eenen haan kraaien en zag hij eene voedster met een kind spelen, wiens gezichtje zij naar eenen man toekeerde, terwijl zij zeide:
--Boelkin, trek oogskens naar vader, toe!
Het kind schreide.
En het aanvallig meideken bleef in de lochting ronddrentelen en het linnen afnemen en weder ophangen.
--'t Is eene, die aan den hertog verkocht is, sprak Lamme. Het meideken bracht heure handen voor heure oogen en tusschen de vingeren loerend, keek ze lachend naar Uilenspiegel.
Vervolgens ging zij op een der gespannen koorden zitten en schommelde, zonder met heure voeten den grond aan te raken. Onder 't schommelen, liet zij Uilenspiegel heure blanke, ronde armen zien, bloot tot aan heur schouderen en die de bleeke zonne bestraalde. Op en neder wippend, bekeek zij hem gestadig. Hij ging buiten om tot heur te gaan. Lamme volgde hem. Aan de haag van de lochting zocht Uilenspiegel eene opening om door te geraken, doch te vergeefs.
Als het meideken hem zoo bezig zag, gluurde zij nogmaals glimlachend tusschen heure vingeren.
Uilenspiegel wilde door de haag geraken, maar Lamme hield hem met alle geweld tegen en sprak:
--Ga daar niet binnen, 't is eene verklikster, in dienst van den Spanjaard: wij worden levend verbrand.
Toen wandelde het meisje rond in de lochting, met heur voorschoot over heur gezicht, doch keek door de gaatjes om te zien of heur nieuwe vriend nog niet kwam.
Uilenspiegel wilde met een forsigen wip over de haag springen, doch hij werd weerhouden door Lamme, die hem, bij zijn been grijpend, deed vallen en zeide:
--Koord, zweerd en galg, 't is eene verklikster, ga niet tot haar, zeg ik u.
Uilenspiegel verweerde zich zoo goed hij kon. Het meideken stak het hoofd over de haag en riep:
--Vaarwel, heer, dat de liefde Uwe Lankmoedigheid onderhoude.
En hij hoorde een spottenden schaterlach.
--Ha! sprak hij, in mijne ooren steekt dat als duizend speldeprikken!
Eene deur werd luidruchtig gesloten.
En hij was gansch weemoedig.
Lamme, die hem nog altoos vasthield, zeide tot hem:
--Met spijt denkt gij aan den verloren schat. Maar 't is eene verklikster, die u in heur spionnennet zou lokken. En gij merkt het niet: ik berst van lachen.
Uilenspiegel zei geen woord en de beide gezellen stegen weder op hunne ezelen.
XX.
Zij reden sprakeloos voort, schrijlings op hun grauwtje gezeten.
Lamme kauwde zijn laatsten maaltijd, terwijl hij blijgemoed met volle teugen de frissche lucht ademde.
Plotseling gaf Uilenspiegel hem eenen zweepslag over zijn achterste, dat met een band rond den zadel lag.
--Wat doet gij? riep Lamme jammerend uit.
--Wat? vroeg Uilenspiegel.
--Die zweepslag, zei Lamme.
--Welke zweepslag?
--Dien gij mij daar geeft, hervatte Lamme.
--Links? vroeg Uilenspiegel.
--Ja, links en op mijn achterste. Waarom deedt gij dat, schaamtelooze nietdeug?
--Uit onwetendheid, antwoordde Uilenspiegel. Ik weet heel goed wat een zweep is, en ook heel goed wat een achterste is, dat op eenen zadel gespannen zit. Nu, als ik het uwe, breed, gespannen over den zadel zag steken, zei ik in mijn zelven: Daar men met de vingeren er niet in kan nijpen, kan het koordeken van de zweep er ook niet op bijten. Ik was mis, ik beken het rechtuit.
Lamme glimlachte op die rede, en Uilenspiegel vervolgde:
--Maar ik ben de eenige niet op de wereld, die uit onwetendheid zondigt, en meer dan één dwaze meester, die zijn overtollig vet op den zadel eens ezels ten toon spreidt, zou mij daar lessen in geven. Als mijne zweep zich vergat ten opzichte van uw achterste, vergat gij u nog meer ten opzichte van mijne beenen, door hun te beletten achter het meisje te loopen, dat in de lochting mij zoo lodderlijk wenkte.
