# De legende en de heldhaftige, vroolijke en roemrijke daden van Uilenspiegel en Lamme Goedzak in Vlaanderenland en elders

## Part 17

Book page: https://www.cyberlibrary.org/nl/books/de-legende-en-de-heldhaftige-vroolijke-en-roemrijke-daden-van-u-f68b730a/index.md

--Weet ik het? hernam Lamme Goedzak. Waar is de tijd, als ik ten narent kwam om heure hand te vragen, en zij vluchtte,--uit vreeze en uit liefde? Als heure armen bloot waren, schoone, ronde, en blanke armen, sloeg zij plotseling heure mouwen neer als zij zag, dat ik er naar keek. Andere malen mocht ik heur zoenen, en 'k kuste heure schoone oogen, die zij dicht hield van zalig genot; dan trilde zij en slaakte kleine kreten, of boog heur hoofd achterover en gaf er mij een stoot op den neus mee. En zij lachte als ik riep: Ai! en ik gaf haar dan kleine duwtjes, want tusschen ons was niets anders dan gestoei en gejoel.--Thijl, is er nog wijn in die bottel?

--Ja, sprak Uilenspiegel.

Lamme dronk en ging voort:

--Andere reizen viel ze vol minne rond mijnen hals en zei: gij zijt schoon! En honderd maal kuste ze mij op de kaken of op 't voorhoofd, maar nooit op den mond. En als ik vroeg waarom, antwoordde zij blozend, dat moeder heur vroeger dikwijls gewaarschuwd had dat dit voor meidekens gevaarlijk is. Ha! zoete oogenblikken, zalige tijd!--Thijl, zie eens of gij soms een hammetje vindt in de weitasch?

--Een half, antwoordde Uilenspiegel.

Uilenspiegel gaf het hem en Lamme at het heel op.

--Dat hammetje deed mij deugd, sprak Uilenspiegel, als Lamme gedaan had.

--Mij ook, sprak deze. Maar nooit zal ik mijn liefste terugzien, zij is weggeloopen uit Damme. Rijdt gij mede om ze te zoeken?

--Ik wil wel, antwoordde Uilenspiegel.

--Maar, sprak Lamme, is er niets meer in de bottel?

--Geen droppel, antwoordde Uilenspiegel.

En zij stegen in de kar, getrokken door grauwtje, dat weemoedig balkte om het vertrek aan te kondigen.

Maar de hond was--als hij goed zijne bekomst had--er stillekens van door gegaan.

II.

De kar reed op den dijk, tusschen eenen vijver en eene vaart, en droomerig drukte Uilenspiegel de assche van Klaas tegen zijne borst. Hij vroeg zich af of het visioen leugen of waarheid was, of die geesten met hem den spot gedreven hadden, of wel hem op raadselachtige wijze gezegd hadden wat hij doen moest om 't land zijner vaderen gelukkig te maken.

En te vergeefs trachtte hij te vatten, wat de Zeven en de Gordel bediedden.

Aan den dooden keizer, den levenden koning, de landvoogden, den paus van Rome, den groot-inquisiteur, den generaal der jezuïeten denkend, vond hij in hen zes groote beulen, die hij onverwijld levend had willen verbranden. Maar hij dacht, dat er van hen geen sprake was, dat zij zelven te geerne anderen brandden, dat hij elders moest zoeken.

En gedurig herhaalde hij in zich zelven:

Raakt het Noorden Kussend het Westen Rampspoed is uit. Vind de Zeven En den Gordel.

--Laas, sprak hij, in dood, bloed en puinen, Zeven vinden, Zeven branden, Zeven minnen! Mijn arme geest wordt gefolterd, want wie dan verbrandt zijne minne?

De kar had reeds een eind wegs afgelegd; zij hoorden een gekraak van stappen in het zand en eene stemme, die zong:

Gij, die voorbij trekt, zaagt ge wel Mijn vriend, mijn vrijer, snaaksch en snel? Hij zwerft nu hierent en darent. Zaagt ge hem wel?

Gelijk op een lam een arent, Viel hij op een hartken fel. Baardloos, een man als niemendel. Zaagt ge hem wel?

