Part 9
--Hoeveel, uwe zakjes? vroegen zij.
--Vijftig gulden, antwoordde Uilenspiegel. Is het te veel, trekt dan maar op. Wie den akker niet koopt, heeft ook den vetten mest niet van noode.
Ziende dat Uilenspiegel zoo vastberaden was, telden zij hem de somme en namen zij een van de zakjes. Zij trokken er mee naar hunne vergaderplaats, alwaar weldra al de joden in groote menigte heenstroomden, toen zij gehoord hadden, dat de twee ouden een geheim hadden gekocht, met hetwelk zij de komst van den Messias konden voorzeggen.
Zoodra dit gekend was, wilden allen, zonder betalen, aan het zakje zuigen; maar de oudste, die het zakje gekocht en betaald had en Jehu hiet, wilde alleen de eer en 't genot hebben.
--Zonen van Israël, sprak hij, het zakje in de hand houdend, de Christenen bespotten ons; zij maken jacht op ons, en roepen achter ons alsof wij cahorsijnen of woekeraars waren. De Philistijnen willen ons nog dieper dan den grond doen buigen; zij spuwen ons in 't gelaat, want God heeft onze bogen ontspannen en de teugels losgelaten. Heere, God van Abraham, van Isaäc en van Jacob, hoelang nog moet het kwaad ons geworden, terwijl wij het goede verbeiden; hoelang moeten de duisternissen heerschen, terwijl wij het licht verwachten? Goddelijke Messias, zult gij weldra op de aarde nederdalen? Wanneer zullen de Christenen zich verschuilen in holen en spelonken, bevend voor de kastijding, die zij bij uwe verschijning zullen ontvangen?
En de joden riepen:
--Kom Messias! Zuig, Jehu!
Jehu zoog aan het zakje en, met walg spuwend, riep hij jammerend uit:
--Ik zeg U, in der waarheid, dat het drek is; de Vlaamsche pelgrim is een dief.
Toen sprongen al de joden bij, en zij openden het zakje. Als zij zagen wat er in stak, liepen zij in woede naar de jaarmarkt om Uilenspiegel te vinden, maar deze had niet op hen gewacht.
L.
Een man van Damme, die aan Klaas zijne kolen niet kon betalen, had hem het schoonste van zijn kateil gegeven, zijnde een handboog met twaalf goed aangezette pijlen.
En als er niet te werken was, ging Klaas op jacht: meer dan één beestje, te groot liefhebber van kool, werd door hem gedood en veranderd in hazepeper.
Klaas zette zich toen gretig te eten, en Soetkin zag naar den eenzamen weg en zeide:
--Thijl, mijn zoon, riekt gij den lekkeren geur van de saus niet?... Ongetwijfeld heeft hij nu honger.
En droomerig, had zij hem zijn deel van 't festijn willen wegzetten.
--Als hij honger heeft, sprak Klaas, is het zijne schuld; dat hij terugkome en hij zal eten als wij.
Klaas hield duiven; ook hoorde hij geerne, rondom zich, distelvinken, leeuwerikken, musschen en andere vogelen zingen en piepen, en schoot hij geerne muizenvalken en speurgalen, die de kleine vogelen verslinden.
Nu, eens dat hij in zijne lochting kolen mat, toonde Soetkin hem een grooten vogel, die in de lucht boven het duivenhok zweefde.
Klaas nam zijn handboog en sprak:
--De duivel redde Zijne Sperwerachtigheid!
Toen hij den pijl in den boog had gestoken, hield hij zich in de lochting, alwaar hij al de bewegingen van den vogel met de oogen volgde om hem niet te missen. Het was valavond. Klaas kon enkel een zwarte stip onderscheiden. Hij schoot den pijl af en zag een ooievaar in de lochting vallen.
Klaas was er droef om, maar Soetkin nog meer, en zij riep:
--Nu hebt gij den vogel Gods gedood!
Zij nam toen den ooievaar en zag dat hij maar aan den vleugel gewond was; zij ging ongel halen en sprak, terwijl ze zijne wonde vermaakte:
--Ooievaar lief, 't is niet behendig voor u, die geerne gezien wordt, van in de lucht te zweven als een steekvogel, die gehaat wordt. Aldus treffen de pijlen des volks soms den verkeerden man. Hebt gij zeer aan uwen vleugel, arme ooievaar, dat gij mij zoo gewillig laat begaan? Hoe weet gij dat onze handen handen van vrienden zijn?
Als de ooievaar genezen was, kreeg hij alles te eten wat hem lustte; doch liefst at hij de visch, die Klaas voor hem in de vaart ging vangen. En telkens dat de vogel Gods hem zag komen, opende hij gretig den bek.
Hij volgde Klaas als een hondje, maar liefst bleef hij in de keuken, alwaar hij zijne maag warmde en met den snavel op Soetkin sloeg, terwijl zij het noenmaal bereidde, als om heur te vragen:
--Is er niets bij voor mij?
En 't was aardig dien ernstigen geluksbode op zijne lange pooten de hut te zien rondloopen.
LI.
Maar de slechte dagen waren teruggekomen: droevig wrocht Klaas alleen op zijn akker, want er was geen werk voor hen beiden. Soetkin bleef in de stulp en bereidde op allerhande manieren de boonen, hun dagelijksch maal, om Klaas' eetlust te streelen. En zij zong en zij lachte, opdat hij heure droefheid niet merken zou. De ooievaar stond bij heur, op één poot en met den bek in de pluimen.
Een man te peerd hield voor hunne woning stil; hij was heel in 't zwart gekleed en had een mager en droevig gezicht.
--Is hier iemand thuis? vroeg hij.
--God zegene Uwe Droefgeestigheid, antwoordde Soetkin; ben ik dan een schimme, dat gij mij vraagt of iemand thuis is?
--Waar is uw vader? vroeg de ruiter.
--Als mijn vader den naam draagt van Klaas, is hij ginder, antwoordde Soetkin, en bezig met koren te zaaien.
De ruiter ging weg, en Soetkin toog ook henen vol droefheid, want voor de zesde reize moest ze, zonder geld, brood bij den bakker gaan halen. En toen ze met ledige handen terugkwam, was zij versteld Klaas triomfantelijk te zien terugkomen op het peerd van den zwarten man, die te voet naast hem ging en het dier bij den toom hield. Klaas hield vol trotschheid in de hand een lederen tassche, dewelke goed gevuld scheen.
Toen hij van 't peerd steeg, omhelsde hij den man en klopte hem vervolgens vriendelijk op den schouder.
--Leve mijn broeder Judocus, de goede heremijt! riep hij uit, terwijl hij de tassche deed rinkelen. God beware hem in vreugd, in vet en in gezondheid. 't Is Judocus vol zegen, Judocus vol overvloed, Judocus met zijne vette soep! De ooievaar heeft geenszins gelogen!
En hij legde de tassche op de tafel. Jammerend sprak Soetkin toen:
--Man, wij hebben geen eten vandaag: de bakker heeft mij brood geweigerd.
Brood? sprak Klaas, de tassche openend en goudstukken op de tafel gietend, brood? Daar is brood, boter, vleesch, wijn, bier! Daar zijn hespen, mergpijpen, reigerpastijen, ortolanen, ganzen, krakelingen, daar is ambrozijn, lijk bij de groote heeren! daar is bier met tonnen en wijn met vaten! Gestraft wordt de bakker, want wij zullen bij hem niets meer koopen.
--Maar man, sprak Soetkin verbaasd.
--Nu luister, sprak Klaas, en wees verblijd. Katelijne, in stee van in 't markgraafschap Antwerpen hare ballingschap uit te doen, is vergezelschapt door Nele, te voet naar Meiborg gegaan. Daar heeft Nele tot mijn broeder Judocus gezegd, dat wij ondanks onzen harden arbeid, veelal in armoe verkeeren. En naarvolgens die goede bode mij zooeven gezegd heeft--en Klaas wees naar den zwarten ruiter--heeft Judocus den heiligen Roomschen godsdienst verlaten, om de Luthersche ketterije aan te hangen.
De zwarte man sprak:
--Ketters zijn zij, die de Groote Hoer volgen. Want de Paus vergeet zijne plichten en drijft handel in de heilige zaken.
--Stil! zei Soetkin, spreek niet zoo luide, gij zoudt ons gedrieën op den brandstapel brengen!
--Dus, vervolgde Klaas, Judocus heeft aan dezen braven bode gezegd, aangezien hij strijden ging onder de troepen van Frederik van Saksen, wien hij vijftig goed gewapende mannen bezorgde, hij zooveel geld niet van noode had, want dat het, bij rampspoed, toch zou worden gestolen door een of anderen landsknecht. Breng dus, zoo sprak hij, met mijnen zegen, die zevenhonderd karolusgulden aan Klaas, mijnen broeder en zeg hem dat hij goed leve en het heil zijner ziel gedenke.
--Ja, sprak de ruiter, want 't is tijd: God geeft een ieder naar zijne werken en handelt met een iegelijk volgens de verdiensten zijns levens.
--Heer, sprak Klaas, 't zal mij ondertusschen toch niet verboden zijn mij in de goede tijding te verblijden? Verweerdig u hier te blijven. Om uwe boodschap te vieren, zullen wij eten heerlijke pensen, menigvuldige karbonaden, een hammetje dat daar even zoo rond en zoo lekker bij den spekslager lag, dat mijne tanden wel een voet lang uit mijnen mond kwamen.
--Laas! sprak de man, alleen de goddeloozen denken aan genuchten, terwijl de blikken des Heeren op hen zijn gevestigd.
--Nu, bode, sprak Klaas, wilt gij met ons eten en drinken of niet?
De man antwoordde:
--De geloovigen zullen hunne zielen aan de aardsche genoegens mogen wijden, als de Babylonische Hoer ten gronde zal liggen!
Daar Klaas en Soetkin een kruis sloegen, wilde hij heengaan.
Klaas sprak tot hem:
--Zoo het U behaagt aldus met een slecht onthaal te vertrekken, geef dan den vredekus aan mijn broeder Judocus en waak over hem in 't gevecht.
--Ik zal het doen, sprak de man.
En hij toog henen, terwijl Soetkin eten ging halen om dit uit de lucht gevallen fortuin te vieren. Dien avond kreeg de ooievaar twee grondelingen en een kabeljauwskop.
De mare verspreidde zich weldra te Damme, dat de arme Klaas, door het toedoen van zijn broeder Judocus, de rijke Klaas was geworden. En de deken zei, dat Katelijne zeker Judocus betooverd had, daar Klaas van hem een groote somme gelds had gekregen en dat hij niet eens een kleedje aan Onze-Lieve-Vrouw had geofferd.
Klaas en Soetkin waren gelukkig; Klaas wrocht op het veld of verkocht zijne kolen, en Soetkin bleef de wakkere huisvrouw.
Maar Soetkin, altoos droefgeestig, zocht steeds, met de oogen, heuren zoon Uilenspiegel op de wegen.
En alle drie smaakten het geluk, dat God hun zond, in afwachting van hetgeen de menschen hun zouden jonnen.
LII.
Keizer Karel ontving dien dag uit Engeland een brief, in denwelken zijn zoon hem schreef:
"Heer en Vader,
"Het mishaagt mij grootelijks te moeten leven in een land, waar de gevloekte ketteren vermenigvuldigen als vlooien, rupsen en sprinkhanen. Het vuur en het zweerd zouden niet te veel zijn om ze te rukken van den stam des levendmakenden booms die onze Moeder de Heilige Kerk is. Alsof mijn leed nog niet voldoende ware, beschouwen mijne onderdanen mij niet als een koning, maar als den echtgenoot van hunne koningin, die zonder haar geenerlei gezag zou hebben. Zij spotten met mij, zeggende in kwaadwillige boekskens, waarvan niemand den schrijver of drukker kan vinden, dat de Paus mij betaalt om stoornis en verderf te brengen in het koninkrijk, door ketteren te hangen en te branden en, zoo ik een dringende schatting opleggen wil--want meermaals laten zij mij met opzet zonder geld--antwoorden zij in boosaardige paskwils, dat ik er maar te vragen heb aan Satan, voor denwelken ik werk. Die van 't Parlement bieden mij, uit vreeze, hoogst nederig hunne verontschuldiging aan, maar zij geven toch niets.
"Doch de muren van Londen zijn bedekt met opschriften, waarin ik voorgesteld word als een vadermoorder, gereed om Uwe Majesteit te treffen, om van hem te erven.
"Maar gij weet, Heer en Vader dat onaangezien rechtmatigen trots, ik aan Uwe Majesteit nog lange en glorierijke dagen wensch.
"Ook verspreiden zij in de stad eene prent, geëtst op koper, waarop ik afgebeeld word staande bij eene klavecimbel, in dewelke katten opgesloten zijn, die met hare pooten op de snaren slaan en wier steerten steken uit ronde gaten, waaraan zij met ijzeren roeden vastgemaakt zijn. Een man, die ben ik, verbrandt de steerten met een gloeiend ijzer, om de dieren met de pooten op de toetsen te doen slaan en erbarmlijk te doen kermen. Ik ben afgebeeld zoo wanstaltig en met zulken grijnslach, dat ik mij niet wil bezien. En gij weet, Heer en Vader, of ik mij ooit aan zulk onheilig vermaak overleverde. Ongetwijfeld deed ik wel eens, voor mijn pleizier, katten mauwen, doch ik lachte niet. Als echte muitmakers, rekenen zij mij dit alles als eene misdaad aan, hoewel de dieren geene ziel hebben, en een iegelijk, en inzonderheid vorstelijke personen, zich van hen mag bedienen tot nut en verzet. Maar in Engeland is men zoo verzot op dieren, dat men ze beter behandelt dan de dienstknechten; stallen en hondehokken zijn hier paleizen en hier zijn heeren, die in den stal bij hun peerd slapen.
"Daarenboven is mijne gade en koningin onvruchtbaar. Om mij te beleedigen zeggen ze, dat ik, niet zij--die jaloersch, onhandelbaar, en bovenmate minneziek blijft--daarvan de schuld is. Mijnheer en Vader, alle dagen bid ik deemoedig Onzen Heere, dat Hij mij Zijne genade schenke, in de hoop dat Hij mij een anderen troon geve, al was het bij de Turken, in afwachting van dien tot denwelken eenmaal geroepen zal worden de zoon Uwer Allerglorierijkste en Allerzegevierendste Majesteit.
"Ondertekend: Philippus."
De keizer antwoordde als volgt:
"Mijnheer en Zoon,
"Uwe vijanden zijn groot, ik betwist het geenszins, doch tracht zonder grammoedigheid een schitterender kroon te verbeiden. Reeds meermalen heb ik het voornemen uitgedrukt, mij terug te trekken uit de Nederlanden en uit mijne andere bezittingen, want ik voel dat ik, oud en jichtig als ik word, niet meer zal kunnen wederstaan aan Hendrik van Frankrijk, den tweeden van dien naam, want de Fortuin lacht steeds den jongeren toe. Verlies ook niet uit het oog, dat gij, meester van Engeland, door uwe macht, Frankrijk, onzen vijand, kwetst en vernedert.
"Ik werd deerlijk verslagen vóór Metz, alwaar ik veertig duizend man verloor; ik moest vluchten voor den koning van Saksen. Als God mij door Zijne Goedertierenheid in mijn vroegere kracht en macht niet wil herstellen, ben ik van zins, Mijnheer en Zoon, U mijne rijken af te staan.
"Heb dus geduld en doe ondertusschen uwen plicht tegen de ketterijen, van dewelke gij niemand moet sparen, noch mannen, noch vrouwlieden, noch kinderen, want mij is niet zonder leed ter kennis gekomen, dat Mevrouw de koninginne hun dikwijls genade wil schenken.
"Uw verkleefde vader,
Onderteekend: Karel."
LIII.
Daar Uilenspiegel lang, zeer lang gegaan had, waren zijne voeten tot bloedens toe gekwetst. Doch in het bisdom Mentz ontmoette hij eenen wagen met pelgrims, die hem naar Rome bracht.
Toen hij in die stad kwam en uit den wagen stapte, zag hij aan de poort eener afspanning een poezele vrouwe staan, die hem toelachte.
Heur minnelijk gezichtje beviel hem ten volle.
--Weerdin, sprak hij, wilt gij een reizenden pelgrim herbergen, die, met zonden overladen, den Heiligen Vader om genade komt smeeken?
--Wij herbergen al degenen, die betalen.
--Ik heb honderd dukaten in mijne tassche, antwoordde Uilenspiegel, die er maar éénen had, en met u wil ik den eersten verteren; laat ons een bottel ouden Roomschen wijn drinken.
--De wijn is niet duur in deze heilige stede, sprak zij; kom binnen en drink voor een soldo.
Zij dronken samen lang en ledigden, onder vriendelijk gekeuvel, zulke menigte flesschen, dat de weerdin aan heure meid zeggen moest de klanten in heure plaats te gerieven, terwijl zij en Uilenspiegel in een marmeren achterkamer zaten, waar het koel was als in den winter.
Heur hoofd op zijn schouder leunend, vroeg zij hem wie hij was.
--Ik ben messire van Geenland, grave van Nergensthuis heere van Vastendonk, en 'k heb te Damme, dat mijne geboorteplaats is, vijf en twintig bunders maneschijn.
--Waar ligt dat land? vroeg de weerdin, uit Uilenspiegel's beker drinkend.
--'t Is een land, sprak hij, waar men stoute verbeelding, onzinnige verwachtingen en ijdele beloften zaait; een land, waar gij niet vandaan zijt, met uwe lichtbruine huid, met uwe oogen die flonkeren als perelen; ze zijn van de kleur van de zonne, die goudbruine lokken; 't is het erfdeel van Venus, die gevleesde schouderen, die goddelijke borsten, die ronde armen, die fijne handjes. Willen wij samen avondmalen?
--Schoone pelgrim uit Vlaanderen, sprak zij, wat komt gij hier doen?
--Den paus spreken, antwoordde Uilenspiegel.
--Laas! sprak zij, den paus spreken! Ik, die hier vandaan ben, heb het nog nooit gekunnen.
--Ik zal het kunnen, sprak Uilenspiegel.
--Maar, sprak zij, weet gij waar hij gaat, hoe hij is, en kent gij zijne levenswijze?
--Onderweg zegde men mij, antwoordde Uilenspiegel, dat hij Julius de derde heet, dat hij ontuchtig, lichtzinnig is, dat hij goed klapt en snedig antwoordt. Men zei ook mij, dat hij een ongemeene vriendschap opgevat heeft voor een zwarten, vuilen bedelaar, die met een aapje de aalmoes vroeg, dat hij hem tot kardinaal gemaakt heeft en dat hij ziek is als hij hem een dag niet ziet.
--Drink, sprak zij, en spreek niet zoo luide.
--Men zei ook, vervolgde Uilenspiegel, dat hij eens vloekte als een soldenier, toen hij een kouden pauw niet terugvond, dien hij had doen wegzetten voor zijn avondmaal, en dat hij sprak: Ik, de stadhouder Gods, mag wel vloeken om een pauw, wanneer mijn meester grammoedig om eenen appel was! Gij ziet liefste, dat ik den paus ken en weet wie hij is.
--Laas! zegde zij, spreek daarvan aan anderen niet. Maar gij zult hem niet zien.
--Ik zal hem spreken, zei Uilenspiegel.
--Als gij dát kunt, betaal ik U honderd florijnen.
--Ik heb ze gewonnen! sprak Uilenspiegel.
Hoewel zijne beenen vermoeid waren, doorliep hij 's anderen daags de stad en vernam hij, dat de paus dien dag de misse zou lezen in de kerk van San Giovanni in Laterano. Uilenspiegel toog er henen, ging zoo dicht bij den paus staan als hij kon, en telkens dat de paus den kelk of de hostie ophief, keerde Uilenspiegel den rug naar het autaar.
De paus was bijgestaan door een schelmschen, zwaarlijvigen kardinaal, die, met een aapje op den schouder, het volk het sacrament gaf, met menigvuldige ontuchtige gebaren daarbij. Hij deed den paus de handelwijze van Uilenspiegel kennen, en als de misse gedaan was, kwamen vier groote pijkeniers zich meester maken van den pelgrim.
--Van welk geloove zijt gij? vroeg hem de paus.
--Van hetzelfde als mijne hospita, Zeer Heilige Vader, antwoordde Uilenspiegel.
De paus ontbood de vrouwe.
--Wat gelooft gij? vroeg hij haar.
--Alles wat Uwe Heiligheid gelooft, antwoordde zij.
--En ik van 's gelijken, sprak Uilenspiegel.
De paus vroeg hem, waarom hij den rug naar het autaar gekeerd had.
--Ik voelde mij onweerdig het te aanschouwen, antwoordde Uilenspiegel deemoedig.
--Zijt gij pelgrim? vroeg hem de paus.
--Ja, sprak hij, en 'k kom uit Vlaanderen om vergiffenis voor mijne zonden te vragen.
De paus zegende hem en Uilenspiegel ging henen met de weerdin, die hem honderd florijnen telde. Met de tassche gevuld, verliet hij Rome om naar Vlaanderenland terug te keeren.
Maar zeven dukaten moest hij betalen voor het perkament, op hetwelk zijne vergiffenis geschreven stond.
LIV.
Te dien tijde kwamen twee premonstratenzer broeders te Damme aflaten verkoopen. Boven hunne monnikspij, droegen zij een schoon fijn hemde, met kant bezet.
Aan de deur der kerke, bij helder weder, en onder 't portaal als het regenachtig was, hingen zij hun tarief uit; daarin gaven zij voor zes duiten, voor een oortje, voor een half pond parisis, voor zeven, voor twaalf karolusgulden, honderd, tweehonderd, driehonderd, vierhonderd jaar aflaat, en, al naarvolgens de prijzen, halven aflaat en vollen aflaat en de vergiffenis voor de afschuwelijkste schelmstukken, ja zelfs voor het koesteren van begeerten ten opzichte van de Heilige Maagd. Maar dát kostte zeventien gulden.
Aan de klanten die betaalden, stelden zij kleine stukjes perkament ter hand, op dewelke het cijfer van de jaren aflaat geschreven was. En daaronder stond het opschrift:
Is er iemand die niet en wil zijn Gebraeden ofte geroosterd fijn, Bij duizend jaer in 't vaegevuer, Of in de Helle voor allen duer, Hij coope de aflaten maer De gratiën en de kwijtscheldingen te gaer Voor ietswat geld ende goed: God hem dan het loonen moet.
En er kwamen koopers van tien uren in 't ronde.
Een van de goede broeders preekte dikwijls voor het volk; hij had roode kaken en een driedubbele kin.
--Ongelukkige! sprak hij, een of anderen zijner toehoorders beziende; ongelukkige! daar zijt gij in de helle! Het vuur verbrandt u wreedelijk: men legt u te koken in een ketel vol vet, in denwelken men oliekoekjes voor Astarte bakt; gij zijt niets meer dan eene worst in Lucifer's panne, een hamelbout in die van Gielgirot, den grooten duivel, want men snijdt u eerst aan stukken! Zie nu dien grooten zondaar, die de aflaten versmaadde; zie dien schotel stoverije: hij is 't, hij is 't, zijn goddeloos lichaam, zijn vermaledijd lichaam is vaneengekookt tot eene brij. En met welke saus! sulfer, pek en teer! En al die arme zondaren worden alzoo opgegeten om opnieuw tot hunne smerte in 't leven te komen. En 't is een gedurig geween en tandengeknars. Ontferm U onzer, genadige God! Ja, daar ligt gij in de helle, arme verdoemde, al die smerten te lijden. Zoo men voor u maar éénen denier gaf, dan zoudt gij bereids verlichting aan de rechterhand gevoelen; met nog een halven denier bij, waren uwe twee handen uit het vuur. Maar de rest van uw lichaam? Voor één gulden slechts, zou de dauw des aflaats op u nedervallen. O, verkwikkende koelte! En in tien dagen, in honderd dagen, in duizend jaar, al naar gelang dat men betaalt, geen gebraad, geen oliekoekje, geen stoverije meer! En als 't voor u niet is, zondaar, liggen er soms geen vrienden of magen van u, geene gade of geen liefje in de gruwelijke diepte des vuurs?
En dit zeggende, stiet de monnik met den elleboog tegen den broeder, die met een zilveren schotel naast hem stond. En op dat teeken sloeg de broeder de oogen neer en schudde devotelijk den schotel om het geld bij te roepen.
... Hebt gij, vervolgde de monnik, hebt gij in het helsche vuur soms geen zoon, geene dochter, geen kindje, dat gij lief hadt? Zij schreeuwen, zij weenen, zij roepen U. Zoudt gij doof blijven voor hun bange klachte? Dat kunt gij niet; uw hert van ijs gaat smelten, maar dat zal u een karolus kosten. En kijk, bij den klank van dien karolus op dit verachtelijk metaal ... (de andere monnik schudde nogmaals zijn schotel) maakt zich eene ruimte in het vuur, en stijgt de arme ziele tot aan den mond van eenen vuurberg. Daar is zij in de versche, in de vrije lucht! Waar zijn de smerten des vuurs? De zee is nabij, de arme ziele werpt er zich in, zij zwemt op den rug, op den buik, op de golven. Hoor, hoe zij schreeuwt van vreugde, zie, hoe zij duikelt in 't water! De engelen bezien haar en zijn gelukkig. Zij wachten heur, maar zij kan uit het water niet weg, zoo goed, zoo koel is het daar. Zij weet niet, de arme ziele, dat daarboven heerlijke geurige baden heur wachten, in dewelke groote stukken kandijsuiker drijven, en die koel zijn als ijs. Daar komt een haai: zij vreest hem niet. Zij klimt op zijnen rug, maar hij voelt heur niet; zij wil met hem in 't diepste der zee dringen. Zij gaat er de zeenimfen groeten, die waterzooi eten in koralen ketels en versche oesters in perelmoeren tellooren. En zij wordt goed ontvangen, onthaald en gevierd; de engelen roepen heur altijd omhoog. Gansch verkwikt, gelukkig, begint zij te zingen als een leeuwerik en vliegt zij naar 't hoogste der hemelen, alwaar God glorierijk op Zijnen troon is gezeten. Zij vindt daar al heure vrienden en magen terug, behalve diegenen, die de aflaten en Onze Moeder de Heilige Kerke versmaadden en branden in het diepste der helle. En dat voor altijd, altijd, altijd, in de eeuwigheid der eeuwigheden. Maar de andere ziele, zij is bij den Heere; zij verkwikt zich in welriekende baden en knabbelt kandijsuiker. Koopt aflaten, mijne broeders: men heeft er tegen alle prijzen, tegen dukaten, tegen gouden florijnen, Engelsche sovereings! Kopergeld wordt niet versmaad. Koopt! koopt! alhier is de heilige winkel; armen en rijken worden gediend, maar krediet geeft men niet, mijne broeders, want koopen zonder klinkende munt is eene misdaad in de oogen van den Heer."
De broeder, die niet preekte, rammelde met den schotel. Guldens, dukaten, lammeren, oortjes, stuivers en deniers vielen er in als hagelsteenen.
Klaas, die nu geld had, betaalde een gulden voor tienduizend jaar aflaat. De monniken gaven hem daarvoor een stuksken perkament.