De legende en de heldhaftige, vroolijke en roemrijke daden van Uilenspiegel en Lamme Goedzak in Vlaanderenland en elders

Part 8

Chapter 83,996 wordsPublic domain

--Waarom, sprak hij, hebt gij bij mijne komst niet geblazen, terwijl gij een goeden bril hadt?

Dit zeggende, streek hij de hand over de oogen, om den wille van de zonne, en zoo bekeek hij Uilenspiegel.

Deze streek ook de hand over de oogen en antwoordde dat hij, sedert hij Zijne Heilige Majesteit door zijne vingeren zag kijken, geen bril meer wilde bezigen.

De keizer zei hem, dat hij ging gehangen worden; de poortwachter zei dat het wel besteed was, en de burgemeesteren zeiden geen woord om die sententie goed te keuren of tegen te spreken, want zij waren met schrik vervuld.

De beul en zijne knechten werden geroepen. Zij kwamen met eene ladder en een nieuwe koorde, grepen Uilenspiegel bij den kraag en deden hem vóór de honderd ruiters van Kornjuin gaan. In stee van hem gerust te laten om zijne gebeden te zeggen, begonnen deze hem te sarren en te plagen.

Het gemeen, dat volgde, zegde:

--'t Is een ongemeene wreedheid, dien armen jongen voor zulk een gering vergrijp ter dood te veroordeelen.

En de wevers, die daar in groote menigte onder de wapens stonden, zegden:

--Wij zullen Uilenspiegel niet laten hangen; dat is in strijd met de costume van Oudenaarde.

Doch men kwam aan het galgeveld. Uilenspiegel werd op de ladder getrokken, en de beul deed de koorde rond zijnen hals. De wevers drongen rond de galge. De provoost was daar, met de roede der justitie bij zich, met dewelke hij op bevel van den keizer het teeken tot de uitvoering moest geven.

Heel het vergaderde volk riep:

--Genade! genade voor Uilenspiegel!

Uilenspiegel, van op zijne ladder, sprak:

--Medelijden! genadige keizer!

De keizer hief de hand op en sprak:

--Als die deugniet mij iets vraagt, dat ik niet doen kan, schenk ik hem het leven!

--Spreek, Uilenspiegel! riep het volk.

De vrouwen weenden en zeiden:

--Hij moet sterven, de jongen, want de keizer kan alles.

En allen riepen:

--Spreek, Uilenspiegel!

--Heilige Majesteit, ik zal U noch geld, noch erfgoederen, noch het leven vragen, doch enkel iets voor hetwelk gij beloven moet, als ik zoo spreken durf, mij niet te zullen doen geeselen of radbraken, vóór dat ik naar de andere wereld vertrek.

--Dat beloof ik, sprak de keizer.

--Majesteit, zei Uilenspiegel, ik vraag dat, vóór ik gehangen worde, gij mijnen mond komt kussen met denwelken ik geen Vlaamsch spreke....

De keizer, die lachte evenals heel de menigte, antwoordde:

--Ik kan niet doen wat gij mij vraagt, en gij zult niet gehangen worden, Uilenspiegel.

Maar de burgemeesteren en schepenen veroordeelde hij om, zes maanden lang, eenen bril van achteren op het hoofd te dragen, opdat, zegde hij, als die van Oudenaarde van voren niet zien, zij tenminste van achteren zouden zien.

En, bij keizerlijk decreet, staat die bril nog heden op het wapen van de stad.

En Uilenspiegel ging zediglijk henen, met een kleine tassche vol geld, dat de vrouwen hem hadden gegeven.

XLIII.

Uilenspiegel, die te Luik op de vischmarkt liep, zag een dikken jongeling, die een net met allerhande gevogelte onder den arm droeg en nog een ander vulde met schelvisch, forellen, paling en karpers.

Uilenspiegel herkende Lamme Goedzak.

--Wat doet gij hier, Lamme? vroeg hij.

--Gij weet, sprak hij, dat die van Vlaanderen welkom zijn in het zoete land van Luik; ik ben hier heengetrokken door de liefde. En gij?

--Ik zoek een meester om brood te verdienen, antwoordde Uilenspiegel.

--'t Is droge kost, zei Lamme. Een rozenkrans van ortolanen met eene lijster, als credo, staat verre daarboven.

--Zijt gij rijk? vroeg Uilenspiegel hem.

Lamme Goedzak antwoordde:

--'k Verloor mijn vader, mijn moeder en mijn jongere zuster, die mij altijd sloeg. Ik erfde hun vermogen en ik woon met eene dienstmaagd, die maar één oog heeft, zeer ervaren in de kunste van braden en koken.

--Wil ik uwe visch en uw gevogelte dragen, vroeg Uilenspiegel.

--Ja, sprak Lamme.

En beiden slenterden voort langs de markt.

Eensklaps vroeg Lamme:

--Weet gij waarom gij niet wijs zijt?

--Neen, antwoordde Uilenspiegel.

Omdat gij dit eten in de hand draagt, in stee van in uwe maag.

--Inderdaad, Lamme, antwoordde Uilenspiegel; maar sinds ik geen brood meer heb, willen de ortolanen mij niet meer bezien.

--Gij zult er hebben, Uilenspiegel, sprak Lamme, en gij zult mij dienen als gij mijne dienstmaagd vermoogt te bevallen.

Terwijl zij voortgingen, toonde Lamme aan Uilenspiegel, een schoone, lieve, poezele meid, in zijde gekleed, die langs de markt liep en Lamme toelonkte.

Een oud man, heur vader, ging achter heur met twee netten, één met visch, het ander met wild.

--Die, sprak Lamme, die wordt mijne gade.

--Ja, sprak Uilenspiegel, ik ken heur, 't is een Vlaamsche van Zottegem; zij woont in de rue Vinave-d'Isle, en de buren zeggen, dat hare moeder in heure plaats de straat vóór de deur keert en dat heur vader heure hemdenen strijkt.

Doch Lamme antwoordde niet en sprak blijde:

--Zij heeft mij bezien.

Getweeën kwamen zij aan het huis van Lamme, omtrent eene brug over de Maas, en Lamme klopte aan de deur. Een eenoogige dienstmaagd kwam opendoen. Uilenspiegel zag dat zij oud, lang, mager en norsch was.

--Sanginne, sprak Lamme tot haar, wilt gij dezen jongen man om u te helpen in uw werk?

--Ik zal hem probeeren, sprak zij.

--Neem hem, sprak hij, en laat hem de lekkernijen van uwe keuken proeven.

Sanginne bracht toen drie zwarte pensen, eene pint kuite en eene homp brood.

Terwijl Uilenspiegel aan 't eten was, smulde Lamme ook aan eene pens.

--Weet gij, vroeg hij hem, waar onze ziel woont?

--Neen, Lamme, sprak Uilenspiegel.

--In onze maag, antwoordde Lamme, daar wordt ze steeds doorploegd om ons voortdurend nieuwe geesteskracht te schenken. En welke zijn onze beste gezellen? Het zijn de fijne brokken, begoten met wijn van de Maas.

--Ja, sprak Uilenspiegel, pensen zijn aangenaam gezelschap voor een eenzame ziele.

--Hij vraagt nog, Sanginne, sprak Lamme.

Deze reis gaf Sanginne hem witte pensen.

Terwijl Uilenspiegel zich volstopte, zei Lamme, in gedachten verslonden:

--Als ik zal sterven, zal mijn maag met mij sterven, en hier beneden, in het vagevuur, zal men mij laten vasten, en laten ronddwalen met een slappen en ledigen buik.

--De zwarte waren beter, zei Uilenspiegel.

--Gij hebt er zes gegeten, sprak Sanginne, gij krijgt geene meer.

--Uilenspiegel, sprak Lamme, gij zult hier goed behandeld worden, en eten lijk ik.

--Dat woord zal ik onthouden, zei Uilenspiegel.

Uilenspiegel, ziende dat hij at lijk Lamme, was gelukkig. De pensen die hij gegeten had, gaven hem zulken moed, dat hij dien dag ketels, potten en pateelen deed blinken lijk zonnen.

Daar hij goed leven had in dit huis, verbleef hij geerne in kelder en keuken, en liet hij den zolder aan de katten. Eens had Sanginne twee kiekens te braden, en beval tot Uilenspiegel aan het spit te draaien, terwijl zij naar de markt om de toespijzen ging.

Als de twee kiekens gebraden waren, at Uilenspiegel er een op.

Sanginne kwam terug en ze sprak:

--Er waren twee kiekens, en ik zie er maar een meer.

--Doe uw ander oog open en gij zult ze alle twee zien, antwoordde Uilenspiegel.

Woedend ging zij dat vertellen aan Lamme Goedzak, die naar de keuken kwam en aldus sprak tot Uilenspiegel:

--Waarom spot gij met de meid? Er waren twee kiekens.

--Inderdaad, Lamme, sprak Uilenspiegel, maar als ik hier binnenkwam, hebt gij gezegd dat ik zou eten en drinken als gij. Er waren twee kiekens: een heb ik gegeten, het ander is voor u; mijne vreugd is voorbij, de uwe nog niet; zijt gij niet gelukkiger dan ik?

--Ja, sprak Lamme glimlachend, maar doe immer alles wat Sanginne u zal zeggen, en gij zult maar half werk hebben.

--Ik zal mijn best doen, Lamme, antwoordde Uilenspiegel.

Telkens dat Sanginne hem dan ook iets gebood, deed hij het maar half, als zij hem zei van twee akers water te putten, bracht hij er maar een; als zij hem vroeg aan de tonne den pot met kuite te vullen, goot hij onderweg de helft in zijn keelgaat, en zoo verder.

Ten slotte werd Sanginne het moede en ze zei tot Lamme dat, als die deugniet langer in huis bleef, zij dadelijk heenging.

Lamme ging tot Uilenspiegel en zei:

--Gij moet heengaan, mijn jongen, niettegenstaande dat gij hier goed waart in huis. Hoor dien haan kraaien, 't is twee uren na middag, dat is een teeken van regen. Liever zette ik u niet buiten, als er slecht weder op handen is; maar bedenk, mijn jongen, Sanginne houdt met heur gekook en gebraad mijn levenslicht brandend; als zij mij verlaat, moet ik sterven. Ga heen dus, mijn vriend, op Gods genade, en neem deze drie gulden en dezen krans worsten, om u tot vertroosting te dienen.

En Uilenspiegel trok beschaamd en beteuterd henen, want hij betreurde Lamme en zijne keuken.

XLIV.

De slachtmaand kwam te Damme en elders, maar 't was een late winter. Noch sneeuw, noch koude, noch regen; de zonne scheen van 's morgens tot 's avonds, de kinderen stoeiden in het stof van straten en wegen; en kooplieden, kramers, goudsmeden, wagenmakers en werklieden kwamen 's avonds na het eten, op de zulle hunner deur, kijken naar den immerblauwen hemel, naar de boomen, die nog hunne bladeren hadden, naar de ooievaars, die op de daken zaten en de zwaluwen, die nog niet vertrokken waren. De rozen hadden driemaal gebloeid en botten voor de vierde reize; de nachten waren zoel, de vogeltjes kweelden in de bosschen.

Die van Damme zegden:

--De winter is dood, laat ons hem verbranden.

En zij maakten een grooten man met een berensnoet, een langen vlassen baard en haar van schavelingen. Zij deden hem witte kleederen aan en verbrandden hem in groote plechtigheid.

Klaas was weemoedig; hij zegende geenszins den immerblauwen hemel, noch de zwaluwen die niet wilden vertrekken. Want te Damme brandde niemand meer kolen, tenzij voor de keuken, en daar iedereen er daarvoor genoeg had, ging niemand er koopen bij Klaas, die al zijne spaarpenningen uitgegeven had om zijn voorraad in te doen.

De kooldrager stond op de zulle zijner deur, toen hij zijn neus door een koel windeken voelde streelen,

--Ha! sprak hij, daar komt mijn brood aanwaaien.

Maar het koel windeken bleef niet waaien, en de hemel bleef immer blauw, en de bladeren wilden niet vallen. En Klaas weigerde zijn wintervoorraad voor halfprijs te verkoopen aan den gierigaard Grijpstuiver, den deken der vischverkoopers. En weldra was er gebrek in de arme stulp.

XLV.

Doch koning Philippus had geen honger; hij at gebakjes bij zijne gemalin, Maria de leelijke, van het koninklijk huis der Tudor's. Hij beminde heur niet, doch hoopte die tengere vrouw te bevruchten om aan de Engelsche natie een Spaanschen koning te geven.

Maar de verbintenis van een steen met een brandende kool mislukte haar doel. Toch waren Philippus en Maria genoeg verbonden om protestanten met honderden te doen sterven door het vuur en het water.

Als Philippus niet uit Londen was, of als hij niet, onder eenige vermomming, in het een of ander slecht kot zijn vermaak zocht, bracht de nacht de beide echtgenooten bij elkander.

Dan leunde koningin Maria, in schoone Iersche kant en fijn Doornijksch lijnwaad gehuld, tegen het echtelijk bed, terwijl Philippus keek of hij bij zijne vrouw geenerlei teeken van zwangerschap zag; doch niets ziende, werd hij kwaad en bekeek de toppen zijner vingeren zonder een woord te uiten. Teederlijk zag de vorstinne hem aan; smeekte den ijskouden Philippus om liefde. Niets ontzag zij, tranen, kreten, noch smeekingen om een kus te ontvangen van hem, die heur zijn minne niet schonk.

Als een uitzinnige vrouw lachte en weende zij tegelijk om hem te verteederen; doch lachen noch tranen vermochten dit steenen herte te smelten.

Als een verliefde slang, kronkelde zij zich, sloeg zij te vergeefs hare armen rond hem en trok zij tegen heur hert de smalle borstkas, waar de wanstaltige ziel van den bloedigen koning in huisde; maar hij verroerde zich niet.

De arme vrouw deed heur best lieftallig te zijn; zij gaf hem al de zoete namen, die de minnezieken geven aan de verkorene heurs herten: Philippus bekeek de toppen zijner vingeren.

Soms antwoordde hij:

--Zult gij nooit kinderen hebben?

Op die rede boog Maria het hoofd.

--Is het mijne schuld, sprak zij, zoo ik onvruchtbaar ben? Heb medelijden met mij: ik leef als eene weduwe.

--Waarom hebt gij geene kinderen? sprak Philippus.

Toen viel de vorstinne op het tapijt, als door den dood getroffen. En hare oogen baadden in tranen, en zij hadde bloed geweend, hadde zij gekunnen.

En aldus wreekte God de slachtofferen, waarmede de beulen Engelands bodem hadden bedekt.

XLVI.

Het gerucht liep, dat keizer Karel van zins was het recht van erflating te ontnemen aan al degenen, die in de kloosters stierven, hetgeen den Paus grootelijks mishaagde.

Uilenspiegel, die toen in de vallei der Maas was, dacht dat de keizer aldus te allen kant voordeel halen zou, want hij erfde als de familie niet erfde. Hij zette zich neder aan den oever van den stroom en wierp zijne lijn met het aas uit. Vervolgens knaagde hij aan een oude broodkorst; het speet hem wel, dat hij er geen kroes wijn bij had, maar hij zegde tot zich zelven: men kan 't niet altijd naar wensch hebben.

Toen wierp hij een stuk van zijn brood in 't water, want wie zijn maaltijd niet deelt met zijn evennaaste, is niet weerd dat hij leeft.

Een grondeling kwam het brood rieken en opende onnoozel den bek, in den waan, dat het brood er van zelf ging in vallen. Terwijl hij aldus in de lucht keek, werd hij eensklaps ingeslikt door een verradelijken snoek, die als een pijl op hem was toegeschoten.

Een karper, die argeloos in de lucht naar de vliegen hapte, onderging hetzelfde lot. Als de snoek verzadigd was, bleef hij onbeweeglijk stil, de kleine vischjes versmadend, die pijlsnel van hem wegzwommen. Terwijl hij aldus in trotschheid zijn gemak nam, schoot een hongerige, vraatzuchtige snoek met open muil op hem toe. Een woedend gevecht ontstond en weldra zag het water rondom hen rood van bloed. De verzadigde snoek verdedigde zich slecht tegen den hongerige, die wat achteruit zwom, zijn aandrift nam en op zijn tegenstrever toeschoot, welke hem met open muil afwachtte en de helft van zijn kop inslikte; hij wilde hem weder uit den muil stooten, doch hij slaagde er niet in, om den wille van zijne haaktanden. En beide spartelden wanhopiglijk.

Aldus aaneengehecht, zagen zij den sterken angel niet, die, aan een zijden snoer gebonden, langzaam omhoog kwam en in de vinne drong van den verzadigden snoek, beide optrok en ze met krachtigen zwenk op het gras smeet.

Uilenspiegel sneed hun de keel af en sprak:

--Snoeken, mijne vrienden, mocht gij de paus en de keizer zijn, die elkander verslinden, en ik het wakkere volk dat u beiden opscheert, op het uur dat God zal believen!

XLVII.

En Katelijne, die Borgerhout niet verlaten had, dwaalde steeds door de velden en herhaalde gedurig: "Hansken, mijn man, zij hebben vuur op mijn hoofd gelegd; maak er een gat in, dat mijne ziel er uit kome. Helaas! zij klopt altijd en elke klop doet zeer als een hamerslag."

En Nele verzorgde de arme uitzinnige, en treurig dacht zij aan heuren vriend Uilenspiegel.

En te Damme bond Klaas zijne mutsaards en verkocht zijne kolen; en menigwerf werd hij droefgeestig als hij dacht aan Uilenspiegel, den banneling, die nog in langen tijd niet zou mogen terugkeeren naar de ouderlijke stulp.

Soetkin zat heele dagen aan het venster te kijken of zij heuren zoon niet zag aankomen.

Deze was nu bij Keulen en kreeg lust in 't hovenieren.

Hij ging zich als knecht verhuren bij Jan van Zuursmoel, die, ten tijde dat hij kapitein der landsknechten was, wegens wanbetaling van soldij bijna gehangen geweest was, weshalve hij een grooten afkeer had van hennep, door de boeren kennep genoemd.

Op zekeren dag nam Jan van Zuursmoel Uilenspiegel mede naar zijn akker, waarnaast een dagwand, geheel met kennep beplant.

Jan van Zuursmoel sprak tot Uilenspiegel:

--Telkenmale dat gij die leelijke plant ziet, moet gij ze met zooveel verachting bejegenen als gij maar kunt, want zij dient tot rad en tot galg.

--Ik zal het onthouden, antwoordde Uilenspiegel.

Eens nu dat Jan van Zuursmoel met eenige vrienden aan tafel zat, zei de keukenmeid tot Uilenspiegel:

--Ga naar den kelder en haal er den zennep, wat toen mosterd bediedde.

Uilenspiegel opzettelijk kennep in plaats van zennep verstaande, bejegende den mosterdpot met de meest mogelijke verachting en kwam hem vervolgens op de tafel stellen, heimelijk lachend.

--Waarom lacht gij? vroeg Jan van Zuursmoel. Meent gij dat onze neuzen van koper zijn? Eet zelf dien zennep, mits gij hem zelven gereedgemaakt hebt.

--Ik eet liever kaneelkoekjes, antwoordde Uilenspiegel.

Jan van Zuursmoel stond recht om hem te slaan.

--Wat hebt gij in dien mosterdpot gedaan? sprak hij.

--Wel baas, antwoordde Uilenspiegel, herinnert gij u niet den dag, toen ik u moest volgen naar den akker en gij mij, den zennep aanwijzende, zegdet: "Overal waar gij die leelijke plant ziet, moet gij ze met zooveel verachting bejegenen als gij maar kunt, want zij dient tot rad en tot galg." En ik heb het gedaan, baas, ik heb ze al mijne verachting uitgedrukt; gaat ge mij nu slaan omdat ik gehoorzaam was?

--Ik heb kennep gezeid en niet zennep, riep Jan van Zuursmoel.

--Baas, ge hebt zennep gezeid en niet kennep, antwoordde Uilenspiegel.

Nog langen tijd twistten zij aldus voort, Uilenspiegel op nederigen toon, Jan van Zuursmoel met een woedend geschreeuw, waarin hij de woorden hennep, zennep, kemp-zemp, zemp-kemp ondereen mengde als een verwarde streng zijde.

En de gasten lachten als duivels, die zich goed doen aan preekheerenribben en kettermeestersnieren.

Maar Uilenspiegel moest de deur uit.

XLVIII.

Nele was nog zeer bedroefd voor heur zelve en voor heure uitzinnige moeder.

Als Uilenspiegel zich bij een kleermaker verhuurde, zei deze tot hem:

--Als gij naait, naai dicht aaneen, dat ik de steken niet zie. Uilenspiegel ging zich onder eene tonne zetten en begon daar te naaien.

--Wat is dàt nu? riep de kleermaker.

--Ik ben in de ton gekropen om te naaien, dan kunt gij immers de steken niet zien? antwoordde Uilenspiegel.

--Kom, sprak de kleermaker, zet u hier neer op de tafel, en stik uwe steken dicht bij elkander, en maak het kleed als deze wolf.--Wolf was de naam van een boerenwambuis.

Uilenspiegel nam het wambuis, sneed het aan stukken, naaide het aaneen, zooveel als hij kon in de gedaante van een wolf.

Toen de kleermaker dat zag, riep hij uit:

--Wat duivel? maakt gij daar?

--Een wolf, antwoordde Uilenspiegel.

--Leelijke spotter, sprak de kleermaker, ik had u gezegd van een wolf te maken, 't is waar, maar gij weet toch wel, dat een wolf een boerenwambuis is.

Eenigen tijd naderhand zegde hij hem:

--Jongen, gooi nog eens gauw de mouwen aan dien bovenkerel daar, eer gij slapen gaat.

Uilenspiegel hing den bovenkerel aan eenen nagel en bracht heel den nacht door met de mouwen naar het kleedingstuk te werpen.

Op het leven dat hij maakte, kwam de kleermaker kijken.

--Deugniet, sprak hij, welke kwade poets zijt gij mij nu aan 't bakken?

--Gij heet dat een kwade poets? antwoordde Uilenspiegel. Bezie die mouwen, heel den nacht gooi ik ze naar den bovenkerel, en ze blijven er nog niet op.

--Dat spreekt van zelf, zei de kleermaker, daarom gooi ik u op straat, misschien blijft gij er op.

XLIX.

Als Katelijne bij een of anderen braven gebuur was, die op heur wilde letten, ging Nele verre, verre alleen, zelfs tot Antwerpen, langsheen de Schelde of elders, turend naar de wiegelende schuitjes en naar de stoffige wegen, of ze soms heuren vriend Uilenspiegel niet ontwaarde.

Eens dat Uilenspiegel te Hamburg op de jaarmarkt was, zag hij overal kooplieden, en onder hen, eenige oude joden, woekeraars en schacheraars.

Uilenspiegel, die ook wilde koopmanschap drijven, raapte eenige peerdevijgen op en droeg ze mee naar huis, 't is te zeggen naar een hoek van den vestingmuur. Daar liet hij ze drogen. Vervolgens kocht hij roode en groene zijde, van dewelke hij zakjes maakte; daarin stak hij de peerdevijgen, en hij bond de zakjes toe met een lint, alsof er muskus in stak.

Vervolgens maakte hij een houten bakje, hetwelk hij met een oude koord om zijn hals hing, en hij kwam op de markt met het bakje vol roode en groene zakjes, 's Avonds stelde hij een keersken midden tusschen de zakjes, om ze te verlichten.

Als men hem kwam vragen wat hij verkocht, antwoordde hij op geheimzinnigen toon:

--Ik zal het u zeggen, maar spreek niet te luide.

--Wat is het dan? vroegen de klanten.

--Het zijn, antwoordde Uilenspiegel, profetische zaadkorrels, die recht van Arabië naar Vlaanderen kwamen; zij zijn met groote kunste gereedgemaakt door meester Abdul-Medil, afstammeling van den grooten Mahomed.

De klanten zeiden tot elkander:

't Is een Turk.

Anderen spraken:

--Maar neen, 't is een pelgrim, die uit Vlaanderen komt; hoort gij 't niet aan zijne tale?

En armoedige, in lompen gehulde liefhebbers spraken:

--Geef ons eenige profetische zaadkorrels.

--Als gij guldens zult hebben om te betalen, antwoordde Uilenspiegel.

En de armoedige, in lompen gehulde liefhebbers gingen beteuterd henen, zeggende:

--Alles is toch voor de rijken hier op de wereld!

Maar weldra werd op de markt het gerucht verspreid, dat daar een Vlaming was met profetische zaadkorrels.

--Ja, zeiden de poorters tot elkander, ze zijn te Jeruzalem op het graf van Jezus Christus gewijd, maar men zegt dat hij ze niet wil verkoopen.

En de poorters kwamen bij Uilenspiegel en vroegen hem van zijne zaadkorrels.

Maar Uilenspiegel, die groote winsten wilde opstrijken, antwoordde dat zij niet rijp genoeg waren, en hij hield het oog op twee rijke joden, die langs de markt slenterden.

--Ik zou wel eens willen weten, sprak een der poorters, wat er geworden zal van mijn schip, dat op zee is.

--Het zal ten hemel varen, als de baren hoog genoeg rijzen, antwoordde Uilenspiegel.

Een ander liet hem zijn dochter zien, een blozende, poezele meid, en vroeg hem of het goed met haar zou loopen.

--Alles loopt zooals de natuur het wil, antwoordde Uilenspiegel, want hij had het meisje een sleutel zien geven aan een jongen man, die, glanzend van geluk, aan Uilenspiegel vroeg:

--Koopman, geef mij een van uwe profetische zakjes, opdat ik wete of ik dezen nacht alleene zal slapen.

--Er staat geschreven, sprak Uilenspiegel, wie verleiding zaait, zal horens maaien.

De jonge snaak was grammoedig en vroeg:

--Wat wilt gij zeggen?

--De zaadkorrels zeggen, antwoordde Uilenspiegel, dat zij u wenschen een gelukkig huwelijk en een vrouw, die u geen Vulcanus-hoed opzet. Kent gij dat hoofddeksel?

Vervolgens sprak hij op den toon van een zedenpreeker:

--Want de vrouw die een godspenning geeft op den huwelijkskoop, geeft naderhand heel de waar aan anderen weg.

Stoutweg vroeg de meid aan Uilenspiegel:

--Ziet men dat allemaal in uwe profetische zakjes?

--Men ziet er mede eenen sleutel in, fluisterde Uilenspiegel heur stil in het oor.

Maar de jongeling was weg met den sleutel.

Eensklaps zag Uilenspiegel een dief van den stal van een spekslachter eene worst nemen van eene elle lang en die onder zijn mantel verbergen. Maar de koopman zag het niet. Blijgezind kwam de dief bij Uilenspiegel, en hij vroeg hem:

--Wat verkoopt gij daar, ongeluksprofeet?

--Zakjes, waarin gij zult zien dat uwe liefde voor de worsten u naar de galg zal brengen.

Op die rede nam de dief ijlings de vlucht, terwijl de bestolen koopman riep:

--Houdt den dief! houdt den dief!

Maar deze was de gaten uit.

Terwijl Uilenspiegel sprak, kwamen de twee rijke Joden, die met aandacht geluisterd hadden, naar hem toe en vroegen:

--Wat verkoopt gij daar, Vlaming?

--Zakjes, antwoordde Uilenspiegel.

--En wat ziet men met uwe profetische zaadkorrels? vroegen zij weder.

--Men ziet de toekomst, als men op de zaadkorrels zuigt, antwoordde Uilenspiegel.

De twee joden spraken stille tot elkander, en de oudste zei tot den anderen:

--Zoo zouden wij weten wanneer onze Messias komt; dat ware voor ons een groote vertroosting. Laat ons een van die zakjes koopen.