Ontmoet gij hem, zeg dat Nele Vermoeid is van te gaan zoo snel. Waar toeft ge lieve Thijl, vertel: Zaagt ge hem wel?

Een tortel in den abeele Treurt om haar verloren gezel. Alzoo menig trouwe gespele. Zaagt ge hem wel?

Uilenspiegel klopte op Lamme's buik en zei:

--Houd uwen adem in, dikzak.

--Laas, antwoordde Lamme, 't is lastig voor iemand, die zoo dik is.

Doch Uilenspiegel liet hem praten; hij verborg zich achter de huif van de kar, en de stemme nabootsend van een die bedronken is, neurde hij:

Uw vriend en vrijer zag ik wel Op een kar van 't oud model, Met een papzak voor gezel, Zag ik hem wel!

--Thijl, zei Lamme, ge zingt leelijk dezen morgen.

Zonder naar hem te luisteren, stak Uilenspiegel het hoofd door een gat van de huif.

--Nele, herkent gij mij? riep hij.

Verschrikt, weenend en lachend te gelijk, want heure kaken waren nat, sprak zij:

--Ik zie u, leelijke deugniet!

--Nele, sprak Uilenspiegel, als ge mij wilt slaan, heb ik thuis eenen stok. Hij slaat goed, en laat merkteekenen na, want hij is zwaar en knoestig.

--Thijl, vroeg Nele, gaat gij naar de Zeven?

Ja, antwoordde Uilenspiegel.

Nele droeg eene weitasch, die proppensvol stak. Zij langde die aan Uilenspiegel en sprak:

--Thijl, ik heb gedacht dat het voor een man ongezond is van op reis te gaan, zonder een goede vette gans, een hesp en wat Gentsche worsten bij zich. En dit moet gij eten te mijner gedenkenis.

Daar Uilenspiegel Nele bezag en er geenszins aan dacht de weitasch te nemen, stak Lamme het hoofd door een ander gat van de huif en sprak:

--Meideken vol voorzienigheid, als hij niet aanpakt, is 't uit verlegenheid. Maar geef mij die hesp, die gans en die worsten: ik zal ze bewaren voor hem en ze beschermen.

--Welk een tronie is mij dat? vroeg Nele.

't Is, sprak Uilenspiegel, een slachtoffer van het huwelijk, die met het herte vol wee, zou uitdrogen lijk een stoksken, zoo hij zich niet stevig hield door dag en nacht te eten en te drinken.

--Zoo is het, mijn zoon, zuchtte Lamme.

De heldere zon drukte loodzwaar op Nele's hoofd. Zij dekte zich met haar voorschoot. Daar Uilenspiegel met heur alleen wilde zijn, zei hij tot Lamme:

--Ziet gij ginder die vrouw in de meersch?

--Ja, zei Lamme.

--Herkent gij ze niet?

--Daar? vroeg Lamme, zou het de mijne zijn? Zij is niet gekleed als een poorteresse.

--Twijfelt gij nog, blinde mol? sprak Uilenspiegel.

--En als zij het niet was?

--Daar zoudt gij niets bij verliezen, want op de linkerhand, naar het Noorden, is een kaberdoesken waar men lekker bruinbier tapt. Daar zullen wij u vinden. En hier is hesp, om u te vergezelschappen.

Lamme kwam uit de kar en liep met groote schreden naar de vrouw in de meersch.

Uilenspiegel vroeg tot Nele:

--Waarom komt ge niet bij mij?

Toen hielp hij heur in den wagen en deed hij ze naast hem zitten; hij nam heure huik van den schouderen, en heur honderd kussen gevend, sprak hij:

--Waar gingt ge heen, liefste?

Zij antwoordde niet, doch scheen heel vervoerd en begeesterd. En Uilenspiegel, vervoerd als zij, zegde tot haar:

--Ik heb u zoo geerne naast mij. De wilde roze heeft niet de zachte tint uwer donzige huid. Ge zijt wel geen koninginne, doch laat mij maar eene krone van kussen maken voor u. Lieve, zoete armen, die God maakte tot koozerij! Ha! liefste, ik vrees, dat mijn ruwe handen die schouders verwelken! De lichte vlinder rust op de purperen anjelier, maar hoe zal ik op uwe blankheid rusten, opdat ze niet verwelkt? God is in den hemel, de koning zit op zijnen troon en de zonne glinstert ginder aan 't uitspansel; maar ik ben God en koning en het licht, daar ik zoo dicht bij u wezen mag! O, dat haar is zachter dan zijde! Nele, ik ben ruw en wild, doch wees zonder vreeze! Die lieve voetjes! Hoe komt het, dat zij zoo wit zijn? Pleegt gij ze te wasschen met melk?

Zij wilde opstaan.

Wat vreest gij? vroeg Uilenspiegel, toch niet de zonne, die op ons schijnt en u teenenmale in 't goud zet? Sla uwe oogen niet neder. Zie in de mijne, welk heerlijk vuur er brandt. Luister, liefste mijne; 't is het stille middaguur, de landman keert huiswaarts; hij leeft van brood; maar wij, laat ons van liefde leven! Duizend jaren lang zou ik aan uwe voeten willen doorbrengen.

--Mooispreker! zegde zij.

De zonne straalde, een leeuwerik tierelierde boven de klaveren, en Nele legde heur hoofdje op den schouder van Uilenspiegel.

III.

Maar Lamme kwam zweetend en blazend terug.

Laas! sprak hij, ik ben onder een slecht gesternte geboren. Nadat ik mij het hert afgeloopen had achter die vrouw, zag ik, dat het de mijne niet was en reeds bedaagd; ze moest diep in de veertig zijn, en aan heure kap zag ik, dat ze nooit getrouwd geweest was. Ze vroeg mij bits wat ik met mijn dikken buik in heure klaveren kwam doen?

Ik zoek mijne vrouw, die mij liet zitten, antwoordde ik zachtjes, en daar ik u nam voor haar, liep ik naar u toe.

Op die rede zegde de oude jongedochter, dat ik kon terugkeeren waar ik van daan kwam; dat, als mijne vrouw mij liet zitten, het wel besteed was, want dat al de mannen truwanten, dieven en ketteren zijn, die alle meisjes willen verleiden en dat, als ik niet dadelijk opkraamde, ze mij door heuren hond zou doen opvreten.

En niet zonder schroom pakte ik mijne biezen, want een groote hond lag aan heure voeten te brommen. Als ik van heur land was, zette ik mij neer op den wegel en at ik uw stuk hesp, om op mijn effen te komen. Plotseling hoorde ik een geritsel achter mij en, als ik mij omkeerde, zag ik den grooten hond van de oude jongedochter; doch nu bromde hij niet meer, integendeel, hij kwispelsteertte en zag mij begeerig aan, om de hesp. Ik smeet hem eenige stukskens toe, maar zijne meesteresse kwam bij en riep:

--Pak hem! pak hem! manneken!

En ik op den loop, en de groote hond achter mij; hij beet mij in mijn been. Maar terwijl ik schreeuwde van pijn, gaf ik hem met mijnen stok eenen slag op zijne voorpooten, dat er ten minste één van gebroken is. Hij viel en jammerde in zijne hondentaal: "Genade", die ik hem verleende. Ondertusschen smeet zijne meesteresse kluiten aarde naar mij, bij gebreke aan steenen, en ik weer op den loop!

Laas! is het niet wreed en onrechtveerdig voor eene vrouw, zich op een onschuldigen jongen als ik te wreken, omdat zij niet schoon genoeg is om aan eenen man te geraken?

En treurig stapte ik naar het kaberdoesken, dat gij mij gewezen hadt, om met bruinbier mijnen schrik af te drinken. Maar ik was nogmaals bedrogen, want als ik binnenkwam, zag ik man en vrouw bezig met vechten. Ik vroeg, dat zij zouden uitscheiden om mij eenen pot bruinbier te tappen, al was 't maar eene pinte of zeven; maar de vrouw, een echte stokvisch, antwoordde mij woedend, dat als ik niet dadelijk wegkwam, zij mij in kennis zou brengen met den blok, waarmede zij op den kop van heuren man trommelde. En nu ben ik hier, vriend, zweetend en af van vermoeidheid; hebt gij niets te eten?

--'t Doet, zei Uilenspiegel.

En Lamme slaakte eenen zucht van verlichting.

IV.

En ze reden samen voort. De ezel, met hangende ooren, trok traagzaam de kar.

--Lamme, sprak Uilenspiegel, wij zijn gevieren: de ezel, die op goed geluk naar distelen zoekt; gij, dikzak, die uwe wederhelft achternazit; zij, de teedere en zoete geliefde, die iemand vindt, harer onweerdig, 't is te zeggen mij, den vierde.

Nu, kinderen, moed! de bladeren worden geel, en de hemel zal helderder worden; weldra zal, in de najaarsnevelen, de zonne ondergaan, en de winter zal verschijnen, als het beeld van den dood, om allen, die onder onze voeten liggen, met een sneeuwen lijkwade te dekken. En ik zal optrekken voor de redding van Vlaanderenland. Arme dooden: Soetkin stierf van smerte; Klaas door den viere: eik van goedheid en eiloof van liefde; ik, uw zoon, ik lijd grootelijks en zal u wreken, assche, die ik zoo liefheb, die klopt op mijne borst.

Lamme sprak:

--Gij moogt ze niet beweenen, die voor de gerechtigheid stierven.

Maar Uilenspiegel bleef nadenken; eensklaps zegde hij:

--Nele, het uur van scheiden is gekomen en 't zal voor lang zijn; wie weet, of ik uw lief gelaat ooit wederzie.

Nele bezag hem met heure oogen, die glinsterden als sterren, en sprak:

--Stap van den wagen en kom met mij in het bosch, alwaar gij lekker eten zult vinden; want ik ken de kruiden en kan de vogelkens bijroepen.

--Meisje, sprak Lamme, 't is slecht van uwentwege, Uilenspiegel te willen ophouden, die naar de Zeven moet zoeken en mijne vrouw helpen terugvinden.

--Nog niet! sprak Nele, en zij weende: doch lachte, te midden heurer tranen, Uilenspiegel liefderijk toe.

Dit ziende antwoordde deze:

--Uw vrouw zult gij wel intijds terugvinden, als gij lust naar nieuwe smert zult gevoelen.

--Thijl, sprak Lamme, gaat ge mij, voor dat meisje, in mijne kar alleen laten? Gij antwoordt niet en denkt aan het woud, waar de Zeven niet zijn, en mijne vrouw evenmin. Help ze liever zoeken op dezen steenweg, waar de kar zoo gemakkelijk rijdt.

--Lamme, sprak Uilenspiegel, er ligt een volle weitasch in de kar, gij zult dus niet sterven van honger, als gij van hier naar Koolkerke gaat, alwaar ik bij U kom. Gij moet er alleen zijn, want daar zult gij vernemen naar welke windstreek gij u richten moet, om uwe vrouw te vinden. Luister. Gij rijdt stapvoets naar Koolkerke, op drie uren van hier. Op den toren draait een windhaan met alle winden mee op zijn roestige hengsels. Dat geknars wijst aan de arme mannen, die hunne liefste verloren, den weg, langs welken zij haar zullen terugvinden.

Maar vooreerst moet men met een hazelaarstaksken, zeven reizen, op elk muurvlak slaan. Als de hengsels knarsen, terwijl de wind uit 't noorden blaast, is 't die kant dien gij nemen moet, doch met omzichtigheid, want Noordenwind is oorlogswind; blaast hij uit 't Zuiden, ga dan maar blijgemoed: 't is minnewind; uit het Oosten, loop dan gezwind: 't is licht en en vroolijkheid; uit het Westen, ga traagzaam, want die wind brengt regen en tranen. Ga, Lamme, en wacht mij te Koolkerke.

--Ik zal, zei Lamme.

En hij reed voort met de kar.

Terwijl Lamme naar Koolkerke reed, joeg de sterke, zoele wind de grijze wolkjes als een kudde schapen door het luchtruim. Uilenspiegel en Nele waren alleen in het woud. Uilenspiegel had honger en Nele zocht naar heerlijke vruchten, doch vond niets anders dan eikels, en de kussen, die heur vriend heur in overvloed gaf.

Uilenspiegel had strikken gespannen en floot om de vogels bij te roepen, ten einde diegenen te braden, die zich zouden laten vangen. Een nachtegaal kwam omtrent Nele op de bladeren zitten; zij ving hem niet, om hem te laten voortzingen; toen kwam een grasmusch, en zij had er medelijden mee, omdat zij zoo lief en zoo hupsch was; vervolgens kwam een leeuwerik, maar Nele zei hem, dat hij beter zou doen hoog in de lucht te vliegen en de Natuur te bezingen, dan dom weg te komen dartelen boven de doodelijke punt van een braadspit.

En 't was de waarheid, want inmiddels had Uilenspiegel een vuur aangestoken en een braadspit gesneden, dat op niets anders wachtte dan op lichtzinnige slachtofferen.

Maar de vogelen kwamen niet meer bij, tenzij eenige kwaadaardige raven, die hoog boven hunne hoofden krasten.

En zoo kwam het, dat Uilenspiegel niemendal te eten had.

Doch Nele moest vertrekken en bij Katelijne terugkeeren. En weenend ging zij haren weg op, en Uilenspiegel keek heur droef achterna.

Maar ze kwam terug en viel hem om den hals.

--Ik ga henen, sprak zij.

Zij ging, doch opnieuw keerde ze terug, zeggende:

--Ik ga henen.

En zoo wel twintig reizen en nog meer.

Eindelijk vertrok zij, en Uilenspiegel bleef alleen. Toen ging hij ook henen om Lamme weder te vinden.

Als hij bij hem was, zat Lamme aan den voet van den toren, met een grooten pot bruinbier tusschen zijne beenen, weemoedg op een hazelaarstakje te bijten.

--Uilenspiegel, sprak hij, ik geloof, dat ge mij maar weggezonden hebt, om met 't meideken alleen te blijven; ik heb met den hazelaar zeven reizen op elk vlak van den toren geslagen, en hoewel de wind blaast als een duivel, toch hebben de hengsels niet geknarst.

--Men zal ze zeker gesmeerd hebben, antwoordde Uilenspiegel. Vervolgens togen ze henen naar het hertogdom Brabant.

V.

Dagen en nachten bracht Philippus tusschen zijne papieren en perkamenten door. Aan hen vertrouwde hij de gedachten van zijn ongevoelig herte. Daar hij nooit bemind had, maar ook wist dat niemand hem liefhad, wilde hij zelf zijn onmetelijk rijk bestieren, en de droefgeestige Atlas bukte onder den last. Weemoed en bovenmatige arbeid ondermijnden zijn zwak lichaam. Hij had een afschuw van een blij gezicht en daarom een haat tegen onze lachende landen; tegen onze kooplieden, om hunne weelde en hunnen rijkdom; tegen onzen adel, om zijne vrijmoedigheid en het vuur zijner kloeke blijgeestigheid. Hij wist--men had het hem gezegd--dat lang reeds vóór dat kardinaal de Couza, omtrent het jaar 1380, op de misbruiken der Kerk en op de noodzakelijkheid der hervormingen gewezen had, de opstand tegen Paus en de Roomsche Kerk, die zich in onze landen onder verschillende sektevormen geuit had, in de gemoederen borrelde als kokend water in een ketel.

Hij geloofde, de koppige, dat zijn wil op de gansche wereld drukken moest als de wil van God; hij wilde, dat onze landen die de gehoorzaamheid ontwend waren, bogen onder het oude juk, zonder eenige hervorming te erlangen. Hij wilde, dat Zijne Heilige Moeder: de Katholieke, Apostolische en Roomsche kerk één, geheel en algemeen, ongewijzigd en onveranderd zou zijn, alléén omdat hij het wilde, en alzoo handelde hij als een onredelijke vrouw. En 's nachts woelde hij in zijn bed als op een leger van doornen, werd hij onophoudelijk gefolterd door zijne gedachten.

--Ja, Heilige Philippus, Heere God, al moest ik van de Nederlanden één kerkhof maken, tot U zullen zij komen, mijn beschermer, tot U, Heiligen des hemelrijks.

En hij beproefde te doen wat hij zeide, zich aldus Roomscher toonend dan de Paus en katholieker dan de kerkvergaderingen.

En Uilenspiegel en Lamme, en het volk van Vlaanderen en van de Nederlanden, zagen, met angstvolle herten, van verre, in de sombere halle van 't Escuriaal, die gekroonde spinnekop, met heure lange, ruige pooten, heure geopende grijpers, het net spannen, dat hen vangen moest om het beste van hun bloed te zuigen.

Hoewel, onder de regeering van keizer Karel, de pauselijke inquisitie honderd duizend Christenen gedood had: hoewel de goederen dier martelaren in de kisten van keizer en koning gevloeid waren als regen in eene goot, oordeelde Philippus dat dit niet voldoende was, en hij legde den lande de nieuwe bisdommen op en wilde er de Spaansche inquisitie invoeren.

En overal lazen de stadsherauten, bij geschal van bazuinen, en geroffel van trommen, de plakkaten af waarbij kond werd gegeven, dat al de ketteren, met den viere zouden sterven als zij hunne dolingen niet afzwoeren, en met de koorde als zij die wel zouden afgaan. Vrouwen en meidekens zouden levend begraven worden, en de beul zou op heure lichamen dansen.

En als een vuur zette de wederstand zich door heel het land voort.

VI.

Den vijfden van de grasmaand, vóór Paschen, gingen de heeren Lodewijk van Nassau, Kuilenburg en Brederode, met driehonderd edellieden het hof van Brussel binnen, bij Mevrouwe de landvoogdes, hertoginne van Parma. In rangen van vieren beklommen zij de groote trap van 't paleis.

Binnengeleid in de zaal waar Mevrouwe zich bevond, boden zij heur een klaagschrift aan, bij hetwelk zij heure tusschenkomst vroegen om den koning te bewegen, de plakkaten op 't stuk der religie, alsmede de Spaansche inquisitie op te heffen, verklarende, dat er in onze misnoegde landen anders niets uit kon voortvloeien dan muiterij, puinhoopen en algemeene ellende.

En dat verzoekschrift werd Het Eedverbond geheeten.

Berlaymont, die later zoo valsch en wreed was voor den grond zijner vaderen, stond naast Hare Hoogheid en sprak, om te spotten met de armoede dier edele eedgenooten:

--Mevrouwe vrees niets, het zijn maar geuzen!

Daarmede wilde hij zeggen, dat die edelen en smalle jonkers ondergegaan waren in dienst des konings of door in weelde te wedijveren met de Spaansche edellieden.

Om de woorden van Berlaymont met verachting te bejegenen, verklaarden zij er eere in te stellen "geuzen" geheeten en genaamd te worden, voor den dienst des konings en het welzijn dezer landen.

Zij besloten een gouden penning te dragen, met de beeltenis des konings op de eene zijde, en op de andere twee ineengelegde handen, saamgesnoerd door de riemen van eenen bedelzak, en deze woorden: "Den koning getrouw tot den bedelzak". En op hunne hoeden en mutsen droegen zij ook gouden juweelen in den vorm van nappen en van bedelaarsmutsen.

Intusschentijd liep Lamme met zijn dikken buik door de stad, op zoek naar zijne vrouw, maar hij vond ze niet.

VII.

Op een morgen zei Uilenspiegel tot Lamme:

--Kom mede: wij gaan een grooten, edelen, machtigen, geduchten heere groeten.

--Zal hij mij zeggen waar mijne vrouw is? vroeg Lamme?

--Als hij het weet, antwoordde Uilenspiegel.

En zij gingen bij Brederode, den machtigen drinker.

Hij was in het binnenhof van zijn paleis.

--Wat wilt gij? vroeg hij tot Uilenspiegel.

--U spreken heer! antwoordde Uilenspiegel.

--Spreek, zegde Brederode.

--Gij zijt, sprak Uilenspiegel, een schoon, dapper en krachtig man. Eens hebt gij een Franschman in zijn harnas versmacht, als eene mossel in hare schelp; doch zijt gij sterk en dapper, gij zijt mede verstandig. Waarom dan draagt gij dien penning, waarop te lezen staat: "Den koning getrouw tot den bedelzak"?

--Ja, heer, waarom? vroeg Lamme.

Doch Brederode antwoordde niet en keek Uilenspiegel scherp in de oogen. Deze ging voort:

--Waarom wilt gij, edele heeren, den koning getrouw tot den bedelzak blijven? Is 't voor het goede, dat hij u gunt, of de vriendschap, die hij u toedraagt? Waarom, in stee van hem getrouw te zijn tot den bedelzak, verlost gij niet liever onze landen van dien beul, die met volle gerechtigheid zelf den bedelzak diende te dragen?

En Lamme knikte, tot teeken dat hij daarmede instemde.

Brederode bezag Uilenspiegel met zijn levendigen blik, lachte en sprak:

--Als gij geen spion van koning Philippus zijt, zijt gij een goed Vlaming, en ik ga u loonen voor de beide gevallen.

Hij bracht hem naar de keuken en Lamme volgde hem. Daar trok hij hem tot bloedens bij de ooren.

--Dit is voor den spion, sprak Brederode.

Uilenspiegel schreeuwde niet.

--Breng, zegde hij tot zijn bottelier, breng hier dien moor met kaneel-wijn.

De bottelier bracht den moor en een grooten beker warmen, geurigen wijn.

--Drink, sprak Brederode tot Uilenspiegel, dit is voor den goeden Vlaming.

--Ha! sprak Uilenspiegel, wat schoone tale spreekt die wijn met kaneel; zoo spreken de santen zeker in het hemelrijk niet!

Als hij de helft van den wijn uitgedronken had, gaf hij de rest aan Lamme.

--Wie is die papzak daar, vroeg Brederode, die beloond wordt om niets te doen?

--'t Is mijn vriend Lamme, antwoordde Uilenspiegel, telkens dat hij warmen wijn drinkt, verbeeldt hij zich, dat hij zijne vrouw gaat terugvinden.

--Ja! sprak Lamme, den beker devotelijk ledigend.

--Waar gaat gij nu? vroeg Brederode.

--Wij gaan, antwoordde Uilenspiegel, op zoek naar de Zeven, die Vlaanderenland moeten verlossen.

--Welke Zeven? vroeg Brederode.

Als ik ze gevonden heb, zal ik u zeggen wie ze zijn, antwoordde Uilenspiegel.

Maar Lamme, dien de wijn vroolijk gemaakt had, vroeg:

--Thijl, als wij eens in de maan naar mijne vrouw gingen zoeken?

--Waar is de ladder? vroeg Uilenspiegel.

In Mei, de groote Bloeimaand, sprak Uilenspiegel tot Lamme:

--Daar is de schoone Bloeimaand, de heldere, blauwe hemel! De takken der boomen zien rood van levenssap, de grond baart welige groeikracht. Dat is het oogenblik om te hangen en te branden voor het geloof. Daar zijn zij, de goede ketterjagers. Wat edele gezichten! Zij hebben het vermogen een iegelijk te straffen, te tuchtigen, af te zetten, aan de wereldlijke rechters over te leveren, en ook hun eigen gevangenis te hebben.--Ha! wat een schoone Bloeimaand!--in hechtenis nemen, in rechte vervolgen zonder vorm van proces, branden, hangen, onthalzen en vrouwen en meidekens voorbarig begraven. De vinken slaan in de boomen. De goede kettermeesters houden de rijken in 't oog. En de koning zal erven. Gaat, meidekens, gaat dansen in de beemden, bij geschal van pijpen en schalmeien. Ho! de schoone Bloeimaand.

De assche van Klaas klopte op Uilenspiegel's borst.

--Laat ons gaan, sprak hij tot Lamme. Gelukkig zij, die het hert hoog en het zweerd gereed houden in de sombere dagen, die op handen zijn.

VIII.