--Aas voor de raven, zei Lamme, 't was dus uit wraaklust?
--Een heel klein beetje, antwoordde Uilenspiegel.
XXI.
Nele leefde bedroefd en eenzaam te Damme bij Katelijne, die om den ijskouden duivel riep, maar dewelke niet kwam.
--Ach! zei ze, gij zijt rijk, Hansken, en zoudt mij de zevenhonderd karolussen kunnen terugbrengen. Soetkin zou op aarde terugkomen en Klaas zou tevreden zijn in het hemelrijk; gij moet ze teruggeven. Doe het vuur weg, de ziel wil er uit, maak een gat, mijn ziel wil er uit.
En gedurig wees zij met den vinger naar de plaats, waar het werk heur hoofd verbrand had.
Katelijne was nu zeer arm, doch de buren stonden haar bij met boonen, met brood en met vleesch, al naarvolgens hunne middelen. Ook de disch gaf heur wat geld. En Nele naaide voor de rijke poorteressen, ging uit strijken en verdiende aldus een gulden per week.
En Katelijne riep altoos:
--Maak een gat, laat mijne ziel er uit. Zij klopt om buiten te zijn. Hij zal de zevenhonderd karolussen teruggeven.
En weenend aanhoorde Nele heur waanzinnige reden.
XXII.
Doch Uilenspiegel en Lamme, met hunne reispassen op zak, trokken een kleine taveerne binnen, tegen de rotsen der Samber gebouwd, die op sommige plaatsen met boomen bedekt zijn. En boven de deur stond te lezen: Bij Marlaire.
Zij dronken menige bottel wijn van de Maas, bereid naar de wijze van Bourgondië, en aten veel waterzooi; daarna begonnen zij te praten met den baas, een eersten paapschgezinde, maar die gestadig heimelijk knipoogde, en babbelde als een ekster, ter oorzake van den wijn, dien hij gedronken had.
Uilenspiegel, die in de gaten had dat achter dat knipoogen iets schuilde, deed hem nog meer drinken, zoodat de weerd begon te dansen en te schaterlachen. Vervolgens kwam hij weer aan de tafel zitten en sprak:
--Goede katholieken, ik drink op uwe gezondheid!
--Op de uwe! antwoordden Lamme en Uilenspiegel. Op de uitroeiing van ketters en muitmakers!
En Lamme en Uilenspiegel vulden gestadig den beker, dien de weerd dadelijk weer leeg dronk.
--Gij zijt brave lieden, en ik drink op uwe gezondheid. Hoe meer ik drink, hoe grooter mijn winst is. Waar zijn uwe passen?
--Hier, antwoordde Uilenspiegel.
--Geteekend door den hertog, sprak de weerd. Ik drink op den hertog!
--Wij drinken op de gezondheid van den hertog, antwoordden Lamme en Uilenspiegel.
De weerd vervolgde:
--Waarmee vangt men ratten en muizen? Met vallen, niet waar? Wie is de muis? 't Is de groote Oranjeketter, die rood ziet als 't vuur van de hel. God is met ons. Zij komen weldra. He! He! laat ons drinken! Schenkt in; ik kook, ik brand. Laat ons drinken! Heel schoone gereformeerde predikantjes.... Ik herhaal predikantjes, dapper en sterk lijk eiken, onze kloeke soldaten.... Laat ons drinken! Gaat gij met hen mede naar 't kamp van den aartsketter? Reispassen heb ik, geteekend door hem.... Gij zult hen aan 't werk zien.
--Wij gaan mee naar het kamp!
Zij zullen er zich deugd doen, en 's nachts, als de gelegenheid gunstig is (en fluitend maakte de weerd het gebaar van een man, die een anderen keelt), zal Stalen Wind de meerle Nassau het schuifelen wel afleeren. Laat ons drinken, laat ons drinken!
--Gij zijt een vroolijke kwant, al zijt gij getrouwd, antwoordde Uilenspiegel.
De weerd sprak:
--Dat ben ik of was ik nooit. Ik bewaar de geheimen der vorsten. Laat ons drinken!--Had ik eene vrouw, zij zou ze mij ontstelen op 't oorkussen, om mij te doen hangen, en weduwe zijn vóór de Natuur het beliefde. Bij God! Zij komen.... Waar zijn de nieuwe reispassen? Op mijn christelijk hert. Laat ons drinken! Dáár zijn ze, op driehonderd stappen van hier, op den weg, nabij Marche-les-Dames. Ziet gij ze? Laat ons drinken!
--Drink, zeide Uilenspiegel, drink; ik drink op de gezondheid van den koning, van den hertog, van de predikanten, van Stalen Wind; op uwe gezondheid, op mijne gezondheid, op de gezondheid van den wijn en op de gezondheid van de bottels! Maar gij drinkt niet....
En op elken heildronk vulde Uilenspiegel het glas en ledigde de weerd het tot den bodem.
Uilenspiegel sloeg hem eene wijl gade; toen stond hij recht en sprak hij:
--Hij slaapt, laat ons gaan, Lamme.
En toen zij buiten waren, hernam hij:
--Hij heeft geene vrouw, die ons zal verraden.... De nacht gaat vallen.... Hebt gij gehoord wat de schoft gezegd heeft, en weet gij wie de drie predikanten zijn?
--Ja, sprak Lamme.
--Gij weet, dat zij van Marche-les-Dames komen langs den oever der Maas, en dat wij wèl zullen doen, hen op den weg af te wachten, vóór Stalen Wind blaast.
--Ja, zei Lamme.
--Wij moeten het leven des prinsen redden, sprak Uilenspiegel.
--Wij moeten, zei Lamme.
--Hier is mijn bus, sprak Uilenspiegel, ga er mee in het kreupelhout tusschen de rotsen; laad ze met twee kogels en schiet als ge mij lijk de raaf hoort krassen.
--Ik zal, zei Lamme.
En hij verdween in het kreupelhout. En Uilenspiegel hoorde weldra het gekraak van het rad van de bus.
--Ziet gij ze komen? vroeg hij.
--Ik zie ze, antwoordde Lamme. Zij zijn gedrieën en gaan als soldaten, en een hunner is een kop grooter dan de anderen.
Uilenspiegel zette zich neer op den weg, de beenen vooruit, paternosters te mompelen, lijk de bedelaars doen. En zijn hoedeken lag tusschen zijne knieën.
Als de drie predikanten voorbijkwamen, stak hij hun zijn hoedeken toe. Maar zij legden er niemendal in.
Uilenspiegel stond recht en zeide op erbarmelijken toon;
--Goede heeren, weigert geen oortje aan een armen werkman, die laatst in eene steengroef gevallen is en zich de ribben brak. Ze zijn hardvochtig in deze streek en ze hebben mij niets gegeven, om mijn ellende te lenigen. Laas! geeft mij een oortje en ik zal voor u bidden. En God zal uwe bermhertigheid hier op de aarde met vreugde beloonen.
--Mijn zoon, sprak een der predikanten, een sterke vent, voor ons geene vreugde op aarde, zoolang de Paus en de Inquisitie zullen heerschen.
Uilenspiegel zuchtte als hij, en sprak:
--Laas! wat zegt gij, mijne heeren? Spreekt stiller, als het u belieft. Maar geeft mij een oortje.
--Mijn zoon, antwoordde een kleine predikant met een strijdlustige tronie, wij, arme martelaren, hebben maar juist oortjes genoeg om onderwege onze nooddruft te koopen.
Uilenspiegel viel op de knieën.
--Zegent mij dan ten minste, sprak hij.
De drie predikanten strekten de hand uit over Uilenspiegels hoofd, maar zonder godsvertrouwen.
Doch daar hij merkte dat zij mager waren, en toch dikke buiken hadden, richtte hij zich op en gebaarde te vallen. En met het voorhoofd tegen den buik van den grooten predikant botsend, hoorde hij daarin het vroolijk gerinkel van geldstukken.
Toen sprong hij recht en, zijn kruismes trekkend, riep hij:
--Goede vaders, het is koel, ik ben dun gekleed, en gij hebt te veel. Geeft mij van uwe wol, dat ik er mij een mantel van make. Ik ben Geus! Leve de Geus!
De groote predikant antwoordde:
--Geus, gij draagt uwen kam te hoog; wij zullen hem kappen.
--Kappen! sprak Uilenspiegel; ik zeg u, dat Stalen Wind u, vóór den prins, zal omverblazen. Geus ben ik, leve de Geus!
De drie onthutste predikanten spraken:
--Hoe weet hij dat? Wij zijn verraden. Ter dood! Leve de misse!
En van onder hunne hooze trokken zij goed aangezette kruismessen uit.
Maar zonder hen af te wachten, week Uilenspiegel achteruit, langs het struikgewas, waarin Lamme verscholen zat.
Als hij oordeelde, dat de predikanten binnen het bereik van het schot waren, riep hij:
--Raven, zwarte raven, Looden Wind blaast! Ik zing uwen dood.
En hij kraste.
Een busschot kwam uit het struikgewas, smeet den grootsten predikant met zijn gezicht ter aarde. Een tweede schot velde den tweeden.
En Uilenspiegel ontwaarde tusschen het struikgewas de goede tronie van Lamme, en zijn opgeheven arm, die haastiglijk de bus opnieuw laadde.
Een blauwe rookwolk steeg op uit het donker struikgewas.
De derde predikant viel, als in razernij, op Uilenspiegel aan, die zeide:
--Stalen Wind of Looden Wind, ook gij verhuist naar de andere wereld!
En hij greep hem aan en hij stond dapper te weer.
Elkaar scherp in het oog houdend, stonden de beide vijanden pal op den weg, steken toebrengend en afwerend. Uilenspiegel was heel met bloed bedekt, want zijn tegenstander, behendig soldaat, had hem gekwetst aan hoofd en been. Maar hij vocht als een leeuw. Het bloed gutste uit zijn hoofd, en verblindde hem: toch weerde hij af, met groote achterweertsche passen. Met de linkerhand wischte hij zijn bloed af, maar zijne krachten verflauwden. Zeker ware hij gedood, hadde Lamme, met een derde schot, den predikant niet geveld.
En een vloek stierf op zijne lippen, terwijl hij bloed en doods-schuim braakte.
En opnieuw steeg een blauwe rookwolk uit het struikgewas, waartusschen Lamme weer zijne goede tronie zien liet.
--Is 't gedaan? vroeg hij.
--Ja, mijn vriend, antwoordde Uilenspiegel, maar kom....
Als Lamme te voorschijn kwam, zag hij Uilenspiegel gansch met bloed bedekt.
Ondanks zijnen buik, liep hij als een hert, en kwam bij Uilenspiegel, die nabij de gedoode mannen zat.
--Hij is gekwetst, mijn goede vriend, sprak hij, gekwetst door dien vuigen moordenaar!
En, met een schop, sloeg hij de tanden van een der predikanten stuk.
--Gij antwoordt niet, Uilenspiegel, hernam hij; gaat gij sterven? Waar is de balsem? Ha, in de weitasch, onder de worsten.
... Uilenspiegel, hoort gij mij niet? Laas, ik heb geen warm water om uwe wonden te wasschen, en er is geen middel om er te krijgen. Maar ik haal water uit de Samber. Spreek toch, mijn vriend. Gij zijt toch zóó erg niet gekwetst? Hier, een weinig koud water, niet waar? Ha, hij wordt wakker. Ik ben het, uw vriend; ze zijn allemaal dood. Linnen! linnen om zijne wonden te verbinden! Er is er geen. Ha! mijn hemd!
Lamme kleedde zich uit en vervolgde:
--Aan stukken, het hemd! Het bloed is gestelpt. Mijn vriend zal niet sterven.... 't Is koeltjes, zoo bloot in de vinnige lucht. Ik ga mij weer aankleeden. Hij zal niet sterven. Ik ben het, Uilenspiegel, ik, uw vriend Lamme. Hij glimlacht. Ik ga de moordenaars aftasten. Zij hebben guldens in hunnen buik. Ja, zij hebben gouden darmen: karolussen, daalders, lammeren, florijnen, oortjes en brieven! Wij zijn rijk! Meer dan driehonderd karolussen voor ons getweeën. Wij zullen de wapenen nemen en 't geld. Stalen Wind zal niet blazen voor den edelen prins!
Uilenspiegel klappertandde door de koude, en stond op.
--Daar zijt gij op de beenen! sprak Lamme.
--Door de kracht van den balsem, antwoordde Uilenspiegel.
--Balsem van dapperheid! zeide Lamme.
Vervolgens sleepte hij de lijken van de predikanten een voor een voort, en smeet ze in een hol, tusschen de rotsen, met hunne wapenen en hunne kleederen, behalve den mantel.
In de lucht fladderden de raven, krassend van ongeduldige vraatzucht.
En de Samber vloeide als een stalen stroom, onder den grauwen hemel.
En de sneeuw viel en wischte de bloedvlekken uit. Maar toch waren zij ongerust en bekommerd.
Lamme sprak:
--Ik dood liever een kieken dan een mensch.
En zij stegen weder op hunne ezels.
Aan de poorten van Hoei, bloedden de wonden nog altijd; de vrienden gebaarden daar twist te krijgen, stegen van hunne ezels en schermden met hunne kruismessen. Na het gevecht, dat zeer wreed in schijn was, stegen zij weder op hunne dieren en kwamen binnen de stede, nadat zij aan de poorten hunne reispassen hadden getoond.
Toen de vrouwen Uilenspiegel gekwetst en Lamme zegevierend op zijn ezel zagen, keken zij met teeder medelijden naar Uilenspiegel en dreigden zij Lamme met de vuist, zeggende:
--Dáár is de deugniet, die zijn vriend schier vermoordde.
Lamme, ongerust, keek of hij onder haar zijn vrouwtje niet vond.
Hij zocht te vergeefs, wat hem in een weemoedige stemming bracht.
XXIII.
--Waar gaan wij henen? vroeg Lamme.
--Naar Maastricht, antwoordde Uilenspiegel.
--Maar, mijn zoon, men zegt dat het leger des hertogen rond Maastricht samengebracht is en dat Alva zelf in die stede verblijft. Onze reispassen zullen niet voldoende zijn. En al hadden de Spaansche soldeniers er mede genoegen, wij zouden niettemin in de stad gehouden en ondervraagd worden. Ondertusschen zouden zij den moord van de predikanten vernemen en zouden wij aan het leven vaarwel mogen zeggen.
Uilenspiegel antwoordde:
--De raven, uilen en gieren zullen al het vleesch aftrekken, zoodat hun aangezicht onkennelijk zal geworden zijn. Wat onze passen betreft, die zouden wel goed zijn; maar als men den moord vernam, zouden wij gewis, zooals gij zegt, aangehouden worden. Daar wij te Maastricht wezen moeten, zullen wij over Landen trekken.
--Ze zullen ons ophangen, zei Lamme.
--We zullen er wel door geraken, antwoordde Uilenspiegel.
Aldus koutend kwamen zij in de afspanning de Ekster, waar zij goed eten, goede slaping en hooi voor hunne ezelen vonden.
's Anderen daags begaven zij zich op weg naar Landen.
Toen zij omtrent een groote hoeve, nabij de stad kwamen, floot Uilenspiegel als de Leeuwerik, en dadelijk antwoordde daarop, van binnen, een helder hanengekraai. Een cijnzenaar met een goedig gezicht verscheen op den drempel der hoeve. Hij riep hun toe:
--Vrienden, leve de Geus! komt binnen.
--Wie is dat? vroeg Lamme.
Uilenspiegel antwoordde:
--Thomas Utenhove, de dappere hervormde; de knechts en dienstmaagden zijner hoeve ijveren als hij voor het vrije geweten.
Utenhove sprak toen:
--Gij zijt zendelingen des prinsen. Eet en drinkt.
En de hesp siste in de pan en de worsten insgelijks; en de wijn werd opgebracht en de glazen gevuld. En Lamme dronk als een tempelier en liet zich de spijzen goed smaken.
De knechts en meiden van de hoeve kwamen beurtelings voor de halfgeopende deur kijken, om hem met de tanden te zien werken. En de mannen zeiden, begeerig, dat zij wel zooveel zouden eten als hij.
Op het einde van den maaltijd, sprak Thomas Utenhove: