De legende en de heldhaftige, vroolijke en roemrijke daden van Uilenspiegel en Lamme Goedzak in Vlaanderenland en elders

Part 18

Chapter 18 3,909 words Public domain Markdown

Uilenspiegel kwam eens, in de Oogstmaand, op den Vlaamschen steenweg, te Brussel, voorbij de woning van Jan Sapermillemente, aldus genoemd omdat zijn grootvader, als hij kwaad was, met dien uitroep placht te vloeken, om den zeer heiligen naam Gods niet te lasteren noch ijdelijk te gebruiken. Gemelde Sapermillemente was meester-borduurder; doch daar hij zich blind en doof gedronken had, borduurde zijne vrouw--een oud wijf met een bitsige tronie--de kleederen, wambuizen, mantels en schoenen der heeren. Hare bevallige dochter was haar behulpzaam in dien goedbetaalden arbeid.

Toen Uilenspiegel bij het vallen van den avond voorbij hunne woning ging, zag hij het meideken aan 't venster en hoorde hij heur neuren:

Oogst, oogst, Zeg mij, zoete maand, Wie neemt er mij als vrouw; Zeg mij, zoete maand?

--Ik, zei Uilenspiegel, als gij wilt.

--Wie, ik? vroeg zij. Kom nader, dat ik u zie.

Doch Uilenspiegel vroeg:

--Hoe komt het, dat gij in Oogstmaand roept hetgeen de Brabantsche meidekens plegen te roepen in den vooravond van Lentemaand?

--Omdat zij maar ééne maand hebben die een man geeft, en ik er twaalf heb. Op den vooravond van elke maand, niet te middernacht, doch zes uren lang tot middernacht, spring ik uit mijn bed, ga ik drie stappen achterweerts naar het venster en zing ik het liedeken; vervolgens keer ik terug naar mijn bed, met drie stappen achterweerts, en te middernacht ga ik slapen om te droomen van den mij bestemden echtgenoot. Maar de maanden zijn spotters van nature, en 't is niet van één man dat ik droom, maar van twaalf te gelijk; gij zijt de dertiende, zoo gij lust hebt.

--De andere zouden jaloersch zijn, antwoordde Uilenspiegel. Gij ook roept: "Verlossing!"

Het meideken bloosde en sprak:

--Ik roep om verlossing en weet wat ik vraag.

--Ik weet het insgelijks en breng het u mede, antwoordde Uilenspiegel.

--Gij moet wachten, zeide zij glimlachend en daarbij liet zij heure schoone tanden zien.

Wachten, sprak Uilenspiegel, neen. Een huis kan op mijn hoofd vallen, de wind mij in eene beek smijten, een dolle hond in mijn been bijten; neen, wachten doe ik niet.

--Ik ben nog te jong, sprak ze, en roep maar naar het aloud gebruik.

Uilenspiegel werd achterdochtig, als hij er aan dacht, dat het op Maartavond en geenszins in de Oogstmaand was, dat de Brabantsche meidekens naar een man riepen.

Glimlachend herhaalde zij:

--Ik ben nog te jong en roep maar naar het aloud gebruik.

--Gaat gij wachten totdat gij te oud zijt? 't Ware jammer! Nog nooit zag ik zoo'n ronden hals, zoo'n blanken boezem, een Vlaamschen boezem vol goede melk, die kloeke mannen maakt.

--Vol? sprak zij, nog niet; gij zijt er rap bij, gij!

--Wachten? herhaalde Uilenspiegel; totdat ik geene tanden meer heb om u levend op te eten, liefste? Gij antwoordt niet en glimlacht met uw lichtbruine oogen en uwe lippen als kersen zoo rood!

Het meisje bezag hem met een onderzoekenden blik en antwoordde:

--Van waar komt al die liefde in eens? Wat doet gij? Zijt gij een bedelaar, of zijt gij rijk?

--Bedelaar ben ik, sprak hij, en rijk al te gader, als gij mij toehoort, liefste.

Zij antwoordde:

--Dat is 't niet wat ik wil weten. Gaat gij naar de misse? Zijt gij goed Christene? Zoudt gij durven zeggen, dat gij een bedelaar, een echte bedelaar, een geus zijt, die opstaat tegen de plakkaten en tegen de inquisitie?

De assche van Klaas klopte op Uilenspiegel's borst.

--Ik ben geus, sprak hij, dood en opgevreten door de wormen wil ik de verdrukkers onzer Nederlanden zien! Gij beziet mij, liefste. Dat liefdevuur, dat voor u brandt, is het vuur van de jeugd. God stak het aan, het brandt lijk de zonne gloort, totdat het uitdoove. Doch God stak ook het vuur aan der wrake, dat smeult in mijn hert. Het zal wezen het zweerd, het vuur, de koorde, de brand, de verwoesting, de oorlog en de val van de beulen!

--Gij zijt schoon, zegde zij treurig, hem op beide wangen kussend; maar zwijg toch.

--Waarom weent gij? vroeg hij.

--Gij moet altijd zien waar gij zijt, sprak zij, hier en ook elders.

--Hebben de muren dan ooren? vroeg Uilenspiegel.

--Zij hebben alleen de mijne, sprak zij.

--Met een kus zal ik ze geerne sluiten.

--Gekke vriend, luister toch als ik spreek.

--Waarom? wat hebt gij te zeggen?

--Luister, sprak zij met ongeduld. Daar is mijne moeder.... Zwijg, zwijg vooral in heur bijzijn....

De oude Sapermillemente kwam binnen. Uilenspiegel bezag heur en sprak in zich zelven:

--Gezicht als eene schuimspaan, oogen met harden en valschen blik, mond die wil lachen en slechts grijnzen kan, gij maakt mij nieuwsgierig.

--God zij met u, heer, standvastig met u, sprak de oude. Ik heb geld ontvangen, meisje, schoon geld van den grave van Egmond, als ik hem zijn opperste kleed bracht, op hetwelk ik den narrenstok geborduurd heb. Ja, heer, een narrenstok, tegen den Rooden Hond.

--Kardinaal Granvelle? vroeg Uilenspiegel.

--Ja, sprak zij, tegen den Rooden Hond. Men zegt, dat hij den koning hunne praktijken overbrieft; zij willen hem van kant maken. Zij hebben gelijk, niet waar, heer?

Uilenspiegel antwoordde niet.

--Hebt gij ze niet gezien in de straten, gekleed met hun wambuis en hun grijs opperste kleed, gelijk het gemeen draagt, met hunne lange, hangende mouwen, met kalbasfleschjes en nopjes om den hals? Op al de opperste kleederen staat de narrenstok geborduurd. Ik heb er wel zeven en twintig gemaakt en mijne dochter voor 't minst vijftien. Als de Roode Hond die narrenstokken ziet, is hij grammoedig.

Vervolgens zeide zij stille tot Uilenspiegel:

--Ik weet, dat de heeren besloten hebben den narrenstok te vervangen door eene korenschoof, tot teeken van eendracht. Ja, ja, zij gaan strijden tegen den koning en tegen de inquisitie. Zij hebben gelijk, niet waar, heer?

Uilenspiegel antwoordde niet.

--De vreemde heer is droefgeestig, zei de oude; hij houdt den bek toe.

Uilenspiegel zeide geen woord en ging buiten.

Hij trok een taveerne binnen om het drinken niet te verleeren. De taveerne was vol drinkers, die zich onvoorzichtig uitlieten over den koning, de gehate plakkaten, de inquisitie en den Rooden Hond, dien men het land moest uitjagen. Daar zag hij de oude, in lompen gehuld, die gebaarde te slapen naast een kapperken brandewijn. Aldus bleef ze langen tijd zitten; eindelijk trok zij een schaaltje uit den zak; hij zag heur bedelen in de groepen, en vooral vragen aan degenen, die zich 't onvoorzichtigst hadden uitgelaten.

En een iegenlijk gaf heur gereedelijk een gulden, een denier of een oortje.

In de hoop van het meisje te weten wat de oude Sapermillemente hem verborg, ging Uilenspiegel opnieuw voorbij de woning; het meideken riep nu niet meer, doch lachte hem, knipoogend, liefelijk toe.

Doch de oude kwam plotseling achter hem binnen.

Grammoedig heur te zien, liep Uilenspiegel als een hert de straat op, al roepend "'t brandt! 't brandt!" totdat hij kwam vóór het huis van Jacob Pietersen, den bakker. De ondergaande zonne weerkaatste gloeiend rood in de vensteren van zijnen winkel, en een dikke rook van brandende takkebossen steeg op uit den schoorsteen. Uilenspiegel liep voort, al roepend: "'t brandt! 't brandt!" En met den vinger wees hij naar 't huis van Pietersen. De menigte schoolde samen, zag den rooden gloed en den dikken rook, en riep lijk Uilenspiegel: 't brandt! 't brandt! De waker der Katelijnekerk blies op zijne trompet, terwijl de koster uit al zijne macht de wacharmklok luidde. En de knapen en meidekens kwamen, zingend en fluitend, met hoopen toegesneld.

Daar de klok altoos luidde en de trompet altoos schalde, toog de oude Sapermillemente er eindelijk ook henen.

Uilenspiegel hield ze van verre in 't oog. Toen zij weg was, ging hij binnen.

--Gij, hier! sprak het meideken, brandt het dan niet?

--Neen, neen, antwoordde Uilenspiegel.

--Maar die klok, die zoo jammerlijk klept?

--Zij weet niet wat zij doet, antwoordde Uilenspiegel.

--En de trompet, en dat volk dat zoo loopt?

--Ons Heer moet zijn getal hebben.

--Waar brandt het dan toch? vroeg zij.

--In mijn hert, antwoordde Uilenspiegel.

En hij vloog naar heuren mond.

--Gij bijt mij, sprak zij.

--Ik eet geerne kersen, zegde hij.

Droef glimlachend keek zij hem aan. En schreiend sprak zij tot hem:

--Zet geen voet meer hier in huis. Gij zijt een geus, een vijand des Pausen, zet hier geen voet meer.

--Uwe moeder? sprak hij.

--Ja, zegde zij blozend. Weet gij waar ze nu is? Daar waar het brandt, om te luisteren wat er gezegd wordt. En fluks gaat zij bij den Rooden Hond, hem alles overdragen en het beulswerk voorbereiden. Vlucht, Uilenspiegel, ik red u, vlucht. Nog een kus, doch kom nooit meer terug; nog één, gij zijt schoon, maar vertrek!

--Braaf meideken, sprak Uilenspiegel, heur in de armen drukkend.

--Dat was ik niet altijd, zegde zij. Ik deed lijk zij.

Hoe sprak hij, dat liedeken, die zoete oproep tot de verliefde mannen?

--Ja, zegde zij. Moeder wilde het, u red ik, omdat ik u uit liefde beminne. De anderen zal ik redden te uwer gedenkenis, mijn geliefde. Zal uw hert nog denken aan het boetveerdige meideken, als gij verre van hier zijt? Geef mij een kus. Voor geld zal zij geene slachtofferen naar de galge meer sturen. Ga heen; neen, blijf nog. Hoe zacht is uwe hand! Zie, ik kus uwe hand, tot teeken van onderdanigheid; gij zijt mijn heer, mijn meester. Luister, dichtbij, en zwijg. Dezen nacht zijn rabauwen en diepers en ander slecht volk, waaronder een Italiaan, de een na den ander hier geweest in ons huis. Moeder deed ze in deze kamer komen, stak mij buiten, en sloot de deur achter mij. Ik hoorde echter deze woorden: "Steenen kruisbeeld, Borgerhoutsche poort, ommegang, Antwerpen, Lieve-Vrouwekerk", een onderdrukt gelach en guldens, die op tafel geteld werden.... Vlucht, daar komt ze; vlucht, mijn welbeminde. Denk soms aan mij; vlucht....

Uilenspiegel liep zooals zij zeide tot in den Ouden Haan, en daar vond hij Lamme weemoedig zitten met eene worst in de hand en zijn zevende pint Peeterman vóór zich op de tafel.

En, in weerwil van zijn dikken buik, deed hij hem loopen als hij.

IX.

Terwijl hij aldus, gevolgd door Lamme, het op een drafje zette, vond hij in de Eikstraat een kwaadwillig paskwil tegen Brederode. Hij ging het hem onmiddellijk overhandigen.

--Ik ben, Heere, sprak hij, die goede Vlaming en die spion van den koning, dien gij zoo goed bij de ooren trokt en zulken goeden wijn te drinken gaaft. Ik breng u een lieftallig schriftje, in hetwelk men u onder anderen beschuldigt, den titel van grave van Holland te nemen, die den koning behoort. Het is versch geprent door Jan Lastermans, wonende op de Schavuitenkaai, omtrent de Eerrooversgang.

Glimlachend antwoordde Brederode:

--Ik laat u twee uren lang geeselen, als ge mij den echten naam van den schrijver niet zegt.

--Heer, antwoordde Uilenspiegel, gij moogt mij twee jaar lang doen geeselen als gij wilt, maar wat mijn mond niet weet, zult gij mijnen rug niet doen zeggen.

En hij ging henen met een gulden voor zijne moeite.

X.

Sedert de Zomermaand, de maand van rozen, was men in Vlaanderen aan 't preeken.

En de apostelen der eerste kerstene Kerk preekten overal, op alle plaatsen, in 't groen en in de hovingen, op de heuvelen waar men bij overstrooming de beesten in veiligheid bracht, op de rivieren, in booten.

Te land verschansten zij zich als in een kamp, door middel van karren. Op de rivieren en in de reeden hielden schuiten vol gewapende mannen de wacht rondom hen.

En rond de verschansingen stonden boogschutters en pijkeniers, om hen te behoeden voor eene verrassing des vijands.

En aldus weerklonk allerwegen het woord der vrijheid op den bodem der vaderen.

XI.

Uilenspiegel en Lamme waren te Brugge, en ze lieten hunne kar in een beluik, om Sint-Salvatorskerk binnen te gaan; zij waren liever naar de taveerne gegaan, doch hunne tassche liet geen blijd gerinkel van geld meer hooren.

Pater Cornelis Adriaensen, minderbroeder, een vuile, woedende, blaffende en schaamtelooze prediker, speelde dien dag zijne perten in den kansel der waarheid.

Jong en poezele kwezelkens verdrongen zich rond hem.

Pater Cornelis sprak over de Passie. Gekomen ter plaatse van de Heilige Schrift, waar de Joden, naar Jezus wijzend, tot Pilatus schreeuwden: "Aan het kruis, aan het kruis met hem, want wij hebben eene wet en, volgens die wet, moet hij sterven!" riep broeder Cornelis uit:

"Gij hoort het, goede lieden, als Ons-Heer Jezus Christus een gruwelijken en schandelijken dood is gestorven, is het omdat er tegen de ketters altijd wetten bestonden. Hij werd te recht veroordeeld, omdat hij de wet had geschonden. En nu willen ze de edicten en plakkaten als nietig aanzien. Ha! Jezus, welke vermaledijding wilt gij over deze landen doen vallen! Allerheiligste Moeder Gods, was keizer Karel nog in leven en kon hij het schandaal zien van die verbonden edelen, die zoo stoutmoedig waren de landvoogdes een vertoogschrift aan te bieden tegen de inquisitie en tegen de plakkaten, die met het beste inzicht gemaakt, na zoo langdurige en voorzichtige overwegingen opgesteld en uitgevaardigd zijn tot uitroeiing van alle sekten en ketterijen! En nu ze dat meer van noode zijn dan brood en dan kaas, willen zij ze vernielen! In welken smerigen, stinkenden, afgrond wil men ons lokken? Luther, die razende os, zegepraalt in Saksen, in Brunswijk, in Luneburg, in Mecklenburg; Brentius, de vuile Brentius, die in Duitschland van eikelen leefde die de verkens versmaadden, Brentius zegepraalt in Wurtenberg; Servet, de waanzinnige Servet, die een kwartier van de maan in zijn hoofd heeft, zegepraalt in Pommeren, in Denemarken en in Zweden, en daar vermeet hij zich de heilige, glorierijke en almachtige Drievuldigheid te lasteren. Ja. Maar men heeft mij gezegd, dat hij levend verbrand werd door Calvijn, die eindelijk dan toch iets gedaan heeft dat deugt; ja, door den stinkenden Calvijn, die zuur riekt; ja, met zijnen snuit zoo lang als die van eenen otter; met zijnen kaaskop, met zijn groote tanden, die op de tanden eener egge gelijken. Ja, die wolven verslinden elkander; ja, die os van een Luther, de razende os, wapende de prinsen van Duitschland tegen den wederdooper Munzer, die een snul was, naar men zegt, en leefde volgens de Heilige Schrift. En heel Duitschland door, hoorde men 't geloei van dien os, ja, heel Duitschland door!

"Ja, en wat ziet men in Vlaanderen, in Gelderland, in Friesland, in Holland, in Zeeland? Adamieten, die naakt door de straten loopen, ja, goede lieden, naakt door de straten, en schaamteloos hun mager lichaam aan de menschen toonen. Er was er maar één, zult ge zeggen;--ja, 't kan zijn--maar één is honderd, en honderd zijn één. En werd hij verbrand, vraagt ge? hij werd levend verbrand op het aanzoek van Calvinisten en Lutheranen. Die wolven verslinden elkander, zeg ik u!

"Ja, wat ziet men in Vlaanderen, in Gelderland, in Friesland, in Holland, in Zeeland? Wederdoopers, vrijheidsapostelen, die leeren dat alle dienstbaarheid strijdig is met het woord Gods. Zij liegen, die stinkende ketteren; wij moeten ons onderwerpen aan onze Heilige Moeder, de Roomsche Kerke. En daar, in die verdoemde stad Antwerpen, waar al het kettergespuis van de wereld bijeenkomt, dorsten zij preeken, dat wij onze hostiën met hondenvet bakken! Een ander durft zeggen: 't is die geus, die op dien waterpot zit, op den hoek van de straat: "Er is geen God, geen eeuwig leven, geene verrijzenis des vleesches, geen eeuwige verdoemenis". "Men mag, zegt die andere ginder, men mag doopen zonder zout, zonder vet, zonder speeksel, zonder duivelbezwering en zonder keerse". "Er is geen vagevier", zegt een ander. Geen vagevier, goede lieden! Zaliger voor u goede lieden, ware het van te zondigen met uwe moeder, uwe zuster, uwe dochter, dan een oogenblik te twijfelen aan 't bestaan van het vagevier!

"Ja, en zij lachten met den inquisiteur, den heiligen man, ja. Ze zijn hieromtrent, te Bellem, geweest met vier duizend Calvinisten, gewapende mannen, met trommels en vaandels. Ja. En van hier riekt gij den stank hunner keuken. Zij hebben Sinte-Katelijnekerk genomen om ze te onteeren, te ontwijden, te ontheiligen met hunne vermaledijde predikatiën.

"Is die verdraagzaamheid niet goddeloos en niet schandalig? Bij de duizenden duivelen uit de helle, waarom steekt gij ook de handen niet uit naar de wapenen, weekhertige katholieken? Als dat calvinistengebroed, hebt gij ook harnassen, lansen, hellebaarden, zweerden, kruismessen, alsmede de falkonetten, bussen, slangen en serpenten van de gemeente.

"Zij zijn vreedzaam, zult gij zeggen; zij willen, in volle rust en vrede, Gods woord aanhooren. 't Is eender. Trekt de stad uit! verjaagt mij, doodt mij, smijt mij al die Calvinisten uit den Tempel! Zijt gij nog niet weg! Foei, gij zijt precies lijk verschrikte hennen, die op eenen mesthoop staan te beven! Ik zie het oogenblik aankomen, op hetwelk die verdoemde Calvinisten op den buik uwer vrouwen en dochteren zullen trommelen en gij zult ze laten begaan, weekelingen van mannen die gij zijt. Gaat niet naar Bellem, blijft hier, gij zoudt uwe kousen verslijten. Foei, Bruggelingen! foei, katholieken! Schande over u, eenden, ganzen en kalkoenen die gij zijt!

"Dat moeten schoone predikantjes zijn, daar gij met hoopen luisteren gaat naar de leugenen, die zij uitbraken en daar de meidekens des nachts naar hunne sermoenen trekken, zoodat de stad binnen negen maanden vol kleine geuskens en geuzinnekens zal steken? Zij waren daar gevieren, vier truwanten, die preekten op 't kerkhof. De eerste bleek en mager, die leelijke broeksch..., had een vuilen hoed op zijn hoofd, met denwelken hij zijne ooren verborg. Heeft iemand van u ooit de ooren van eenen predikant gezien? Hij had geen hemd aan, want zijne armen staken bloot uit zijn wambuis. Gij kondt door zijn broek kijken, als door den St.-Jacobstoren van Antwerpen. De andere schelm had geen schoenen aan zijne voeten. Niemand heeft zijne ooren gezien. En hij bleef steken in zijne predikanterij, en de knapen en meidekens jouwden hem uiten riepen: "Ahoe! ahoe! hij kent zijne les niet." De derde had een vuilen, leelijken hoed op, met een pluimken op zij. Ook zijne ooren kon men niet zien. De vierde, een beetje beter gekleed dan de anderen, moet door den beul tweemaal gebrandmerkt zijn, ja!

"Onder hunnen hoed dragen zij allen vettige, zijden hoofddeksels, die hunne ooren verbergen. Hebt gij ooit de ooren van een predikant gezien? Ooren! ha! ja, hunne ooren toonen; de beul is er mee weg: zij zijn allen gekortoord!

"En nochtans is 't rond die schelmen, rond die diepers, rond die schoenlappers die hunnen spanriem ontliepen, rond die luizige predikanten, dat die van 't gemeen riepen: "Leve de geus!" alsof zij allen razend, zat of zot waren.

"Ha! ons, arme Roomsch-Katholieken, blijft anders niets over dan de Nederlanden te verlaten, vermits men er den kreet: "Leve de geus! Leve de geus!" laat uitbraken! Welke steen van vermaledijding is dan toch op dat stompzinnig, betooverd volk gevallen? Ha! Jezus! overal zijn rijken en armen, edelen en onedelen, ouden en jongen, mannen en vrouwen aan 't roepen: "Leve de geus!"

"En wat zijn al die heeren, al die kaalkoppen, die ons uit Duitschland overgewaaid zijn? Heel hunne have hebben zij in ontucht opgegeten met de wijven, met den drank, met het spel. Zij hebben zelfs geen verroesten nagel meer om te krabben daar waar het jeukt. En nu eischen zij het goed van kerken en kloosters!

"En daar, in hun gastmaal, bij dien truwant van Kuilenburg, met dien anderen drinkebroer Brederode, hebben zij uit houten napjes gedronken, uit minachting voor den heere van Berlaymont en mevrouwe de landvoogdes. Ja, en zij hebben geroepen: "Leve de geus!" Ha! ware ik in de plaats van den goeden God geweest, ik hadde hun drinken, bier of wijn, veranderd in vuil, walgelijk schotelwater, ja, in vuile, stinkende loog, waarin zij hunne vuile hemden en drekkige lakens hadden kunnen wasschen.

"Ja, tiert, ezels die gij zijt, brult: "Leve de geus!" Ja, tiert maar op, doch ik ben profeet. En al de verwenschingen, rampen, koortsen, pesten, branden, verwoestingen, kankers, Engelsche zweetkoortsen en zwarte pesten zullen over de Nederlanden vallen. Ja, en aldus zal God gewroken worden over uw vuil getier van "Leve de geus!" En er blijft geen steen uwer huizen over of geen splinter van uw verdoemde beenen, die zoo haastig naar die vervloekte Calvinisterij en predikanterij liepen. Het zij zoo! Amen!

--Laat ons gaan, sprak Uilenspiegel tot Lamme.

--Dadelijk, sprak Lamme.

En hij zocht onder de jonge en schoone kwezelkens, die naar het sermoen geluisterd hadden; maar zijne vrouw vond hij niet.

XII.

Uilenspiegel en Lamme kwamen aan het Minnewater, hetwelk de groote doctoren en wijsneuzige wijsgeeren halsstarrig doen afstammen van Minrewater of Minderbroederswater.

Zij bleven op den oever staan en zij zagen vrouwen, meidekens en knapen, arm in arm, met bloemen getooid, die malkander teederlijk in de oogen bezagen en dicht tegen elkander gedrongen gingen.

Als Uilenspiegel hen zag, dacht hij aan Nele. En bij die weemoedige herinnering, sprak hij treurig tot Lamme:

--Lamme, laat ons iets drinken.

Maar Lamme hoorde niet wat Uilenspiegel zegde; droefgeestig bezag hij de verliefde paartjes.

--Weleer gingen wij ook aldus, arm in arm, mijne vrouw en ik, tot groote afgunst van hen, die in alleenigheid, zonder geliefde levend, nijdig ons nakeken.

--Kom, sprak Uilenspiegel, de Zeven vinden wij misschien op den bodem eener pinte.

--Dat is drinkebroerspraat, antwoordde Lamme; de Zeven, dat weet gij wel, zijn reuzen, die onder 't groot gewelf van Sint-Salvatorskerk niet kunnen recht staan.

Uilenspiegel dacht treurig aan Nele. Ook dacht hij, dat hij misschien in eene of andere afspanning een goed maal, een goed onderkomen en een lieftallige bazinne zou vinden; hij sprak nogmaals:

--Laat ons iets drinken!

Maar Lamme luisterde niet en sprak, naar Onze-Lieve-Vrouwetoren kijkend:

--Heilige Maria, patronesse der geoorloofde minne, verleen mij de gunst, heur blanken boesem weder te zien,

--Kom mede, sprak Uilenspiegel, heur blanke boezem troont in de eene of andere taveerne.

--Hoe durft gij dat zeggen? sprak Lamme.

--Wel zeker, sprak Uilenspiegel, ze moet ergens weerdinne zijn.

--Dronkemansuitvluchten, sprak Lamme.

Uilenspiegel vervolgde:

--Wellicht bewaart zij voor de arme zwervers een schotel gestoofd ossevleesch, niet te vet, niet te droog, malsch lijk rozeblaadjes, zwemmend tusschen menigvuldige kruidnagelen, notemuskaat, hanekammetjes, kalfszwezerikken en andere hemelsche lekkernijen.

--Deugniet! sprak Lamme, gij wilt mij zeker doen sterven. Weet gij dan niet, dat wij sedert twee dagen van droog brood en klein bier leven?

--Dat is praat van een gulzigaard, antwoordde Uilenspiegel. Gij schreeuwt van honger; kom eten en drinken. Ik heb een halven gulden en zal de kosten van 't gelag betalen.

Lamme lachte. Zij gingen hunne kar halen en, aldus door de stad rijdend, zochten zij naar de beste afspanning. Doch zij trokken er vele voorbij, als zij de zure gezichten van den baas of de bazinne zagen, weinig aantrekkelijk uithangsbord voor een gezellige keuken.

Zij kwamen op de Zaterdagsmarkt en gingen het gasthof, de Blauwe Lanteern binnen. Daar zag de weerd er vriendelijker uit.

Zij deden uitspannen en den ezel op stal zetten, in gezelschap van een maatje haver. Zij lieten zich een keurig avondmaal opdienen, aten hunne bekomst, sliepen als dassen en stonden 's morgens op, om nog te eten. Lamme schitterde van genoegen en sprak:

--In mijne maag hoor ik een hemelsche muziek.

Als 't oogenblik van betalen gekomen was, ging de weerd bij Lamme en sprak hij:

--'t Is tien oortjes.

--Hij heeft ze, zei Lamme, naar Uilenspiegel wijzend, die antwoordde:

--Ik heb ze niet.

--En de halve gulden?

--Ik heb er geen, sprak Uilenspiegel.

--'t Is gemakkelijk gezegd, sprak de baas; dan zal ik u uw wambuis en hemd uittrekken.

Lamme, dien de drank moedig maakte, stond recht en riep uit: