# De legende en de heldhaftige, vroolijke en roemrijke daden van Uilenspiegel en Lamme Goedzak in Vlaanderenland en elders

## Part 11

Book page: https://www.cyberlibrary.org/nl/books/de-legende-en-de-heldhaftige-vroolijke-en-roemrijke-daden-van-u-f68b730a/index.md

--Heilige Majesteit, antwoordt de magere man, als de winter daar is, laten de sterkste eiken hunne bladeren vallen.

Drie uren slaat de klok.

--Zwijger, zegt hij, leen mij uwen schouder, dat ik er op leune.

En Zijne Majesteit gaat met hem en zijn gevolg een groote zaal binnen, zet zich neder onder een verhemelte, behangen met karmozijnzijde. Daar zijn drie stoelen. Zijne Heilige Majesteit neemt den middelste, die schooner en hooger is dan de andere en waarop een keizerlijke kroon prijkt; koning Philippus neemt den tweede, en de derde is voor eene vrouwe, ongetwijfeld eene koningin. Rechts en links zitten, op gestoffeerde banken, mannen in 't rood gekleed, die om den hals een gulden schaap dragen. Achter hen staan meerdere personages, die zeker heeren en prinsen zijn. Rechtover Zijne Heilige Majesteit, een paar treden lager, zitten in laken gekleede mannen op houten banken. Ik hoor hen zeggen dat zij zoo zediglijk gekleed en gezeten zijn, omdat zij alleen alle lasten betalen. Iedereen is rechtgestaan als Zijne Heilige Majesteit binnenkwam, doch weldra zette hij zich neer en deed hij iedereen teeken hetzelfde te doen.

Langen tijd spreekt hij over het jicht, daarna overhandigt de vrouw, die eene koningin schijnt te wezen, Zijne Heilige Majesteit eene rol perkament, waarop dingen geschreven staan die Zijne Heilige Majesteit hoestend en met zwakke stemme afleest:

--Ik heb menigvuldige reizen gedaan in Spanje, in Italië, in de Nederlanden, in Engeland en in Afrika, dit alles voor de glorie Gods, den roem mijner wapenen en het welzijn mijner volkeren.

Ten slotte zegt hij dat hij zwak en vermoeid is, en dat hij de kroon van Spanje, de graafschappen, hertogdommen, heerlijkheden van deze landen wil leggen in de handen van zijnen zoon Philippus.

Hij weent en allen weenen mede.

Nu staat koning Philippus recht en, op de knieën vallend, roept hij uit:

--Heilige Majesteit, is het mij toegelaten die krone uit uwe handen te ontvangen, terwijl gij nog zoo bekwaam zijt die met eere te dragen?

Zijne Heilige Majesteit fluistert hem toe een welwillende aanspraak te houden tot de mannen, die op de gestoffeerde banken zitten.

Koning Philippus keert zich naar hen en zegt op gemelijken toon, zonder recht te staan:

--Ik ken tamelijk goed Fransch, doch niet genoeg om het woord tot ulieden te richten. Gij zult hooren wat de bisschop van Atrecht, mijnheer Granvelle, u mijnentwege zal zeggen.

--Slecht geproken, mijn zoon, lispt Zijne Heilige Majesteit.

En inderdaad, de vergadering mompelt, als zij den jongen koning zoo fier en zoo trotsch ziet. De vrouwe, die de koningin is, spreekt mede zijnen lof; nu komt de beurt aan een ouden doctor en als deze gesproken heeft, geeft Zijne Heilige Majesteit een teeken van dankzegging. Als die aanspraken en plechtigheden gedaan zijn, verklaart Zijne Heilige Majesteit zijne onderzaten ontslagen van hunnen eed van getrouwheid; hij teekent de akten, stapt van zijnen troon en doet er Philippus op plaats nemen. En iedereen weent. Vervolgens trekken zij terug naar het huis der Warande.

Daar zijn zij weder getweeën in de groene kamer; zijne Heilige Majesteit schaterlacht en zegt tot koning Philippus, die niet lacht:

--Hebt gij gezien hoe gauw men met spreken, hikken en lachen die menschen verteedert? Wat tranenvloed! En die dikke Maes die, op 't einde zijner aanspraak, begon te weenen gelijk een kind. Gij zelf scheent ontroerd, doch niet genoegzaam. Dat zijn de vertooningen die 't volk moet hebben. Wij mannen, hebben die minnaressen 't liefst, die ons 't duurst kosten. En zoo ook is het volk. Hoe meer wij ze doen betalen, hoe liever ze ons zien. In Duitschland duldde ik den hervormden eeredienst, dien ik in de Nederlanden strengelijk strafte. Als de prinsen van Duitschland katholiek geweest waren, dan ware ik Lutheraan geworden om hunne goederen verbeurd te verklaren. Zij denken dat mijn ijver voor 't Roomsch geloove oprecht is, en 't spijt hun dat ik hen verlaat. Door mijn toedoen zijn, in de Nederlanden, uit hoofde van ketterije, vijftig duizend hunner dapperste mannen en bevalligste meidekens om hals gebracht. Zonder de verbeurdverklaringen te rekenen, deed ik hun meer schattingen en beden betalen dan Indië en Peru samen: zij zijn droef mij te verliezen. Ik heb den vrede van Cadzand gescheurd, Gent, de fiere stad, getemd, uit den weg geruimd wat mij hinderen kon; vrijheden, keuren en privileges, alles is onderworpen aan 't gezag van de keizerlijke ambtenaren. Die goede menschen wanen zich vrij, omdat ik hun toelaat boogschietingen te houden en hunne gildevaandels plechtiglijk door de straten te dragen. Zij voelen mijn meesterschap; in eene kevie gestoken, bevinden zij er zich goed: zij zingen en betreuren mij. Mijn zoon, wees met hen, lijk ik het was: zoet van woorden, ruw van daden; geef likjes zoolang gij niet bijten moet. Zweer, zweer altijd op hunne vrijheden, keuren en privileges, doch vernietig ze, zoodra ze u een gevaar kunnen worden. IJzer zijn zij, als men ze met schuchtere handen aanraakt, glas als men ze met een sterken arm breekt. Bestrijd de ketterije, niet om haar verschil met den Roomschen godsdienst, maar omdat zij, in de Nederlanden, eindigen zou met ons gezag te vernielen; zij die den Paus met zijne drie kronen aanvallen, zouden gauw gedaan krijgen met vorsten die er maar ééne dragen. Maak als ik van de vrijheid van geweten eene daad van majesteitsschennis, met verbeurte van goederen, en gij zult erven, gelijk ik heel mijn leven geërfd heb; en als gij hen zult verlaten om afstand te doen of te sterven, zullen zij zeggen: Heil! de goede vorst! En zij zullen weenen!

--En ik hoore niets meer, vervolgde Nele; Zijne Heilige Majesteit is op een praalbed gaan liggen en slaapt, en koning Philippus, trotsch en vermetel, staart hem koel en liefdeloos aan.

Op die woorden werd Nele gewekt door Katelijne.

En Klaas bleef, in gedachten verslonden, kijken naar de vlam die in den heerd flikkerde.

LIX.

Uilenspiegel verliet den landgraaf van Hessen en besteeg zijn ezel. Toen hij over de Groote Markt reed, zag hij verbolgen gezichten van eenige heeren en damen, maar dat deerde hem niet.

Weldra kwam hij op het grondgebied van den hertog van Luneburg en ontmoette daar een troep Smadelijke Broeders, lustige Vlamingen van Sluis, die alle Zaterdagen geld uitlegden om eens per jaar eene reize in Duitschland te doen.

Zij zaten in een open wagen, bespannen met een kloek peerd uit het Veurne--Ambacht, en zoo reden zij zingend en juichend door de wegen en sompen van het hertogdom Luneburg. Er waren er die op de pijp, de schalmeie, den vedel, den doedelzak speelden, en dat alles maakte groot lawaai. Naast den wagen liep veeltijds een dikzak die op een rommelpot speelde, in de hope wat te vermageren.

Zij waren aan hun laatsten gulden; als zij Uilenspiegel zagen komen, riepen zij hem eene afspanning binnen om hem te trakteeren. Uilenspiegel nam gereedelijk aan. Daar hij zag dat de Smadelijke Broeders tot elkaar knipoogden en heimelijk lachten, terwijl zij hem inschonken, begreep hij dat men hem eene poets wilde bakken. Hij ging buiten, doch bleef aan de deur luisteren. Hij hoorde den dikzak zeggen:

--'t Is de schilder van den landgraaf, die hem meer dan duizend gulden gaf om zijn portret te maken. Onthalen wij hem op bier en op wijn, en hij zal dobbel en dik tegenbetalen.

--Amen, zegden de anderen.

Uilenspiegel zadelde zijn ezel, bracht hem duizend passen verder, bij een pachter en gaf twee oortjes aan de meid om op het dier te letten. Vervolgens keerde hij terug naar de taveerne en zette zich neer bij de Smadelijke Broeders, zonder van iets te gebaren. Ze schonken hem in en betaalden 't gelag. Uilenspiegel liet de guldens van den landgraaf in zijne tassche rinkelen en zei, dat hij zoo even aan eenen boer zijnen ezel verkocht had voor zeventien zilveren daalders.

De dikzak die op den rommelpot speelde, ging bij den baas en sprak, naar Uilenspiegel wijzend:

--'t Is de schilder van den landgraaf, hij zal alles betalen.

Als de baas guldens en daalders in Uilenspiegel's tassche hoorde rammelen, bracht hij eten en drinken op tafel. Uilenspiegel liet het zich goed smaken. En altijd rinkelde het geld in zijne beurze. Menigwerf had hij ook op zijnen hoed geslagen en gezegd dat daar zijn grootste schat stak. Als de smulpartij twee dagen en eenen nacht geduurd had, zeiden de Smadelijke Broeders tot Uilenspiegel:

--Laat ons opkramen en 't gelag betalen.

Uilenspiegel antwoordde:

--Als een rat in een kaas zit, vraagt zij om ergens elders te gaan?

--Neen, spraken zij.

--En als een mensch goed eten en drinken heeft, vraagt hij naar het stof van de wegen of naar 't water van de grachten die vol echelen steken?

--Neen, spraken zij.

--Laat ons dus hier blijven, vervolgde Uilenspiegel, zoolang mijne guldens en daalders ons dienen tot trechters om de goddelijke dranken van den baas in onze kelen te gieten.

En hij zei tot den baas van nog wijn en nog worsten te brengen.

Terwijl zij aten en dronken, sprak Uilenspiegel:

--Ik betaal alles, nu ben ik eens de landgraaf. Als mijne beurze ledig was, wat zoudt gij doen, kameraden? Als dat ongeluk overkomt, neemt dan mijn vilten hoedeken: het steekt vol gouden karolussen.

--Laat ons eens tasten, spraken allen te gader.

En zuchtend, voelden zij tusschen hunne vingeren groote geldstukken die gouden karolussen moesten zijn. Doch een hunner bleef den hoed met zooveel vriendschap vasthouden, dat Uilenspiegel hem den hoed moest afnemen, zeggende:

--Ongeduldige koeier, wacht ten minste tot het uur van melken daar is.

--Geef mij de helft van uw hoedeken, sprak de Smadelijke Broeder.

--Neen, sprak Uilenspiegel, want schadelijk ware het voor uwe hersenen half in de zonne en half in de schaduw te loopen.

En, zijn hoofddeksel aan de baas gevend, sprak hij:

--Houd hem goed vast, het is wat te warm. Ik ga mij wat lichter maken.

Hij ging buiten en de baas hield het hoedeken vast.

Maar Uilenspiegel liep naar den boer, steeg op zijn ezel en sloeg den weg in naar Emden.

Als de Smadelijke Broeders, hem niet zagen terugkomen, zeiden zij tot elkander:

--Zou hij weg zijn? Wie zal dan 't gelag betalen?

De baas kreeg argwaan en sneed Uilenspiegels hoed middendoor.

Maar in stee van karolussen, vond hij tusschen het vilt en de voering niets dan kwade koperen penningen.

Toen voer hij heftig uit tegen de Smadelijke Broeders.

--Diefelijke broeders, gij gaat niet uit mijn huis, vóór dat gij mij al uwe kleederen gelaten hebt, behalve uwe hemde, sprak hij.

En zij moesten zich uitkleeden om hun gelag te betalen. In hun hemde reden zij aldus over velden en wegen, want zij hadden hun peerd noch hun wagen willen verkoopen.

En een iegelijk onderweg had medelijden met hen en gaf hun geerne wat brood, wat bier en soms ook een stuk vleesch; want overal zegden zij dat zij door dieven uitgeschud waren.

En zij hadden in 't gelijk maar ééne hooze.

Zoo kwamen zij naar Sluis terug, in hun hemde op de wagen dansend en op den rommelpot spelend.

LX.

Intusschen reed Uilenspiegel op zijn ezel door de landen en sompen van den hertog van Lunenburg, het Watersignoorken, zooals de Vlamingen hem heetten.

Jef gehoorzaamde Uilenspiegel als een hondje, dronk bruinbier, danste beter dan een Hongaarsche dansmeester en legde zich, bij het minste teeken, op den rug met de vier pooten omhoog.

Uilenspiegel wist dat de hertog van Lunenburg--verbolgen omdat hij, te Darmstadt, in tegenwoordigheid van den landgraaf van Hessen, met hem den spot had gedreven--hem op straffe van den strop den toegang tot zijn grondgebied ontzegd had.

Plotseling zag Uilenspiegel Zijne Hertogelijke Hoogheid in persoon aankomen en mits hij zijn geweldig karakter kende, werd hij bang. Hij sprak tot zijn ezel:

--Jef, jongen, daar komt de hertog van Lunenburg. Aan den hals voel ik een groote krieuweling; nu, Jef, ik zou niet geerne gehangen worden. Gedenk dat wij broeders in ellende en in lange ooren zijn; gedenk ook welk een goeden vriend gij aan mij zoudt verliezen.

En Uilenspiegel wischte zich de oogen en Jef begon te balken.

--Wij leven samen gelukkig, vervolgde Uilenspiegel, of rampspoedig, naarvolgens de omstandigheden; gedenk dat, Jef!--De ezel balkte voort, want hij had honger.--En nooit zult ge mij vergeten, sprak zijn meester, want welke liefde is sterker dan die, welke dezelfde vreugde beleeft en denzelfden rampspoed beweent? Jef, jongen, gij moet u op den rug leggen.

De zachtaardige ezel deed wat zijn meester begeerde en de hertog zag hem met de vier pikkels omhoog liggen. Uilenspiegel zette zich neer op den buik van den ezel.

--Wat doet gij daar? sprak de hertog. Weet gij dan niet dat ik, bij mijn laatste plakkaat, u verboden heb uwe stoffige voeten in mijne gewesten te zetten?

Uilenspiegel antwoordde:

--Genadige heer, heb erbarming met mij.

En naar zijn ezel wijzend:

--Gij weet wel, heer, dat hij, die tusschen zijne vier palen woont, bij wet en recht immmer vrij is.

De hertog antwoordde:

--Verlaat mijne gewesten of gij zult sterven!

--Genadige heer, antwoordde Uilenspiegel, met een paar gulden zou ik er rapper buitenrollen.

--Nietdeug, sprak de hertog, het is u niet genoeg ongehoorzaam te zijn, ge vraagt er mij nog geld bij!

--Ik moet het wel vragen, heer, mits ik het niet nemen kan.

De hertog gaf hem een gulden.

Toen sprak Uilenspiegel tot zijn ezel:

--Jef, sta op en groet Zijne Hoogheid.

De ezel stond op en begon te balken. Toen gingen beiden hun weg.

LXI.

Soetkin en Nele zaten aan een der vensteren van de hut en keken naar de straat. En Soetkin sprak tot Nele:

--Liefste, ziet gij mijn zoon Uilenspiegel niet komen?

--Neen, sprak Nele, dien leelijken landlooper zien wij nooit meer terug.

Nele, antwoordde Soetkin, gij moogt niet kwaad zijn, maar gij moet hem beklagen, omdat hij niet bij ons is, de arme jongen!

--Ik weet het, sprak Nele, maar hij heeft elders een huis, verre van hier, een huis, rijker dan 't zijne, waar hij zeker door een schoone dame getroeteld wordt.

--'t Ware gelukkig voor hem, zei Soetkin; daar eet hij misschien ortolanen.

--Dat men hem keien te eten gaf, zuchtte Nele, gauw zou hij hier zijn de slokker.

Soetkin lachte en zei:

--Van waar, liefste, die boosheid?

Maar Klaas, die stil in zijn hoekje mutsaards bond, antwoordde:

--Ziet gij dan niet dat Nele verliefd is?

--Wel, sprak Soetkin, wat doortrapte meid, die mij daar nooit een woord over sprak. Is 't waar, liefste, hebt gij er zin in?

--Geloof er niets van, sprak Nele.

--Gij zult, zei Klaas, een goeden man aan hem hebben, met een grooten mond, een hollen buik en een lange tonge, die van de guldens duiten zal maken en nooit een oortje van zijnen arbeid, een straatlooper en een nietdeug.

Doch, blozend en kwaad, antwoordde Nele:

--Waarom hebt gij hem niet anders gemaakt?

--Daar weent ze nu, sprak Soetkin, zwijg toch, man.

LXII.

Als Uilenspiegel te Neurenberg kwam, gaf hij zich uit voor grootmeester in de medicijnen, overwinnaar van alle kwalen, wereldberoemd lichaamzuiveraar, die pest, koorts en alle ziekten verdreef.

In het gasthuis van die stad lagen zooveel zieken dat men ten einde raad was. De overste had de komst van Uilenspiegel vernomen; hij ging hem bezoeken en vroeg of hij werkelijk allerlei ziekten genezen kon?

--Uitgenomen de laatste, antwoordde Uilenspiegel; maar beloof mij tweehonderd gulden voor genezing der overigen; doch ik wil geen duit, als al uwe zieken niet zeggen, dat zij genezen zijn en het gasthuis kunnen verlaten.

's Anderen daags trad hij, met doctorale waardigheid de ziekenzaal binnen. Hij ging overal rond, bezocht elken zieke afzonderlijk en zei:

--Zweer mij dat gij aan niemand zult zeggen wat ik u in het oor ga vertellen. Welke ziekte hebt gij?

De kranke zei het hem, en zwoer bij hoog en leeg te zullen zwijgen.

--Weet, sprak Uilenspiegel, dat ik morgen een uwer tot asch moet verbranden, om daarmede een wonderbaar geneesmiddel te bereiden, dat alle zieken zullen te drinken krijgen. Hij, die niet gaan kan, wordt tot pulver verbrand. Morgen kom ik terug met de overste, en ik zal roepen: "Dat al degenen die niet ziek zijn, hun pak maken en heengaan."

Den volgenden morgen kwam Uilenspiegel en riep gelijk hij gezegd had. Al de zieken, kreupelen, jichtlijders, koortslijders, wilden om 't zeerste buiten. En zelfs zij die in geen tien jaar uit hun bedde waren gekomen, liepen de straat op.

De overste vroeg of zij genezen waren en of zij gaan konden.

--Ja, antwoordden zij, in 't gedacht dat er één op de binnenplaats tot assche verbrand werd.

Toen sprak Uilenspiegel tot den overste:

--Betaal mij; gij ziet, allen zijn buiten en verklaren dat zij genezen zijn.

De overste betaalde hem tweehonderd gulden, en Uilenspiegel spoedde zich buiten de stad.

Maar twee dagen nadien zag de overste alle zijne zieken zieker terugkomen, behalve één dien de frissche lucht genezen had, en die nu dronken door de straten liep, al zingende: "Hoezee voor den grooten dokter Uilenspiegel!"

LXIII.

Als de tweehonderd gulden verteerd waren, kwam Uilenspiegel te Weenen, alwaar hij zich verhuurde bij eenen wagenmaker, die zijne gasten gedurig beknorde, omdat zij den blaasbalg van de smidse niet vlug genoeg trokken.

--Op maat schreeuwde hij, en volgt met den blaasbalg.

Eens dat de baas naar zijnen hof ging, maakte Uilenspiegel den blaasbalg los, schouderde hem en volgde aldus zijnen meester. Als deze verwonderd opkeek, sprak Uilenspiegel.

--Baas, gij hebt mij geheeten met den blaasbalg te volgen, waar moet ik hem leggen, terwijl ik de anderen haal?

--Jongen, antwoordde de baas, dat heb ik u niet gezegd, breng den blaasbalg op zijne plaats terug.

Maar de baas wilde hem die poets betaald zetten. Hij stond, van dien dag af, te middernacht op, maakte zijne gasten wakker en deed hen werken.

De werklieden spraken:

--Baas, waarom wekt gij ons te midden van den nacht?

--Ik heb de gewoonte, antwoordde de baas, mijne gasten de eerste zeven dagen maar een halven nacht te laten slapen.

Den volgende nacht, wekte hij weer zijne gasten te middernacht. Uilenspiegel, die op den zolder sliep, bond zijn bed op zijnen rug en kwam aldus de smidse binnen.

De baas sprak tot hem:

--Zijt gij zot? Waarom laat gij uw bed niet op zijne plaats?

--Ik heb de gewoonte, antwoordde Uilenspiegel, de eerste zeven dagen van de week de helft van den nacht op mijn bed en de andere helft onder mijn bed te slapen.

--Zoo, antwoordde de meester, maar ik heb nog een tweede gewoonte, dat is van mijne onbeschaamde gasten op straat te smijten, met toelating de eerste week boven den grond, en de tweede onder den grond door te brengen.

--In uwen kelder, baas, bij de tonnen bruinbier?

LXIV.

Als Uilenspiegel den wagenmaker verlaten had, verhuurde hij zich, op de terugreis naar Vlaanderen, als leerknaap bij eenen schoenmaker, die liever aan zijne deur stond, dan met zijne else op den stoel zat.

Uilenspiegel, die hem voor de honderdste maal zag opstaan, vroeg hoe hij de overleeren moest snijden.

--Snijdt er, sprak de baas, voor groote en middelmatig voeten, opdat zij passen aan al wie groot of klein vee drijft.

--Zoo zal geschieden, baas, antwoordde Uilenspiegel.

Als de schoenmaker weg was, sneed Uilenspiegel overleeren die alleen goed waren voor merriën, ezelinnen, veerzen, zeugen en ooien.

Als de baas terug in zijn werkhuis kwam en zijn leder versneden zag, riep hij uit:

--Wat steekt gij daar uit?

--Wat gij mij gezegd hebt, was 't antwoord van Uilenspiegel.

--Ik heb u gezegd, hernam de baas, schoenen te snijden die passen aan allen die ossen, varkens en schapen drijven, en nu snijdt gij schoenen voor die beesten.

Uilenspiegel antwoordde:

--Baas, in dit seizoen waarin alle beesten minneziek zijn, wie anders dan de zeug, de ezelin, de veers en de ooie mennen den beer, den ezel, den stier en den ram?

Hij maakte zich buiten, doch hij mocht niet meer binnen.

LXV.

Het was in de Grasmaand, de lucht was zoet, doch nadien begon het te vriezen en de hemel zag grijs als op Allerzielen. Uilenspiegel's derde jaar ballingschap was sedert lang verstreken, en Nele verwachtte alle dagen heuren hertsvriend terug.

--Laas! sprak zij, 't gaat sneeuwen op de kersebloesems, op de bloeiende seringa's, op al de arme planten die bij de zoele warmte eener vroege lente vol hope ontloken waren. Lichte sneeuwvlokjes vallen reeds op de wegen. En 't sneeuwt ook op mijn arm herte.

Waar zijn zij, de heldere zonnestralen, die de gezichten verblijden, de daken rooder maken, den hemel blauw en de ruiten vlammend? Waar zijn zij die warmte schenken aan aarde, lucht, aan vogelen en insecten? Laas! nu heb ik dag en nacht koude van droefheid en bangen twijfel. Waar zijt gij mijn lief, mijn Uilenspiegel?

LXVI.

Uilenspiegel naderde Ronse, en hij had honger en dorst, doch wilde niet klagen; hij beproefde de menschen te doen lachen om aan brood te geraken. Maar het ging hem niet af, de menschen kwamen en gingen en gaven hem niets.

Het was koud, beurtelings sneeuwde, regende en hagelde het op den rug van den zwerver. Als hij een hond een been zag afknagen, kwam het water hem in den mond. Hij had wel een gulden willen verdienen, doch wist niet hoe hij een gulden in zijne tassche zou krijgen.

Omhoog zoekend, zag hij duiven die van hunne piere witte plakjes op den weg lieten vallen, maar guldens waren het niet. Hij zocht langs de groote wegen, maar ook tusschen de kasseien schoten geene guldens omhoog.

Rechts zoekend, zag hij wel een grimmige wolk in de lucht drijven, maar hij wist wel dat, zoo er uit dien gieter iets moest vallen, het geene guldenbui zou wezen. Links vorschend, zag hij een grooten, luien kastanjelaar, die leefde en waste zonder iets te verrichten.

--Ha! sprak hij, waarom zijn er ook geen guldenaars? Daar zouden schoone vruchten aan groeien.

Eensklaps barstte de zwarte wolk, en de hagelsteenen vielen en sloegen geducht op Uilenspiegel's rug.

--Laas, sprak hij, ik voel het wel, 't is alleen naar dwalende honden dat men steenen smijt.--Toen zette hij het op een loopen.--'t Is mijne schuld niet, vervolgde hij, als ik geen paleis of zelfs geen tent heb om mijn schraal lichaam te beschutten. Ho! die leelijke hagelsteenen, zij zijn hard als kogels. Neen, 't is mijne schuld niet, als ik in lompen gehuld de wereld rondzwerf, 't is enkellijk omdat het mij behaagt. Waarom ben ik geen keizer? Die hagelsteenen willen, lijk slechte woorden, halsstarrig in mijne ooren dringen.--En hij liep.--Arme neus, voegde hij erbij, weldra zijt gij doorboord, en kunt gij dienen tot pepervat op de festijnen van de grooten der aarde, op wie het nooit te hagelen pleegt. En zijne kaken afwisschend, sprak hij:--Deze kunnen weldra dienen tot schuimspanen voor de koks, die het te warm bij hunne ovens hebben. Ha! verre herinnering aan heerlijke pastijen van weleer! Ik heb honger. Ledige buik, beklaag u niet, jammerende ingewanden, houdt u stil. Fortuin, waar zit gij nu? breng mij ergens waar ik te eten vind.

Terwijl hij aldus tot zich zelven sprak, werd de hemel helder; het hagelde niet meer, de zonne vertoonde zich en Uilenspiegel sprak:--Daar is de zonne, mijne eenige vriendin, die mij komt drogen! Maar eensklaps zag hij van verre op den weg een gespikkelden hond op zich afkomen, met hangende tong en puilende oogen.

--Dat beest is razend, riep Uilenspiegel. Hij raapte een grooten steen op en klom gezwind in een boom; nauwelijks had hij den eersten tak bereikt, of de hond was dáár, en Uilenspiegel smeet hem den steen op den kop. De hond bleef staan, trachtte nog Uilenspiegel te bijten, maar hij kon niet en viel dood ten gronde.

Dat deed Uilenspiegel geen genoegen en te minder daar hij, beneden gekomen, zag dat de hond geen drogen muil had, gelijk gewoonlijk bij dolle honden 't geval is. Vervolgens het vel beziende, zei hij tot zich zelven dat het schoon genoeg was om te verkoopen; hij stroopte het, waschte het, hing het aan een paal, liet het in de zonne wat drogen en stak het in zijne tassche.

