De legende en de heldhaftige, vroolijke en roemrijke daden van Uilenspiegel en Lamme Goedzak in Vlaanderenland en elders

Part 15

Chapter 15 3,985 words Public domain Markdown

--Vrouwe, gij zijt goed en schoon, zegde Satan.

En naar den keizer wijzend, vroeg hij aan Christus:

--Wat moet ik hiermee doen?

Christus antwoordde:

--Dien gekroonden worm zult gij brengen in eene zaal, waar al de foltertuigen verzameld zijn, die onder zijne regeering gebruikt werden. Telkens dat een arme onschuldige de pijne des waters verduren zal, die de menschen opzwelt lijk blazen; of de pijne der keersen, die hunne voetzolen en okselen verbranden; of de pijne der radbraking, die de ledematen plettert; of de pijne der olie; telkens dat een vrije ziel op den brandstapel den laatsten snik zal geven, moet hij op zijne beurt dien dood, die smerten verduren, opdat hij leere hoeveel kwaad een onrechtveerdig man doen kan, die over millioenen gebiedt; hij verga in de gevangenissen, hij sterve op de brandstapels, zuchte in ballingschap, ver van het Vaderland; hij worde geschavotteerd, ontpoorterd, gegeeseld, gebrandmerkt; hij weze rijk, opdat de bedezetters hem alles ontnemen; de afgunstige klage hem aan en de verbeurdverklaring brenge hem ten onder. Gij zult van hem maken een ezel, opdat hij zachtzinnig, mishandeld en slecht gevoed weze; een arme, opdat hij bedele en beleedigingen erlange; een arbeider, opdat hij zich afbeule en niet genoegzaam te eten krijge; vervolgens, als hij als mensch naar ziel en lichaam alles geleden heeft, maakt gij van hem een hond, opdat hij braaf weze en slagen krijge; een slaaf, omdat hij aan den meestbiedende verkocht worde; een soldenier, opdat hij vechte voor anderen en zich late dooden zonder te weten waarom. En als hij na afloop van driehonderd jaar aldus alle smerten, alle ellenden geproefd heeft, zult gij er een vrijen man van maken. Is hij in dien staat goed, gelijk Klaas was, geef dan in een lachend, lommerig oord, onder een schoonen boom, de eeuwige ruste aan zijn gebeente, en zijne vrienden zullen aan zijn graf komen weenen en bloemen strooien ter zijner gedachtenis.

--Genade, mijn zoon, zeide Maria, hij wist niet wat hij deed, want macht doet het herte versteenen.

--Geene genade, sprak Christus.

--Ach, zeide Zijne Majesteit, had ik slechts een glas wijn van Andalusië.

--Kom, sprak Satan, 't is uit met wijn, met gebraad en gevogelte.

En naar het diepste der helle bracht hij de ziele van den armen keizer, die nog van zijn stukje ansjovis at.

Uit medelijden liet Satan hem begaan. Dan zag ik die Heilige Maagd, die Klaas naar het hoogste des hemelrijks leidde, daar waar de sterren met trossen aan 't gewelf hangen. En daar waschten de engelen hem, tot dat hij schoon en jong was. En zij gaven hem rijstpap met zilveren lepels. En de hemel sloot zich."

--Hij is in den hemel, sprak de weduwe.

--De assche klopt op mijn hert, zei Uilenspiegel.

LXXX.

Gedurende de volgende drie en twintig dagen, werd Katelijne bleek en mager, en dorde zij, alsof zij verteerd werd door een inwendig vuur.

Zij riep niet meer: Het vuur! Maakt open! mijn ziel wil er uit! doch in vervoering sprak zij gedurig tot Nele: Bruid ben ik; bruid moet gij wezen. Schoon is hij; lang haar; vurige liefde; koude knieën en koude armen!

En Soetkin bezag haar treuriglijk, en dacht dat het een nieuwe uiting van waanzin was.

Heure rede vervolgend, sprak Katelijne:

--Driemaal drie is negen, een heilig getal. Hij alleen die 's nachts fonkelende oogen als katoogen heeft, ziet de geheimenis.

Toen Soetkin heur op een avond zoo bezig hoorde, schudde zij vertwijfeld het hoofd. Doch Katelijne sprak:

--Vier en drie, ongeluk onder Saturnus; onder Venus, een bruiloftgetal. Koude armen! Koude knieën! Een herte van vuur!

Soetkin antwoordde:

--Gij moogt van die leelijke heidensche afgoden niet spreken.

Katelijne hoorde dit; zij sloeg een kruis en sprak:

--Gezegend zij de grijze ruiter. Nele moet een man hebben, een schoonen man met een zweerd, een zwarten man met blinkend gelaat.

--Ja, sprak Uilenspiegel, eene mannenstoverij, voor dewelke ik met mijn mes de saus zal maken.

Nele bezag teederlijk heuren vriend, want zij was gelukkig omdat hij jaloersch was.

--Ik wil dien niet, sprak zij.

Katelijne antwoordde:

--Wanneer komt hij, die in 't grijs gekleed, en altijd anders geleersd en gespoord is?

Soetkin sprak:

--Bidt God voor de uitzinnige.

--Uilenspiegel, zei Katelijne, haal ons twee stoopen dobbele kuite, terwijl ik de heetekoeken bak.

Soetkin vroeg waarom zij den Zaterdag vierde, naar de wijs van de Joden.

Katelijne antwoordde:

--Omdat het deeg gerezen is.

Uilenspiegel stond met den grooten kroes van Engelsch tin in de hand, waarin juist twee stoopen gingen.

--Moeder, vroeg hij, wat moet ik doen?

--Ga, sprak Katelijne.

Daar zij geene meesteresse in huis was, wilde Soetkin niet tegenspreken. Zij zegde tot Uilenspiegel:--Ga, mijn zoon.

Uilenspiegel liep naar den Staak en kwam terug met twee stoopen dobbele kuite.

Weldra verspreidde de geur der heetekoeken zich in de keuken, en allen hadden honger, tot zelfs Soetkin.

Uilenspiegel liet het zich goed smaken. Katelijne had hem een grooten beker gegeven, zeggende dat, aangezien hij de eenige man, hoofd van het huis, was, hij meer moest drinken dan de anderen en vervolgens moest zingen.

En zij lachte heimelijk, maar Uilenspiegel dronk, doch zong niet. Nele weende als zij Soetkin bleek en gansch ineengevallen zag zitten; alleen Katelijne was vroolijk.

Na het avondmaal gingen Soetkin en Uilenspiegel naar boven op den zolder slapen; Katelijne en Nele bleven in de keuken, alwaar heure bedden nu stonden.

Rond twee uren des morgens als Uilenspiegel, door het zware bier, al lang sliep, lag Soetkin gelijk alle nachten wakker, Maria biddende dat zij heur slaap zou zenden, doch Maria aanhoorde heur niet.

Eensklaps hoorde zij den schreeuw van een nachtuil en, uit de keuken, antwoordde een dergelijke kreet; vervolgens, in de verte, in den kouter, weerklonken andere kreten en altijd scheen het heur dat men die in de keuken beantwoordde.

Denkend dat het nachtvogelen waren, sloeg zij er niet verder acht op. Zij hoorde peerdengehennik en hoevengetrappel op den steenweg. Zij opende het venster en zag inderdaad twee gezadelde peerden, die stampend het gras van den berm schoren. Toen hoorde zij een schreeuwende vrouwenstem, een dreigende mannenstem, herhaalde slagen, nieuwe kreten, eene deur met gedruis toeslaan en angstige stappen de trap opklimmen.

Uilenspiegel snorkte en hoorde er niets van; de deur van den zolder vloog open en, schier naakt, sprong Nele hijgend en snikkend binnen. En in haast schoof zij eene tafel, stoelen, een oud komfoor en al het huisraad dat zij vinden kon, tegen de deur. De laatste sterren verbleekten aan het uitspansel; de hanen kraaiden; zij kondigden den dageraad aan.

Op het gerucht dat Nele maakte, keerde Uilenspiegel zich om in zijn bed, zonder wakker te worden.

Nele viel om Soetkin's hals en sprak:--Soetkin, ik ben bang, steek eene keers aan.

Soetkin deed het en Nele zuchtte voortdurend.

Als de keers aangestoken was, bezag Soetkin het meisje, en ze zag dat heur hemd op den schouder gescheurd was. Op heur voorhoofd, heure kaken, in heuren hals zag zij bloedende schrammen, gelijk krabben van nagels.

--Nele, vroeg Soetkin heur kussend, van waar komen die, schrammen?

Steeds bevend en zuchtend, sprak het meisje:

--Doe ons niet verbranden, Soetkin.

Doch Uilenspiegel werd wakker en wreef zich de oogen, verblind als hij was door de klaarte der keers. Soetkin vroeg:--Wie is beneden? Nele antwoordde:--Zwijg, 't is de man dien Katelijne mij geven wil.

Soetkin en Nele hoorden Katelijne plotseling schreeuwen, en heure beenen knikten van schrik.--Hij slaat heur om mij, sprak Nele.

--Wie is er in huis? riep Uilenspiegel, uit zijn bed springend. Vervolgens liep hij door de kamer tot dat hij een zwaar stookijzer gevonden had, dat in eenen hoek lag.

--Niemand, sprak Nele, ga niet beneden, Uilenspiegel!

Maar hij luisterde niet, liep naar de deur, trok stoelen, tafels en komfoor uit den weg. Katelijne schreeuwde nog altijd beneden. Nele en Soetkin hielden Uilenspiegel vast, om zijn lijf, bij zijne beenen, en spraken:--Ga niet beneden, Uilenspiegel, 't zijn duivelen.

--Ja, sprak hij, duivelsche man van Nele, ik breng u het stookijzer tot gade. Een huwelijk van ijzer en vleesch. Laat mij, beneden!

Doch zij lieten hem niet los, want zij waren sterk, en klampten zich vast aan de leun van de trap. Maar zij vermochten niet hem te houden, en, naar beneden vliegend als een lawine, stormde hij de keuken binnen. Daar zag hij Katelijne bleek en ontdaan, en hoorde haar zeggen:--Hansken, waarom verlaat gij mij? 't Is mijne schuld niet; Nele is stout.

Zonder te luisteren, opende Uilenspiegel de deur van het stalleken. Hij vond er niemand; hij liep naar den kouter en van daar op den steenweg: van verre zag hij twee dravende peerden in den morgennevel verdwijnen. Hij wilde ze achterhalen, maar ze renden gelijk de stormwind, die de droge bladeren opjaagt.

Vol gramschap en vertwijfeling kwam hij binnen, fluisterend:--Zij hebben heur gehoond! En met een onheilspellend vuur in de oogen, bezag hij Nele; deze, die huiverend voor Soetkin en Katelijne stond, sprak:

--Neen, Thijl, mijn geliefde, neen.

Dit zeggende, keek zij hem zoo droef en oprecht in de oogen, dat Uilenspiegel zag dat zij de waarheid sprak. Toen ondervroeg hij heur:

--Van waar kwamen die kreten? Waar gingen die mannen? Waarom is uw hemde gescheurd? Van waar komen die krabben op uwe kaken en uw voorhoofd?

--Luister, Uilenspiegel, doe ons niet verbranden. Katelijne--God beware heur voor de helle--heeft sedert drie-en-twintig dagen een in 't zwart gekleeden, geleersden en gespoorden duivel tot vriend. Zijn gelaat blinkt lijk het vuur dat 's zomers, als 't warm is, schittert op de baren der zee.

--Waarom zijt gij vertrokken, Hansken, mijn lieveling? sprak Katelijne, Nele is stout.

Maar Nele, vervolgende, sprak:--Hij schreeuwt als een nachtuil om zijne komst te melden. Moeder ziet hem alle Zaterdagen in de keuken. Zij zegt, dat zijne kussen als ijs zijn en zijn lichaam als sneeuw. Hij slaat heur als zij niet doet wat hij heet. Eens bracht hij heur enkele guldens mee, doch hij nam heur al de andere af.

Bij dit verhaal vouwde Soetkin de handen, om voor Katelijne te bidden. Katelijne sprak blijde:

--Mijn lijf en mijn geest, alles zij hem. Hansken, mijn liefste, leid mij nog naar den Sabbat. 't Is Nele, die nooit komen wil! Nele is stout.

--Bij de ochtendschemering toog hij henen, vervolgde het meisje, 's anderen daags vertelde moeder mij dan allerhande zonderlinge dingen.... Maar bezie mij toch zoo kwaad niet, Uilenspiegel. Gisteren zeide zij mij dat een schoon heer, in 't grijs gekleed en Hilbert genaamd, mij ten huwelijk wilde en thuis zou komen, om zich te toonen. Ik antwoordde dat ik geen man wilde, hij mocht schoon zijn of leelijk. Zij deed mij opblijven om hen te verbeiden; want zij is dan geenszins van heure zinnen, als 't minnarijen geldt. Wij waren half ontkleed, gereed om te gaan slapen; ik sliep op genen stoel. Toen zij binnenkwamen, werd ik niet wakker. Plotseling voelde ik iemand die mij omhelsde, mij in mijnen hals kuste. En in den maneschijn zag ik een helder gezicht, gelijk het schuim der branding in Hooimaand, bij broeiend weer, en hoorde ik stille fluisteren:--Ik ben Hilbert, uw verloofde; wees aan mij; 'k zal u rijk maken. Zijn gezicht stonk naar visch. Ik stiet hem weg; hij wilde mij nemen met geweld, maar 'k was sterker dan tien mannen als hij. Doch hij scheurde mijn hemde, kwetste mij aan mijn aangezicht en herhaalde: Wees aan mij, 'k zal u rijk maken.--Ja, zei ik, lijk mijne moeder, wier laatsten duit gij nemen zult.--Toen verdubbelde hij zijne pogingen, maar hij vermocht niets tegen mij. Hij was nog leelijker dan een doode, en ik krabde hem zoo geweldig met mijne nagelen in zijne oogen, dat hij kermde. Zoo geraakte ik los, en kwam ik bij Soetkin vluchten.

Katelijne herhaalde gedurig:

--Nele is stout. Waarom zijt gij zoo gauw vertrokken, Hansken, mijn liefste?

--Waar waart gij, slechte moeder, sprak Soetkin, terwijl men de eer van uw kind wilde rooven?

--Nele is stout, zegde Katelijne. Ik zat bij mijn zwarten heer, toen de grijze duivel met bloedend gelaat bij ons kwam en sprak: Kom mede, kameraad, het deugt hier niet; de mannen willen ons doodslaan en de vrouwen hebben messen aan heure vingeren. Daarop sprongen zij te peerd en verdwenen zij in den nevel. Nele is stout!

LXXXI.

's Anderen daags, onder 't ontbijt, sprak Soetkin tot Katelijne:

--Gij ziet dat wee en smerte mij overal volgen, wilt gij mij uw huis doen ontvluchten, met uwe verdoemde hekserijen?

Maar Katelijne sprak:

Nele is stout. Kom weder, mijn Hansken.

Den volgenden Woensdag kwamen de beide duivelen terug. Sedert den Zaterdag sliep Nele bij de weduwe Vanden Houte, zeggende dat zij niet langer bij Katelijne mocht vernachten, om Uilenspiegel, mits dit opspraak zou verwekken.

Katelijne ontving heuren zwarten heer en zijnen vriend in de keete, die tot waschhuis diende en waar de broodoven stond. En zij onthaalde ze op ouden wijn en gerookte ossetong. De zwarte sprak tot Katelijne:

--Om een groot werk te verrichten, hebben wij veel geld van noode; geef ons wat gij kunt.

Toen Katelijne hun maar één gulden geven wilde, dreigden ze heur met den dood. Maar zij lieten heur los voor twee gouden karolussen en zeven deniers.

--Komt 's Zaterdags niet meer, zeide zei. Uilenspiegel kent dien dag en gewapend zal hij u wachten om u beiden te dooden, en na u zou ik ook sterven.

--Wij zullen den naasten Dinsdag komen, zegden zij.

Dien dag sliepen Uilenspiegel en Soetkin zonder vreeze voor de duivelen, want zij meenden dat ze 's Zaterdags kwamen.

Katelijne stond op en ging zien in de keete of heure vrienden daar waren.

Zij was zeer ongeduldig, want sedert dat zij Hansken weergezien had, was heure uitzinnigheid grootelijks verminderd, daar het minnegekheid was, naar men zeide.

Als zij hen niet zag, was zij droef en troosteloos; maar in het veld, uit de richting van Sluis, hoorde zij 't geschreeuw van den nachtuil en zij ging er op af. En langs eenen dijk van rijshout en graszoden stappend, hoorde zij aan den anderen kant van dien dijk de beide duivelen samen in gesprek. De eene zei:

--Ik moet de helft hebben.

De andere antwoordde:

--Gij krijgt niets; wat Katelijne behoort, behoort mij.

Zij vloekten en twisten wie de have en de minne van Katelijne en Nele al te gader hebben zou. Doch van schrik, bleef Katelijne roerloos luisteren. Weldra hoorde zij ze vechten en een hunner zeggen: "Dat ijzer is koud", dan een gereutel en den val van een zwaar lichaam.

Verschrikt, keerde zij naar heure woning terug. Rond twee uren van den nacht hoorde zij opnieuw het gekras van den nachtuil, doch deze reis was 't in hare lochting. Zij deed open en zag heuren vriend voor de deur staan. Zij vroeg hem:

--Wat hebt gij met den andere gedaan?

--Hij zal niet meer komen.

Hij omhelsde en kuste haar. En zij vond hem nog kouder dan gewoonte. En Katelijne was goed bij heur verstand. Toen hij heenging, eischte hij twintig gulden, alles wat zij bezat: zij gaf er hem zeventien.

Door nieuwsgierigheid gedreven, keerde zij 's anderen daags terug naar den dijk, maar zij vond niets dan op het gras eenen bloedplas zoo groot als eene doodkist, 's Avonds wischte de regen de bloedvlek uit.

En den volgenden Woensdag hoorde zij opnieuw het gekras van den nachtuil.

LXXXII.

Telkens dat Uilenspiegel geld noodig had om Katelijne 't gemeenschappelijk verteer te betalen, ging hij 's nachts den steen opheffen van het gat nabij den waterput, en nam hij eenen karolus.

Op een avond zaten de drie vrouwen te spinnen; Uilenspiegel maakte eene doos, die de baljuw hem besteld had. Met veel vaardigheid sneed hij er een schoone jachtpartij op, met eenen koppel Henegouwsche honden, groote, bloeddorstige honden van Candia, Brabantsche honden die getweeën loopen en ooreneters genoemd worden, verders allerhande dikke en magere honden, alsmede mopsen en hazewinden.

Terwijl Katelijne daar was, vroeg Nele aan Soetkin of ze heuren schat niet elders verbergen zou. De weduwe antwoordde argeloos, dat hij niet beter kon zijn dan nevens den muur van den steenput.

Rond het midden van den Donderdagnacht, werd Soetkin gewekt door Bibulus Snuffius, die zeer vinnig blafte, doch niet langdurig. Ze dacht dat het niets was, en sliep weder in.

Toen Soetkin en Uilenspiegel Vrijdagsmorgens met den dageraad, opstonden, zagen zij, dat Katelijne tegen heure gewoonte, in de keuken niet was; en het vuur was niet aangestoken en de melk kookte niet. Zij waren verwonderd en keken of ze bij toeval in de lochting niet was. In weerwil van den motregen, zagen zij heur staan met loshangend haar, in heur hemd, nat en bibberend, zonder te durven binnenkomen.

--Wat doet gij daar, schier naakt, in den regen?

--Ha! zegde ze, ja, ja, groot wonder!

En ze wees naar den hond die, verworgd, levenloos uitgestrekt lag.

Uilenspiegel dacht terstond aan den schat. Hij liep er henen. Het hol was ledig en de aarde in 't ronde gestrooid.

Hij vloog naar Katelijne, en driftig heur slaande vroeg hij:

--Waar zijn de karolussen?

--Ja, ja, groot wonder! antwoordde Katelijne.

Nele, die toeliep, verdedigde heure moeder en smeekte:

--Sla niet, Uilenspiegel!

Hij hield op met slaan. Soetkin kwam toen bij en vroeg wat er scheelde.

Uilenspiegel wees naar den verworgden hond en het ledige gat.

Soetkin werd doodsbleek en sprak:

--Gij beproeft mij wel hard, heer God. Mijn arme voeten!

En zij zegde dat, om de smert die zij uitstond en om de pijniging die zij nutteloos ondergaan had voor de gouden karolussen. Nele, als ze Soetkin zoo verduldig zag, begon vertwijfeld te weenen. Katelijne zwaaide met een stuk perkament en vervolgde:

--Ja, groot wonder is er geschied. Dezen nacht is hij gekomen, braaf en schoon. Op zijn gelaat had hij dien witten schijn niet meer, die mij steeds zoo verschrikte. Hij sprak mij liefdevol aan. Ik was verrukt en mijn hert hoorde hem toe. Hij zegde mij: Nu ben ik rijk en weldra breng ik duizend gouden florijnen.--Ja, zeide ik, dat doet mij meer genoegen voor u dan voor mij, Hansken, mijn liefste.--Maar is hier niemand, in huis, dien gij liefhebt en voor wien ik iets doen kan?--Neen, antwoordde ik, zij die hier zijn, hebben niemand van noode.--Zijn Soetkin en Uilenspiegel dan rijk? vroeg hij.--Zij leven zonder iemands hulpe, antwoordde ik.--Niettegenstaande de verbeurte?--Daarop antwoordde ik dat gij liever de pijnbank onderstaan hadt, dan uwe have te laten ontnemen.--Dat wist ik, sprak hij. En stille en zachtjes giegelend, begon hij te spotten met den baljuw en de schepenen, omdat zij u geenerlei belijdenis konden ontrukken. En toen lachte ik insgelijks. 't Ware ook dom geweest, sprak hij, van hunnen schat in het huis te verbergen.... Ik lachte. "Of in den kelder?" Ik knikte van neen. "Of in de lochting?" Ik antwoordde niet.--Ha! sprak hij, dit ware zeer onvoorzichtig.--Integendeel, sprak ik, want water noch muur zullen iets uitbrengen. En hij lachte voort.

--Dien nacht vertrok hij vroeger dan gewoonte, na mij een poeierken gegeven te hebben met hetwelk ik, naar hij zeide, naar den schoonsten sabbat zou gaan. Ik deed hem uitgeleide tot aan de deur van de lochting, en ik was slaapdronken. Ik ging, zooals hij gezeid had, naar den sabbat en kwam eerst met de ochtendschemering weder, hier ter plaatse, waar ik den hond verworgd en het gat open vond. Dat is een wreede slag voor mij, want ik beminde hem teederlijk en schonk hem mijne ziel. Maar ik zal u alles geven wat ik bezit, en dag en nacht werken om u te onderhouden.

--Ik ben als ijzer op het aambeeld; God en een dief treffen mij tegelijk, zegde Soetkin.

--Zóó moogt gij niet spreken, antwoordde Katelijne; hij is geen dief, maar een duivel. Ten blijke zal ik u het perkament toonen, dat hij in de lochting achterliet. Daarop staat geschreven: "Vergeet nimmer mij te dienen. Binnen driemaal twee weken en vijf dagen, krijgt gij dobbel terug. Koester geen twijfel, of het kost u het leven."--En hij zal woord houden.

--Arme zinnelooze! sprak Soetkin.

Het was heur laatste verwijt.

LXXXIII.

De twee weken waren driemaal voorbij en de vijf dagen insgelijks, maar de duivel kwam niet terug. Doch Katelijne wanhoopte niet.

Soetkin werkte niet meer; zij stond gedurig bij het vuur, gebogen en kuchende. Nele gaf heur de beste en geurigste kruiden; maar dat alles kon niet baten. Uilenspiegel ging de hut niet meer buiten, uit vreeze dat Soetkin onderwijl stierf.

Vervolgens kon zij niet meer eten of drinken zonder over te geven. De chirurgijn-baardemaker kwam en deed heur eene lating; en toen was zij zoo zwak, dat zij van heure bank niet meer kon opstaan. Eindelijk, uitgeteerd van verdriet en van smert, sprak zij op een avond:

--Klaas, mijn man! Thijl, mijn zoon! Dank, de Heere neemt mij tot zich!

En zij blies den laatsten ademtocht uit.

Katelijne dorst bij heur niet waken, daarom deden Uilenspiegel en Nele het getweeën, en heel den nacht baden zij voor de arme ziele.

Bij de ochtendschemering vloog een zwaluw het open venster binnen.

--De vogel der zielen, sprak Nele, dat is een goed teeken: Soetkin is in den hemel.

De zwaluw vloog driemaal rond de kamer en verdween met een schellen kreet.

Vervolgens kwam een andere zwaluw binnen, grooter en zwarter dan de eerste. Zij vloog rondom Uilenspiegel en deze sprak:

--Vader en moeder, de assche klopt op mijne borst, ik zal doen wat gij vraagt.

En de tweede zwaluw vloog kwetterend heen als de eerste. De oosterkim verbleekte. Uilenspiegel zag duizenden zwaluwen rakelings over de weide vliegen, en de zonne rees op.

En Soetkin werd op het armenveld begraven.

LXXXIV.

Sedert Soetkin's dood, liep Uilenspiegel droomend, treurig of grammoedig de keuken op en neer; hij luisterde niet meer, at en dronk wat men hem voorzette, zonder zelf iets te nemen. En dikwijls stond hij 's nachts op.

Te vergeefs sprak de zoete stem van Nele hem moed in, te vergeefs zeide Katelijne hem, dat zij wist dat Soetkin bij Klaas in den hemel was; steeds antwoordde Uilenspiegel:

De assche klopt.

En hij geleek een waanzinnige en Nele weende als zij hem zoo naargeestig zag.

En de vischverkooper bleef alleen in zijn huis als een vadermoorder, en dorst slechts 's avonds buitenkomen; want de mannen en vrouwlieden die hem zagen, jouwden hem uit en heetten hem moordenaar, en de kleine kinderen vluchtten voor hem, daar men hun gezegd had, dat hij de hangman was. En geschuwd door een iegelijk, dwaalde hij eenzaam in 't ronde, zonder eene taveerne te durven binnengaan; want men wees er hem met den vinger, en, al bleef hij er slechts een korte wijl, de andere klanten ledigden hun glas en gingen heen.

Daarom zagen de weerden hem noode komen, en zij sloten liever de deur vóór zijn neus. Toen deed de vischverkooper hun nederig zijn beklag, maar zij antwoordden hem, dat zij wel mochten tappen, maar dat zij daartoe geenszins waren gedwongen.

Eindelijk ging de vischverkooper drinken in den Rooden Valk, eene kleine herberg buiten de stad, aan de vaart naar Sluis. Daar wilde men hem bedienen, want 't waren arme lieden, wien alle geldstukken welkom waren. Maar de weerd of de weerdin uit den Rooden Valk spraken nooit een woord tot hem. Daar waren twee kinderen en een hond: als de vischverkooper de kleinen wilde streelen, liepen zij weg; en als hij den hond riep, toonde deze brommend zijn tanden.

Op een avond stond Uilenspiegel aan de zulle; als Mathijssen, de kuiper, hem zoo droomerig zag, zeide hij hem:

--Gij moet werken met uwe handen, om de smert te vergeten.

--De assche van Klaas klopt op mijne borst, antwoordde Uilenspiegel.

--Ha! zei Mathijssen, de ellendige vischverkooper leidt een nog treuriger leven dan gij. Niemand spreekt tot hem en elkeen schuwt hem, zoodat hij genoodzaakt is bij de arme lieden uit den Rooden Valk te gaan, om zijn kapperken bruinbier in eenzaamheid te drinken. 't Is een groote straffe.

--De assche klopt! sprak nogmaals Uilenspiegel.